Uitdagingen voor het internationaal ruimterecht: van globale fragmentatie naar regionale harmonisatie?
Oscar Feen, Philip De Man en Jan Wouters
Instituut voor Internationaal Recht, KU Leuven
Na bijna 65 jaar staat het internationale ruimterecht voor talloze uitdagingen. De ruimteverdragen die tussen 1967 en 1979 werden gesloten in het kader van de Verenigde Naties, vormen tot op heden nog steeds de basis voor de regulering van het vreedzaam gebruik en onderzoek van de kosmische ruimte, de redding en terugkeer van astronauten en ruimteobjecten, de aansprakelijkheid voor schade aangebracht door ruimteobjecten, en de registratie van ruimteobjecten en activiteiten op hemellichamen. Sindsdien hebben technologische ontwikkelingen, de opkomst van private actoren en de diversificatie van het ruimtegebruik het speelveld ingrijpend veranderd. De banen rond de aarde raken langzaam overbevolkt met satellieten, wat het risico op botsingen tussen ruimteobjecten en ruimtepuin vergroot. Satellieten worden zowel voor civiele als militaire doeleinden ingezet, overheden testen antisatellietwapens en de ruimte raakt steeds verder gemilitariseerd. Tegelijkertijd proberen bedrijven en Staten steeds nadrukkelijker de regels rond de exploitatie van natuurlijke rijkdommen op hemellichamen naar hun hand te zetten. Het internationaalrechtelijke kader werd de afgelopen decennia amper aangepast aan deze moderne uitdagingen. Hierdoor ontstaat een leemte die ingevuld wordt door nationale wetgevingen en bilaterale akkoorden, waardoor het juridische landschap verder fragmenteert. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, werkt de Europese Unie aan een eigen Ruimtewet. Deze moet de activiteiten van de EU-lidstaten harmoniseren en bijdragen aan de duurzaamheid en veiligheid van de ruimte. Dit artikel schetst de hiaten in het internationale juridische kader van de ruimte en bespreekt hoe uiteenlopende regelgevende initiatieven van ruimtemogendheden daarop trachten in te spelen. Vervolgens gaat het in op de rol die de EU en haar toekomstige Ruimtewet kunnen spelen in dit snel wijzigende domein.
I. Inleiding
1. De geopolitieke en commerciële context van moderne ruimteactiviteiten plaatst het internationaal ruimterecht voor talrijke uitdagingen. Waar de kosmische ruimte (hierna kortweg: de ruimte) tijdens de Koude Oorlog voornamelijk het speelveld was van twee supermachten - de Verenigde Staten (VS) en de Sovjet-Unie - ziet men vandaag een veel breder spectrum aan actoren. Enerzijds storten steeds meer landen en private ondernemingen zich op ruimte-initiatieven.1 De technologische vooruitgang heeft de kosten van lanceringen drastisch verlaagd en commerciële ruimtevaart mogelijk gemaakt voor nieuwe spelers. Zo hebben tech-ondernemers als Elon Musk (SpaceX) en Jeff Bezos (Blue Origin) een stroomversnelling teweeggebracht in de commercialisering van de ruimte. Private constellaties zoals SpaceX’s Starlink tellen duizenden satellieten - Starlink alleen al staat anno 2025 voor bijna twee derde van alle actieve satellieten in een baan rond de aarde.2 Ambitieuze projecten voor ruimtetoerisme en mijnbouw op de Maan en asteroïden zijn in opkomst.3 Anderzijds vormt de ruimte ook het toneel voor geopolitieke rivaliteit en militaire belangen. Nieuwe militaire toepassingen, zoals antisatellietwapens en zgn. ruimtestalkers («space stalkers»)4 (satellieten die andere satellieten kunnen volgen en potentieel uitschakelen), testen voortdurend de betekenis en grenzen van het beginsel van het vreedzame gebruik van de ruimte.5
2. Het huidige internationale ruimterechtskader schiet tekort om deze ontwikkelingen te kanaliseren.6 Waar het internationaal ruimterecht sinds zijn ontstaan in de jaren 1960 gericht was op internationale samenwerking en gelijkheid tussen Staten, benaderen deze laatste de in de ruimteverdragen neergelegde vrijheid om de ruimte te verkennen en te gebruiken steeds openlijker vanuit strategisch en economisch eigenbelang. Daarbij houden ze ogenschijnlijk geen rekening met de verplichting om de impact hiervan op andere statelijke gebruikers van de ruimte - die nochtans dezelfde rechten en vrijheden genieten - in aanmerking te nemen.7 Statelijke spelers zetten multilaterale verdragen naar hun hand door nationale wetten en informele akkoorden te sluiten, en nieuwe private actoren begeven zich in een grotendeels ongereguleerd speelveld wat moderne toepassingen en ontwikkelingen betreft. De volgende secties bespreken enkele kernuitdagingen van deze evolutie: de betrokkenheid van private actoren en de fragmentatie door nationale initiatieven, de congestie van satellieten en ruimtepuin in de aardbaan, de groeiende militarisering van ruimtetoepassingen, en de zoektocht naar regionale antwoorden op deze problemen, zoals het voorstel voor een EU Ruimtewet.
II. Dominante private sector en fragmenterend unilateralisme in de ruimte
3. Internationaalrechtelijk wordt de ruimte fundamenteel nog steeds gereguleerd door vijf verdragen die tussen 1967 en 1979 zijn opgesteld in het kader van de Verenigde Naties (VN), meer bepaald het VN-Comité voor het Vreedzaam Gebruik van de Ruimte (UN COPUOS).8 Allereerst vormt het Ruimteverdrag van 1967, dat de essentiële rechten en verplichtingen van Staten in de ruimte reguleert, tot op vandaag de basis van het internationaal ruimterecht.9 Zo is de ruimte vrij om te onderzoeken en gebruiken voor elke Staat, en moet er vrije toegang zijn tot alle hemellichamen, maar moet dergelijk onderzoek en gebruik wel «ten goede komen aan alle landen» (art. I). Daarnaast is er een verbod op nationale toe-eigening van de ruimte en hemellichamen door middel van soevereiniteitsaanspraken, gebruik of bezetting, of op enige andere wijze (art. II).
4. Overige beginselen uit het Ruimteverdrag zijn vervolgens verder uitgewerkt in andere verdragen, zoals de redding en terugkeer van astronauten en ruimteobjecten (Reddingverdrag 1968),10 de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimteobjecten (Aansprakelijkheidsverdrag 1972),11 het registeren en bijhouden van ruimteobjecten bij de VN (Registratieverdrag 1975)12 en de activiteiten van Staten op de Maan en andere hemellichamen (Maanverdrag 1979).13 Met uitzondering van dit laatste Maanverdrag, dat slechts door 17 Staten werd geratificeerd, genieten de andere verdragen brede ondersteuning van Staten.14
5. Staten zijn echter niet meer de enige spelers die actief zijn in de ruimtesector. Het Ruimteverdrag anticipeerde hier reeds op door te benadrukken dat de verdragspartijen «internationale verantwoordelijkheid [dragen] voor nationale activiteiten in de kosmische ruimte, [...] ongeacht of zodanige activiteiten worden verricht door overheidsinstanties of door niet-gouvernementele lichamen».15 De precieze formulering van dit artikel was het resultaat van een compromis tussen de VS - historisch voorstander van private ruimtevaartactiviteiten - en de Sovjet-Unie, die vond dat enkel Staten activiteiten mochten ontplooien in de ruimte.16 De resulterende bepaling staat private activiteiten toe, maar vereist dat deze plaatsvinden onder «toestemming en voortdurend toezicht van de betrokken Staat».17 Hiermee blijft de juridische eindverantwoordelijkheid van ruimteactiviteiten bij Staten berusten, ook als private partijen feitelijk de uitvoerders zijn.
6. In de praktijk is de verhouding tussen publieke en private activiteiten in de ruimte de afgelopen jaren sterk veranderd. Tegen het einde van de 20e eeuw nam het gebruik van satellieten voor commerciële doeleinden al een hoge vlucht,18 en sinds 2000 is de private interesse in de ruimtevaart explosief toegenomen. Nieuwe markten hebben zich geopend dankzij exponentiële technologische ontwikkelingen: denk aan megaconstellaties voor globale connectiviteit (bv. Starlink, maar ook IRIS2 van de EU), ruimtetoerisme, potentiële mijnbouw op asteroïden en plannen voor permanente bases op de Maan of Mars.19 Tech-miljardairs richtten eigen ruimtevaartbedrijven op en bieden inmiddels commerciële diensten aan. Dit alles roept de vraag op of het internationaalrechtelijke kader dat in de jaren 1960-70 werd ontwikkeld, nog wel passend is voor deze recente evoluties. Hieronder belichten we twee belangrijke vraagstukken die uit de opkomst van private actoren voortvloeien.
7. Ten eerste leidt de groeiende rol van private actoren tot lastige kwesties omtrent verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.20 Zoals hoger aangegeven (supra, nr. 5), zijn Staten verantwoordelijk voor «nationale» ruimte-activiteiten uitgevoerd door niet-gouvernementele entiteiten, mits deze plaatsvinden onder staatsgoedkeuring en toezicht. Het gebrek aan een exacte definitie van termen als «betrokken Staat» of «nationale activiteiten» heeft veel academische discussies uitgelokt, maar weinig praktische duidelijkheid gebracht.21 Bij ruimteprojecten waarbij meerdere Staten en bedrijven betrokken zijn, blijft het vaak onduidelijk welke Staat als de betrokken Staat moet worden beschouwd en of er wel gesproken kan worden van een exclusief «nationale» activiteit.
8. Aansprakelijkheid is op het eerste gezicht iets eenduidiger geregeld: volgens het Aansprakelijkheidsverdrag is iedere Staat die een ruimtevoorwerp lanceert, doet lanceren, of van wiens grondgebied of faciliteiten een object wordt gelanceerd, internationaal aansprakelijk voor schade die dat voorwerp veroorzaakt op aarde, in de lucht of in de ruimte, aan een andere Staat die partij is bij dat verdrag.22 Problematisch is echter dat de kaders voor verantwoordelijkheid (uit het Ruimteverdrag) en aansprakelijkheid (uit het Aansprakelijkheidsverdrag) niet volledig op elkaar aansluiten. Zo kan een Staat verantwoordelijk zijn voor ruimteactiviteiten van een private entiteit zonder aansprakelijk te zijn voor eventuele schade berokkend door de satelliet die ervoor gebruikt wordt, en vice versa: een lancerende Staat die aansprakelijk is voor schade door een ruimteobject, hoeft niet dezelfde «betrokken Staat» te zijn die toestemming moest geven en toezicht moest uitoefenen op de activiteit.23 Initiatieven om ruimteobjecten te lanceren vanaf de volle zee - zoals door het vroegere Sea Launch - creëren nog meer onzekerheid, omdat niet duidelijk is welk grondgebied dan als aanknopingspunt voor aansprakelijkheid geldt.24
9. De opkomst van commercieel ruimtetoerisme via sub-orbitale vluchten, gefaciliteerd door private bedrijven als Virgin Galactic en Blue Origin, zorgt in dit opzicht ook voor juridische onduidelijkheid, met name omtrent toepasselijk recht, verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid, vergunningverlening, registratie, en de rechtsstatus van ruimtevaarders en passagiers.25 Dit is voornamelijk vanwege het feit dat deze activiteiten zich op het grensvlak van lucht- en ruimterecht bevinden. Hoewel deze twee rechtsgebieden aan elkaar grenzen, zijn zij op meerdere vlakken onderworpen aan volledig verschillende rechtsstelsels.26 De juridische afbakening van het luchtruim en de kosmische ruimte zorgt reeds sinds de jaren 1950 voor hoofdbrekens, maar de specifieke problemen die sub-orbitale commerciële ruimtevluchten stellen, blijven tot op heden onbeantwoord.27 Gelet op het uitblijven van eenduidige internationale regels hieromtrent heeft het Ruimterechtelijk Comité van de International Law Association (ILA) hiervoor onlangs richtsnoeren opgesteld die van nut kunnen zijn voor nationale wetgevers en internationale organisaties bij het reguleren van deze nieuwe ruimteactiviteit.28 Het blijft voorlopig echter onduidelijk of en in welke mate Staten zich hierdoor zullen laten leiden.
10. Ten tweede hebben diverse Staten nationale wetgeving aangenomen om enerzijds de vereiste toestemming en het toezicht voor private ruimteactiviteiten een plaats te geven binnen hun eigen rechtsstelsels, maar anderzijds ook om de weg vrij te maken voor een commerciële toe-eigening van natuurlijke grondstoffen in de ruimte door hun bedrijven. De VS,29 Luxemburg,30 Japan31 en de Verenigde Arabische Emiraten32 hebben allen wetten ingevoerd die private personen en bedrijven het recht geven om grondstoffen uit de ruimte (bv. van asteroïden of de Maan) te delven en in eigendom te nemen. Hoewel deze nationale wetten steevast stellen dat dergelijke activiteiten door hun onderdanen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met het internationaal recht, dragen zij bij aan juridische fragmentatie doordat zij vooruitlopen op een internationale consensus, en zo een lappendeken van verschillende regimes creëren.33
11. De voornoemde nationale wetten roepen tevens de vraag op of onbeperkte private toe-eigening wel wenselijk of rechtmatig is. Volgens het Ruimteverdrag moeten het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte immers plaatsvinden «in het belang van alle landen», met vrije toegang tot de ruimte en hemellichamen voor alle Staten zonder discriminatie.34 Het Verdrag bepaalt ook dat de ruimte «niet vatbaar is voor nationale toe-eigening», waarbij onduidelijk is waarom deze bepaling niet zou moeten gelden voor de natuurlijke rijkdommen van hemellichamen.35 In 2021 werd binnen UN COPUOS - waar nog steeds over de internationale regels rond ruimterecht wordt onderhandeld - mede op initiatief van België een Werkgroep rond de Natuurlijke Rijkdommen van de Ruimte opgericht, om tegen 2027 te onderzoeken hoe exploitatie van ruimtegrondstoffen geregeld zou kunnen worden op internationaal niveau.36 Tot op heden is het onduidelijk hoe de genoemde nationale wetten zich verhouden tot de verplichtingen van diezelfde Staten onder het Ruimteverdrag, temeer daar eenzijdige interpretaties van het Verdrag er vaak toe strekken de eigen belangen te bevorderen, en nationale wetgeving nooit als reden gebruikt mag worden om te ontsnappen aan internationale verplichtingen.37 Duidelijk is wel dat deze trend - commerciële belangen vooropstellen - parallel loopt met ontwikkelingen in andere internationale domeinen, zoals de volle zee. Zo vaardigde de Amerikaanse president onlangs een uitvoerend bevel uit om exploitatie van hulpbronnen op de diepzeebodem toe te staan.38
12. In dit verband zijn ook de Artemis-akkoorden van 2020 van belang.39 Deze akkoorden betreffen een reeks door de VS geïnitieerde politieke overeenkomsten, oorspronkelijk opgezet door NASA samen met een aantal partnerlanden, die intussen door meer dan vijftig landen zijn ondertekend, waaronder België en Nederland. Hoewel het uitdrukkelijk niet om juridisch bindende verdragen gaat, is het wel mogelijk dat de Artemis-akkoorden een katalysator vormen voor verdere juridische ontwikkelingen.40 Ze beogen immers beginselen en beste praktijken («best practices») vast te leggen voor onder meer Maan- en Mars-missies in het kader van het Artemis-programma. Een opvallend aspect is hoe de Akkoorden omgaan met het vraagstuk van ruimtegrondstoffen. In Sectie 10 erkennen de ondertekenaars dat het delven en gebruiken van grondstoffen op de Maan, Mars, kometen of asteroïden niet inherent neerkomt op nationale toe-eigening van het hemellichaam, wat impliceert dat deze activiteiten toegestaan zouden zijn onder het Ruimteverdrag. Deze stellingname vloeit voort uit de positie van de VS, die de ruimte en haar grondstoffen niet als het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid beschouwt en zowel publieke als private exploitatie ervan aanmoedigt.41 Ze moet tevens gelezen worden in het kader van de bredere discussie over exclusieve gebruikszones waarin de Artemis-akkoorden voorzien als middel om uitvoering te geven aan de vrijheid om zonder schadelijke hinder («harmful interference») gebruik te maken van de Maan en andere hemellichamen.42 Recente plannen van de VS en andere Staten om kernreactoren te installeren op de Maan hebben dit debat over feitelijke toe-eigening van strategisch belangrijke locaties in de ruimte opnieuw onder de aandacht gebracht.43
13. Een en ander staat in sterk contrast met het Maanverdrag, dat bepaalt dat de Maan en haar natuurlijke rijkdommen het «gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid» zijn.44 Het Maanverdrag bepaalt expliciet dat natuurlijke rijkdommen die op hemellichamen aanwezig zijn, niet vatbaar zijn voor nationale toe-eigening, en dat er een internationaal regime moet worden opgezet om de voordelen uit hun exploitatie rechtvaardig te verdelen, met bijzondere aandacht voor de belangen van pioniers in de ruimtevaart én ontwikkelingslanden.45 Het Maanverdrag bepaalt ook dat Staten die een basis installeren op een hemellichaam, geen eigendom verwerven over de oppervlakte die ze gebruiken en daarenboven alleen dat gebied mogen gebruiken dat nodig is voor de behoeften van die basis; ze moeten daarnaast ook de VN Secretaris-Generaal onmiddellijk op de hoogte stellen van de locatie en de doeleinden van deze installatie.46 Dergelijke bepalingen ontbreken in de Artemis-akkoorden, die daarmee in feite de belangen vooropstellen van landen met huidige ruimtecapaciteiten.47 Dit schept een spanningsveld: een aantal Staten, waaronder België en Nederland, is tegelijk partij bij het Maanverdrag én ondertekenaar van de Artemis-akkoorden.48 Het is onduidelijk hoe eventuele commerciële mijnbouwactiviteiten en de afbakening van exclusieve gebruikszones onder Artemis zich juridisch verhouden tot de verplichtingen van deze landen onder het Maanverdrag. Dit draagt wederom bij aan juridische fragmentatie.49
14. Ondertussen zitten ondernemingen niet stil. Private entiteiten verschaffen particulieren al de mogelijkheid om de ruimte te bezoeken en bereiden zich in hoog tempo voor op commerciële exploitatiemissies, vooruitlopend op bindende internationale regelgeving die nog in de maak is, en gesterkt door nationale wetgeving van Staten zoals de VS en Luxemburg. Bedrijven zoals het Japanse iSpace en de Britse Asteroid Mining Corporation kondigen ambitieuze plannen aan voor commerciële mijnbouwmissies naar de Maan en asteroïden. Zo tekenden beide bedrijven in 2024 een overeenkomst om samen een robotdemonstratie op de Maan uit te voeren als opstap naar asteroïdenmijnbouw.50 Zelfs als de hogergenoemde VN-Werkgroep (supra, nr. 11) tegen 2027 richtsnoeren weet op te stellen voor ruimtegrondstoffen, is de verwachting dat een bindend internationaal regime nog geruime tijd op zich zal laten wachten. Hierdoor ontstaat de paradoxale situatie dat ruimte-exploitatie de facto al begint, gedreven door nationale wetgeving en private initiatieven, terwijl de jure de internationale regels hiervoor nog in ontwikkeling zijn. Hoewel het internationaal ruimterecht historisch gezien in het teken stond van samenwerking en gelijkheid tussen Staten, opereren Staten en commerciële actoren steeds meer vanuit strategisch, economisch en politiek eigenbelang, waardoor het juridische kader steeds minder grip heeft op deze ontwikkelingen.
III. Groeiende congestie door satellieten en ruimtepuin
15. De vrijheid om ruimteactiviteiten uit te voeren is in theorie gebaseerd op de soevereine gelijkheid van Staten en deze vrijheid moeten zij krachtens artikel I van het Ruimteverdrag uitoefenen in het belang van alle landen. In de praktijk beschikken echter slechts enkele landen over uitgebreide eigen ruimtevaartcapaciteiten. Toch heeft de betrokkenheid van private investeerders in de ruimtevaartsector een enorme impuls gegeven aan de toegankelijkheid van de ruimte voor zowel Staten als private entiteiten. De kosten van lanceringen zijn drastisch verlaagd, satellieten worden alsmaar kleiner en innovaties komen sneller. Meer partijen hebben toegang tot de ruimte, maar de beschikbare plaats in de banen rond de aarde is niet onbeperkt. Met name de lage baan om de aarde («Low Earth Orbit», LEO, tot ca. 2.000 km hoogte) raakt verzadigd. Het aantal actieve satellieten in LEO is de laatste jaren explosief gestegen, wat een direct gevaar oplevert voor hun veilig functioneren.51 Toch lijkt dit landen vooralsnog niet te weerhouden van nieuwe lanceringen - integendeel, de komst van megaconstellaties leidt tot recordaantallen satellieten in de ruimte. Wetenschappers waarschuwen al langer voor de mogelijke gevolgen hiervan. Zo beschreef NASA-wetenschapper Donald J. Kessler in 1978 een scenario (het «Kessler-syndroom») waarin opeenvolgende botsingen tussen satellieten en puin een exponentiële kettingreactie veroorzaken.52 Hierdoor zouden uiteindelijk zoveel puinfragmenten ontstaan dat niet alleen bestaande satellieten in gevaar komen, maar ruimtevaart zelf vrijwel onmogelijk wordt.
16. In de afwezigheid van bindende internationale regels over bijvoorbeeld lanceerquota of het actief opruimen van niet-functionerende satellieten, is de aanpak van dit probleem voorlopig afhankelijk van vrijwillige initiatieven en onderlinge afstemming tussen ruimteagentschappen. Volgens het Europees Ruimtevaartagentschap («ESA») zijn er sinds 1957 reeds 7.010 raketten gelanceerd (exclusief gefaalde lanceringen) en 15.280 satellieten momenteel in een baan rond de aarde (waarvan 12.500 functioneel).53 Maar liefst 7.421 van deze satellieten alleen al maken deel uit van de Starlink-constellatie van SpaceX en zijn grofweg in de afgelopen 5 jaar gelanceerd,54 hoewel dit slechts een fractie is van het plan van het bedrijf om 42.000 satellieten te lanceren. Naar verwachting zullen er binnen de komende 10 jaar globaal 20.000 satellieten gelanceerd worden,55 wat het aantal satellieten meer dan verdubbelt. In de praktijk kan dit alles slechts duurzaam verlopen op basis van spontane initiatieven van «Space Traffic Management» («STM»), waarbij satellietoperatoren onderling contact houden en steeds vaker uitwijkmanoeuvres uitvoeren om mogelijke botsingen te vermijden.56 De enige bindende verplichting in het huidige verdragsrecht die hier enigszins op toeziet, is artikel IX van het Ruimteverdrag. Dat bepaalt dat Staten hun activiteiten in de ruimte moeten uitvoeren «met inachtneming van de belangen van alle andere verdragsstaten» en onderling overleg plegen indien hun activiteiten schadelijke hinder dreigen te veroorzaken. Deze bepaling is duidelijk te vaag en te zwak om het toenemende congestie- en collisierisico adequaat te beheersen.
17. Bij gebrek aan harde regels is STM vooralsnog grotendeels een zaak van zelfregulering. Dit wil niet zeggen dat er de laatste jaren geen internationale en regionale initiatieven zijn genomen die streven naar veiligere en meer consistente ruimtevaartoperaties. Zo heeft de Space Safety Coalition - een publiek-private coalitie van 45 organisaties - vrijwillige Best Practices for the Sustainability of Space Operations opgesteld, gebaseerd op bestaande richtsnoeren in de sector.57 Ook publiceerde de Europese Commissie in 2022 een «EU Aanpak voor Beheer van Ruimteverkeer» («EU Approach for Space Traffic Management»), met als pijlers: (1) het evalueren van STM-behoeften en -effecten voor de EU; (2) het verbeteren van operationele capaciteiten (zoals surveillance van satellieten en puin); (3) het bevorderen van STM-gerelateerde regelgeving; en (4) het internationaal uitdragen van de EU-aanpak.58
18. De ongecontroleerde toename van satellieten brengt ook een groei van ruimtepuin met zich mee.59 Ruimtepuin («space debris») omvat alle door de mens gemaakte objecten in de ruimte die niet meer functioneren en binnen afzienbare tijd geen nuttige functie meer kunnen uitoefenen60. Vanwege zijn gebrek aan manoeuvreerbaarheid vormt dergelijk puin een groot gevaar voor ruimteactiviteiten, maar het kan ook schade aanrichten wanneer het op aarde terugvalt. Volgens de meest recente analyses van ESA bevonden in september 2025 meer dan een miljoen objecten van uiteenlopende grootte zich in een baan rond de aarde.61 In het kader hieronder wordt een schatting gegeven van het aantal objecten in omloop naar grootteklasse.
Grootte | Aantal ruimteobjecten |
> 10 cm | 54.00062 |
1 ⥠10 cm | 1.2 miljoen |
0,01 ⥠1 cm | 140 miljoen63 |
19. Belangrijk is dat Staten op grond van het Ruimteverdrag verantwoordelijk blijven voor hun ruimteobjecten, ongeacht of deze nog functioneren of niet. Schade berokkend door een satelliet die niet meer werkt en tot puin verwordt, blijft derhalve in beginsel onder de verantwoordelijkheid van de lancerende Staat vallen. Desondanks bestaan er (nog) geen bindende internationale regels die Staten verplichten om oude satellieten of puin te verwijderen. Wel zijn in samenwerking met UN COPUOS verschillende richtsnoeren ontwikkeld om ruimtepuin te beperken.
20. Zo werd in 1993 het Inter-Agency Space Debris Coordination Committee («IADC») opgericht, een samenwerkingsverband van de belangrijkste nationale en regionale ruimteagentschappen, waaronder NASA en ESA. Het IADC formuleerde in 2002 de zgn. Space Debris Mitigation Guidelines, die UN COPUOS in 2007 overnam als vrijwillige gedragscode.64 Het IADC heeft inmiddels de richtsnoeren verder ontwikkeld in 2025.65 De richtsnoeren schrijven onder meer het volgende voor: (a) ruimtesystemen moeten zo worden ontworpen dat zij tijdens normaal gebruik geen puin creëren (of dat dit tot een minimum wordt beperkt); (b) bij missieplanning moet het risico op botsingen gedurende de levensduur worden meegewogen - zo nodig dient de lanceringstiming of baankeuze te veranderen, of moeten uitwijkmanoeuvres worden uitgevoerd; (c) opzettelijke vernietiging van objecten en andere handelingen die op lange termijn puin genereren, moeten worden vermeden; (d) aan het einde van een missie moet opgeslagen energie (bv. brandstof, batterijen) geneutraliseerd worden om explosies te voorkomen; en (e) de langdurige aanwezigheid van objecten in drukkere banen (met name LEO en de geostationaire baan) na het missie-einde moet beperkt worden (bijvoorbeeld door satellieten binnen 25 jaar te laten terugkeren of verplaatsen naar een kerkhofbaan («graveyard orbit»)66. Aangezien de IADC-richtsnoeren niet bindend zijn, vormen ze geen formele verplichtingen, maar Staten en internationale organisaties worden wel aangespoord ze vrijwillig na te leven via hun eigen implementatiemechanismen.67
21. Ten slotte heeft het Wetenschappelijk en Technisch Sub-Comité van UN COPUOS in 2010 de Werkgroep inzake de Duurzaamheid Ruimteactiviteiten op Lange Termijn opgericht.68 Deze werkgroep heeft een reeks best practices geformuleerd om de duurzaamheid van ruimteactiviteiten te bevorderen. In 2019 werd een nieuwe werkgroep opgericht onder het Duurzaamheid agendapunt van het Sub-Comité,69 en nam UN COPUOS de Guidelines for the Long-Term Sustainability of Outer Space Activities aan.70 Deze richtsnoeren zijn geordend rond vier pijlers: (i) beleid en regelgeving voor ruimteactiviteiten; (ii) veiligheid van ruimteactiviteiten; (iii) internationale samenwerking, capaciteitsopbouw en bewustwording; en (iv) wetenschappelijk en technologisch onderzoek en ontwikkeling. Onder deze brede kaders valt een scala aan aanbevelingen, van het oprichten van nationale registratiesystemen tot het delen van informatie over risico’s en het ontwikkelen van puin-opruimtechnologieën. Zoals de eerdere initiatieven zijn ook deze richtsnoeren niet bindend; Staten kunnen ze naar eigen goeddunken al dan niet volgen.
22. Uit het voorgaande volgt dat voor zowel het groeiende aantal satellieten als de gevaren rondom ruimtepuin het juridische kader geen specifieke, dwingende regels oplegt aan Staten en hun bedrijven. In plaats daarvan zien we verschillende vrijblijvende bottom-up- en top-down-initiatieven om deze leemte te vullen. Zonder juridisch bindend effect blijven deze initiatieven echter een pleister op een gapende wonde. Zelfs binnen UN COPUOS, waar onderhandeld wordt over bindende rechtsregels, is het de vraag of Staten geïnteresseerd zijn om hun huidige vrijheden in te leveren voor meer specifieke bepalingen.
IV. Militarisering van de ruimte
23. Zoals de volledige naam van UN COPUOS aangeeft, gaan de hierboven besproken vraagstukken over het algemeen uit van een vreedzaam gebruik van de ruimte. Initieel ging de internationale gemeenschap uit van het gemeenschappelijk belang dat Staten erbij hebben dat de ruimte uitsluitend voor vreedzame doeleinden zou worden gebruikt.71 Het Ruimteverdrag verbood uiteindelijk echter enkel het stationeren van kernwapens of andere massavernietigingswapens in de ruimte en op hemellichamen.72 Hoewel deze hemellichamen zelf enkel voor vreedzame doeleinden mogen worden gebruikt,73 kent het huidige internationaal ruimterecht voor het overige geen expliciete beperkingen op het gebruik van conventionele wapens elders in de ruimte, of op militaire ruimteactiviteiten in het algemeen.74
24. Ronkende verklaringen over het vreedzame gebruik van de ruimte ten spijt, toont het Ruimteverdrag dat Staten reeds bij aanvang van de ruimtewedloop het uitzonderlijke militaire belang van de kosmische ruimte hebben erkend en dit domein optimaal willen benutten voor eigen strategische doeleinden.75 Zoals hoger aangegeven, gebruiken Staten steeds meer de in het internationaal ruimterecht neergelegde vrijheden expliciet voor de ontwikkeling van strategische en militaire activiteiten. Inspanningen om dergelijke activiteiten te beteugelen worden bemoeilijkt doordat satellieten en veel andere ruimtetechnologie inherent voor tweeërlei gebruik («dual use») dienen: satellieten die gebruikt worden voor civiele doeleinden kunnen ook gebruikt worden voor militaire doeleinden. Dit maakt het lastig om juridische kaders te ontwikkelen die specifiek militaire activiteiten in de ruimte of het gebruik van ruimtetechnologie voor militaire doeleinden reguleren.76
25. Gelet op het uitblijven van specifiek ruimterechtelijke kaders rond het militaire gebruik van de ruimte verschuift de aandacht vaak naar de toepassing van geldende regels van het internationaal humanitair recht in de ruimte.77 Hoewel er geen territoriale beperking van dit rechtsdomein geldt dat de toepassing ervan in de ruimte uitsluit, roepen een aantal beginselen specifieke vragen op voor militaire ruimteactiviteiten, in het bijzonder de beginselen van onderscheid en proportionaliteit. Het eerstgenoemde beginsel vereist dat militaire operaties een onderscheid maken tussen civiele en militaire objecten; enkel deze laatste vormen een legitiem militair doelwit.78 Deze verplichting is volgens het Internationaal Gerechtshof een van de hoofdbeginselen vervat in de teksten die de materie van het humanitair oorlogsrecht vormen.79 Onder het tweede beginsel moet een aanval, zelfs al is hij gericht tegen een militair object en daardoor legitiem, proportioneel blijven: hij moet een concreet en direct militair voordeel brengen, en de gebruikte wapens of de gevolgen ervan mogen nooit overbodig gewelddadig of onnodig schadelijk zijn.80
26. Dit onderscheid wordt echter lastig wanneer infrastructuur zowel civiele als militaire doeleinden kan dienen. Commerciële satellieten bieden veel civiele mogelijkheden, zoals wereldwijde communicatie en navigatie, maar kunnen eveneens gebruikt worden voor militaire doeleinden. De dual use-status van satellieten betekent in sommige interpretaties dat ze aangemerkt kunnen worden als een militair object, en daarmee een potentieel legitiem doelwit vormen.81 Het vernietigen van satellieten genereert echter zeer veel ruimtepuin, wat vervolgens een gevaar oplevert voor elke andere satelliet in een baan rond de aarde. Omdat deze stukken ruimtepuin per definitie geen onderscheid kunnen maken tussen militaire en civiele satellieten (ongeacht voor welk doel ze op dat moment worden gebruikt), zou dit in strijd zijn met het onderscheidsprincipe.82 Ook het proportionaliteitsbeginsel komt hiermee in het gedrang; gelet op de enorme afhankelijkheid van de wereldwijde civiele digitale infrastructuur van satellieten83 zou de opzettelijke vernietiging ervan catastrofale gevolgen met zich mee kunnen brengen. Daarnaast is het ook moeilijk te vatten hoe dergelijke aanvallen op militair-civiele doelwitten in de ruimte kunnen worden verzoend met de fundamentele beginselen van het ruimterecht, die immers stellen dat de ruimte vrij is voor verkenning en gebruik door alle Staten op voet van gelijkheid, waarbij dergelijke vrijheid moet worden uitgeoefend in het belang van alle landen.84
27. Staten lijken zich desondanks weinig aan te trekken van deze ogenschijnlijk theoretische beslommeringen. Zo vernietigden China, de VS, India en Rusland tussen 2007 en 2021 elk een eigen satelliet middels een zgn. «direct ascent» anti-satelliettest (anti-satelliettest met directe opstijging van de Aarde, DA-ASAT-test).85 Daarbij werden telkens grote hoeveelheden ruimtepuin gecreëerd, wat onder meer het Internationale Ruimtestation («International Space Station», ‘ISS’) meerdere keren heeft gedwongen zijn baan aan te passen om een impact van brokstukken van ASAT-testen te vermijden.86 Tevens zijn Staten op hun hoede voor een toename in zgn. ‘ontmoetings- en nabijheidsoperaties’ («rendez-vous & proximity operations», «RPOs»), zoals de vernoemde space stalkers die China heeft ontwikkeld om andere satellieten te volgen en desgewenst uit te schakelen (supra, nr. 1).87 Omdat deze space stalkers niet onderscheiden kunnen worden van «normale» satellieten en daarnaast tevens voor commerciële doeleinden zouden kunnen worden gebruikt, is het weinig evident om dergelijke technologie te verbieden.
28. Desalniettemin zijn er wel ontwikkelingen in de regulering van het militaire gebruik van de ruimte, waarbij echter kenmerkend is dat deze doorgaans vertrekken vanuit unilaterale initiatieven van enkele landen, zodat er geen sprake is van universaliteit in de internationale gemeenschap. Zo zag de VS - die zoals aangegeven met onder meer Starlink veruit de meeste satellieten in een baan rond de Aarde heeft - direct-ascent ASAT-tests als een rechtstreeks gevaar voor de eigen veiligheid en duurzaamheid van zijn ruimteactiviteiten, en kondigde daarom in 2022 aan dergelijke testen niet meer te zullen uitvoeren.88 Met het oog op de ontwikkeling van een internationale norm die dergelijke testen verbiedt, diende het land vervolgens een voorstel van resolutie van de VN-Algemene Vergadering in om een eerste stap in deze richting te zetten.89 De uiteindelijke Resolutie 77/41 werd goedgekeurd in december 2022 en roept Staten op om geen ASAT-testen uit te voeren, maar ontving geen instemming van China en Rusland.90 Op hun beurt proberen deze twee laatste mogendheden al sinds 2008 tevergeefs steun te vinden voor een ontwerpverdrag dat wapens in de ruimte zou verbieden, alsook de dreiging met of het gebruik van geweld tegen voorwerpen in de ruimte («PPWT»).91 De VS heeft - net als de EU - aangegeven dit initiatief niet te kunnen ondersteunen, mede vanwege de ambiguïteit van de definitie van «wapen in de ruimte» en de afwezigheid van een verificatiemechanisme in het verdrag.92
29. De meest concrete stap naar een multilaterale oplossing voor de nog steeds toenemende wapenwedloop in de ruimte werd vooralsnog genomen in 2021 met de oprichting van een Open Werkgroep rond Ruimtedreigingen, die in 2022 en 2023 in totaal viermaal bijeenkwam.93 Hoewel wegens blijvend verzet van Rusland het eindrapport van deze Werkgroep uiteindelijk niet kon worden aangenomen, besliste de VN-Algemene Vergadering in 2024 met overweldigende meerderheid (174 stemmen voor, 2 tegen, 9 onthoudingen) om een nieuwe open werkgroep op te richten om de preventie van een wapenwedloop in de ruimte te bespreken voor de periode 2024-2028.94 Gelet op het moeizame verloop van de vorige besprekingen en de geopolitieke verschuivingen die sindsdien hebben plaatsgevonden, blijft het echter de vraag of alle ruimtemogendheden deze keer wel tot een akkoord kunnen komen, en - zo ja - of ze de aanbevelingen zullen opvolgen.
30. Uit het voorgaande blijkt dat de huidige uitdagingen in de ruimte nauw met elkaar verweven zijn: technologische vooruitgang en economische, strategische en militaire belangen zorgen voor nieuwe vormen van gebruik van de ruimte, waardoor steeds meer verschillende actoren actief worden. Dit legt druk op het bestaande juridische kader, dat traag en fragmentarisch reageert. Zowel op internationaal niveau (in VN-verband) als binnen ad-hoc-coalities (zoals Artemis) wordt gezocht naar oplossingen, maar een breed gedragen, bindend regime voor de hedendaagse problemen lijkt vooralsnog niet in zicht. In deze context groeit de aandacht voor regionale of nationale initiatieven om ten minste deels orde te scheppen in de chaos. In het bijzonder rijst hierbij de vraag welke rol de Europese Unie («EU» of «Unie») kan spelen in deze sterk veranderende wereldorde.
V. Een Europese Ruimtewet: van regionale naar globale harmonisatie?
31. In juni 2025 heeft de Europese Commissie een ontwerp van EU Ruimteverordening («EU Space Act») voorgesteld, vergezeld van een uitvoerige effectbeoordeling («impact assessment»).95 Hoewel het slechts om een voorstel gaat, zal in het vervolg van deze tekst worden verwezen naar het voorstel als de «Ruimteverordening». De Ruimteverordening beoogt een uniform juridisch kader te scheppen voor ruimteactiviteiten in de EU, met het oog op veiligheid, veerkracht en duurzaamheid van de ruimte-infrastructuur.
32. Een eerste, centraal doel van de Ruimteverordening is het tegengaan van de huidige juridische fragmentatie in het Europese ruimterecht. Momenteel beschikken 13 EU-lidstaten over nationale ruimtewetten, terwijl andere vergelijkbare wetgeving voorbereiden, zonder onderlinge afstemming.96 De verscheidenheid aan vergunningsvereisten - variërend van minimale eisen tot zeer gedetailleerde normen - leidt tot rechtsonzekerheid en potentiële tegenstrijdigheden tussen nationale regels.97 De Ruimteverordening wil deze fragmentatie oplossen door Europese harmonisatie. Concrete bepalingen leggen uniforme vergunningsvoorwaarden op voor ruimte-activiteiten in alle lidstaten. Zo bepaalt artikel 6(2) dat lidstaten onderling elkaars vergunningen voor ruimteactiviteiten moeten erkennen voor zover die binnen het toepassingsgebied van de Ruimteverordening vallen. Tegelijk verplicht de Ruimteverordening lidstaten alle eigen (eventueel strengere) aanvullende nationale vereisten transparant te maken via een gemeenschappelijk informatieportaal.98 Het resultaat is een geharmoniseerd stelsel waarin een eenmaal verleende vergunning (die voldoet aan de EU-normen) in beginsel toegang geeft tot de gehele EU-markt voor ruimtediensten. Dit voorkomt dubbele regelgeving en creëert een gelijk speelveld voor alle ruimte-operatoren in de Unie. Bovendien maakt harmonisatie het mogelijk om licenties en erkenningen EU-breed te transfereren of te erkennen, wat de totstandbrenging van een eengemaakte markt voor ruimteactiviteiten ten goede komt.
33. Een tweede belangrijk thema is de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van private actoren bij ruimteactiviteiten. Zoals aangegeven (supra, nrs. 5 en 7) legt het Ruimteverdrag vast dat Staten internationaal verantwoordelijk zijn voor alle nationale ruimteactiviteiten, ongeacht of die door overheidsinstellingen of niet-gouvernementele entiteiten worden uitgevoerd. Staten dienen dergelijke private activiteiten te autoriseren en er voortdurend op toe te zien, en ze dragen ook de internationale aansprakelijkheid voor eventuele schade. Tot nu toe is deze verplichting op EU-niveau niet geharmoniseerd ingevuld: het ontbreken van specifieke bindende (technische) regels ter implementatie van de verplichtingen uit het Ruimteverdrag heeft geleid tot uiteenlopende nationale eisen en toezichtregimes. Hierdoor kiezen commerciële operatoren soms voor vestiging in een lidstaat met minder stringente regels, wat niet alleen marktverstoring veroorzaakt, maar ook risico’s kan creëren voor de duurzaamheid en veiligheid van de ruimteomgeving.99 De Ruimteverordening beoogt de rol en plichten van private ruimte-exploitanten duidelijker te omlijnen en EU-breed te verankeren. De Verordening draagt de Commissie bijvoorbeeld op om normalisatieverzoeken uit te vaardigen voor onder meer een standaardformaat van het elektronisch certificaat («e-certificate») en voor normen inzake licht- en radiostoring door satellieten.100 Door deze technische normen via verwijzing bindend te maken, ontstaat interoperabiliteit: alle ruimte-actoren in de EU hanteren voortaan dezelfde meetmethoden, veiligheidsprocedures en datastandaarden. Lidstaten blijven formeel de vergunningverlenende autoriteit, maar moeten bij hun toetsing voortaan geharmoniseerde criteria aanhouden inzake onder meer veiligheid, risico’s en duurzaamheid.
34. Een derde uitdaging betreft de explosieve groei van ruimtepuin (zie supra, nrs. 18-22). Gelet op het ontbreken van bindende internationale regels wenst de Ruimteverordening - voortgaand op de eerdergenoemde STM-Mededeling van 2022 - de ontwikkeling van globale dwingende regels te bevorderen door verplichte puinreductiemaatregelen en verkeersregels in de ruimte op te leggen. Concreet schrijft ze voor dat ruimte-exploitanten en lanceerbedrijven actief ruimtepuin moeten voorkomen en verminderen. Alle lanceer-operatoren van de Unie («Union launch operators») dienen daartoe een formeel plan voor beperking van ruimtepuin («Space Debris Mitigation Plan») op te stellen en in te dienen, waarin zij aantonen hoe zij puinvorming tijdens lancering, operatie en einde levensduur zullen minimaliseren.101 Daarbij worden internationale richtsnoeren omgezet in bindende voorschriften, bijvoorbeeld middels het vereiste dat satellietexploitanten ruimteobjecten na afloop van de missie op een gestructureerde manier moeten verwijderen of verplaatsen naar een begraafplaatsbaan.102 Tevens introduceert de Ruimteverordening een hoofdstuk over verkeersmanagement in omloopbanen («orbital traffic management»), waarin eenvormige regels worden vastgelegd over hoe satellietoperatoren moeten handelen bij potentieel botsingsgevaar, en hoe informatie-uitwisseling bij dergelijke voorvallen van bijzonder belang («high-interest events») verloopt.103
36. Uit de effectbeoordeling blijkt dat een dergelijk geharmoniseerd normenstelsel aanzienlijke voordelen kan bieden voor de EU-ruimtesector: het creëert een gelijk speelveld en vermindert de nalevingslast voor ondernemingen die anders aan verschillende nationale eisen moesten voldoen, en het verhoogt de betrouwbaarheid en reputatie van Europese operatoren.104 Sterker nog, door EU-brede standaardisatie kunnen Europese regels idealiter tevens als globale standaard gaan fungeren, waardoor de EU zich internationaal als normsteller profileert.105 De Ruimteverordening voorziet ook in mechanismen voor equivalentie en wederzijdse erkenning van buitenlandse vergunningen: indien een derde land een vergelijkbaar niveau van veiligheid en duurzaamheid hanteert, kan de Commissie beslissen dat vergunningen uit dat land als gelijkwaardig worden aanvaard.106 Dit voorkomt dubbele regulering en bevordert interoperabiliteit op internationaal vlak, zonder afbreuk te doen aan de hoge EU-normen.
37. Ondanks deze ambities gaat de Ruimteverordening vrijwel niet in op het militaire gebruik van de ruimte. Deze beperking vloeit deels voort uit bevoegdheidskwesties: nationale veiligheid en defensie blijven primair een zaak van de EU-lidstaten.107 In de Ruimteverordening is expliciet verankerd dat ruimteobjecten die voor militaire operaties worden ingezet, uitdrukkelijk buiten het toepassingsgebied van de Verordening vallen, zoals bijvoorbeeld een satelliet die tijdelijk onder militair commando wordt geplaatst gedurende de periode van die militaire missie.108 De Verordening bepaalt dat ze geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van lidstaten inzake nationale veiligheid, inclusief gevallen waarin een lidstaat specifieke ruimte-operaties uitvoert voor veiligheidsdoeleinden.109 Dit uitgangspunt wordt juridisch verankerd in artikel 4 van de Ruimteverordening, de «nationale veiligheidsclausule», die inhoudt dat niets in de Verordening de verantwoordelijkheid van lidstaten voor de bescherming van nationale veiligheid en essentiële staatsfuncties aantast.
38. Concreet betekent dit dat militaire ruimte-infrastructuur en -operaties (zoals spionagesatellieten, anti-satelliettesten, ruimtewapens of andere defensiegerelateerde activiteiten) niet onder de nieuwe EU-regels vallen. Zij blijven gereguleerd door nationale wetgeving en eventuele internationale afspraken, maar de Ruimteverordening stelt er geen nadere eisen aan. Hoewel dit juridisch verklaarbaar is, toont het de beperkingen van de rol die de EU kan vervullen om een alomvattend, breed opgezet duurzaamheidskader te ontwikkelen. Zoals aangegeven hebben uitdagingen als ruimtepuin en baancongestie immers ook een militaire component, zoals het puin afkomstig van anti-satellietwapentesten. De Ruimteverordening adresseert deze dimensie niet, zodat de verantwoordelijkheid voor regulering van militair ruimtegebruik geheel bij de lidstaten en internationale fora (zoals de VN) blijft.
39. Zoals de Commissie in haar effectbeoordeling aangeeft, zou een eenvormig Europees juridisch kader een significante meerwaarde bieden voor de interne markt, innovatie stimuleren en de EU als mondiale normzetter in de ruimte positioneren.110 Het is evenwel geen uitgemaakte zaak dat het voorstel voor de Ruimteverordening in de huidige vorm zal worden aangenomen. Het is nu aan de Raad en het Europees Parlement om het voorstel van de Commissie te bespreken en aan te nemen. Gelet op de uiteenlopende nationale prioriteiten en strategische gevoeligheden die gelden in de ruimtevaart, zijn niet alle lidstaten even bereid om deze harmonisatiepoging zonder meer te aanvaarden, temeer daar de bevoegdheid van de EU inzake ruimte zich in beginsel niet uitstrekt tot harmonisatie van nationale wetgeving. Dat wordt niet alleen uitdrukkelijk gestipuleerd in artikel 189, lid 2, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie («VWEU»), maar vloeit ook voort uit artikel 4, lid 3, VWEU, dat de Unie op ruimtegebied een «parallelle» bevoegdheid toebedeelt, waarvan de uitoefening «de lidstaten niet [belet] hun eigen bevoegdheid uit te oefenen», wat nu net wel het resultaat van harmonisatie is.111 De Commissie lost dit pragmatisch op door de Ruimteverordening niet te baseren op de ruimtebevoegdheid in artikel 189 VWEU maar op de interne markt-bevoegdheid in artikel 114 van dit Verdrag. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd. Ook als de Ruimteverordening uiteindelijk wordt aangenomen, blijft het de vraag of de Unie erin zal slagen om met deze geharmoniseerde regionale ruimteregels te wegen op de ontwikkeling van het internationaal ruimterecht.112
VI. Slotbeschouwingen
40. In de woorden van VN-Secretaris-Generaal António Guterres kan de situatie in de ruimte beknopt omschreven worden als een «totale chaos [die] zich met exponentiële snelheid vermenigvuldigt».113 Op het internationale niveau lijkt er inderdaad sprake te zijn van sterke fragmentatie. De aard van het ruimtedomein zorgt ervoor dat alle ruimteactiviteiten met elkaar verweven zijn, zoals de bespreking van de recente ontwikkelingen in het ruimterecht in deze bijdrage heeft aangegeven. De VN-ruimteverdragen uit de Koude Oorlog vormen nog altijd de basis van het internationaalrechtelijke kader, maar sluiten steeds minder aan bij de realiteit. Technologische vooruitgang, de opkomst van commerciële ruimtevaart en de groeiende strategische inzet van ruimtecapaciteit transformeren de ruimte razendsnel in een compleet nieuw domein.
Geconfronteerd met deze werkelijkheid probeert het recente voorstel voor een EU Ruimteverordening een eerste stap te zetten in de richting van regionale - en langs die weg misschien uiteindelijk globale - harmonisatie. Samen met multilaterale werkgroepen en internationale samenwerking duidt het voorstel op een groeiend besef dat een duurzaam en veilig gebruik van de ruimte gezamenlijke actie vereist. Hoewel de Ruimteverordening geen alomvattende regels bevat voor ruimteactiviteiten, tracht ze de regulering rond ruimteactiviteiten binnen de Unie te stroomlijnen, wat de transparantie, veiligheid en duurzaamheid van ruimteactiviteiten op de lange termijn ten goede komt. Zelfs als defensiegerelateerde ruimteactiviteiten buiten het toepassingsgebied vallen, betekent de Ruimteverordening een belangrijke stap vooruit voor de civiele (en daarmee ook dual use) ruimtevaartsector in Europa. Als de Ruimteverordening erin slaagt om deze doelen te bereiken, zou ze mogelijk een basis kunnen vormen voor verdere internationale afspraken.
Al deze ontwikkelingen tonen aan dat de ruimte geen chaotisch, wetteloos gebied hoeft te zijn, maar juist een omgeving kan worden waar gedeelde normen en verantwoordelijk gebruik centraal staan. Het doorzetten van deze inspanningen is daarom vereist voor een toekomst waarin de ruimte niet alleen economisch rendabel is, maar ook juridisch verantwoord, duurzaam en collectief wordt beheerd. Op deze manier kan het onderzoek en gebruik van de ruimte - in lijn met artikel I van het Ruimteverdrag - daadwerkelijk ten goede komen aan alle landen, ongeacht hun mate van economische of wetenschappelijke ontwikkeling.
1 Zie hierover A. Vernile, The rise of private actors in the space sector, Berlijn, Springer, 2018.
2 Zie E. Marchand, «Ten thousand active satellites now orbiting Earth», Space Daily, 27 juni 2024, beschikbaar op https://www.spacedaily.com/reports/Ten_Thousand_active_satellites_now_orbiting_Earth_999.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
3 Zie o.a. P. De Man. Exclusive use in an inclusive environment: the meaning of the non-appropriation principle for space resource exploitation, Berlijn, Springer, 2016; J. Wouters, P. De Man en R. Hansen (eds.), Commercial uses of space and space tourism: legal and policy aspects, Cheltenham, Edward Elgar, 2017.
4 Zie B.G. Chow, «Stalkers in space: defeating the threat», Strategic Studies Quarterly 2017, 11, 82. Zie tevens B.G. Chow, «Countering China’s space stalkers: helping turn competitive endurance from theory into practice», Spacenews, 12 mei 2025, beschikbaar op https://spacenews.com/countering-chinas-space-stalkers-helping-turn-competitive-endurance-from-theory-into-practice/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025). Zie ook infra, nr. 27.
5 Zie ook S. Aoki, H. Takemura, S. Furuya en K. Ozaki, «International law of the military uses of outer space in light of the war in Ukraine as the first commercial space war» in S. Furuya, H. Takemura en K. Ozaki (eds.), Global impact of the Ukraine conflict: perspectives from international law, Berlijn, Springer, 2023, 313-337.
6 Voor een uitstekend overzicht van de uitdagingen die deze nieuwe ontwikkelingen stellen voor het internationaal ruimterecht, zie het recente advies van de Nederlandse Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), met (voor hoofdstuk 3) als co-adviseur de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV): AIV, «Regie op veiligheid in de ruimte», Adviesrapport, 23 juni 2025, beschikbaar op https://www.adviesraadinternationalevraagstukken.nl/documenten/publicaties/2025/06/23/regie-op-veiligheid-in-de-ruimte. Zie meer algemeen o.a. ook P.B. Larsen en F. Lyall, Space law: a treatise, Londen, Ashgate, 2009; T. Leclerc (ed.), Space law: legal framework for space activities, Londen - Hoboken, John Wiley & Sons, 2023; T. Masson-Zwaan en M. Hofmann, Introduction to space law, Alphen aan den Rijn, Wolters Kluwer, 2024, 5e ed.; S. Hobe, Space law, Baden-Baden, Nomos, 2023, 2e ed.; B. Olga e.a. (eds.), Droit de l’espace extra-atmosphérique: Questions d’actualité, Toulouse, Presses de l’Université Toulouse Capitole, 2021; A. PeÄujliÄ, The space law stalemate: legal mechanisms for developing new norms, Londen, Routledge, 2023; B. Sandeepa Bath, D. Ukey en A. Variath (eds.), International space law in the new space eraâ¯: principles and challenges, Oxford, Oxford University Press, 2024.
7 Zie art. I van het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen van 27 januari 1967 (hierna: «Ruimteverdrag»), instemmingswet 4 december 1973 (BS 12 februari 1972), bekrachtiging 30 maart 1973 (Washington), 31 maart 1973 (Londen en Moskou), internationale inwerkingtreding 10 oktober 1967, inwerkingtreding voor België 30 maart 1967, UNTS nr. 8843, opgenomen in J. Wouters, Bronnen van internationaal recht, Antwerpen - Cambridge, Intersentia, 2004 (hierna: Bronnen), 460. Zie over dit verdrag destijds o.a. A. Bückling, Der Weltraumvertrag, Keulen, Heymann, 1980; M. Couston, «Le traité de l’espace ou le legs idéal», Revue française de droit aérien et spatial 1997, 213-237; D. Goedhuis, «An evaluation of the leading principles of the treaty on outer space of 27th January 1967», N.I.L.R. 1968, 14-41, M. Lachs, «The treaty on principles of the law of outer space, 1961-1992», N.I.L.R. 1992, 291-302.
8 Zie de collectie van internationaal ruimterecht in Verenigde Naties Kantoor voor Ruimtezaken (UNOOSA), International Space Law: United Nations Instruments, 13 augustus 2025, VN Doc. ST/SPACE/61/Rev.3.
9 Supra noot 7.
10 Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen van 22 april 1968 (hierna: «Reddingverdrag»), instemmingswet 16 februari 1977 (BS 18 oktober 1978), bekrachtiging 15 april 1977, internationale inwerkingtreding 3 december 1968, inwerkingtreding voor België 15 april 1977, UNTS nr. 9574, Bronnen, 463. Zie over dit verdrag destijds o.a. A.C. Kiss, «L’accord sur le retour et le sauvetage des astronautes et la restitution des objets lancés dans l’espace extra-atmosphérique», Annuaire français de droit international 1968, 736-746; R. Cargill Hall, «Rescue and return of astronauts on earth and in outer space», A.J.I.L. 1969, 197-210; S. Gorove, «Legal problems of the rescue and return of astronauts», Int. Law. 1969, 898-902; P.-H. Houben, «A new chapter of space law: the agreements on the rescue and return of astronauts and space objects», N.T.I.R. 1968, 121-132.
11 Verdrag inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen van 29 maart 1972 (hierna: «Aansprakelijkheidsverdrag»), instemmingswet 13 juli 1976 (BS 28 juli 1977), bekrachtiging 13 augustus 1977, internationale inwerkingtreding 1 september 1972, inwerkingtreding voor België 13 augustus 1977, UNTS nr. 13810, Bronnen, 465. Over deze conventie, zie o.a. W.F. Foster, «The Convention on International Liability for Damage Caused by Space Objects», Canadian Yearbook of International Law 1973, 137185; R.E. Alexander, «Measuring damages under the Convention on International Liability for Damage Caused by Space Objects», Journal of Space Law 1978, 151-159; H. Reis, «Some reflection on the liability convention for outer space», Journal of Space Law 1978, 125-128; C.Q. Christol, «International liability for damage caused by space objects», A.J.I.L. 1980, 346-371.
12 Overeenkomst betreffende de inschrijving van voorwerpen die in de kosmische ruimte worden gelanceerd van 14 januari 1975 (hierna: «Registratieverdrag»), BS 14 april 1977, bekrachtiging 24 februari 1977, internationale inwerkingtreding 15 september 1976, inwerkingtreding voor België 24 februari 1977, UNTS nr. 15020, Bronnen, 468. Voor verdere duiding bij dit verdrag, zie o.a. C. Dalfen, «Towards an International Convention on the Registration of Space Objects: the gestation process», Canadian Yearbook of International Law 1971, 252-268; N.M. Matte, «Convention on the Registration of Objects Launched into Outer Space», Annals of Air and Space Law 1976, 231; S.M. Williams, «The «surprise» convention on the registration of space objects», Zeitschrift für Luft- und Weltraumrecht 1979, 122-129.
13 Overeenkomst ter regeling van de activiteiten van Staten op de maan en andere hemellichamen van 18 december 1979 (hierna: «Maanverdrag»), instemmingswet 8 juni 2004 (BS 4 augustus 2004), toetr. 29 juni 2004, internationale inwerkingtreding 11 juli 1984, inwerkingtreding voor België 29 juli 2004, UNTS nr. 23002, Bronnen, 470. Zie o.a. M.N. Andem, «Twentieth anniversary of the 1979 Moon Treaty: the legal status of the moon and other celestial bodies revisited in the light of the commercialisation of outer space activities», Proceedings of the 42th colloquium on the law of outer space, Wenen, Springer, 1999, 383-392; C. Christol, «The Moon Treaty and the allocation of resources», Annals of air and space law 1997/2, 31-47; D. Everett Marko, «A kinder, gentler Moon Treaty: a critical review of the current Moon Treaty and a proposed alternative», Ind. J. Int. L. 1990, 1-43; D. Goedhuis, «Conflicts in the interpretation of the leading principles of the Moon Treaty of 5 December 1979», N.I.L.R. 1981, 14-29; N. Jasentuliyana, «The Moon Treaty» in N. Jasentuliyana (ed.), Maintaining outer space for peaceful uses, Tokio, United Nations University, 1984, 121-139; E. van Bogaert, «The Moon Treaty: achievements and future problems», Stud. Dipl. 1981, 655-673.
14 Zie de status van de VN-ruimteverdragen in UN COPUOS, Status of international agreements relating to activities in outer space as at 1 January 2025, 5 mei 2015, VN Doc. A/AC.105/C.2/2025/CRP.9.
15 Art. VI Ruimteverdrag.
16 Zie F. von der Dunk, National space legislation in Europe: issues of authorisation of private space activities in the light of developments in European space cooperation, Leiden, Brill, 2011, vol 6, 3.
17 Art. VI Ruimteverdrag.
18 Zie H. Durrani, «Interpreting «Space Resources Obtained»: historical and postcolonial interventions in the law of commercial space mining», SSRN Electronic Journal 2018, 495.
19 Zie Vernile, supra noot 1; zie ook de bespreking van concrete overwegingen voor de kolonisatie van de Maan en Mars in M. Schladebach, Weltraumrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, 2020.
20 Zie o.a. C. Isnardi, «Problems with enforcing international space law on private actors», Columbia Journal of Transnational Law 2020, 58(2), 489-530; E. Massingham en D. Stephens, «Autonomous systems, private actors, outer space and war: lessons for addressing accountability concerns in uncertain legal environments», Melbourne Journal of International Law 2022, 23(2), 276-305.
21 Zie o.a. Von der Dunk, supra noot 16, 9-18; C.J. Robison, «Changing responsibility for a changing environment: revaluating the traditional interpretation of Article VI of the Outer Space Treaty in light of private industry», University of Bologna Law Review 2020, 5, 12-17.
22 Art. I-IV Aansprakelijkheidsverdrag.
23 Deze problemen rijzen in het bijzonder bij een satelliet die na lancering verandert van eigenaar of operator: zie o.a. A. Dimopoulou, G. Kyriakopoulos en M. Manoli, «Is the Launching State the only «Appropriate State» to register a space object? Change of registry in case of change of ownership» in G. Kyriakopoulos en M. Manoli (eds.), The Space treaties at crossroads: considerations de lege ferenda, Berlijn, Springer, 2019, 97-108.
24 Zie Robison, supra noot 21, 17-19; A. Kerrest, «Launching spacecraft from the sea and the Outer Space Treaty: The Sea Launch Project», Air and Space Law 1998, 23, 18-21.
25 Zie hierover verscheidene discussies in Wouters, De Man en Hansen, supra noot 3.
26 Dit wordt duidelijk als men de art. I en II van het Ruimteverdrag vergelijkt met de fundamentele bepaling in art. I van het Verdrag inzake Internationale Burgerluchtvaart van 7 december 1944, dat bepaalt dat «[d]e Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied».
27 Het Juridisch Sub-comité van UN COPUOS behandelt de kwestie reeds vele decennia in een speciale Werkgroep rond de Definitie en Afbakening van de Kosmische Ruimte, maar zonder enig uitzicht op een consensuspositie van de betrokken lidstaten. Enkele jaren geleden heeft UN COPUOS de verschillende historische posities van Staten in dit opzicht samengevat in een «Historical summary on the consideration of the question on the definition and delimitation of outer space», 3 februari 2020, VN Doc. A/AC.105/769/Add.1.
28 International Law Association, Draft rules on subortbital spaceflight, 2024, beschikbaar op https://www.ila-hq.org/en/documents/ila-draft-rules-on-suborbital-spaceflight-2024-06-03-complete-and-final-for-athens-1 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
29 U.S. Commercial Space Launch Competitiveness Act, Pub L No 114-90, U.S. Statutes at Large Vol. 129, Stat 704, inwerkingtreding 25 november 2015, beschikbaar op https://www.congress.gov/bill/114th-congress/house-bill/2262/text/statute?statuteId=44237 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
30 Loi du 20 juillet 2017 sur l’exploration et l’utilisation des ressources de l’espace, Parl. Doc. Nr. 7093, Journal officiel du Grand-Duché de Luxembourg, nummer 674, Mémorial A, van 28 juli 2017, inwerkingtreding 1 augustus 2017, beschikbaar op http://data.legilux.public.lu/eli/etat/leg/loi/2017/07/20/a674/jo (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
31 Act on the Promotion of Business Activities for the Exploration and Development of Space Resources, Act No. 83, of 23 June 2021, Staatscourant van Japan, Extra Nummer 141, inwerkingtreding 23 december 2021, beschikbaar op https://www.kanpo.go.jp/old/20210623/20210623g00141/20210623g001410000f.html, met vertaling beschikbaar op https://www.japaneselawtranslation.go.jp/ja/laws/view/4816 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
32 Cabinet Resolution No. (19) of 2023 Concerning the Space Resources Regulations, Staatscourant van de Verenigde Arabische Emiraten, Nummer 748 van 13 maart 2023, inwerkingtreding 3 mei 2023, beschikbaar op https://uaelegislation.gov.ae/en/legislations/1634 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
33 Zie P. De Man, «State practice, domestic legislation and the interpretation of fundamental principles of international space law», Space Policy 2017, 42, 92-102.
34 Art. I Ruimteverdrag.
35 Zie hierover uitvoerig De Man, supra noot 3.
36 Voluit: Werkgroep over Juridische Aspecten van Activiteiten rond Natuurlijke Rijkdommen van de Ruimte. Voor meer informatie rond het werk van deze werkgroep, zie de officiële website van het VN-Kantoor voor Ruimtezaken op https://www.unoosa.org/oosa/en/ourwork/copuos/lsc/space-resources/index.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
37 Zie art. 27 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en Bijlage, gedaan te Wenen op 23 mei 1969.
38 Witte Huis, Presidentiële Acties: Uitvoerend Bevel, «Unleashing America’s Offshore Critical Minerals and Resources», 24 april 2025, beschikbaar op https://www.whitehouse.gov/presidential-actions/2025/04/unleashing-americas-offshore-critical-minerals-and-resources/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
39 National Aeronautics and Space Administration (NASA), The Artemis Accords: Principles for Cooperation in the Civil Exploration and Use of the Moon, Mars, Comets, and Asteroids for Peaceful Purposes (hierna: «Artemis Akkoorden»), 2020.
40 Zie R. Deplano, «The Artemis Accords; evolution or revolution in international space law?», International and Comparative Law Quarterly 2021, 70(3), 799-819; B. Bartóki-Gönczy en B. Nagy, «The Artemis Accords», International Legal Materials 2023, 63, 891.
41 Witte Huis, Presidentiële Acties: Uitvoerend Bevel, «Executive Order on Encouraging International Support for the Recovery and Use of Space Resources», 6 april 2020, beschikbaar op https://trumpwhitehouse.archives.gov/presidential-actions/executive-order-encouraging-international-support-recovery-use-space-resources/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
42 Dit is een specifieke interpretatie van art. IX Ruimteverdrag, dat Staten verplicht om te consulteren met andere Staten wier ruimteactiviteiten mogelijk schadelijke hinder zouden ondervinden door de plannen van die eerste. Zie infra, nr. 16.
43 Zie hierover A. Gras, «Tweede ruimterace ontbrandt: VS willen versneld kerncentrale op de maan», 5 augustus 2025, beschikbaar op https://fd.nl/politiek/1564668/tweede-ruimterace-ontbrand-vs-willen-versneld-kerncentrale-op-de-maan (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
44 Zie art. 11 Maanverdrag.
45 Ibid.
46 Art. 9 en 11 Maanverdrag.
47 Zie R. Deplano, supra noot 40, 817.
48 Zie Bartóki-Gönczy en Nagy, supra noot 40, 889.
49 Zie hierover F. Tronchetti en H. Liu, «Australia’s signing of the Artemis Accords: A positive development or a controversial choice?», Australian Journal of International Affairs 2021, 75(3), 243-251.
50 Zie persbericht op https://ispace-inc.com/news-en/?p=6184 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
51 Zie o.a. K. Nakamura, Norm formation in space law, Leiden, Brill, 2024, 3.
52 Zie A. Mariappan en J.L. Crassidis, «Kessler’s syndrome: a challenge to humanity», Frontiers in Space Technologies 2023, 4.
53 ESA, «Space debris by the numbers», beschikbaar op https://www.esa.int/Space_Safety/Space_Debris/Space_debris_by_the_numbers (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
54 UNOOSA, «Online index of objects launched into outer space», beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/osoindex/search-ng.jspx?lf_id= (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
55 Zie o.a. Nakamura, supra noot 51, 104; T.J. Muelhaupt, M.E. Sorge, M. Morin en R.S. Wilson, «Space traffic management in the new space era», The Journal of Space Safety Engineering 2019, 6(2), 80-81.
56 Zie o.a. J. Wang, G. Chen en Y. Cheng, «Satellite evasion maneuver strategies considering optical observability» in L. Liu e.a. (eds.), Proceedings of 4th 2024 International Conference on Autonomous Unmanned Systems (4th ICAUS 2024), Springer Nature, Singapore, 2025, vol 5; T. Pultarova, «Performing evasive maneuvers increases satellites» collision risk down the road» Space.com, 11 december 2023, beschikbaar op https://www.space.com/satellites-collision-avoidance-maneuvers-increase-collision-risk (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
57 Space Safety Coalition, «Best practices for the sustainability of space operations: version 2.39», november 2024 beschikbaar op https://spacesafety.org/best-practices/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
58 Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, «Gezamenlijke Mededeling aan het Europees Parlement en de Raad. Een EU-benadering van het ruimteverkeersbeheer. Een bijdrage van de EU aan de aanpak van een mondiale uitdaging», 15 februari 2022, JOINT(2022)2 final.
59 Zie o.a. Mariappan en Crassidis, supra noot 52, 2; K. Nomura e.a., «Tipping points of space debris in low earth orbit», International Journal of the Commons 2024, 18(1). Zie ook S. Erwin, «Orbital congestion reaching critical levels, warns new rapport», SpaceNews, 30 april 2024, beschikbaar op https://spacenews.com/orbital-congestion-reaching-critical-levels-warns-new-report/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
60 Zie in het bijzonder reeds de werkdefinitie geboden in UN COPUOS, Report of the Scientific and Technical Subcommittee on the work of its thirty-fourth session, 10 maart 1997, VN Doc. A/AC.105/672, para. 112: «all man-made objects, including their fragments and parts, whether their owners can be identified or not, in Earth orbit or re-entering the dense layers of the atmosphere that are non-functional with no reasonable expectation of their being able to assume their intended functions or any other functions for which they are or can be authorized». Zie verder Nakamura, supra noot 51.
61 ESA, «ESA Space Environment Report 2025», 1 april 2025, beschikbaar op https://www.esa.int/Space_Safety/Space_Debris/ESA_Space_Environment_Report_2025 (laatst bezocht op 21 oktober 2025); zie ook ESA, supra, noot 53.
62 Met inbegrip van ongeveer 9.300 actieve ladingen of objecten.
63 ESA, supra noot 53. ESA vermeldt er wel bij dat vanzelfsprekend niet elk object getraceerd kan worden en derhalve ook niet in de catalogus terechtkomt. De daadwerkelijke hoeveelheid ruimtepuin ligt daarom waarschijnlijk veel hoger.
64 VN Doc. a/62/20(2007), Annex, «Space debris mitigation guidelines of the Committee on the Peaceful Uses of Outer Space» («SDM Guidelines»).
65 Wetenschappelijk en Technisch Sub-Comité van UNCOPUOS, «IADC Space debris mitigation guidelines», 3-14 februari 2025, beschikbaar op https://www.unoosa.org/res/oosadoc/data/documents/2025/aac_105c_12025crp/aac_105c_12025crp_9_0_html/AC105_C1_2025_CRP09E.pdf (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
66 Zie respectievelijk SDM Guidelines 1 en 3-7.
67 SDM Guidelines, Sectie 3.
68 VN-Algemene Vergadering, «Report of the Scientific and Technical Subcommittee on its forty-seventh session, held in Vienna from 8 to 19 February 2010», A/AC.105/958, para. 118, beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/oosadoc/data/documents/2010/aac.105/aac.105958_0.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
69 UN COPUOS, «Report of the Committee on the Peaceful Uses of Outer Space», A/74/20, 20 augustus 2019, para. 165, beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/oosadoc/data/documents/2019/a/a7420_0.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
70 UN COPUOS, «Report of the Committee on the Peaceful Uses of Outer Space», A/74/20, 12-21 juni 2019, para. 163, Annex II, beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/en/oosadoc/data/documents/2019/a/a7420_0.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025). Zie tevens UN COPUOS, «Report of the Committee on the Peaceful Uses of Outer Space», A/71/20, 8-17 juni 2016, Annex, beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/documents-and-resolutions/search.jspx?view=&match=A%2F71%2F20 (laatst bezocht op 21 oktober 2025) en VN-Algemene Vergadering, «Report of the Scientific and Technical Subcommittee on its fifty-fifth session, held in Vienna from 29 January to 9 February 2018», A/AC.105/1167, Annex III.
71 Resolutie van de VN-Algemene Vergadering, «Question of the Peaceful Use of Outer Space» (1958) /Res/1348 (XIII) Preambule.
72 Art. IV(1) Ruimteverdrag.
73 Art. IV(2) Ruimteverdrag.
74 Zie M. Bourbonniere en R.J. Lee, «Legality of the deployment of conventional weapons in Earth orbit: balancing space law and the law of armed conflict», European Journal of International Law 2007, 18, 901.
75 Zie o.a. S. Buono en A. Bateman, «A short history of space security» in S.M. Pekkanen en P.J. Blount (eds.), The Oxford handbook of space security, Oxford, Oxford University Press, 2024, 22-37; M. De Zwart en S. Henderson, Commercial and military uses of outer space, Singapore, Springer Singapore, 2021.
76 Zie S. Berrang, «Does the dual-use of space objects necessitate a new Geneva Convention?», Case Western Reserve Journal of International Law 2025, 57(1/2), 315-341.
77 Rond dit vraagstuk, zie de MILAMOS en Woomera Manuals, die trachten duidelijkheid te scheppen over de mogelijke beperkingen die het internationaal recht momenteel oplegt aan het militaire gebruik van de ruimte door overheden: McGill Manual on International Law Applicable to Military Uses of Outer Space: volume I - Rules, beschikbaar op https://www.mcgill.ca/milamos/files/milamos/mcgillâ_manual_volume_i_-_rules_final_0.pdf, (laatst bezocht op 21 oktober 2025) en J. Beard, D. Stephens en D. Koplow (eds.), The Woomera Manual on International Law Applicable to Military Space Operations, Oxford, Oxford University Press, 2024.
78 Dit betreft ook een beginsel dat onderdeel is van het humanitair gewoonterecht, zoals bevestigd door het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) onder regel 14. Zie J.M. Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law Volume I: Rules, Cambridge, Cambridge University Press, 2005, 25-28.
79 Internationaal Gerechtshof (IGH), advies van 8 juli 1996, Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons, I.C.J. Reports 1996, 226, para. 78-79.
80 Het proportionaliteitsbeginsel is opgenomen in de art. 51(5)(b) en 57(2)(a)(iii) van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomsten van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten, aangenomen te Genève op 8 juni 1977. Ook dit is volgens het ICRC een gewoonterechtelijk beginsel, namelijk onder regel 7. Zie J.M. Henckaerts en L. Doswald-Beck, supra noot 78, 46-50.
81 Zie o.a. ICRC, 28th International Conference of the Red Cross and Red Crescent, 2-6 December 2003, «ICRC, IHL and the challenges of contemporary armed conflicts», beschikbaar op https://casebook.icrc.org/case-study/icrc-ihl-and-challenges-contemporary-armed-conflicts? (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
82 Zie hierover verder G.B. Kuplic en J. Sawmiller, «Humanity on the final frontier: challenges in applying international humanitarian law to modern military space operations», International Review of the Red Cross 2025, 107(928), 200-237.
83 M. De Zwart, «Outer space» in W.H. Boothby (ed.), New technologies and the law in war and peace, Cambridge, Cambridge University Press, 2018, 337-338.
84 Art. I Ruimteverdrag.
85 Zie S. Ahmad, «India’s anti-satellite test: from the perspective of international space law and the law of armed conflict», International Criminal Law Review 2021, 21, 342.
86 S. Pare, «ISS dodges its 39th piece of potentially hazardous space junk. Experts say it won’t be the last», 26 november 2024, beschikbaar op https://www.livescience.com/space/space-exploration/iss-dodges-its-39th-piece-of-potentially-hazardous-space-junk-experts-say-it-wont-be-the-last (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
87 Zie B.G. Chow, supra noot 4.
88 Zie S. Erwin, «U.S. declares ban on anti-satellite missile tests, calls for other nations to join», SpaceNews, 18 april 2022, beschikbaar op https://spacenews.com/u-s-declares-ban-on-anti-satellite-missile-tests-calls-for-other-nations-to-join/ (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
89 VN-Algemene Vergadering, «Open-ended working group on reducing space threats through norms, rules and principles of responsible behavior: Aide-Memoire on Proposed United Nations General Assembly Resolution on Destructive Direct-Ascent AntiSatellite Missile Testing, Submitted by the United States of America», A/AC.294/2022/WP.21, 12-16 september 2022, beschikbaar op https://docs.un.org/en/A/AC.294/2022/WP.21 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
90 Resolutie van de VN-Algemene Vergadering, «Destructive direct-ascent anti-satellite missile testing» (2022),77/41, beschikbaar op https://digitallibrary.un.org/record/3996915 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
91 Zie het ontwerpverdrag van Rusland en China tijdens de Conferentie inzake Ontwapening in 2008: «Letter dated 2008/02/12 from the Permanent Representative of the Russian Federation and the Permanent Representative of China to the Conference on Disarmament addressed to the Secretary-General of the Conference transmitting the Russian and Chinese texts of the draft «Treaty on Prevention of the Placement of Weapons in Outer Space and of the Threat or Use of Force against Outer Space Objects (PPWT)» introduced by the Russian Federation and China», CD/1839, 29 februari 2008, beschikbaar ophttps://digitallibrary.un.org/record/633470?v=pdf#files (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
92 Zie de bijdrage van de delegatie uit de VS tijdens een daaropvolgende Conferentie inzake Ontwapening in 2014: «Analysis of the 2014 Russian-Chinese Draft Treaty on the Prevention of the Placement of Weapons in Outer Space, the Threat or Use of Force against Outer Space Objects», CD/1998, 3 september 2014, 2, beschikbaar op https://docs.un.org/en/cd/2129 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
93 Resolutie van de VN-Algemene Vergadering, «Reducing space threats through norms, rules and principles of responsible behaviours», 2021, 76/231.
94 VN-Algemene Vergadering, «Open-ended working group on the prevention of an arms race in outer space in all its aspects», 43e Plenaire Vergadering, Agenda Item 96(a), Besluiten, 79/512, 2 december 2024, beschikbaar op https://igov.un.org/a/dec/79/512 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
95 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid, veerkracht en duurzaamheid van ruimteactiviteiten in de Unie, COM(2025) 335 final, (hierna: «Ruimteverordening»), beschikbaar op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52025PC0335. Voor de Impact Assessment, zie Europese Commissie, «Commission Staff Working Document Impact Assessment Report accompanying the document Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on the safety, resilience and sustainability of space activities in the Union», SWD(2025) 335 final, (hierna: «Impact Assessment»), beschikbaar op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A52025SC0336&qid=1754382482590.
96 Impact Assessment, deel 1/2, 7.
97 Zie consideransen 8-10 preambule Ruimteverordening.
98 Art. 110 Ruimteverordening.
99 M. Sánchez Arandamendi, «Economic and policy aspects of space regulations», ESPI Report 21 (2009), 9, beschikbaar op https://www.files.ethz.ch/isn/124779/espi%20report%2021.pdf (laatst bezocht op 21 oktober 2025); B. Jacobs, «Understanding the EU’s competence to harmonize space law amid publication delays», Air & Space Law 2024, 49(4 & 5), 483.
100 Art. 104 Ruimteverordening.
101 Art. 1 Ruimteverordening.
102 Zie ook considerans 63 preambule Ruimteverordening.
103 Hoofdstuk V, art. 102-103 Ruimteverordening.
104 Impact Assessment, deel 1/2, 60. Zie tevens de Conclusies van de Raad, «Space Traffic Management: state of play», Doc. 15231/23, aangenomen op 8 december 2023. Dit ligt in lijn met de oplossingen voor de problemen aangekaart in het zgn. Draghi Rapport: zie M. Draghi, The future of European competitiveness - Part B | In-depth analysis and recommendations, september 2024.
105 Zie p. 28 van het Impact Assessment, supra noot 99. Zie verder Verenigde Naties, Our Common Agenda Policy Brief 7, For All Humanity - the Future of Outer Space Governance, 2023, beschikbaar op https://www.unoosa.org/oosa/en/documents/doc/policy-brief.html (laatst bezocht op 21 oktober 2025).
106 Zie art. 16 Ruimteverordening.
107 Zie art. 4(2) Verdrag betreffende de Europese Unie: «De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat.».
108 Art. 2(3) Ruimteverordening. Zie tevens Overweging 36 van het voorstel.
109 Zie overweging 37 van het voorstel.
110 Zie p. 88 van het Impact Assessment.
111 Hierover J. Wouters, «The EU and space policy: constitutional and institutional aspects» in S. Hobe, B. Schmidt-Tedd en K.-U. Schrogl (eds.), Legal aspects of the future institutional relationship between the European Union and the European Space Agency, Keulen, Institute of Air and Space Law, 2003, 17-33.
112 Zie hierover verder tevens B. Jacobs, supra noot 99; id., «An institutional law analysis of the European Commission’s EU space law proposal», Air & Space Law 2024, 49(2), 135-164.
113 Commentaar van de VN Secretaris-Generaal in antwoord op een vraag van de auteurs tijdens de uitreiking van een eredoctoraat aan de Verenigde Naties door de KU Leuven en UC Louvain op 21 maart 2025, beschikbaar op https://webtv.un.org/en/asset/k1l/k1lee96mmp vanaf 01:18:00 (laatst bezocht op 21 oktober 2025).