Omschrijving
20 jaar Internationaal Strafhof: verwezenlijkingen en uitdagingen
Jaargang
2021 - 2022 (85)
Pagina
1651
Auteur(s)
J. Wouters
Trefwoorden

VOLKENRECHT

INTERNATIONAAL RECHT

Bijkomende informatie

20 jaar Internationaal Strafhof: verwezenlijkingen en uitdagingen

Jan WOUTERS

Gewoon hoogleraar internationaal recht KU Leuven

20 jaar geleden, op 1 juli 2002, trad het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in werking. Het Internationaal Strafhof werd enthousiast onthaald als een grote verwezenlijking in de strijd tegen de straffeloosheid voor internationale misdrijven. Twee decennia later is dat enthousiasme sterk bekoeld: het Strafhof heeft slechts 10 personen veroordeeld en bleek vaak intern sterk verdeeld. Verschillende grote mogendheden weigeren het Hof te erkennen. Deze bijdrage plaatst het Internationaal Strafhof in perspectief, met aandacht voor zijn genese, kenmerken, werking, verwezenlijkingen en uitdagingen.

I. Inleiding

1. Op 1 juli 2002 trad het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof («Statuut van Rome» of «Statuut») in werking.1 België was van meet af aan partij bij het Statuut en nam op 29 maart 2004 een wet aan «betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen», die herhaaldelijk gewijzigd werd.2 Het Internationaal Strafhof («ISH», «Hof» of «Strafhof») werd destijds enthousiast onthaald als een grote verwezenlijking in de strijd tegen de straffeloosheid voor internationale misdrijven.3 De secretaris-generaal van de Verenigde Naties («VN»), Kofi Annan, verwelkomde de totstandkoming van het Hof, het eerste permanente internationale strafrechtscollege, als een historische verwezenlijking, een bewijs van de centrale plaats van de rechtsstatelijkheid in de internationale betrekkingen, en een mogelijke afschrikking voor toekomstige wreedheden.4

20 jaar later lijkt het enthousiasme voor het ISH echter sterk bekoeld. Het Strafhof heeft weliswaar heel wat onderzoekingen en processen gevoerd, vaak in samenhang met belangrijke gewapende conflicten in de wereld, en soms jegens zeer hoge beleidsverantwoordelijken - zelfs staatshoofden-, maar het heeft tot op heden slechts tien personen veroordeeld, bleek vaak intern sterk verdeeld, en is door een aantal grote mogendheden niet erkend. Bovendien hebben enkele Staten zich recent teruggetrokken uit het Statuut.

Onderhavige bijdrage plaatst het ISH in perspectief. Naast aandacht voor de genese, kenmerken en werking van het Strafhof (II) wordt ingegaan op de verwezenlijkingen van het Hof in de afgelopen 20 jaar (III) alsook op de belangrijke uitdagingen waar het ISH voor staat (IV). Een kort besluit rondt het geheel af (V).

II. Het Internationaal Strafhof: historiek, kenmerken en werking

§ 1. Historiek

2. Het internationaal strafrecht is een vrij recente tak van het volkenrecht. Met name na de Tweede Wereldoorlog hebben de Tribunalen van Nürnberg en Tokio het beginsel bevestigd dat individuen op internationaal niveau strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor internationale misdrijven. Deze Tribunalen liggen ook aan de oorsprong van de erkenning van de volkenrechtelijke misdrijven oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid.5 Van 9 december 1948 dateert ook het «Genocideverdrag»6, dat in zijn art. I genocide, «bedreven zowel in vredes- als in oorlogstijd», kwalificeert als een «misdrijf krachtens internationaal recht». Oorlogsmisdaden zijn gaandeweg uitgewerkt in de Conventies van Genève van 1949 en in het Aanvullend Protocol I van 1977.7 Internationale strafrechtscolleges zijn echter lange tijd een droom gebleven. Over het algemeen behouden staatsorganen het monopolie van bestraffing, ook van volkenrechtelijke misdaden. Zo worden krachtens art. VI Genocideverdrag personen beschuldigd van genocide berecht «door een daartoe bevoegde rechtbank van de Staat, binnen welks gebied het feit is gepleegd, of door een zodanige internationale strafrechtbank als daartoe bevoegd is ten aanzien van die Verdragsluitende Partijen, welke de rechtsmacht van deze rechtbank hebben aanvaard». Met de inwerkingtreding van het Statuut van Rome werd de belofte van deze laatste zinssnede, bijna 54 jaar later, ingelost (zie ook infra, nr. 4). In het algemeen zijn voor de vervolging van internationale misdaden zowel de Staat op het grondgebied waarvan de misdaad werd gepleegd, de Staat waarvan wie de dader of het slachtoffer de nationaliteit heeft, als de Staat waar de dader zijn toevlucht heeft gezocht of waar hij aangehouden werd, bevoegd.8 Sommige Staten hanteren voor de internationale «kernmisdaden»9 ook het beginsel van universele rechtsmacht, zoals bv. Duitsland.10 België deed dit laatste een tijdlang op zeer progressieve wijze, met zijn zogenaamde «Genocidewet», die echter in 2003 werd vervangen door een minder verregaande wetgeving.11

3. De Koude Oorlog heeft lange tijd de verdere uitbouw van het internationaal strafrecht belemmerd. In 1993 besloot de VN-Veiligheidsraad ten gevolge van de oorlogsgruwelen in het voormalige Joegoslavië om een Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, ICTY) op te richten voor de berechting van diegenen die zich aan ernstige feiten schuldig hebben gemaakt op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sinds 1991.12 Het ICTY, met zetel in Den Haag, had naast Kamers van eerste aanleg en een Kamer van beroep een procureur die onderzoek verrichtte en de tenlastelegging voorbereidde, en een griffie. Naar aanleiding van de genocide die zich in mei 1994 in Rwanda had voorgedaan, richtte de Veiligheidsraad in 1994 het Internationaal Tribunaal voor Rwanda (International Criminal Tribunal for Rwanda, ICTR) op.13 Het ICTR had de taak de personen te berechten die geacht worden aansprakelijk te zijn voor de handelingen van volkenmoord of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, begaan op Rwandees grondgebied tussen 1 januari en 31 december 1994. Het ICTR, dat zijn zetel had in Arusha, Tanzania14, was op dezelfde wijze samengesteld als het ICTY. Het had dezelfde Kamer van beroep als het ICTY, om de eenvormigheid van de rechtspraak te verzekeren. Beide tribunalen waren opgevat als tijdelijk en zijn inmiddels niet langer actief. Wel is er nog steeds een door de Veiligheidsraad ingesteld «Internationaal Residuair Mechanisme voor Straftribunalen» (International Residual Mechanism for Criminal Tribunals, IRMCT). Beide tribunalen hebben met hun rechtspraak een doorslaggevende bijdrage geleverd aan het internationaal humanitair recht en het internationaal strafrecht.15

4. De antecedenten voor een permanent internationaal strafhof gaan al een eind terug in de tijd. Zij gaan zelfs terug tot vóór de Tweede Wereldoorlog. Uit 1937 dateert immers een Verdrag van de Volkenbond tot oprichting van een internationaal strafhof, dat met name rechtsmacht zou hebben over terroristische misdrijven.16 In haar resolutie 260 van 9 december 1948, waarbij zij het hogergenoemde Genocideverdrag aannam, droeg de VN-Algemene Vergadering de VN-Commissie voor Internationaal Recht op «to study the desirability and possibility of establishing an international judicial organ for the trial of persons charged with genocide [...]». Nadat de Commissie voor Internationaal Recht tot de conclusie was gekomen dat een dergelijk internationaal hof zowel wenselijk als mogelijk was, richtte de Algemene Vergadering een comité op dat een statuut moest voorbereiden. Dit comité werkte in 1951 een ontwerpstatuut uit en een gewijzigd ontwerpstatuut in 1953. De Algemene Vergadering verdaagde echter de bespreking hiervan tot er een definitie van het internationaalrechtelijke misdrijf «agressie» (vanwege een Staat jegens een andere Staat) zou zijn aangenomen. De Koude Oorlog zorgde er voor dat dit project op de lange baan werd geschoven. Pas meer dan 40 jaar later, in december 1989, vroeg de Algemene Vergadering de Commissie voor Internationaal Recht een ontwerpstatuut uit te werken.

Het ontwerp van de Commissie kwam er in 1994. Nadat een comité ad hoc een rapport had uitgewerkt, riep de Algemene Vergadering een voorbereidend comité (een zogenaamde prepcom) bijeen, dat in april 1998 zijn werkzaamheden afsloot met een ontwerpstatuut. Van 15 juni tot 17 juli 1998 vond vervolgens een diplomatieke conferentie te Rome plaats, waar de tekst van het Statuut na intensieve onderhandelingen werd aangenomen met 120 stemmen tegen 7, bij 21 onthoudingen.17 Na de inwerkingtreding van het Statuut op 1 juli 2002 verkoos de Vergadering van de Staten die partij zijn bij het Statuut begin februari 2003 18 rechters voor het Hof. Op 21 april 2003 verkoos zij eenparig de Argentijn Luis Moreno-Ocampo tot aanklager.18

§ 2. Kenmerken en rechtsmacht

5. Het ISH, met zetel in Den Haag, heeft een heel andere rechtspositie dan het ICTY en het ICTR. Anders dan deze twee Tribunalen is het niet gebaseerd op een resolutie van de Veiligheidsraad uit hoofde van Hoofdstuk VII van het VN-Handvest (d.w.z. bindend voor alle Staten), maar op een multilateraal verdrag, het Statuut van Rome, waarbij thans 123 Staten - waaronder België en alle andere EU-lidstaten19 - partij zijn. Het gaat om 33 Afrikaanse landen, 19 landen uit Azië-Stille Oceaan, 18 uit Oost-Europa, 28 uit Latijns-Amerika en de Caraïben en 25 uit West-Europa en andere Staten. Burundi en de Filippijnen hebben zich in 2017 teruggetrokken (wat mogelijk is onder art. 127 van het Statuut); Gambia en Zuid-Afrika hadden van hun voornemen om zich terug te trekken kennis gegeven, maar zijn hierop teruggekomen (zie ook infra, nr. 13).20 Een aantal grootmachten, zoals de VS, Rusland, China en Indië, zijn geen partij bij het Statuut. De VS21 en Rusland hadden destijds het Statuut ondertekend, maar hebben resp. in 2002 en 201622 de VN secretaris-generaal (die de depositaris van het Statuut is) kennis gegeven van hun voornemen om het verdrag niet te ratificeren.

Als multilateraal verdrag creëert het Statuut alleen verplichtingen tussen de partijen, met dien verstande dat de Veiligheidsraad, handelend krachtens Hoofdstuk VII van het VN-Handvest, een situatie waarin een of meer van de door het Statuut bestreken misdaden zijn gepleegd, naar de openbare aanklager van het ISH kan verwijzen (art. 13, sub b Statuut). Bij Resolutie 1593 (2005) heeft de Veiligheidsraad voor het eerst een situatie (Darfoer, Soedan) naar het ISH verwezen. Bij Resolutie 1570 (2011) heeft de Veiligheidsraad ook de situatie in Libië naar het ISH verwezen.23

6. Het Strafhof bestaat uit vier organen: (i) het Presidium, (ii) de Kamers (het Statuut vermeldt «een Afdeling Beroep, een Afdeling Berechting en een Afdeling Vooronderzoek»), (iii) het Parket van de Aanklager, en (iv) de Griffie. Elk van deze organen heeft een specifieke rol.

Het Presidium bestaat uit drie rechters (de President en twee Vicepresidenten, bij absolute meerderheid door de rechters verkozen) en is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van het Hof, met uitzondering van het Parket van de Aanklager.24 Het vertegenwoordigt het ISH naar buiten toe en moet ook toezien op de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Hof.25

Dan zijn er de Kamers. De 18 rechters waaruit het Hof bestaat, en die voor een niet-verlengbare termijn van 9 jaar zijn verkozen, zijn allen (ook deze die het Presidium uitmaken) toegewezen aan een Kamer. Het Hof heeft drie afdelingen: de Afdeling Vooronderzoek (Pre-Trial Division), samengesteld uit zeven rechters; de Afdeling Berechting (Trial Division), samengesteld uit zes rechters; en de Afdeling Beroep (Appeals Division), samengesteld uit vijf rechters). Elke Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) heeft één of drie rechters; elke Kamer van Berechting (Trial Chamber) heeft drie rechters; de Beroepskamer (Appeals Chamber) heeft, zoals hoger aangegeven, vijf rechters.26

Vervolgens is er het Parket van de Aanklager. Aan het hoofd hiervan staat de Aanklager, bijgestaan door een Substituut-Aanklager. Beide zijn voor 9 jaar verkozen en niet verlengbaar.27

Tenslotte is er de Griffie. Deze is verantwoordelijk voor de «niet-gerechtelijke aspecten van het dagelijks bestuur en de bediening van het Hof».28 Aan het hoofd staat een Griffier, de hoogste bestuurlijke functionaris van het Hof, die zijn taken uitoefent onder het gezag van de President van het ISH.29

Geen orgaan van het Hof maar wel zeer belangrijk is de Vergadering van Staten die partij zijn bij het Statuut («Vergadering»).30 Zij is verantwoordelijk voor bestuurlijke aspecten zoals de vaststelling van de begroting en van de salarissen van de rechters, Aanklager en Griffier en de goedkeuring van het personeelsreglement, maar ook voor het aannemen van amendementen op het Statuut. Ze heeft tevens de Elementen van Misdrijven (Elements of Crimes)31 en het Reglement van proces- en bewijsvoering (Rules of Procedure and Evidence)32 van het Hof aangenomen, en een Trustfonds voor slachtoffers en hun familieleden opgericht.33 De Vergadering kiest ook de rechters, de Aanklager en Substituut-Aanklager.

7. De rechtsmacht ratione materiae van het ISH is beperkt tot «de ernstigste misdaden die de internationale gemeenschap in haar geheel met zorg vervullen». Op dit ogenblik zijn dat (i) de misdaad van genocide, (ii) misdaden tegen de mensheid, (iii) oorlogsmisdaden en (iv) de misdaad van agressie (art. 5, § 1 Statuut). De eerste drie misdaden zijn in hoofdzaak gedefinieerd in de artt. 6-8 van het Statuut. Wat de laatste misdaad betreft, heeft de eerste herzieningsconferentie in Kampala, Uganda (2010) een definitie van agressie aangenomen (art. 8bis Statuut). De nieuwe artt. 15bis en 15ter bepalen de voorwaarden voor de uitoefening van rechtsmacht over de misdaad van agressie.34 Anders dan wat betreft de andere misdaden in het Statuut kan de aanklager, buiten het geval van een verwijzing door de Veiligheidsraad, slechts een onderzoek starten uit eigen beweging of na verwijzing door een andere Staat nadat hij eerst heeft nagegaan of de Veiligheidsraad het bestaan van een daad van agressie heeft vastgesteld (op basis van art. 39 VN-Handvest) en nadat hij 6 maanden heeft gewacht, wanneer het een situatie van agressie betreft tussen Staten die partij zijn bij het Statuut, en wanneer de Kamer van Vooronderzoek het opstarten van een onderzoek heeft toegestaan. Deze bepalingen traden in werking nadat 30 Staten de amendementen hadden bekrachtigd of aanvaard en een beslissing om de rechtsmacht over de misdaad van agressie te activeren was genomen door de Vergadering op 14 december 2017, welke stipuleerde dat de rechtsmacht van het Strafhof over de misdaad van agressie zou geactiveerd worden vanaf 17 juli 2018.35 Internationaal terrorisme of internationaal georganiseerde misdaden als mensenhandel vallen niet onder de bevoegdheid van het ISH, net zomin als grensoverschrijdende economische misdrijven (bv. witwassen van criminele gelden).

Ratione loci geldt dat het Hof enkel misdrijven kan berechten die op het grondgebied van één van de partijen bij het Statuut zijn begaan (dan wel aan boord van een schip of vliegtuig indien de Staat van registratie partij is).36 Aan dit territorialiteitsbeginsel is het actief personaliteitsbeginsel toegevoegd: het Hof kan ook berechten indien de beschuldigde de nationaliteit heeft van een partij bij het Statuut.37 Deze beperkingen gelden niet bij een doorverwijzing door de Veiligheidsraad (infra, nr. 6). Overigens is de officiële hoedanigheid (staatshoofd, regeringsleider of -lid) irrelevant voor het Hof38: het heeft bv. twee staatshoofden (Laurent Gbagbo van Ivoorkust en Omar Hassan Ahmad Al Bashir van Soedan) in beschuldiging gesteld.

Ratione temporis bezit het ISH alleen rechtsmacht m.b.t. misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van het Statuut, dit is na 1 juli 2002 (resp. na de inwerkingtreding van het Statuut voor een partij die later toetreedt, tenzij deze eerder een verklaring had afgelegd die de uitoefening van de rechtsmacht van het ISH aanvaardde: art. 11 Statuut). Voor internationaalrechtelijke misdaden begaan vóór de inwerkingtreding van het Statuut (bv. tijdens de jaren 1990 in Sierra Leone, Oost-Timor en Kosovo) heeft het ISH derhalve geen rechtsmacht.

§ 3. Werking

8. Het ISH kan krachtens art. 13 Statuut zijn rechtsmacht uitoefenen indien:

a) een verdragspartij een situatie waarin een of meer van de misdaden waarvoor het Hof bevoegd is, lijken te zijn gepleegd, naar de aanklager verwijst (zie infra, nr. 10);

b) de Veiligheidsraad, handelend krachtens Hoofdstuk VII VN-Handvest, een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, naar de aanklager verwijst (supra nr. 4); of

c) de aanklager op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld betreffende dergelijke misdaden (zie art. 15 Statuut; infra, nr. 10).

In de gevallen (a) en (c) kan het ISH zijn rechtsmacht slechts uitoefenen wanneer de Staat op het grondgebied waarvan de desbetreffende gedragingen plaatsvonden of de Staat waarvan de beschuldigde persoon onderdaan is, partij is bij het Statuut of de rechtsmacht van het ISH heeft aanvaard (art. 12, § 2 Statuut). Dit vereiste geldt niet in geval (b), d.w.z. wanneer de Veiligheidsraad in het kader van Hoofdstuk VII VN-Handvest een situatie naar de aanklager verwijst. Voor de misdaad van agressie geldt een ietwat afwijkend regime (supra, nr. 4). Van een stelsel van klacht met burgerlijke-partijstelling zoals onder de voormalige Belgische Genocidewet (supra, nr. 2), d.w.z. een mogelijkheid voor particulieren om de strafvordering op gang te brengen, is voor het Internationaal Strafhof geen sprake. Wel moet de aanklager «de ernst van de ontvangen informatie» onderzoeken en daartoe kan hij aanvullende informatie vragen aan Staten, organen van de VN, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of andere betrouwbare bronnen.39

Een belangrijk beginsel dat de werking van het ISH beheerst, is dat van de complementariteit: de rechtsmacht van het Hof is complementair aan de nationale jurisdictie in strafzaken (art. 1 en tiende considerans preambule Statuut). Het Strafhof dient derhalve een zaak niet-ontvankelijk te verklaren indien in die zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft, tenzij deze Staat niet bereid of niet bij machte is (unwilling or unable) om het onderzoek of de vervolging tot een goed einde te brengen (art. 17, § 1, sub a Statuut). De tenuitvoerlegging van het complementariteitsbeginsel is geen sine cure gebleken (infra, nr. 13).

Aan te stippen valt dat de Veiligheidsraad in een resolutie aangenomen krachtens Hoofdstuk VII VN-Handvest het ISH kan verzoeken geen onderzoek of vervolging in te stellen of voort te zetten gedurende een periode van 12 maanden. Dit verzoek kan door de Veiligheidsraad voor eenzelfde termijn telkens worden hernieuwd (art. 16 Statuut). Het spreekt voor zich dat een permanent lid van de Veiligheidsraad zijn veto kan stellen tegen een dergelijk verzoek.40

9. De procedure en rechtsgang voor het ISH, vaak omschreven als een compromis tussen common law en continentale rechtsstelsels, is tamelijk complex.41 In de eerste plaats is het aan de Aanklager om preliminaire onderzoekingen (preliminary investigations) te doen om na te gaan of er voldoende bewijs is voor misdrijven die onder de rechtsmacht van het Hof vallen, of er daadwerkelijke nationale procedures zijn, en of het openen van een onderzoek in het belang van de slachtoffers en van een goede rechtsbedeling is.42 Na bewijs te hebben vergaard en een verdachte te hebben geïdentificeerd, moet de Aanklager de Kamer van Vooronderzoek verzoeken om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen (aanhoudingen en overleveringen dienen door Staten te gebeuren), of een oproep tot verschijning uit te vaardigen.43

Dan volgt de voorafgaande fase (pre-trial stage) van het proces. De verdachte verschijnt voor de Kamer van Vooronderzoek, die zijn identiteit bevestigt en zorgt dat hij de aanklacht begrijpt. Na de Aanklager, de verdediging en de wettige vertegenwoordiger van de slachtoffers gehoord te hebben, beslist de Kamer van Vooronderzoek - normaliter binnen 60 dagen - of er voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn. De Kamer bevestigt dan de tenlastegelegde feiten en verwijst de persoon naar een Kamer van Berechting om terecht te staan; hij kan ook die bevestiging afwijzen of de hoorzitting verdagen.44

Vervolgens is er de fase van de terechtzitting (trial stage). De Aanklager moet voor de Kamer van Berechting, bestaande uit drie rechters, de schuld van de beschuldigde bewijzen buiten iedere redelijke twijfel.45 De rechters overwegen al het bewijs, vaardigen een beslissing uit en, indien deze een veroordeling inhoudt, een einduitspraak (sentence). De Kamer kan een persoon tot 30 jaar gevangenisstraf veroordelen en, bij buitengewoon ernstige misdrijven, tot een levenslange gevangenisstraf.46

Zowel de Aanklager als de Verdediging kunnen in beroep gaan tegen de beslissing en de einduitspraak van de Kamer van Berechting. Over het beroep wordt beslist door de Kamer van Beroep, die alle bevoegdheden van de Kamer van Berechting uitoefent.47 De Kamer van Beroep kan de eerdere uitspraak bevestigen, vernietigen of wijzigen; ze kan ook een nieuwe terechtzitting gelasten.48

De tenuitvoerlegging van uitspraken gebeurt in één van de door het Hof aangewezen Staten die bereid zijn om veroordeelden te aanvaarden.49

10. Het Parket van de Aanklager voert thans preliminaire onderzoekingen naar Bolivia, Guinea, Nigeria, Oekraïne en Venezuela (thans in een tweede fase). In het verleden voerde het dergelijke onderzoekingen, zonder tot verdere stappen over te gaan, m.b.t. Colombia, Gabon, Honduras, Irak (m.b.t. verantwoordelijkheid van Britse bezettingstroepen), de Israëlische raid op een humanitair hulpschip voor de Gazastrook, en Korea. Tot op heden onderzocht het Parket van de Aanklager zestien situaties. Zeven gevallen betreffen een verwijzing van verdragspartijen: de DRC (2004), Uganda (2004), de Centraal-Afrikaanse Republiek (tweemaal: 2004 en 2014), Mali (2012), Venezuela (2018: verwijzing door een groep Staten) en Palestina (2021). Twee situaties worden onderzocht op verzoek van de Veiligheidsraad (Darfoer (2005) en Libië (2011), supra, nr. 4). Zeven situaties worden onderzocht op initiatief van de Aanklager zelf, die hiervoor groen licht van de Kamer van Vooronderzoek heeft gekregen: Burundi (2017), Kenia (2010), Ivoorkust (2011), Georgië (2016), Afghanistan (2017, toegelaten door Beroepskamer in 2020 na verwerping door Kamer van Vooronderzoek in 2019)50, Bangladesh/Myanmar (2019) en de Filippijnen (2021).

Het Strafhof heeft tot op heden 45 personen in staat van beschuldiging gesteld. Tegen negentien van hen zijn procedures lopende: twaalf zijn op de vlucht, drie in de voorafgaande fase, drie in de fase van terechtzitting, en één heeft beroep aangetekend tegen zijn vonnis. Procedures tegen 26 personen zijn beëindigd: twee zitten hun straf uit, zes hebben hun straf uitgezeten, vier zijn vrijgesproken, tegen zeven is de aanklacht afgewezen, tegen drie is de klacht ingetrokken, en vier zijn gestorven vóór hun proces. De eerste uitspraak van het ISH was op 14 maart 2012, waarbij Thomas Lubanga schuldig werd bevonden voor het onder de wapenen roepen en in militaire dienst nemen, en gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden, van kinderen onder 15 jaar.51 Germain Katanga («Bimba») werd in maart 2014 veroordeeld voor misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden in de DRC.52 Ahmad al-Mahdi - die schuldig pleitte - werd in september 2016 veroordeeld voor het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen bestemd voor godsdienst en/of historische monumenten.53 Jean-Pierre Bemba werd uiteindelijk in beroep vrijgesproken in juni 2018.54 Bosco Ntaganda werd in juli 2019 schuldig geacht voor misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden.55

11. Op grond van het Statuut van Rome moeten Staten alle krachtens hun interne recht nodige maatregelen nemen om uitvoering daaraan te geven. Voor België is dit geregeld in de hogergenoemde wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen.56 De relevante bepalingen werden voor het eerst toegepast bij de overlevering aan het Strafhof van Jean-Pierre Bemba op 3 juli 2008. Bemba werd op 24 mei 2008 in zijn woning in Sint-Genesius-Rode aangehouden op basis van een geheim aanhoudingsbevel van het ISH; ofschoon hij in 2016 veroordeeld werd voor oorlogsmisdaden (met name sexueel misbruik), sprak de Beroepskamer van het ISH hem in 2018 vrij.57 België bekrachtigde ook de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafhof58 en sloot op 1 juni 2010 met het Strafhof een overeenkomst inzake de uitvoering in België van een straf uitgesproken door het Hof.59

III. Belangwekkende verwezenlijkingen en ontwikkelingen

12. Eerst en vooral kan het Statuut zelf beschouwd worden als een belangrijke inhoudelijke ontwikkeling van het internationaal strafrecht en het internationaal humanitair recht. Met name de omschrijving van oorlogsmisdaden in art. 8 is veel uitgebreider dan wat tot nog toe in eerdere verdragen het geval was. Aangezien het Statuut door 123 Staten is geratificeerd, vormen dit multilaterale verdrag en vele van zijn bepalingen op zich reeds een bijzonder belangrijke bijdrage tot het internationaal (straf- en humanitair) recht.60 Het Statuut heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het centrale belang van het legaliteitsbeginsel in het internationaal strafrecht alsmede aan de rol van slachtoffers en getuigen in het internationale strafproces. De hogergenoemde Elementen van Misdrijven en Reglement van proces- en bewijsvoering dragen daartoe bij. Hoewel er discussie bestaat over het al of niet bestaan van een verplichting voor de verdragspartijen om de misdrijven van het Statuut in hun strafwetgeving op te nemen61, is dit in vele landen - waaronder België - wel gebeurd, zij het niet in gelijke mate.62

Na de inwerkingtreding van het Statuut heeft de Vergadering verder belangrijk normatief werk verricht, met name door de inlassing van artikelen over het misdrijf van agressie op de Conferentie van Kampala in juni 201063, en door tot viermaal toe een aantal oorlogsmisdaden aan art. 8 van het Statuut toe te voegen.64 In 2010 werd beslist om als oorlogsmisdaad in niet-internationale gewapende conflicten het volgende toe te voegen: (i) het gebruik van gif of giftige wapens, (ii) het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten, en (iii) het gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen.65 In 2017 werd - op basis van Belgische voorstellen66 - beslist om het gebruik van biologische of toxische wapens, van wapens die verwonden met niet door radiografie detecteerbare fragmenten, en het gebruik van laserwapens die permanente blindheid veroorzaken, als oorlogsmisdaden toe te voegen.67 In 2019 werd - op voorstel van Zwitserland - het opzettelijk gebruik van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering in niet-internationale gewapende conflicten toegevoegd.68

Het Strafhof zelf heeft in zijn jurisprudentie bijgedragen aan een verdere inhoudelijke verfijning van het internationaal strafrecht en het internationaal humanitair recht. Concrete voorbeelden uit zijn rechtspraak zijn de uitbreiding van de definitie van oorlogsmisdaden tot handelingen binnen de eigen strijdkrachten in Ntaganda69, en een nieuwe focus op misdaden die tot nog toe minder aandacht kregen, zoals misdaden tegen cultureel erfgoed in Al Madhi70, gedwongen huwelijken in Ongwen71 en kindsoldaten in Lubanga.72 Een meer indirecte bijdrage tot het internationaal strafrecht vormen beleidsdocumenten van de Aanklager73 en individuele opinies van rechters bij uitspraken.74

IV. Uitdagingen en problemen

13. Ongeacht de hogergenoemde belangwekkende verwezenlijkingen en ontwikkelingen zijn de problemen en uitdagingen waarvoor het Strafhof staat, nauwelijks te overzien. We trachten hier de voornaamste weer te geven.

Een eerste grote uitdaging bestaat erin om het aantal landen die partij zijn bij het Statuut verder te doen toenemen én aan boord te houden. Op dit vlak is al jaren sprake van stagnatie en zelfs achteruitgang. Waar bijna alle landen van Europa en Zuid-Amerika het Statuut geratificeerd hebben, is dit geenszins het geval in Azië en, in mindere mate, in Afrika (zie supra, nr. 5). Als gevolg hiervan kan het Strafhof in enkele van de belangrijkste huidige gewapende conflicten, zoals Jemen, Myanmar en Syrië (cf. het gebruik van chemische wapens door het regime, of de wreedheden van IS/Da’esh) in het algemeen niet optreden.75 Erger, de terugtrekking van landen als Burundi en de Filippijnen, de pogingen daartoe in Gambia en Zuid-Afrika, en de oproep die de Afrikaanse Unie hiertoe heeft gedaan76, vanuit de kritiek dat het Strafhof politiek te werk zou gaan77, hebben het internationale blazoen en de autoriteit van het Hof geen deugd gedaan.78 Bovendien zijn grootmachten als de VS.79, Rusland, China en India niet aangesloten bij het Hof. We staan derhalve nog ver af van het streven van de EU en de internationale NGO-coalitie voor het Internationaal Strafhof om tot een (quasi-) universeel lidmaatschap te komen.80

Een minstens even grote uitdaging betreft de samenwerking van het Strafhof met alle verdragspartijen.81 Als internationaal rechtscollege is het Hof in zeer hoge mate aangewezen op een behoorlijke samenwerking met alle Staten die partij zijn. Het ISH heeft immers geen eigen politie- of handhavingsautoriteiten en is derhalve geheel afhankelijk van de Staten die partij zijn voor het arresteren van verdachten en het samenwerken met het oog op het voeren van onderzoek. Bijzonder problematisch in dit verband was de niet-uitvoering van het aanhoudingsbevel jegens de president van Soedan in Jordanië82, Kenia, Tsjaad en Zuid-Afrika.83 Ook de tenuitvoerlegging van het complementariteitsbeginsel, een hoeksteen van het Statuut (supra, nr. 8), is moeilijk gebleken wegens tal van ambiguïteiten, onduidelijkheden en misverstanden ter zake.84

Er zijn nog heel wat andere uitdagingen, zoals de logheid van de procedures voor het Hof en de moeilijkheid om de beloften van het Statuut inzake de rol en vergoeding van slachtoffers in te lossen.85 Vele daarvan komen aan bod in het rapport van de onafhankelijke deskundigen van september 2020 (infra, nr. 14).

14. De Vergadering is in de loop van de jaren steeds ongeruster geworden door het niet optimaal functioneren van het Strafhof. Naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het Statuut werd een kritische reflectie gehouden over het beperkte succes van het Hof. Dit leidde in 2019 tot een herzieningsproces. In mei 2019 stuurde de president van het Hof een brief naar de president van de Vergadering met een oproep voor een onafhankelijk en omvattend onderzoek naar het functioneren van het ISH. Nadat een «matrix» was opgesteld met concrete verbeterpunten gaf de Vergadering in november 2019 opdracht aan een groep van negen onafhankelijke deskundigen om een «independent expert review» te verrichten.86 Op 30 september 2020 leverde de groep zijn eindrapport af, met een uitgebreide analyse van de werking van het Hof en 384 aanbevelingen op korte en lange termijn voor het Hof en de partijen bij het Statuut.87 In december 2020 richtte de Vergadering een «ICC Review Mechanism» («Mechanisme») op om het rapport op te volgen en vroeg het ISH om een antwoord.88 Het Hof bracht een omstandig antwoord uit op 14 april 2021.89 Op 30 juni 2021 diende het Mechanisme een uitgebreid actieplan in voor de beoordeling van de aanbevelingen van de onafhankelijke deskundigen.90

15. Een geheel nieuwe ontwikkeling doet zich voor met de oorlog in Oekraïne. Het Strafhof heeft met grote alertheid gereageerd, nadat 43 verdragspartijen bij het Statuut (bijna één derde van het lidmaatschap, waaronder België) begin maart 2022 de situatie in Oekraïne naar het Hof hadden doorverwezen.91 Al op 28 februari kondigde de Aanklager, Karim Khan, een onderzoek aan. Dit onderzoek, dat zowel vroegere (sinds 2014) als huidige aantijgingen van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en genocide betreft, is inmiddels in volle gang: op 17 mei kondigde de Aanklager aan dat hij een team van 42 forensische experten en onderzoekers - het grootste ooit - naar Oekraïne stuurde. Het Strafhof is bevoegd omdat Oekraïne (dat geen partij is bij het Statuut) al in 2014, toen Rusland de Krim annexeerde, verklaringen tot aanvaarding van de rechtsmacht van het Hof heeft afgelegd.92 Inmiddels detacheerden meer dan twintig verdragspartijen experten naar het Hof en ontving het Strafhof talrijke extra financiële bijdragen (ook vanwege België).93

V. Besluit

16. Deze bijdrage bood een overzicht van de genese, kenmerken en werking, verwezenlijkingen en uitdagingen van het Internationaal Strafhof, waarvan het Statuut op 1 juli 2022 twintig jaar in werking is. Van het initiële enthousiasme voor het Hof als een historische verwezenlijking in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven blijft inmiddels niet veel over. Het Strafhof heeft in de loop van twee decennia vele onderzoeken gevoerd, maar uiteindelijk slechts tien personen veroordeeld; de Aanklager heeft beperkt succes gehad in de aangebrachte zaken en de procedures blijken bijzonder log; het ISH heeft slechts een zeer beperkte impact gehad in de landen waar de internationale misdrijven zich voordeden; de samenwerking van verdragspartijen met het Strafhof blijkt suboptimaal; en een aantal grote mogendheden hebben het Hof niet erkend of, erger, obstructie gepleegd. Bovenal lijkt het Strafhof nog steeds op zoek naar een esprit de corps: van meet af aan zijn er tal van berichten geweest over interne spanningen en conflicten tussen de rechters, de Aanklager en de Griffie, of binnen deze groepen.94 Het onafhankelijke expertenonderzoek van 2020 heeft de vinger gelegd op talrijke tekortkomingen. Al zorgt de in 2021 verkozen Aanklager, Karim Khan, voor een nieuwe wind en genereert de verwijzing van de situatie in Oekraïne naar het Hof interessante dynamieken, de grote vraag zal zijn of, en hoe, het Strafhof in de toekomst de enorme uitdagingen zal weten te trotseren en datgene kan leveren wat ieder ervan verwacht: gerechtigheid.

1  Statuut van Rome inzake het Internationale Strafgerechtshof, gedaan te Rome op 17 juli 1998, instemmingswet 25 mei 2000 (BS 1 december 2000; corr. BS 7 oktober 2003; add. BS 11 mei 2004), bekrachtiging door België 28 juni 2000, internationale inwerkingtreding en inwerkingtreding voor België 1 juli 2002, UNTS nr. 38544; voor een Nederlandse vertaling, zie J. Wouters, Bronnen van Internationaal Recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, 270. Van 22 november 2013 dateren twee instemmingswetten, de ene met de wijziging van art. 8 van het Statuut van Rome, aangenomen te Kampala op 10 juni 2010 tijdens de herzieningsconferentie van het Statuut van Rome, de andere met de wijzigingen van het Statuut m.b.t. de misdaad van agressie, aangenomen op dezelfde conferentie, beide BS 3 maart 2014. Van 19 maart 2019 dateert de instemmingswet met het amendement op artikel 124 van het Statuut van Rome, aangenomen te Den Haag op 26 november 2015 op de elfde plenaire vergadering van de Vergadering van staten die partij zijn bij het Statuut van Rome, BS 14 juni 2019. Over deze wijzigingen, zie infra nr. 12.

BS 1 april 2004, laatst gewijzigd bij wet van 28 november 2021, BS 30 november 2021. Zie ook Ministeriële omzendbrief betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de Internationale straftribunalen van 30 november 2016, BS 12 december 2016.

3  Voor gezaghebbende commentaren op het Statuut, zie o.m. K. Ambos (ed.), Rome Statute of the International Criminal Court: article-by-article commentary, München, Beck, Oxford, Hart, Baden-Baden, Nomos, 2022, 4e ed.; L.E. Carter, M.S. Ellis en C.C. Jalloh, The International Criminal Court in an effective global justice system, Edward Elgar Publishing, 2016; A. Cassese, P. Gaeta en J. R.W.D. Jones (eds.), The Rome Statute of the International Criminal Court: A Commentary, Oxford University Press, 2002; M.M. De Guzman en V. Oosterweld (eds.), The Elgar Companion to the International Criminal Court, Edward Elgar Publishing, 2020; J. Fernandez, X. Pacreau en M. Ubéda-Saillard (eds.), M. Dosen (coörd.), Statut de Rome de la Cour pénale internationale. Commentaire article par article, Pedone, 2019, 2 vol.; M. Politi en G. Nesi (eds.), The Rome Statute of the International Criminal Court. A challenge to impunity, Ashgate, 2001; W.A. Schabas, An Introduction to the International Criminal Court, Cambridge University Press, 2020, 6e ed.; C. Stahn (ed.), The law and practice of the International Criminal Court, Oxford University Press, 2015; R.H. Steinberg (ed.), The International Criminal Court: contemporary challenges and reform proposals, Martinus Nijhoff, 2020.

4  Zie https://news.un.org/en/story/2002/07/39072-international-criminal-court-statute-enters-force-annan-hails-historic-occasion.

5  Zie recent o.m. A. Babovic, The Tokyo trial, justice, and the postwar international order, Palgrave Macmillan, 2019; N. Boister en R. Cryer, The Tokyo International Military Tribunal: a reappraisal, Oxford University Press, 2008; D. Cohen en Y. Totani, The Tokyo War Crimes Tribunal: law, history, and jurisprudence, Cambridge University Press, 2018; B.A. Griech-Polelle, The Nuremberg war crimes trial and its policy consequences today, Nomos, 2020, 2e ed.; de bijdragen in «Symposium: seventy years after Nuremberg», Washington University Global Studies Law Review 2016, afl. 15, 555-668; A. Weinke, Die Nürnberger Prozesse, Beck, 2019. Zie destijds, in dit tijdschrift, N. Gunzburg, «De internationale misdaad», RW 1946-47, 113-120.

6  Internationaal Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, opgemaakt te Parijs op 9 december 1948, instemmingswet 26 juni 1951 (BS 11 januari 1952), bekrachtiging 5 september 1951, internationale inwerkingtreding 12 januari 1951, inwerkingtreding voor België 6 december 1951, UNTS nr. 1021; voor een Nederlandse vertaling, zie J. Wouters, Bronnen van Internationaal Recht, 633.

7  Artt. 49-50 Internationale Overeenkomst voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde en Bijlagen, opgemaakt te Genève op 12 augustus 1949, instemmingswet 3 september 1952 (BS 26 september 1952), bekrachtiging 3 september 1952, internationale inwerkingtreding 31 oktober 1950, inwerkingtreding voor België 3 maart 1953, UNTS nr. 970; artt. 50-51 Internationale Overeenkomst voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, en Bijlage, opgemaakt te Genève op 12 augustus 1949, instemmingswet 3 september 1952 (BS 26 september 1952), bekrachtiging 3 september 1952, internationale inwerkingtreding 31 oktober 1950, inwerkingtreding voor België 3 maart 1953, UNTS nr. 972; artt. 129-130 Internationale Overeenkomst betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, en Bijlagen, opgemaakt te Genève op 12 augustus 1949, instemmingswet 3 september 1952 (BS 26 september 1952), bekrachtiging 3 september 1952, internationale inwerkingtreding 31 oktober 1950, inwerkingtreding voor België 3 maart 1953, UNTS nr. 972; artt. 146-147 Internationale Overeenkomst betreffende de bescherming van de burgers in oorlogstijd, en Bijlagen, opgemaakt te Genève op 12 augustus 1949, instemmingswet 3 september 1952 (BS 26 september 1952), bekrachtiging 3 september 1952, internationale inwerkingtreding 31 oktober 1950, inwerkingtreding voor België 3 maart 1953, UNTS nr. 973; artt. 11, 85 en 86 Aanvullend Protocol bij de Overeenkomsten van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I), aangenomen te Genève op 8 juni 1977, instemmingswet 16 april 1986 (BS 7 en 22 november 1986), bekrachtiging 20 mei 1986, internationale inwerkingtreding 7 december 1978, inwerkingtreding voor België 20 november 1986, UNTS nr. 17512.

8  Voor een rechtsvergelijkend overzicht, zie o.m. C.L. Blakesley, «Extraterritorial Jurisdiction» in M.C. Bassiouni (ed.), International criminal law, Nijhoff, 2008, 3e ed., vol II, 93-153; A. Cassese en M. Delmas-Marty, Juridictions nationales et crimes internationaux, Parijs, PUF, 2002.

9  Voor een kritische analyse van deze «core crimes», d.w.z. de misdaden van agressie, genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, zie C. Schöbel-Patel, «The core crimes of international criminal law» in K.J. Heller, F. Mégret, S.M.H. Nouwen, J.D. Ohlin en D. Robinson (eds.), The Oxford handbook of international criminal law, Oxford University Press, 2020, 768 e.v.; C. Soler, The global prosecution of core crimes under international law, T.M.C. Asser Press, Springer, 2019.

10  Dit is het zgn. «Weltrechtsprinzip»: zie § 1, lid 1, Duits Völkerstrafrechtsgezetsbuch (VStGB). Recent kwam het tot een veroordeling van een Syrische oud-kolonel voor misdaden tegen de mensheid: Oberlandesgericht Koblenz, 13 januari 2022, https://olgko.justiz.rlp.de/de/startseite/detail/news/News/detail/lebenslange-haft-ua-wegen-verbrechens-gegen-die-menschlichkeit-und-wegen-mordes-urteil-gegen-ein-1/.

11  Wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Deze wet werd ingetrokken en vervangen door een minder verregaande regeling bij wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, BS 7 augustus 2003. Voor commentaren op deze wet, haar amendementen en de hele saga errond, zie o.m. J. Wouters en H. Panken (eds.), De Genocidewet in internationaal perspectief, Brussel, Larcier, 2002; J. Wouters en H. Panken, «Waar naartoe met de Genocidewet?», RW 2002-03, 241-256: J. Wouters, «Het Belgische experiment met de Genocidewet en de oprichting van het Internationaal Strafhof» in Wetenschappelijk denken: een laboratorium voor morgen? Lessen voor de eenentwintigste eeuw, Leuven, Universitaire Pers, 2004, 321-346.

12  Het Statuut van het ICTY was vervat in de bijlage bij de op grond van Hoofdstuk VII van het VN-Handvest aangenomen UNSC Res. 827 van 25 mei 1993.

13  Het Statuut van het ICTR was vervat in de bijlage bij de op grond van Hoofdstuk VII van het VN-Handvest aangenomen UNSC Res. 955 van 8 november 1994.

14  UNSC Res. 977 van 22 februari 1995.

15  Zie o.m. K. Bachmann en A. Fatic, The UN international criminal tribunals: transition without justice?, Routledge, 2015; M. Sterio en M.P. Scharf (eds.), The legacy of ad hoc tribunals in international criminal law: assessing the ICTY’s and the ICTR’s most significant legal accomplishments, Cambridge University Press, 2019.

16  Convention for the Creation of an International Criminal Court, geopend voor ondertekening te Genève op 16 november 1937. Voor de Engelse tekst, zie M.O. Hudson, International Legislation, Carnegie Endowment for International Peace, vol. VII, 862. Zie o.a. J. Wouters, «11 september 2001 en het internationaal recht: nooit meer hetzelfde?» in B. Pattyn en J. Wouters (eds.), Schokgolven. Terrorisme en Fundamentalisme, Leuven, Davidsfonds, 2002, 182.

17  Voor een historisch overzicht, zie o.m. M.C. Bassiouni en W. Schabas, The legislative history of the International Criminal Court, Brill, 2016, 2e ed.; C. Cakmak, A brief history of international criminal law and International Criminal Court, Palgrave Macmillan, 2017; C. Tofan en R. van der Wolf, The long and winding road to ... Rome: a brief history of the ICC, Wolf Legal Publishers, 2011.

18  Over de zeer gemengde trackrecord van de eerste aanklager, zie o.m. J. Flint en A. de Waal, «Case closed: a prosecutor without borders», World Affairs 2009, afl. 171, 23-38; O. Ward, «Lopsided legacy for head of world court; Moreno-Ocampo got attention, but tribunal only managed two convictions, and kept a heavy focus on Africa», The Toronto Star 6 juni 2012.

19  De EU heeft zelf ook een overeenkomst met het ISH gesloten: Overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie inzake samenwerking en bijstand, gedaan te Luxemburg op 10 april 2006, Pb. 2006 L115/50.

20  Voor de precieze referenties naar de kennisgevingen inzake terugtrekking van Burundi, Zuid-Afrika en Gambia, zie M. Ssenyonjo, «State withdrawal notifications from the Rome Statute of the International Criminal Court: South Africa, Burundi and the Gambia», Criminal Law Forum 2018, afl. 29, 63-119. Voor de Filippijnen, zie https://treaties.un.org/doc/publication/cn/2018/cn.138.2018-eng.pdf . Zie tevens het perscommuniqué van het ISH van 20 maart 2018 naar aanleiding van de Filippijnse terugtrekking: https://www.icc-cpi.int/news/icc-statement-philippines-notice-withdrawal-state-participation-rome-statute-system-essential.

21  Zie D. Rothe en C.W. Mullins, «The International Criminal Court and United States opposition: a structural contradictions model», Crime, Law and Social Change 2006, afl. 45, 201-226. Zie verder over de VS en het ISH infra, noot 79.

22  Zie o.m. B. Murphy, «Russia snubs International Criminal Court amid scrutiny of Crimea annexation», The Washington Post 16 november 2016; T. Grove, «Russia to Withdraw From the International Criminal Court; Move follows a report by the ICC describing Russia’s annexation of Crimea as an international military conflict», Wall Street Journal 16 november 2016.

23  K. De Gucht noemde dit «een reuzestap in de processie van Echternach die de opkomst van het internationale strafrecht is»: «Oorlog en vrede vs. schuld en boete? Over de verscheurende keuze voor internationaal recht» in Een leven van inzet. Liber amicorum Michel Magits, Wolters Kluwer, 2012, (443), 453.

24  Art. 38, lid 3, Statuut.

25  Het ISH heeft volgende presidenten gehad: de Canadees Philippe Kirsch (2003-2009); de Zuid-Koreaan Sang-Hyun Song (2009-2015); de Argentijnse Silvia Alejandra Fernández de Gurmendi (2015-2018); en de Nigeriaan Chile Eboe-Osuji (2018-2021). De huidige president is de Pool Piotr Hofmański (2021/-).

26  Zie Deel 11, dat bestaat uit art. 112, van het Statuut. Het is gebleken dat de Afdeling Vooronderzoek en de Afdeling Beroep niet voldoende werk hebben om dit aantal voltijdse rechters te rechtvaardigen: zie, met suggesties voor hervorming, W. Schabas, «Reforms to reduce costs and increase efficiency» in R.H. Steinberg (ed.), The International Criminal Court: contemporary challenges and reform proposals, 283-287, die op p. 286 opmerkt: «Heavy workload? It looks like the real problem of the Court is that it doesn’t have enough work.».

27  De eerste aanklager was de Argentijn Luis Moreno-Ocampo (2003-2012), zie ook supra noot 18; de tweede was Fatou Bensouda uit Gambia (2012-2021); de derde is de Brit Karim A.A. Khan (2021/-).

28  Art. 43, lid 1, Statuut. Krachtens art. 43, lid 6, Statuut moest de Griffie binnen zijn schoot tevens een Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen (Victims and Witnesses Unit) in het leven roepen. Die Afdeling moest, in overleg met het Parket van de Aanklager, beschermende maatregelen en beveiligingsregelingen treffen en zorg dragen voor advies en andere passende bijstand aan getuigen, aan slachtoffers die voor het Hof verschijnen en aan anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen. Daarnaast draagt de Griffie zorg voor de verdediging middels het beheer van het Office of Public Counsel for the Defence, voor slachtoffers middels het Office of Public Counsel for Victims, voor voorlichting, en voor detentie (ze heeft algemene verantwoordelijkheid voor het Penitentiair complex Scheveningen waar verdachten worden ondergebracht: zie Regulation 90 van de Regulations van het ISH).

29  Art. 43, lid 2, Statuut.

30  Zie o.m. D.A. Mundis, «The Assembly of States Parties and the institutional framework of the International Criminal Court», American Journal of International Law 2003, afl. 97, 132-147; R. Villacis, «Working methods of the Assembly of States Parties to the Rome Statute», International Criminal Law Review, afl. 18, 563-575.

31  Zie art. 9, lid 1, Statuut.

32  Art. 51, lid 1, Statuut.

33  Art. 79 Statuut. Zie o.m. P. de Baan, «The mandate of the Trust Fund for Victims to assist victims in conflict affected communities» in A. Zidar en O. Bekou (eds.), Contemporary challenges for the International Criminal Court, British Institute of International and Comparative Law, 2014, 151-158.

34  Zie hierover o.m. K. Ambos, «The crime of aggression after Kampala», German Yearbook of International Law, 2010, afl. 53, 463-509; S. Barriga en L. Grover, «A historic breakthrough on the crime of aggression», American Journal of International Law 2011, afl. 105, 517-533; N. Blokker, «Het Internationaal Strafhof en het misdrijf agressie: consensus in Kampala», NJB 2010, 1658-1662; K. Kress en L. von Holtzendorff, «The Kampala compromise on the crime of aggression», Journal of International Criminal Justice 2010, afl. 8, 1179-1217; C. McDougal, The crime of aggression under the Rome Statute of the International Criminal Court, Cambridge, Cambridge University Press, 2021; T. Ruys, «Criminalizing aggression: how the future of the law on the use of force rests in the hands of the ICC», European Journal of International Law 2018, afl. 29, 887-917; D. Scheffer, «The complex crime of aggression under the Rome Statute», Leiden Journal of International Law 2010, afl. 23, 897-904.

35  Dezelfde Vergadering besliste om drie oorlogsmisdaden aan art. 8 Statuut toe te voegen: zie infra noot XX.

36  Een belangrijke beperking geldt voor de uitoefening van jurisdictie m.b.t. de misdaad van agressie: het Hof is niet bevoegd ten aanzien van onderdanen van een agressie plegende Staat die geen verdragspartij is. Zie art. 15bis, lid 5, Statuut.

37  Art. 12, lid 2, Statuut.

38  Art. 27 Statuut.

39  Zie Art. 15, lid 2, Statuut.

40  Op 12 juli 2002 nam de Veiligheidsraad UNSC Res. 1422 aan, waarbij hij het ISH verzocht om voor een periode van 12 maanden geen onderzoek of vervolging in te stellen in een zaak die huidige of voormalige ambtenaren of personeelsleden betreft van een Staat die geen partij is bij het Statuut m.b.t. handelingen of nalatigheden betreffende een operatie die door de VN werd ingesteld of gemachtigd. Dit verzoek werd verlengd in 2003, maar daarna niet meer. In beide gevallen ging het initiatief uit van de VS.

41  Zie bv. W. Schabas, An introduction to the International Criminal Court, 249-252. Zie bv. inzake de verschillende rol van de rechter in het vooronderzoek G. Sluiter, «Reforms to enhance state cooperation and address witness interferences» in R.H. Steinberg (ed.), The International Criminal Court: contemporary challenges and reform proposals, (303) 306-309.

42  Art. 53 Statuut.

43  Art. 58 Statuut.

44  Art. 61, lid 7, Statuut.

45  Art. 66, lid 3, Statuut.

46  Art. 77, lid 1, Statuut. Art. 77, lid 2, stipuleert dat het Hof daarnaast ook bevoegd is om een geldboete of een verbeurdverklaring van opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen op te leggen.

47  Art. 83, lid 1, Statuut.

48  Art. 83, lid 2, Statuut.

49  Zie art. 103 Statuut.

50  Over deze verwerping op 12 april 2019 door Kamer van Vooronderzoek II, zie T. Mariniello, «Judicial control over prosecutorial discretion at the International Criminal Court», International Criminal Law Review 2019, afl. 19, 979-1013. De beslissing van de Kamer van Vooronderzoek werd breed bekritiseerd als een geval van «poor judicial reasoning», samen met enkele andere recente beslissingen: R. Dicker, «Time to step up at the ICC», 27 juli 2020, https://www.hrw.org/news/2020/07/27/time-step-icc.

51  Trial Chamber I, 14 maart 2012, The Prosecutor v Thomas Lubanga Dyilo ICC-01/04-01/06. In maart 2020 kwam Lubanga vrij na 14 jaar cel. Zie o.m. R. Graf, «The International Criminal Court and child soldiers: an appraisal of the Lubanga judgment», Journal of International Criminal Justice 2012, afl. 10, 945-969.

52  Trial Chamber II, 7 maart 2014, The Prosecutor v Germain Katanga ICC-01/04-01/07, met afwijkende opinie van rechter Van den Wyngaert.

53  Trial Chamber VIII, 27 september 2016, The Prosecutor v Ahmad Al Faqi Al Mahdi ICC-01/12-01/15. Zie o.m. L. Pratt, «Prosecution for the destruction of cultural property - significance of the Al Mahdi trial», International Criminal Law Review 2018, afl. 18, 1048-1079.

54  Zie o.m., kritisch, M. Bossuyt, «The acquittals of Mr Bemba and Mr Gbagbo by the International Criminal Court» in Semper perseverans - Liber amicorum André Alen, Intersentia, 2020, 851-861, die om een introspectie van het ISH in zijn eigen functioneren vroeg; R. Dicker, supra noot 50; A. Skander Galand, «Bemba and the individualisation of war: reconciling command responsibility under article 28 Rome Statute with individual criminal responsibility», International Criminal Law Review 2018, afl. 20, 669-700.

55  Trial Chamber VI, 8 juli 2019, The Prosecutor v Bosco Ntaganda ICC-01/04-02/06-2359, op 30 maart 2021 bevestigd door de Beroepskamer, ICC-01/04-02/06 A A2.

56  Supra noot 2.

57  Echter, vanwege het omkopen van getuigen tijdens zijn proces, veroordeelde het ISH Bemba in 2018 tot een jaar gevangenisstraf en &eur; 300.000 boete: Trial Chamber VII, 17 september 2018, The Prosecutor v Jean-Pierre Bemba Gombo and Others ICC-01/05-01/13.

58  Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafhof, gedaan te New York op 9 september 2002.

59  Het betreft een raamovereenkomst die het ISH de mogelijkheid biedt zich tot de Belgische Staat te richten, indien zulks nodig blijkt, en hem te verzoeken om de tenuitvoerlegging van de veroordelingen die het uitspreekt: Ministeriële omzendbrief van 30 november 2016, supra noot 2.

60  Zo reeds J. Crawford, «The drafting of the Rome Statute» in Ph. Sands (ed.), From Nuremberg to The Hague. The future of international criminal justice, Cambridge University Press, 2003, 109. Over de bijdrage van het Statuut tot het internationaal gewoonterecht, zie o.m. Y. Tan, The Rome Statute as evidence of customary international law, Leiden/Boston, Brill/Nijhof, 2021.

61  Zie pro een dergelijke verplichting J. K. Kleffner, Complementarity in the Rome Statute and national criminal jurisdictions, Oxford University Press, 2008, 237-238. Meer genuanceerd is D. Robinson, «The Rome Statute and its Impact on National Law» in A. Cassese, P. Gaeta en J. R.W.D. Jones (eds.), The Rome Statute of the International Criminal Court: a commentary, (849), 1861, die weliswaar aangeeft dat het Statuut de Staten die partij zijn niet verplicht om expliciet de desbetreffende internationale misdrijven in hun nationale recht op te nemen, maar toevoegt dat «it appears the safest approach to pass legislation recognizing genocide, crimes against humanity, and war crimes as offences». Zie, in de zin dat er niet een dergelijke verdragsverplichting is, o.a. F. Mégret, «Too much of a good thing? Implementation and the uses of complementarity» in C. Stahn en M. El Zeidy (eds.), The International Criminal Court and complementarity: from theory to practice, Cambridge University Press, 2011, 361-390, en, in hetzelfde boek, S. Nouwen, «Complementarity in Uganda: domestic diversity or international imposition?», (1120), 1127. Contra: O.C. Imoedemhe, The complementarity regime of the International Criminal Court. National implementation in Africa, Springer, 2016, 62-65.

62  Zie bv. i.v.m. een aantal problemen m.b.t. oorlogsmisdaden in Latijns-Amerika, S. Herencia Carrasco, «Implementation of war crimes in Latin America: an assessment of the impact of the Rome Statute of the International Criminal Court», International Criminal Law Review 2010, afl. 10(4), 461-473. I.v.m. de tenuitvoerlegging in Afrika, zie o.a. O.C. Imoedemhe, The complementarity regime of the International Criminal Court. National implementation in Africa, i.h.b. 55-87. Voor Australië, zie G. Triggs, «Implementation of the Rome Statute for the International Criminal Court: A quiet revolution in Australian law», Sydney Law Review 2003, afl. 25, 507-543. Voor Azië, zie o.a. D.J. Birkett, «Twenty years of the Rome Statute of the International Criminal Court: appraising the state of national implementing legislation in Asia», Chinese Journal of International Law 2019, afl. 18(2), 353-392.

63  UNTS nr. 38544, mededeling van de VN secretaris-generaal van 29 november 2010, ref. C.N.651.2010.TREATIES-8; thans 43 verdragspartijen, waaronder België: zie instemmingswet 22 november 2013, supra noot 1, bekrachtiging 26 november 2013, internationale inwerkingtreding en inwerkingtreding voor België 17 juli 2018.

64  Overeenkomstig art. 121, § 5 Statuut treden deze amendementen t.a.v. de verdragspartijen die deze hebben aanvaard één jaar na neerlegging van hun bekrachtigings- of aanvaardingsakten in werking. Voor kritische kanttekeningen over het amenderingsproces van het Statuut, waarbij nieuw toegevoegde misdrijven (in tegenstelling tot de oorspronkelijk in het Statuut opgenomen misdrijven) enkel toepasselijk zijn ten aanzien van de verdragspartijen die deze hebben geratificeerd, zie K.J. Heller, «The Rome Statute’s flawed amendment regime - Starvation in NIAC edition», http://opiniojuris.org/2019/12/07/the-rome-statutes-flawed-amendment-regime-starvation-in-niac-edition/.

65  UNTS nr. 38544, mededeling van de VN secretaris-generaal van 29 november 2010, ref. C.N.533.2010.TREATIES-6; thans 43 verdragspartijen, waaronder België: zie instemmingswet 22 november 2013, supra noot 1, bekrachtiging 26 november 2013, internationale inwerkingtreding 26 september 2012, inwerkingtreding voor België 26 november 2014.

66  Een vierde door België voorgestelde uitbreiding, nl. antipersoonsmijnen, werd nog niet goedgekeurd.

67  UNTS nr. 38544, mededeling van de VN secretaris-generaal van 8 maart 2018, ref. C.N.116.2018.TREATIES-XVIII-10. Op 26 november 2015 was door de Vergadering in Den Haag ook beslist om de overgangsbepaling van art. 124 op te heffen: mededeling van de VN secretaris-generaal van 30 juli 2015, ref. C.N.439.2015.TREATIES-XVIII. Deze wijziging, die nog slechts door 18 Staten is geratificeerd, is nog niet in werking getreden. Voor de Belgische instemmingswet van 19 maart 2019, zie supra noot 1. België ratificeerde op 16 mei 2019.

68  UNTS nr. 38544, mededeling van de VN secretaris-generaal van 15 september 2020, ref. C.N.394.2020.TREATIES-XVIII-10.g. Een daarmee verwante aanpassing werd tevens doorgevoerd aan de Elementen van Misdrijven.

69  Trial Chamber VI, 4 januari 2017, The Prosecutor v Bosco Ntaganda ICC-01/04-02/06. Het ging om verkrachting en seksuele slavernij, waarbij de slachtoffers voornamelijk meisjes waren die gedwongen als kindsoldaten waren ingelijfd bij de betrokken militaire eenheid. Zie I. Onsea en C. Fewkes, «Closing the gap: war crimes committed against members of the same armed forces» in [la CVDW] Liber Amicorum Chris Van den Wyngaert, Maklu, 2017, 363-372; J. Tridgell, «Prosecutor v Ntaganda: the end of impunity for sexual violence against child soldiers?», Australian International Law Journal 2017-18, afl. 23, 153-161.

70  Supra noot 53.

71  Trial Chamber IX, 4 februari 2021, The Prosecutor v Dominic Ongwen ICC-02/04-01/15-1762-Red. Thans is het beroep hangende voor de Beroepskamer.

72  Supra noot 51.

73  Zie bv. Policy on Cultural Heritage, juni 2021 (https://www.icc-cpi.int/itemsDocuments/20210614-otp-policy-cultural-heritage-eng.pdf); Policy on Children, november 2016 (https://www.icc-cpi.int/iccdocs/otp/20161115_OTP_ICC_Policy-on-Children_Eng.PDF); Policy Paper on Sexual and Gender-Based Crimes, juni 2014 (https://www.icc-cpi.int/iccdocs/otp/Policy_Paper_on_Sexual_and_Gender-Based_Crimes-20_June_2014-ENG.pdf); Policy Paper on the Interests of Justice, september 2007 (https://www.icc-cpi.int/NR/rdonlyres/772C95C9-F54D-4321-BF09-73422BB23528/143640/ICCOTPInterestsOfJustice.pdf).

74  Zie bv., naast de hogergenoemde individuele opinie van rechter Van den Wyngaert in Katanga (supra noot 52), de uitspraak van de Beroepskamer van 30 maart 2021 in Ntaganda, supra noot 55, met maar liefst vijf individuele opinies. Het persbericht van het ISH van 30 maart 2021 licht deze als volgt toe: «In their opinions, Judges Hofmański, Morrison, Eboe-Osuji and Bossa discuss the meaning of «attack» in article 8(2)(e)(iv) of the Statute. In his opinion, Judge Morrison discusses indirect co-perpetration. In her opinion, Judge Ibáñez discusses the contextual elements of crimes against humanity, in particular, the requirement of a State or organisational policy to commit a widespread or systematic attack against any civilian population, and indirect co-perpetration as a mode of liability enshrined in article 25(3)(a) of the Statute. Finally, in his opinion, Judge Eboe-Osuji discusses the use of prior recorded statements, indirect co-perpetration and the legal interpretation of a State or organisational policy to commit an attack directed against any civilian population

75  Zie ook L.N. Sadat, «International criminal justice. The journey from politics to law», in D.M. Crane, L.N. Sadat en M.P. Scharf (eds.), The founders. Four pioneering individuals who launched the first modern-era international criminal tribunals, Cambridge University Press, 2018, (19), 30.

76  Op 1 februari 2017 nam de Afrikaanse Unie een resolutie aan op basis van een besluit van de Vergadering van 31 januari waarin een «ICC Withdrawal Strategy» werd goedgekeurd, die haar lidstaten aanmoedigde om niet langer samen te werken met het ISH voor de uitvoering van aanhoudingsbevelen jegens Afrikaanse verdachten en om zich terug te trekken uit het Statuut: Assembly/AU/Dec.622(XXVIII), Decision on the International Criminal Court (ICC) - Doc. EX.CL/1006(XXX); zie o.m. K.M. Clarke, Affective justice: the International Criminal Court and the pan-africanist pushback, Duke University Press, 2019; P.I. Labuda, «The African Union’s collective withdrawal from the ICC: does bad law make for good politics?», ESIL Talk, 15 februari 2017; K.D. Magliveras, «The withdrawal of African States from the ICC: good, bad or irrelevant?» Netherlands International Law Review 2019, afl. 66, 419-439. Meer algemeen over de relatie Afrika - ISH, zie o.m. E.A. Ankumah en E.K. Kwakwa (eds.), African perspectives on international criminal justice, Africa Legal Aid, 2005; C. Jalloh en I. Bantekas (eds.), The International Criminal Court and Africa, Oxford University Press, 2017.

77  Over de politieke dimensies van het internationaal strafrecht en internationale strafrechtscolleges, zie o.m. H. Cullen, P. Kastner en S. Richmond, The politics of international criminal law, Brill, 2021; F. Mégret, «The politics of international criminal justice», European Journal of International Law 2002, afl. 13, 1261-1284; L. Reydams en J. Wouters, «The politics of establishing international criminal tribunals» in L. Reydams, J. Wouters en C. Ryngaert (eds.), International Prosecutors, Oxford University Press, 2012, 6-80.

78  Voor een grondige analyse van de diverse juridische aspecten bij een terugtrekking uit het ISH, zie H. Woolaver, «Withdrawal from the International Criminal Court: international and domestic implications» in G. Werle en A. Zimmermann (eds.), The International Criminal Court in Turbulent Times, T.M.C. Asser Press, Springer, 2019, 23-42.

79  Over de tegendraadse inspanningen van de VS tijdens de regering van president G.W. Bush, zie J. Wouters, o.c., in Wetenschappelijk denken: een laboratorium voor morgen? Lessen voor de eenentwintigste eeuw, 345-346. De VS heeft meer dan 100 «bilaterale immuniteitsakkoorden» gesloten met derde landen om te voorkomen dat Amerikaanse onderdanen aan het ISH kunnen worden overgeleverd. De EU zelf heeft richtsnoeren opgesteld volgens welke deze akkoorden onverenigbaar zijn met de verplichtingen die uit het Statuut voortvloeien: zie Raad EU, 12134/02 (Presse 279), 30 september 2002. De spanningen zouden een hoogtepunt bereiken tijdens de regering van President D. Trump: zie o.m. X, «President Trump authorizes economic sanctions and visa restrictions aimed at International Criminal Court», American Journal of International Law 2020, afl. 114, 775-778. De regering van President J. Biden zou deze sancties ongedaan maken, maar de onderliggende problemen blijven bestaan: zie L. Douglas, «The United States and the ICC», Journal of International Criminal Justice 2021, afl. 19, 477-484.

80  Zie over dit streven en de recente politieke tendensen o.m. T. Mariniello, Y. McDermott en O. Bekou, Envisioning international justice: what role for the ICC?, Europees Parlement 2021, 2-7.

81  Zie o.m. C. Hillebrecht en S. Straus, «Who pursues the perpetrators? State cooperation with the ICC», Human Rights Quarterly 2017, afl. 39, 162-188. Voor een recente analyse hoe het Hof en de Vergadering hiermee moeten omgaan, zie G. Sluiter, «Enforcing cooperation», Journal of International Criminal Justice 2018, afl. 16, 383-402.

82  De niet-arrestatie en overlevering van Al-Bashir door Jordanië toen eerstgenoemde een vergadering van de Arabische Liga in Amman bijwoonde, gaf aanleiding tot een uitspraak van de Kamer van Vooronderzoek II op 11 december 2017: Pre-Trial Chamber II, decision under article 87(7) of the Rome Statute on the non-compliance by Jordan with the request by the Court for the arrest and surrender of Omar Al-Bashir, ICC-02/05-01/09-309; hervormd bij beslissing van de Beroepskamer van 6 mei 2019, ICC-02/05-01/09-397-Corr.

83  Zie m.b.t. dit laatste land, waar het High Court wel oordeelde dat Al-Bashir gearresteerd had moeten worden, W. Nortje, South Africa’s Refusal to Arrest Omar Al-Bashir, FICHL Policy Brief nr. 85, 2017, TOAEP, https://www.toaep.org/pbs-pdf/85-nortje/.

84  Zie o.m. L. E. Carter, «The future of the International Criminal Court: complementarity as a strength or a weakness», Washington University Global Studies Law Review 2013, afl. 12, 451-473; S.M.H. Nouwen, Complementarity in the line of fire: the catalysing effect of the International Criminal Court in Uganda and Sudan, Cambridge University Press, 2013. Voor een kritiek op het gebrek aan visie van het ISH op complementariteit met nationale rechtscolleges, zie o.a. N.N. Jurdi, «The complementarity regime of the International Criminal Court in practice: is it truly serving the purpose? Some lessons from Libya» Leiden Journal of International Law 2017, afl. 30, 199-220.

85  Zie o.a. W. Schabas, «Main challenges and the future of international criminal law» in S. Weill, K.T. Seelinger en K.B. Carlson (eds.), The president on trial. Prosecuting Hissène Habré, Oxford, Oxford University Press, 2020, 423-426; id., o.c., in R.H. Steinberg (ed.), The International Criminal Court: contemporary challenges and reform proposals, 287-290.

86  Resolutie ICC-ASP/18/Res.7, aangenomen op de 9e plenaire zitting, 6 december 2019, ICC-ASP/18/Res.7 Review of the International Criminal Court and the Rome Statute system.

87  Independent Expert Review of the International Criminal Court and the Rome Statute System Final Report, 30 september 2020, https://asp.icc-cpi.int/sites/asp/files/asp_docs/ASP19/IER-Final-Report-ENG.pdf. Bijlage I bevat 76 prioritaire aanbevelingen. Zie o.m. D. Guilfoyle, «The International Criminal Court Independent Expert Review: questions of accountability and culture», 7 oktober 2020, EJIL:Talk!

88  Resolutie ICC-ASP/19/Res.7, aangenomen op de 5e plenaire zitting, 18 december 2020, ICC-ASP/19/Res.7 Review of the International Criminal Court and the Rome Statute system.

89  ISH, Overall Response of the International Criminal Court to the «Independent Expert Review of the International Criminal Court and the Rome Statute System - Final Report». Preliminary Analysis of the Recommendations and information on relevant activities undertaken by the Court, 14 april 2021.

90  https://asp.icc-cpi.int/sites/default/files/iccdocs/asp_docs/ASP20/RM-Comprehensive%20Action%20Plan-ENG.pdf.

91  Zie voor alle relevante recente ontwikkelingen op dit vlak: https://www.icc-cpi.int/ukraine.

92  Het betreft twee verklaringen onder art. 12, lid 3, van het Statuut: één van 9 april 2014, de andere van 8 september 2015. De eerste verklaring erkende de rechtsmacht van het Hof voor misdaden begaan op Oekraïens grondgebied tussen 21 november 2013 en 22 februari 2014. De tweede verklaring breidde de erkenning uit zonder beperking in de tijd voor misdaden begaan op Oekraïens grondgebied vanaf 20 februari 2014.

93  België besliste op 22 april 2022 een vrijwillige bijdrage van 500.000 euro te doen: https://news.belgium.be/nl/belgische-financiele-bijdrage-aan-internationaal-strafhof Zie ook «EU states give 2.5 mn euros to ICC for Ukraine war crimes», The Guardian 11 april 2022. Met de steun van Eurojust richtten Litouwen, Polen en Oekraïne (dat een geassocieerd lid van Eurojust is) op 25 maart 2022 een gezamenlijk onderzoeksteam («joint investigation team») op om internationale misdaden in Oekraïne te onderzoeken, waarin het ISH eveneens participeert: https://www.eurojust.europa.eu/news/icc-participates-joint-investigation-team-supported-eurojust-alleged-core-international-crimes.

94  Dit omvat recent o.a. een rechtszaak aangespannen door rechters tegen het Strafhof zelf voor een aanzienlijke salaris- en pensioenverhoging; een belangenconflict van rechter Kuniko Ozaki, die wou aanblijven als deeltijds rechter na benoeming tot Japans ambassadeur in Estland; en een controversiële toespraak van rechter Perrin de Brichambaut in Peking: zie T. Lingsma, «ICC Judges at centre of controversy», https://www.justiceinfo.net/en/41447-icc-judges-at-cetre-of-controversy.html. Zie ook de verwijzingen naar onderlinge onenigheid en ruzies bij M. Sterio, «The International Criminal Court: current challenges and prospect of future success», Case Western Reserve Journal of International Law 2020, afl. 52, (467) 471-472.