Omschrijving
De homologatie van bemiddelingsakkoorden herbekeken: pleidooi voor een verruimde toetsing
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1042
Auteur(s)
A. Boes
Trefwoorden

GRONDWET / Gelijkheid en niet-discriminatie / Met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

Bijkomende informatie

De homologatie van bemiddelingsakkoorden herbekeken: pleidooi voor een verruimde toetsing1

Amber BOESDoctoraatsonderzoeker Instituut voor Contractenrecht - KU Leuven

Naar aanleiding van het wetsvoorstel tot instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratief onderhandelde akkoorden, dient zich eerst een kritische evaluatie aan van de huidige homologatietoets voor bemiddelingsakkoorden die beter aansluit bij de finaliteit en de aard van zowel de homologatie als van bemiddeling. Deze bijdrage pleit voor een verruiming van de homologatietoets die niet enkel de openbare orde en de belangen van minderjarige kinderen in familiezaken omvat, maar ook schendingen van louter dwingend recht of een onnauwkeurige omschrijving van de uitvoeringsmodaliteiten. Zo draagt deze verruimde homologatietoets bij aan de kwaliteit en de reputatie van bemiddeling als alternatief en aanvulling op overheidsrechtspraak.

I. Context: wetsvoorstel tot instelling vereenvoudigde homologatie van collaboratieve akkoorden1

1. Lacune - Op 13 december 2024 werd een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van artikel 1746 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratieve akkoorden.2 Dit wetsvoorstel wil een juridische leemte in de wet vullen door een vereenvoudigde homologatieprocedure aan te bieden voor collaboratief onderhandelde akkoorden, zoals sinds 2005 ook al bestaat voor bemiddelingsakkoorden.3 Dit zou partijen toelaten om bij eenzijdig verzoekschrift, zelfs zonder een aanhangig geschil, de homologatie van een collaboratief onderhandeld akkoord te verzoeken. De rechter kan dit dan, net zoals bij bemiddelingsakkoorden, enkel weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde of met het belang van het minderjarige kind in familiezaken. Aangezien de homologatiebeschikking dezelfde gevolgen heeft als een akkoordvonnis in de zin van artikel 1043 Ger.W., kunnen partijen op deze manier een uitvoerbare titel verkrijgen voor hun collaboratief onderhandeld akkoord.4

De indieners van het huidige wetsvoorstel zijn van mening dat de rechtszekerheid van een collaboratief onderhandeld akkoord door het ontbreken van de mogelijkheid tot homologatie minder gewaarborgd is dan van een bemiddelingsakkoord. Hierdoor bestaat volgens hen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen beide vormen van alternatieve geschiloplossing.

2. Besprekingen in de commissie justitie - Tijdens de besprekingen in de Commissie Justitie pleitten de vertegenwoordigers van de Orde van Vlaamse Balies en L’Ordre des barreaux francophones et germanophone voor dit wetsvoorstel. De homologatie draagt volgens hen bij tot de promotie van de collaboratieve onderhandeling. Dit sluit volgens hen aan bij een al lang ingezette en internationale tendens van promotie van ADR (Alternative of Appropriate Dispute Resolution). De afwikkeling van geschillen buiten de rechtbank verlicht bovendien de druk op het gerechtelijk apparaat. De vertegenwoordigers van de Federatie van Notarissen daarentegen zijn gekant tegen het wetsvoorstel in zijn huidige vorm. Volgens hen komt het er niet op aan om een juridische leemte te vullen, maar was het een bewuste keuze van de wetgever om de vereenvoudigde homologatieprocedure enkel open te stellen voor bemiddelingsakkoorden. Bovendien plaatsen zij, samen met de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, ernstige vraagtekens bij de vereenvoudigde homologatieprocedure voor bemiddelingsakkoorden die het niet opportuun maken om deze uit te breiden naar collaboratief onderhandelde akkoorden. De zeer beperkte homologatietoets staat volgens hen niet in verhouding tot de verregaande gevolgen ervan, met name de uitvoerbare kracht (infra randnr. 6).5

3. Plan - Vooraleer een zinvol debat gevoerd kan worden over dit wetsvoorstel tot instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratief onderhandelde akkoorden, dient zich een kritische evaluatie aan van de huidige homologatietoets voor bemiddelingsakkoorden die beter aansluit bij de finaliteit en de aard van zowel de homologatie als bemiddeling. Daarom staat deze bijdrage eerst stil bij wat de homologatie precies inhoudt (infra randnrs. 4-8). Vervolgens gaat deze bijdrage in op de kern van het probleem, namelijk de omvang van de homologatietoets voor bemiddelingsakkoorden (infra randnrs. 9-13). In deze bijdrage wordt vervolgens het standpunt verdedigd dat de homologatietoets verruimd moet worden tot het louter dwingend recht en de uitvoerbaarheid van het bemiddelingsakkoord (infra randnrs. 14-27).

II. Homologatie

4. Rechterlijke vernislaag - De homologatie is een techniek waarbij de wetgever aan de rechter de bevoegdheid verleent om een onderhands contract na een inhoudelijke controle te bekrachtigen. Sommigen gebruiken hierbij het beeld van een «rechterlijke vernislaag» die de rechter toevoegt aan het contract tussen de partijen.6 Zo bevindt de homologatie zich op het kruispunt van het contracten- en het procesrecht.7 Ook al zijn er talrijke verschijningsvormen van homologatie in verschillende rechtsdomeinen8, laat het beperkte theoretische kader nog te veel ruimte voor rechtsonzekerheid.9 De Wilde omschrijft de homologatie bijgevolg als «een vlag die vele ladingen dekt».10

5. Uitvoerbare titel - De homologatie is in zekere zin inderdaad een vernislaag, aangezien deze rechterlijke bekrachtiging het onderliggende contract versterkt. Een van de belangrijkste gevolgen van de homologatie is namelijk dat ze een uitvoerbare titel verleent aan een contract.11 Hierdoor kan een schuldeiser onmiddellijk tot gedwongen tenuitvoerlegging overgaan voor de verbintenissen bedongen in het bemiddelingsakkoord.12 Dit is weliswaar enkel nodig voor zover partijen hun bemiddelingsakkoord niet spontaan uitvoeren. Aangezien partijen in bemiddeling zeggenschap behouden over het proces en de uitkomst van hun conflict, is de kans in principe groter dat zij een bemiddelingsakkoord vrijwillig uitvoeren. Doordat partijen een uitvoerbare titel kunnen verkrijgen voor hun bemiddelingsakkoord, houden ze wel een stok achter de deur. Zo kan dit precies bijdragen tot de doeltreffendheid en gelijkwaardigheid van bemiddeling ten opzichte van overheidsrechtspraak.13

6. Bevorderingsoogmerk overweegt - Wanneer de wetgever een beroep doet op de homologatie, streeft hij een verschillende doelstelling na naargelang de homologatie verplicht dan wel louter facultatief is zoals het geval is bij bemiddelingsakkoorden. In het eerste geval overweegt een beschermingsoogmerk. De homologatierechter moet waken over de belangen van de partijen met een rechterlijke controle.14 Een voorbeeld hiervan is de verplichte homologatie van het akkoord over de minderjarige kinderen in het kader van een EOT of de verplichte homologatie van minnelijke en collectieve akkoorden in het kader van een gerechtelijke reorganisatie.15 De homologatie is inderdaad vaak verplicht in rechtsdomeinen van openbare orde die eerst niet openstonden voor de wilsautonomie.16 Rechters zijn historisch gezien het meest geschikt om controle uit te oefenen op private contracten door de waarborgen die zij bieden op het vlak van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De homologatie is dan «een techniek [...] die aangewend wordt in domeinen waar de wetgever als het ware twijfelde tussen verbieden en toelaten van een rechtshandeling, maar ten slotte toeliet met rechterlijk toezicht».17

Bij facultatieve vormen van homologatie is de rechterlijke controle beperkter, omdat de nadruk minder op de bescherming van de partijen ligt dan bij verplichte vormen van homologatie. Hier overweegt daarentegen een bevorderingsoogmerk. De homologatie van bemiddelingsakkoorden is louter facultatief, zoals het voorliggende wetsvoorstel ook bepaalt voor collaboratief onderhandelde akkoorden. De rechterlijke bekrachtiging is met andere woorden niet vereist om het contract dat de partijen al tot wet strekt, volle uitwerking te geven. De facultatieve homologatie bevordert op deze manier vooral de minnelijke oplossing van geschillen en pacificeert zo de samenleving. Het beschermingsoogmerk is hier eerder bijkomstig.18 De homologatie van bemiddelingsakkoorden beantwoordt dan ook aan de in artikel 730/1, § 1 Ger.W. gecodificeerde missie van de rechter om in elke stand van het geding een minnelijke oplossing van geschillen te bevorderen.

7. Akkoordvonnissen - De homologatie van een bemiddelingsakkoord resulteert in een akkoordvonnis of in een homologatiebeschikking met dezelfde gevolgen als een akkoordvonnis.19 Op grond van artikel 1043 Ger.W. behoort het immers tot de taak van de rechter om akkoorden ter oplossing van een regelmatig aanhangig gemaakt geschil in de vorm van akkoordvonnissen te bekrachtigen.20 Deze vorm van homologatie wordt ook wel als de lex generalis bestempeld. Ze staat open voor alle soorten onderhandse contracten die in het kader van een regelmatig aanhangig gemaakt geschil worden gesloten.21 Het akkoordvonnis vormt dan ook de geijkte weg om een minnelijke schikking die bereikt werd in de loop van een gerechtelijke procedure bij de bodemrechter of in de KMS te formaliseren.22 Daarnaast bepaalt artikel 1736 Ger.W. dat indien de gerechtelijke bemiddeling tot een zelfs gedeeltelijk bemiddelingsakkoord leidt, de partijen of één van hen overeenkomstig artikel 1043 Ger.W. de bevoegde rechter kunnen verzoeken dat akkoord te homologeren.

8. Homologatiebeschikking - De innovatie van de Bemiddelingswet van 2005 was dat ze een wettelijke uitzondering vormt op het principe dat partijen, buiten een geschil om, de rechter niet regelmatig kunnen vatten om hun akkoord te homologeren.23 Op grond van artikel 1733 Ger.W. kunnen de partijen na een buitengerechtelijke bemiddeling immers ook hun akkoord ter homologatie voorleggen aan de bevoegde rechter. Dit geeft dan aanleiding tot een homologatiebeschikking die dezelfde gevolgen heeft als een akkoordvonnis in de zin van artikel 1043 Ger.W.24

A. Homologatietoets de lege lata

9. Openbare orde en belangen minderjarige kinderen in familiezaken - De homologatie veronderstelt in ieder geval een, minstens minimale (supra, nr. 6), juridische kwaliteitscheck.25 Volgens de artikelen 1733 en 1736 Ger.W. kan de rechter de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of met de belangen van minderjarige kinderen in familiezaken. Deze inhoudelijke controle veronderstelt weliswaar dat het akkoord voldoet aan de voorwaarden van de bijzondere homologatieprocedure. Dit houdt ten eerste in (i) dat het geschil objectief vatbaar is voor bemiddeling in de zin van artikel 1724 Ger.W., (ii) dat de bemiddelaar erkend is, (iii) dat het bemiddelingsprotocol en (iv) het voorliggende bemiddelingsakkoord ondertekend en gedateerd is door zowel de bemiddelaar als de partijen.26

10. Debat - Al tijdens de totstandkoming van de vereenvoudigde homologatie voor bemiddelingsakkoorden was er discussie over de omvang van deze homologatietoets.27 Terwijl bepaalde auteurs argumenteerden dat de homologatietoets ook een controle van louter dwingend recht moest omvatten28, argumenteerden anderen dat de homologatietoets beperkt moest zijn tot een controle van de openbare orde.29 Er werden ook amendementen ingediend om de toetsingsbevoegdheid van de rechter uit te breiden tot de rechten van verdediging en van derden, en om de mogelijkheid te bieden om na te gaan of er duidelijkheid is over rechtsverwerking.30 Deze werden echter met grote meerderheid verworpen.31

Een argument tegen de verruiming van de homologatietoets is dat dit alsnog aanleiding kan geven tot juridische of inhoudelijke discussies. Dit miskent dan de autonomie van bemiddeling en de procesefficiëntie die het verwacht wordt te bieden.32 Dit kan daarnaast aanleiding geven tot bewijsproblemen vanwege het vertrouwelijke karakter van bemiddeling.33 Toch is de rechtsleer overwegend van mening dat de homologatietoets ruimer moet zijn.34

11. Bemiddelingsrichtlijn - De homologatietoets de lege lata is namelijk minder strikt dan wat de Bemiddelingsrichtlijn voorschrijft. Deze richtlijn verplicht immers de lidstaten om ervoor te zorgen dat de partijen voor een bemiddelingsakkoord in grensoverschrijdende burgerlijke en handelszaken een uitvoerbare titel kunnen verkrijgen, tenzij «de inhoud van die overeenkomst in strijd is met het recht van de lidstaat waar het verzoek is gedaan [...]».35De rechtsleer en de Hoge Raad voor de Justitie wezen er bij de implementatie van de Bemiddelingsrichtlijn dan ook op dat de homologatietoets in de artikelen 1733 en 1736 Ger.W. uitgebreid moet worden tot bepalingen van louter dwingend recht.36

12. Vergelijking met arbitrage - Zo is voor de vernietiging of erkenning en uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak wel algemeen aanvaard dat een toetsing aan de openbare orde ook een toetsing van het louter dwingend recht omvat.37 Het onderscheid tussen openbare orde en louter dwingend recht is namelijk vervaagd en voornamelijk te herleiden tot de beschermingsduur van de respectieve normen. Een schending van louter dwingend recht kan dan opgevat worden als een schending van de openbare orde, aangezien dit impliceert dat partijen geen geldige afstand konden doen van de dwingendrechtelijke bescherming.38 Partijen kunnen inderdaad ook in een bemiddelingsakkoord afstand doen van de bescherming van het louter dwingend recht zodra de bestaansreden van de bescherming geboden door de rechtsregel opgehouden heeft te bestaan. Dit veronderstelt dan wel dat de titularis van het subjectief recht zich bewust is van zijn recht en daar met kennis van zaken afstand van doet.39

13. Vergelijking met de Nederlandse VSO - Bepalingen in het bemiddelingsakkoord die een schending van het dwingend recht inhouden, zijn relatief nietig.40 Dit is daarentegen anders voor de Nederlandse vaststellingsovereenkomst. Volgens artikel 7:902 NBW is «Een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijke gebied [...] ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.»41 De ratio legis van artikel 7:902 NBW schuilt in het verkeersbelang op grond waarvan partijen zekerheid over rechtsverhoudingen moeten kunnen krijgen.42 Het belang van partijen om definitief hun geschil of onzekerheid te beëindigen weegt met andere woorden zwaarder door dan het geschonden dwingendrechtelijk beschermde belang.43 Van Zijst vindt deze rechtvaardiging echter niet afdoende: «De tegenvraag kan worden gesteld of het niet veel eerder een verkeerseis is dat de Nederlandse rechter, even als zijn buitenlandse collega’s, waakt over dwingend recht44 Artikel 7:902 NBW stuit dan ook op kritiek in de Nederlandse rechtsleer.45

De Nederlandse vaststellingsovereenkomst moet weliswaar aan enkele criteria voldoen opdat schendingen van dwingend recht overeind blijven. Ten eerste kan deze enkel de beëindiging van een geschil, in tegenstelling tot de voorkoming daarvan, tot voorwerp hebben. Ten tweede is haar voorwerp beperkt tot vermogensrechtelijke geschillen, in tegenstelling tot niet-vermogensrechtelijke geschillen.46 Het belang van deze bepaling wordt gerelativeerd omdat deze vaststellingsovereenkomst toch niet afdwingbaar is indien ze indruist tegen de goede zeden of de openbare orde.47 Bovendien blijven partijen in principe gebonden door het dwingend recht zodat zij dit niet bewust terzijde kunnen stellen. Het bewust overtreden van dwingend recht is namelijk in strijd met de openbare orde.48 Artikel 7:902 NBW is dan ook enkel van toepassing op de vaststelling, of de rechtstoestand die als resultaat door de beslissing in de vaststellingsovereenkomst tot stand komt.49 De onzekerheid of het geschil moet bijgevolg betrekking hebben op de uitleg van een regel van dwingend recht of het resultaat waartoe een bepaling van dwingend recht in de rechtsverhouding tussen partijen leidt.50 Ook al bevat het Belgisch recht geen bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7:902 NBW, gaat de Belgische regeling nog verder. Door de homologatie kunnen partijen de lege lata zelfs meteen een uitvoerbare titel bekomen voor bemiddelingsakkoorden die potentieel niet aan het dwingend recht worden getoetst.

B. Homologatietoets de lege ferenda

1° (louter) dwingend recht

14. Uitbreiding homologatietoets tot schendingen van (louter) dwingend recht - De homologatietoets bij bemiddelingsakkoorden moet de lege ferenda uitgebreid worden tot schendingen van (louter) dwingend recht. Deze stelling wordt gestaafd aan de hand van drie argumenten. Ten eerste moet een homologatierechter het dwingend recht kunnen toetsen aangezien er geen waarborgen van juridische bijstand zijn tijdens de bemiddeling, hoewel de homologatie wel een uitvoerbare titel oplevert. Ten tweede is de rechterlijke tussenkomst een belangrijke waarborg voor de toepassing van dwingend recht. Ten derde kunnen partijen de lege lata wel hoger beroep instellen tegen een akkoordvonnis dat niet wettelijk tot stand gekomen is, zodat zowel de rechtszekerheid als de proceseconomie een toetsing aan het dwingend recht gebiedt.

a. Belang van juridische bijstand met het oog op het verkrijgen van een uitvoerbare titel

15. Deontologische plicht van de bemiddelaar - Ook de bemiddelaar vervult een belangrijke rol in het waken over de juridische kwaliteit van bemiddelingsakkoorden.51 Partijen genieten namelijk niet noodzakelijk de bijstand van een advocaat tijdens de bemiddeling.52 Hoewel er discussie bestaat over hoe ver bemiddelaars kunnen gaan in het adviseren van partijen zonder hun neutraliteit te schenden53, moeten zij de partijen wel wijzen op het dwingend recht.54 De deontologische code van bemiddelaars verlangt immers dat de bemiddelaar de partijen aanmoedigt om beslissingen te nemen op basis van alle relevante informatie.55

16. Niet noodzakelijk een juridische achtergrond - Hoewel de meerderheid van de bemiddelaars wel jurist van opleiding is, is een juridische vooropleiding geen vereiste.56

Er is bijgevolg een significant aandeel van bemiddelaars met een andere vooropleiding, zoals psychologie, pedagogie of ingenieursstudies. De expertise van deze bemiddelaars kan uiteraard een grote troef zijn naargelang van de aard van het geschil. Wanneer bemiddelaars echter vaststellen dat zij op grond van hun ervaring en/of vorming echter niet over de vereiste bekwaamheid beschikken die de aard van het geschil vereist, verdient het aanbeveling om tot co-bemiddeling over te gaan.57 Daarnaast kunnen bemiddelaars partijen aanraden om een advocaat te raadplegen.58

17. Belang van juridische bijstand tijdens bemiddeling - Het belang van juridische bijstand tijdens bemiddeling komt duidelijk naar voren in de Italiaanse regeling voor de homologatie van bemiddelingsakkoorden. Indien alle partijen die aan de bemiddeling deelnemen door advocaten worden bijgestaan, kan het bemiddelingsakkoord hier zelfs een uitvoerbare titel opleveren zonder dat zij het nog ter homologatie aan de rechter moeten voorleggen. Volgens de Italiaanse regeling moeten advocaten bovendien verklaren en certificeren dat het akkoord in overeenstemming is met het dwingend recht en de openbare orde. Als niet alle partijen door een advocaat worden bijgestaan, kunnen zij nog steeds het akkoord ter homologatie voorleggen aan de voorzitter van de bevoegde rechtbank. Deze gaat eerst de formele voorwaarden na en toetst de inhoud vervolgens aan zowel het dwingend recht als de openbare orde.59

Ook naar Frans recht leveren bemiddelingsakkoorden die ondertekend zijn door de advocaten van alle betrokken partijen en waar een uitvoerbaar afschrift door de griffie van de bevoegde rechtbank aan is toegevoegd, een uitvoerbare titel op.60 De Franse regeling is echter controversieel aangezien de griffier het akkoord niet kan controleren op conformiteit met de openbare orde en de goede zeden.61

Tot slot brengt de Nederlandse auteur van Muijden de juridische bijstand in verband met de procedurele rechtvaardigheid. Deze omvat de fundamentele kenmerken van bemiddeling zoals vastgelegd in ons artikel 1723/1 Ger.W. De procedurele rechtvaardigheid moet volgens deze auteur het voorwerp kunnen uitmaken van een inhoudelijke toetsing van het bemiddelingsakkoord. De bijstand van een advocaat kan dan inderdaad een indicatie zijn voor de rechter bij de beoordeling of partijen in alle vrijwilligheid instemden met het akkoord.62

18. Volledige juridische kwaliteitscheck - Bovenstaande bevindingen doen besluiten dat een ruimere inhoudelijke toetsing gerechtvaardigd is indien er geen juridische bijstand was tijdens de bemiddeling.63 Door de homologatie verkrijgen partijen immers een uitvoerbare titel voor de verbintenissen bedongen in hun bemiddelingsakkoord. Het is dus van cruciaal belang dat de rechter a posteriori, wanneer partijen een uitvoerbare titel wensen te verkrijgen, een volledige juridische kwaliteitscheck kan doorvoeren die ook het louter dwingend recht omvat. De waarborg die bestaat uit de bijstand van een advocaat zoals het geval is in het Italiaanse en Franse recht kan echter niet volstaan, aangezien enkel openbare ambtenaren zoals notarissen en rechters over het imperium beschikken om uitvoerbare titels te verlenen.64

b. Rechterlijke tussenkomst als waarborg voor toepassing van dwingend recht

19. Rechtsprekende handeling = kwalitatieve waarborg van de rechter - Ten tweede is een uitbreiding van de homologatietoets tot schendingen van louter dwingend recht gerechtvaardigd omdat de tussenkomst van de rechter die uitvoerbare kracht verleent aan een akkoord, een kwalitatieve waarborg is voor de inhoud van een rechtsprekende handeling zoals het akkoordvonnis in de zin van artikel 1043 Ger.W. Rechters kunnen met een homologatietoets die beperkt is tot de openbare orde en de belangen van minderjarige kinderen, geen doeltreffende rechtsbescherming verzekeren die van een rechterlijke beslissing verwacht mag worden.

20. Rechter speelt sleutelrol in toepassing van dwingend recht - De wetgever zelf lijkt ervan uit te gaan dat de rechter net zoals de notaris bij het verlenen van een uitvoerbare titel eerst de geldigheid of de wettelijkheid van het contract nagaat. Ten eerste heeft de wetgever in de memorie van toelichting bij de Bemiddelingswet uitdrukkelijk vermeld dat de rechter die de handeling uitvoerbaar zal moeten verklaren, de wettelijkheid van het akkoord moet nagaan.65 De bemiddeling kan immers geen vrijgeleide zijn om het dwingend recht te omzeilen. Ten tweede verklaart dit waarom de buitengerechtelijke nietigverklaring bij schriftelijke kennisgeving is uitgesloten voor contracten die bij authentieke akte zijn vastgesteld, zoals een notariële akte of een gehomologeerd bemiddelingsakkoord. De wetgever rechtvaardigt deze uitsluiting omdat de persoon die het authentiek karakter aan het contract verleent, namelijk de notaris of de rechter, voorafgaandelijk de geldigheid van het onderliggende contract moet verifiëren, en eveneens door de bekommernis om de uitvoerbare kracht van de authentieke akte niet te schaden.66

Het behoort inderdaad tot de deontologische plicht van de notaris als openbaar ambtenaar gelast met het opstellen van uitvoerbare titels, om het louter dwingend recht te waarborgen. Indien de notaris vaststelt dat het akkoord indruist tegen het louter dwingend recht, moet hij een extra inspanning leveren om zich ervan te vergewissen dat de partijen zich bewust zijn van de bescherming waarvan zij met geïnformeerde toestemming afstand doen. Indien de notaris vaststelt dat het voorliggende bemiddelingsakkoord een schending van het louter dwingend recht inhoudt, moet hij bijgevolg weigeren hier authentieke akte aan te verlenen.67

21. Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden - Ook de rechter moet schendingen van louter dwingend recht signaleren aan partijen, tenminste wanneer hij bij declaratieve rechterlijke uitspraak een uitvoerbare titel verstrekt aan een onderhands contract.68 Volgens vaste Cassatierechtspraak levert de rechter namelijk ambtshalve de rechtsgrond aan, ongeacht of deze van aanvullend, louter dwingend recht dan wel van openbare orde is. De voorwaarden voor deze ambtshalve aanvulling zijn dat de rechter «geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging niet miskent.». Binnen deze grenzen kunnen partijen vervolgens de exceptie van nietigheid opwerpen, voor zover zij daar niet rechtsgeldig afstand van deden.69 Aangezien de homologatie ook in een akkoordvonnis of in een homologatiebeschikking met dezelfde gevolgen als een akkoordvonnis resulteert, moet de rechter ook hier een schending van het louter dwingend recht ambtshalve opwerpen. De rechter kan vervolgens bij wijze van onderzoeksmaatregel de persoonlijke verschijning van partijen in raadkamer bevelen en hen daarover bevragen met eerbiediging van het recht van verdediging.70 De homologatie van bemiddelingsakkoorden kan immers bij eenzijdig verzoekschrift verzocht worden, zonder medeweten van de andere partij.71 Wanneer de rechter onderzoekt of het bemiddelingsakkoord een schending van dwingend recht bevat en de zaak daarvoor op tegensprekelijke wijze behandelt, evolueert de eenzijdige verzoekschriftprocedure naar een gemengde of hybride procedure.72

22. Ambtshalve toepassing dwingend consumentenrecht - Deze beschermingsrol van de rechter gaat nog verder in het consumentenrecht in de vorm van de ex officio-doctrine. Om een doeltreffende rechtsbescherming te verzekeren, geldt een autonome Unierechtelijke verplichting tot ambtshalve toepassing van het consumentenrecht.73 De rechter moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ambtshalve bedingen in een b2c-contract toetsen aan het dwingend recht inzake consumentenbescherming. Rechters die een schending van het dwingend recht vaststellen, moeten vervolgens ambtshalve de nietigheidssanctie toepassen, opnieuw voor zover partijen daar niet rechtsgeldig afstand van deden.74 Deze ex officio-doctrine vindt toepassing in een breed scala van procedures, waaronder de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis.75 Het Europees consumentenrecht gebiedt met andere woorden dat de rechter in een procedure voor de tenuitvoerlegging van een bemiddelingsakkoord de homologatie minstens kan weigeren vanwege een schending van het louter dwingend recht. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelde dan ook voor in hun schriftelijk advies bij het wetsvoorstel vereenvoudigde homologatie collaboratieve akkoorden om geschillen waarbij consumenten betrokken zijn, uit te sluiten of minstens in een versterkte en gestructureerde rechterlijke controle te voorzien.76

c. Mogelijkheid om bij wijze van uitzondering hoger beroep in te stellen tegen een akkoordvonnis dat niet wettelijk tot stand gekomen is: rechtszekerheid en proceseconomie gebieden een toetsing aan het (louter) dwingend recht

23. Geen rechtsmiddelen voor de gedingvoerende partijen - Tegen het akkoordvonnis staat voor de gedingvoerende partijen77 geen voorziening open, tenzij het contract niet wettelijk tot stand is gekomen.78 Het akkoordvonnis stelt immers definitief een einde aan het geschil tussen partijen, zodat een nieuwe behandeling van de zaak niet strookt met de finaliteit van de homologatie. Verder stelt artikel 20 Ger.W. als algemene regel dat middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnissen. Dit toont opnieuw aan hoe de homologatie het onderliggende contract versterkt (supra, randnr. 4).79

24. Uitzondering indien niet wettelijk tot stand gekomen - Er bestaat echter een uitzondering op dit principe als het akkoord niet wettelijk tot stand gekomen is. Dit is het geval indien de algemene geldigheidsvereisten van het onderliggende contract niet zijn gerespecteerd.80 Partijen kunnen bijgevolg hoger beroep aantekenen tegen een homologatiebeschikking of een akkoordvonnis indien het bemiddelingsakkoord tot stand gekomen is zonder de toestemming van een van de partijen81 of met een wilsgebrek behept is.82

De bewijslast ligt bij de partij die het rechtsmiddel wil instellen. De vertrouwelijkheid van bemiddeling kan hier weliswaar voor moeilijkheden zorgen. De documenten en de mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van de bemiddelingsprocedure zijn immers niet toelaatbaar als bewijs.83 Wanneer er geen bewijs is over het ontbreken van een geldige toestemming (de loutere vaststelling dat het akkoord door de raadsman en niet door de partijen zelf is ondertekend, volstaat niet), moet de rechter besluiten dat het akkoord wettelijk tot stand is gekomen.84 Hoewel de vertrouwelijkheid van fundamenteel belang is, moet ze weliswaar functioneel ingevuld worden om het belang van waarheidsvinding en het recht op toegang tot de rechter niet te ondermijnen.85

25. Rechtszekerheid en proceseconomie - Hetzelfde geldt voor een akkoord dat in strijd met het dwingend recht wordt gehomologeerd wegens ongeoorloofd voorwerp.86 Hoewel de rechter de homologatie van het bemiddelingsakkoord niet kan weigeren op grond van een schending van het dwingend recht, kunnen partijen wel hoger beroep instellen tegen een homologatiebeschikking of een akkoordvonnis in strijd met het dwingend recht. Weliswaar blijft het akkoordvonnis in geval van hoger beroep in principe uitvoerbaar bij voorraad, tenzij de rechter op gemotiveerde wijze van dit principe afwijkt, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar risico loopt of er kans is dat een rechtsmiddel succesvol is.87 Dat partijen een omweg moeten maken via een rechtsmiddel om adequate rechtsbescherming te verkrijgen, strookt niet met de doelstelling van bemiddeling en de homologatie om conflicten definitief te beëindigen (supra, nr. 6). Een homologatietoets die zich niet uitstrekt tot het louter dwingend recht, ondermijnt zo de rechtszekerheid en de proceseconomie.88

2° Uitvoerbaarheid van bemiddelingsakkoord

26. Uitvoeringsmodaliteiten - Zoals eerder werd aangegeven (supra, nr. 5), is de uitvoerbare kracht een van de belangrijkste verdiensten van de homologatie. De gedwongen tenuitvoerlegging veronderstelt dan wel dat het bemiddelingsakkoord nauwkeurig de uitvoeringsmodaliteiten beschrijft. Het is van groot belang dat partijen de juridische verbintenissen in hun akkoord voldoende duidelijk en volledig formuleren met het oog op de gedwongen uitvoering en dat ze de nodige aandacht besteden aan de uitvoeringsmodaliteiten van hun aanspraken. Partijen kunnen weliswaar ook morele verbintenissen in hun bemiddelingsakkoord bedingen89, maar deze zijn niet afdwingbaar.90 Artikel 1732 Ger.W. bepaalt dan ook uitdrukkelijk dat het gedateerde en schriftelijke bemiddelingsakkoord de precieze verbintenissen van elk van de partijen moet bevatten.91 Het belang van enige vorm van juridische bijstand, door de bemiddelaar dan wel door advocaten, komt hier opnieuw naar boven (supra randnr. 17).

27. Toetsingscriterium - Indien zich na de homologatie moeilijkheden voordoen met de gedwongen uitvoering, hebben de partijen vanwege het verbod op eigenrichting geen andere optie dan zich opnieuw tot de rechter te wenden om deze te bepalen.92 Dit haalt de effectiviteit en de gelijkwaardigheid van bemiddeling sterk onderuit. De Finse Mediation act en de Luxemburgse Nouveau Code de procédure civile rekenen dan ook de uitvoerbaarheid van de bedongen verbintenissen tot de homologatietoets.93 Ook Belgische rechtsleer pleit voor een toetsing van de uitvoerbaarheid van het bemiddelingsakkoord.94 Het verdient daarom aanbeveling om de homologatietoets uit te breiden tot de uitvoerbaarheid van de verbintenissen in het bemiddelingsakkoord, zodat het duidelijk is dat de rechter de homologatie kan weigeren indien niet aan deze vereiste is voldaan.

III. Conclusie

28. Beleidsdoelstelling om ADR te promoten - De wetgever is de weg van de alternatieve geschillenoplossing ingeslagen en wil het gebruik daarvan zoveel mogelijk promoten. Overheidsrechtspraak is een ultimum remedium en moet als plan B beschouwd worden. Deze beleidsdoelstelling is niet enkel ingegeven door de wens om de rechtbanken te ontlasten, maar ook door de overtuiging dat een minnelijke oplossing een meerwaarde kan hebben ten opzichte van een rechterlijke beslissing.95 Om deze beleidsdoelstelling te realiseren, is het van belang dat de homologatie bijdraagt tot de kwaliteit van bemiddelingsakkoorden.

29. Verruiming homologatietoets - De homologatie getuigt immers van een samenwerking tussen rechters en bemiddelaars. Zo kan bemiddeling niet enkel als een alternatief maar ook als een aanvulling op overheidsrechtspraak beschouwd worden. Deze samenwerking vergroot de toegang tot de rechter.96 Door schendingen van het louter dwingend recht en de uitvoerbaarheid van het bemiddelingsakkoord onder de toets te brengen, biedt de homologatie een bijkomende waarborg voor de rechtszoekende, die de kwaliteit en de reputatie van bemiddeling ten goede komt. Deze inzichten over de homologatietoets bij bemiddelingsakkoorden moeten dan ook meegenomen worden in het debat over het wetsvoorstel tot instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratieve akkoorden.

1  De auteur wenst de reviewers bedanken voor hun zeer waardevolle feedback.

2  Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1746 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratieve akkoorden, KAMER, 2024-2025, 13 december 2024, nr. 56-0598/001. Collaboratieve onderhandeling in de zin van deel VII van het Gerechtelijk Wetboek.

3  Artt. 17 en 20 wet van 21 februari 2005 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, BS 22 maart 2005; artt. 1733 en 1736 Ger.W. Naast België hebben onder andere ook Finland, Italië, Luxemburg en Frankrijk een mogelijkheid tot homologatie van bemiddelingsakkoorden ingevoerd: Finland: s. 20 e.v. Act on mediation in civil matters and confirmation of settlements in general courts, nr. 394/2011 (Engelse vertaling). Italië: art. 12, 1ebis lid decreto legislativo attuazione dell’articolo 60 della legge 18 giugno 2009, n. 69, in materia de mediazione finalizzata alla conciliazione delle controversie civili e commerciali, 4 maart 2010, nr. 28, Gazetta Ufficiale 5 maart 2010. Luxemburg: art. 1251-22 (2) Nouveau Code de Procédure Civile. Frankrijk: art. 1534 Code de Procédure Civile.

4  In 2011 werd vergeefs al een wetsvoorstel ingediend om de vereenvoudigde homologatieprocedure mogelijk te maken voor de advocatenakte (wetsvoorstel betreffende de advocatenakte, KAMER, 2010-2011, 24 mei 2011, nr. 1498/00). In artikel 8.23 BW is wel de bijzondere bewijswaarde van de advocatenakte verankerd. Frankrijk heeft een vergelijkbare regeling in artikel 1543 CPC e.v. voor akkoorden die voortkomen uit een «procédure participative» in de zin van artikel 1538 e.v. Code de Procédure Civile: «La convention de procédure participative aux fins de résolution amiable, par laquelle les parties, chacune assistée d’un avocat, s’engagent à œuvrer conjointement et de bonne foi à la résolution amiable de leur différend, [...].».

5  Schriftelijke nota van Fednot voor de hoorzitting over het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1746 van het Gerechtelijk wetboek, met het oog op de instelling van een vereenvoudigde homologatie van collaboratieve akkoorden (doc 56 589/001); Schriftelijk advies van NKGB bij wetsvoorstel nr. 0598 tot wijziging van artikel 1746 Ger.W. (vereenvoudigde homologatie collaboratieve akkoorden, 4 juli 2025, ref. 24050).

6  Van Den Bergh B., «Het akkoordvonnis: «contractuele grondlaag met rechterlijke vernislaag» (noot onder Cass. 9 september 2013)», RW 2015-16/13, 504-509.

België: Senaeve P., Declerck C. en Wuyts T., Compendium van het personen- en familierecht, 19 ed., Acco, 2025, 674: een gemengd conventioneel-jurisdictioneel karakter. Frankrijk: Joly-Hurard J., Conciliation et médiation judiciaires, Presses Universitaires d’Aix-Marseille, 2003, 23-25.

8  De homologatie is bijvoorbeeld een populaire techniek in het familierecht. Zo bepaalt artikel 1298 Ger. W. dat de rechter, in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming, de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen homologeert. Ook al hekelt de rechtsleer dit, toch moet de mogelijkheid tot homologatie strikt geïnterpreteerd worden. De rechter kan enkel het akkoord over de minderjarige kinderen homologeren en niet de aspecten over de voormalige partners of de meerderjarige kinderen (Swennen F., «Pleidooi voor de homologatie van heel de EOT overeenkomst», T.Fam. 2015/9, 222). Partijen kunnen de rechter daarentegen wel verzoeken hun contracten over de voorlopige maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de echtgenoten of van hun kinderen te homologeren (art. 1256 Ger.W.). Contracten over spoedeisende geschilpunten bepaald in art. 1253ter/4, § 2 1° tot 4° Ger.W. kunnen ook steeds ter homologatie aan de rechter voorgelegd worden. Zie ook: Frankrijk: Bardet-Blanvillain A., «Les conventions homologuées en droit de la famille: unité ou diversité ?», Gazette du Palais 2003, 4).Een ander voorbeeld van homologatie vinden we terug in het faillissementsrecht. Het minnelijk akkoord dat bereikt werd in het kader van een buitengerechtelijke, openbare of besloten gerechtelijke reorganisatie, moet volgens respectievelijk art. XX.38 WER, XX.65 WER en XX.83/30 WER gehomologeerd worden. Verder moet het reorganisatieplan door een collectief akkoord of in het kader van een openbare besloten gerechtelijke reorganisatieprocedure gehomologeerd worden op grond van respectievelijk art. XX.79 WER en art. XX.83/35 WER. Zie verder ook de mogelijkheid tot homologatie van het akkoord tot collectief herstel: art. XVII.49 e.v. WER.

9  Zie weliswaar de waardevolle bijdrage van Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008.

10  België: De Wilde L., «De vlag en de lading. Over homologaties», RW 1984-85/14, (913) 915; Swennen F., «Over alimentatieovereenkomsten en echtscheiding (en ook een beetje over Odysseus)», TPR 2008/4, (1287) 1301. Frankrijk: Amrani Mekki S., «Les «nouveaux» titres exécutoires: les accords amiables homologués», Droit et Patrim. 2013/213, (55) 56-57 over «les difficultés terminologiques».

11  België: art. 1386 Ger.W.; Broeckx K. en Van Schel S., De uitvoerbare titel, die Keure, 2023, 11, 26-27 en 45; Dauw P., Deconinck B. en Wylleman B., Burgerlijk procesrecht Deel II - Duiding, Intersentia, 2021, 671; Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 33; Laenens J., Scheers D., Thiriar P. e.a., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 118; Ligot F., «Le pouvoir de conciliation du juge, la médiation et l’autorité des accords», Ann.dr.Louvain, 1996, (71) 76; Renson P.-P., La médiation civile et commerciale, Anthemis, 2009, 76.

12  Broeckx K. en Van Schel S., De uitvoerbare titel, Brugge, die Keure, 2023, 3.

13  Overweging nr. 19 Bemiddelingsrichtlijn; MvT bij wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, KAMER, 2003-2004, 23 oktober 2003, nr. 51-0327/001, 23.

14  België: De Wilde L., «De vlag en de lading. Over homologaties», RW 1984-85/14, (913) 990 en 1001; Ligot F., «Le pouvoir de conciliation du juge, la médiation et l’autorité des accords», Ann.dr.Louvain 1996, (71) 104. Frankrijk: Ancel M., «Le problème de la juridiction volontaire ou gracieuse dans le développement du droit moderne», JT 1961/4314, (217) 218.

15  Artt. 1288, 2° en 1298 Ger.W.; artt. XX.38, XX.65, XX.83/30, XX.79 en XX.83/35 WER.

16  België: Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 186-187. Zie ook: Frankrijk: Peketi E., L’homologation judiciaire des actes juridiques, mare & martin, 2020, 29 en 70 e.v. zoals in het familiaal vermogensrecht en het familierecht.

17  België: De Wilde L., «De vlag en de lading. Over homologaties», RW 1984-85/14, (913) 916 en 991. Zie ook: Frankrijk: Balensi I., «L’homologation judiciaire des actes juridiques», Rev.dr.civ. 1977, 255: «D’un point de vue téléologique, l’intervention du juge de l’homologation est le moyen d’assurer le contrôle d’actes que le législateur, en raison de leur importance aussi bien sociale qu’individuelle, n’a pas voulu laisser à l’entière liberté des parties.».

18  België: art. 5.69 BW; De Bauw S. en Gayse B., «De rechter en bemiddeling: nood aan nieuwe attitudes en vaardigheden?» in Van Ransbeeck R. (ed.), Bemiddeling, die Keure, 2008, (105) 156; De Bauw S. en Gayse B., Bemiddeling en rechtspraak hand in hand. Wegwijs voor de rechter, Brugge, die Keure, 2009, 94; Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 221 en 223-240. Frankrijk: Goujon-Bethan T., L’homologation par le juge. Essai sur une fonction juridictionnelle, LGDJ, 2021, 81, 102 en 142: homologation-exécution en homologation d’habilitation; Mayer L., «Précisions sur le contrôle «léger» exercé par le juge homologateur d’une transaction», Gazette du Palais 2015/165-167, (12) 12; Peketi E., L’homologation judiciaire des actes juridiques, mare & martin, 2020: deze auteur onderscheidt homologatie als bestaansvoorwaarde voor het onderliggende akkoord en homologatie die geen bestaansvoorwaarde is voor het onderliggende akkoord.

19  Artt. 1043, 1733, vierde lid en 1736, derde lid Ger.W. In grote lijnen hangt dit af van de vraag of er sprake is van een gerechtelijke dan wel een buitengerechtelijke bemiddeling, maar dit is niet altijd het geval. Partijen kunnen namelijk parallel aan een aanhangig geding een voorstel tot bemiddeling aan de andere partij richten. Ze bevinden zich dan binnen het kader van een buitengerechtelijke bemiddeling (art. 1730 Ger.W.) maar kunnen in het kader van het aanhangig geding ook een akkoordvonnis verzoeken op grond van artikel 1043 Ger. W.

20  Zie ook: MvT bij ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek van 10 december 1963 (verslag Van Reepinghen), SENAAT, 1963-1964, 10 december 1963, 60.

21  Raes S., Minnelijke schikkingen in de familierechtbank. Een empirisch-juridische evaluatie, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 565.

22  Artt. 733/1, derde lid en 734/2, § 2 Ger.W.

23  Art. 144 GW; artt. 17 en 18 Ger.W.; Antwerpen (F1E1e k.) 21 februari 2023, RW 2022-23/42, 1675; Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 62; Raes S., Minnelijke schikkingen in de familierechtbank. Een empirisch-juridische evaluatie, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 199.

24  Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 240-241.

25  België: MvT bij wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, KAMER, 2003-04, 21 oktober 2003, nr. 51-0327/001, 14: «De homologerende rechter is meer dan een loketbeambte.»; Antwerpen 4 juni 2013, FJF 2014/1, 113; Rb. Antwerpen (afd. Mechelen) 5 november 2020, nr. 20/68/A, RABG 2021/5, 366; Allemeersch B., Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 564; Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 32 en 187; Van Den BERGH B., «Het akkoordvonnis: «contractuele grondlaag met rechterlijke vernislaag» (noot onder Cass. 9 september 2013)», RW 2015-16/13, (504) 505. Frankrijk: Goujon-Bethan T., L’homologation par le juge. Essai sur une fonction juridictionnelle, LGDJ, 2021, 258.

26  Zie voor een overzicht en mogelijke bijkomende aandachtspunten bij de homologatietoets: De Bauw S. en Gayse B., «Toolkit voor de rechter bij doorverwijzen en homologatie», 2024, TOOLKIT VOOR DE RECHTER. https://www.fbc-cfm.be/files/TOOLKIT_VOOR_DE_RECHTER.pdf

27  Allemeersch B., «Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: procesrechtelijke aspecten» in Tilleman B. en Verbeke A. (eds.), Actualia Vermogensrecht. Liber Alumnorum KULAK. Als hulde aan prof. dr. Georges Macours, die Keure, 2005, (35) 47.

28  Taelman P. en Verschelden G., Proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, Antwerpen, 2002, 213-214.

29  Allemeersch B., «Bemiddeling en verzoening in het burgerlijk proces», TPR 2003, (409) 451.

30  Amendementen van de heer Wathelet op het wetsvoorstel van 8 juni 2004 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, KAMER, 2003-04, 8 juni 2004, nr. 51-0327/006, 4-7.

31  Eerste verslag van de Commissie van Justitie uitgebracht in de Kamer, KAMER, 2003-04, 18 juni 2004, nr. 0327/007, 39-40.

32  Hensen W., Gerechtelijke bemiddeling. Knelpunten en mogelijkheden, die Keure, 2018, 557-558.

33  Art. 1728 Ger.W.

34  België: Biemar B., Boularbah H., De Leval G. e.a., Droit judiciaire Collection de la Faculté de droit de l’Université de Liège, I, Larcier, 2021, 995: «[...] il est permis de se demander si le juge homologateur ne doit pas, de manière ne fût-ce que sommaire, s’assurer de la validité et de l’efficacité de l’accord rendu exécutoire.»; De Bauw S. en Gayse B., «De rechter en bemiddeling: nood aan nieuwe attitudes en vaardigheden?» in Van Ransbeeck R. (ed.), Bemiddeling, die Keure, 2008, (105) 158; De Bauw S. en Verschelden G., «De kamer voor minnelijke schikking en de bevordering van een minnelijke oplossing voor familiale geschillen» in Senaeve P. (ed.), Handboek familieprocesrecht, Wolters Kluwer, 2020, (163) 258; Renson P.-P., «L’avocat, le juge, le notaire et la médiation: quand la réalité dépasse la fiction» in Renson, P.-P. (ed.), Etats généraux de la médiation, 2 ed., Anthemis, 2025, (73) 96: «[...] Il s’en déduit qu’un accord de médiation ne devrait être homologué que s’il respecte les normes impératives, étant précisé que l’accord de médiation entaché d’une nullité relative devrait pouvoir être homologué à tout le moins, en cas de «confirmation préalable en connaissance de cause.» Frankrijk: Desdevises Y., «Les transactions homologuées: vers des contrats juridictionnalisables?», D. 2000/18, (284) 286: «On ne peut en outre se désintéresser des conditions dans lesquelles la solution conventionnelle d’un litige a pu s’établir car de la négociation en connaissance de cause par l’entremise de professionnels avertis, à l’accord accepté voire imposé de guerre lasse, il y a toute une série de cas de figure à prendre en compte [...]»; Mayer L., «Précisions sur le contrôle «léger» exercé par le juge homologateur d’une transaction», Gazette du Palais, 2015/165-167, (12) 15. Nederland: Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht. Reeks geschillen en beslechting, Sdu, 2007, 293: «De enige puur inhoudelijke toets naar Nederlands recht van de partijafspraken, vindt plaats op basis van art. 3:40 lid 1 (openbare orde en goede zeden) en in niet-vermogensrechtelijke gevallen op basis van art. 3:40 lid 2 BW (dwingend recht). Dit is niet voldoende, er zal ook getoetst dienen te worden aan een norm die het mogelijk maakt dat alle voor rechterlijke toetsing relevante aspecten van materiële rechtvaardigheid, zoals de belangen van de contractspartijen en van derden, meegewogen kunnen worden. Alleen zo wordt recht gedaan aan mediation als unieke methode van conflictoplossing met zijn gerichtheid op creativiteit en zijn focus op belangen.».

35  Art. 6, eerste lid Bemiddelingsrichtlijn.

36  Advies over titel 9 van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, HRJ, 2017-2018, 5 maart 2018, 5; Allemeersch B., «Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: procesrechtelijke aspecten» in Tilleman B. en Verbeke A. (eds.), Actualia Vermogensrecht. Liber Alumnorum KULAK. Als hulde aan prof. dr. Georges Macours, die Keure, 2005, (35) 48; Mougenot D., «L’office du juge en matière de baux» in Louveaux B. e.a. (eds.), Le bail. Actualités et dangers, Anthemis, 2009, (277) 295; Renson P.-P., La médiation civile et commerciale, Anthemis, 2009, 78; Renson P.-P., «La transcription de certains jugements homologuant des accords de médiation: l’intervention des notaires remise en cause ?», JT 2009/27/6361, (509) randnr. 8.Zie bij wijze van voorbeeld van een ruimere toets: Finland: s. 23 Mediation Act. Italië: art. 12, 1ebis lid decreto legislativo 4 maart 2010 attuazione dell’articolo 60 della legge 18 giugno 2009, n. 69, in materia de mediazione finalizzata alla conciliazione delle controversie civili e commerciali, 4 maart 2010, nr. 28, Gazetta Ufficiale 5 maart 2010, nr. 28.

37  Artt. 1717, § 3, b); ii) en 1721, § 1, b) ii) Ger.W.; Lefebvre P. en Servais M., «Vers une conception large de l’ordre public à l’instar de la portée qui lui est conférée dans le cadre de l’annulation de sentences arbitrales», b-Arbitra 2014/2, (297) 325 e.v.; Matray L. en Martens P., «Arbitrage et ordre public interne», Rev.Arb. 1978, (95) 99; Verbruggen C., «Chapter VIII Recognition and enforcement of arbitral awards: articles 1719 to 1721» in Bassiri N. en Draye M. (eds.), Arbitration in Belgium: a practicioner’s guide, Kluwer Law International, 2016, (497) 528.

38  Hanotiau B. en Caprasse O., "L'annulation des sentences arbitrales", JT 2004/16, (413) randnr. 34. Matray L. en Martens P., «Arbitrage et ordre public interne», Rev.Arb. 1978, (95) 103: «Il en résulte que si une loi impérative est transgressée pendant la durée de la protection légale, cette transgression sera frappée de nullité pour des motifs qui tiennent à l’ordre public. Il est certainement d’ordre public qu’une loi impérative soit respecter tout le temps où elle doit l’être et jusqu’à ce qu’elle ait cessé de l’être. Sinon, la loi n’est plus impérative. Elle devient supplétive.»; Lefebvre P. en Servais M., «Vers une conception large de l’ordre public à l’instar de la portée qui lui est conférée dans le cadre de l’annulation de sentences arbitrales», b-Arbitra, 2014/2, (297) 324. Zie ook: Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 333; Peeraer F., «De verhouding tussen openbare orde en dwingend recht sensu stricto in het Belgisch verbintenissenrecht», TPR 2013/4, 2705-2805; Peeraer F., Nietigheid en aanverwante rechtsfiguren in het vermogensrecht, Intersentia, 2019, 219.

39  Artt. 1.12 en 5.61 BW; Cass. (3e k.) 7 december 1992, nr. 772, Arr.Cass. 1992, 1390; Cass. (3e k.) 13 oktober 1997, nr. 402, Arr.Cass. 1997, 969; Jansen S., «Afstand van recht: een eenzijdige rechtshandeling (noot onder Cass. 24 december 2009)», TBBR 2011/7, (333) 337.

40  Artt. 5.57 e.v. BW.

41  HR 27 december 1935 (Verhoeven/Veugelers), NJ 1936/442, 774.

42  HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1711, (Schmitz/Caspers), NJ 1997/570, noot Brunner, C.J.H.: «Aan de voormelde regel ligt de gedachte ten grondslag dat, ook indien de onzekerheid of het geschil is terug te voeren op onzekerheid omtrent de uitleg van een regel van dwingend recht of omtrent het resultaat waartoe een door een zodanige regel beheerste verhouding van partijen in het gegeven geval leidt (bijv. HR 5 april 1991, NJ 1992, 244, en 14 februari 1992, NJ 1992, 245), behoefte bestaat aan de mogelijkheid van een vaststellingsovereenkomst, waardoor een eventuele procedure tussen partijen kan worden voorkomen en waarbij - zolang men op vermogensrechtelijk gebied blijft - op de koop toe moet worden genomen dat, indien naderhand duidelijkheid omtrent die uitleg of dat resultaat wordt verkregen, aldus een geldige overeenkomst bestaat, die niettemin, naar resultaat, met dit dwingende recht strijdt.»; Boeve G.G., «Noot onder HR 6 januari 2017», JIN 2017/36; Van Zijst M., De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht, Kluwer, 2001, 59.

43  Soliana N.E.M., Art. 902 - Burgerlijk Wetboek Boek 7 Commentaar Vermogensrecht, Wolters Kluwer, losbl., 2024.

44  Van Zijst M., De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht, Kluwer, 2001, 157.

45  Brunner J.H., «Noot onder HR 21 april 1995», NJ 1997, 570, losbl.; Van Zijst M., De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht, Kluwer, 2001, 1.

46  HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:19, NJ 2017/37.

47  Artt. 7:902 en 3:40, eerste lid BW; HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1711, (Schmitz/Caspers), NJ 1997/570, noot Brunner C.J.H.; Boeve G.G., «Noot onder HR 6 januari 2017», JIN, 2017/36, nr. 8; Soliana N.E.M., Art. 902 - Burgerlijk Wetboek Boek 7 Commentaar Vermogensrecht, Wolters Kluwer, 2024, losbl.; Van Schaick A.C. en Houben I.S.J., Bijzondere overeenkomsten: 8. Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst, bruikleen, altijddurende rente, spel en weddenschap Asser, 9 ed., Kluwer, 2023, nr. 153.

48  Art. 3.40, eerste lid BW; Soliana N.E.M., Art. 902 - Burgerlijk Wetboek Boek 7 Commentaar Vermogensrecht, Wolters Kluwer, 2024, losbl.; Van Beukering-Rosmuller E.J.M., Mediation in juridisch perspectief, Wolters Kluwer, 2024, 140; Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht Reeks geschillen en beslechting, Sdu, 2007, 69.

49  HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:19, NJ 2017/37, 647; Portugaels N., De vaststellingsovereenkomst, Intersentia, 2017, 448; Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht Reeks geschillen en beslechting, Sdu, 2007, 66: «Vaststelling wordt gebruikt in de betekenis van de rechtstoestand die door de nakoming van de op de vaststelling gerichte verbintenissen wordt bewerkstelligd.»Van Zijst meent dat de toelichting hiermee slechts bedoelt dat de vaststellingsovereenkomst deelbaar is: «Voor het geval de vaststellingsovereenkomst meerdere bepalingen tot inhoud heeft, bijvoorbeeld clausules omtrent eventuele contraprestaties, kunnen onverkort worden getoetst aan dwingend recht. [...] De Toelichting bedoelt m.i. hier niets meer of anders te zeggen dat dat nevenbedingen van de vaststellingsovereenkomst onverkort aan het dwingend recht kunnen worden getoetst.» (Van Zijst M., De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht, Kluwer, 2001, 60).

50  HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:19, nr. 3.10.

51  MvT bij wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, KAMER, 2003-2004, 23 oktober 2003, nr. 51-0327/001, 6: «[...] het verifiëren van de wettelijkheid en de doeltreffendheid van het akkoord [maakt] integraal deel [uit] [...] van de taak van de bemiddelaar.»; Dauw P., Deconinck B. en Wylleman B., Burgerlijk procesrecht Deel II - Duiding, Intersentia, 2021, 985.

52  De bemiddelaar is volgens art. 5 van de deontologische code voor erkende bemiddelaars «[...] niet verplicht te werken met adviseurs indien hij dit niet opportuun acht. In dat geval, informeert hij de partijen over het feit dat hij liever niet met adviseurs werkt en suggereert hij hen zich te wenden tot een andere erkende bemiddelaar. [...]» De Duitse wetgever heeft de mogelijkheid tot homologatie van bemiddelingsakkoorden op de valreep geschrapt uit vrees dat partijen hierdoor een uitvoerbare titel zouden kunnen krijgen zonder enige vorm van juridische bijstand (Bach I. en Gruber U.P., «Germany» in Esplugues C., Luis Iglesias J. en Palao G. (eds.), Civil and commercial mediation in Europe, I, Intersentia, 2012, (159) 173-174).

53  Art. 1723/1 Ger.W.; art. 8, § 1, tweede lid (3) Deontologische code voor erkende bemiddelaars; COMMISSIE VOOR DE TUCHT- EN KLACHTENBEHANDELING FBC, Jaarverslag 2024-2025, 20, Jaarverslag2024-2025.pdf.

54  Brouwers S., «Aansprakelijkheid van de bemiddelaar», Ius & Actores 2007/3, (93) 96; Dauw P., Deconinck B. en Wylleman B., Burgerlijk procesrecht Deel II - Duiding, Intersentia, 2021, 985; De Bauw S. en Gayse, B. Bemiddeling en rechtspraak hand in hand - Wegwijs voor de rechter, die Keure, 2009, 101: verwijzing naar vraag nr. 570 A Borginon, Parl.St. 2004-05, 51091; Vandenbussche W. en Vervoort D., «De aansprakelijkheid van de advocaat en de bemiddelaar. Advocare, mediare, ... errare?» in JURA FALCONIS en Samoy I. (eds.), Professionele aansprakelijkheid, Intersentia, 2015, (95) 137.

55  Art. 11, § 1, tweede lid Deontologische code van de erkende bemiddelaars.Erkende bemiddelaars zijn verplicht om de bemiddeling te beëindigen of op te schorten indien ze vaststellen dat ze niet over de nodige vaardigheden beschikken om de bemiddeling voort te zetten (art. 6 Deontologische code van de erkende bemiddelaars) of indien «De voorgestelde overeenkomst kennelijk onevenwichtig is en een ongezonde onderwerping van de ene partij aan de andere partij weerspiegelt of een gebrek aan geïnformeerde toestemming.» (art. 11, § 2, tweede lid (4) Deontologische code van de erkende bemiddelaars).

56  De bemiddelingsbarometer van 2025 geeft aan dat 60% van de erkende bemiddelaars een juridische achtergrond heeft, 24% van de erkende bemiddelaars heeft een achtergrond in de sociale wetenschappen of psychologie en 16% geeft aan nog een andere achtergrond te hebben (Centrale dag NL-FR (1).pdf - Google Drive).Om voor erkenning in aanmerking te komen, moeten bemiddelaars een theoretische opleiding volgen met inzonderheid een juridische component (art. 1726, § 1, 2° Ger.W.). «Recht in verband met bemiddeling» komt aan bod in het theoretische gedeelte van de basisopleiding, dat in totaal minimaal 30 uren bevat. Naast het recht moeten in dit theoretische gedeelte ook minstens begrip van conflict, geweld en intimidatie; inleiding tot de bemiddeling; communicatie in relatie tot de bemiddeling; psychologie in relatie tot de bemiddelaar en de bemiddeling; sociologie in relatie tot bemiddeling; bemiddelingsproces; deontologie en ethiek; statuut van de bemiddelaar; theorie en praktijk van rechtsbijstand van bemiddeling; en bemiddeling op afstand via digitale platformen aan bod komen (art. 8 Vormingsreglement). Weliswaar is er meer aandacht voor het recht in het theoretische gedeelte van de specialisatieopleidingen, dat in totaal minimaal 35 uren bevat. In de specialisatie moet bijvoorbeeld een onderdeel gewijd worden aan de «gevolgen van de regels van openbare orde en van dwingend recht» (artt. 11, 12, 13 Vormingsreglement).

57  Art. 6 Deontologische code van de erkende bemiddelaars; Verbeke A.-L., «Procespluralisme en comediation bij conflictmanagement», TMD 2023/27/3-4, (6) 15-16.

58  Art. 5, eerste en tweede lid Deontologische code voor erkende bemiddelaars.

59  Art. 12 Decreto legislativo attuazione dell’articolo 60 della legge 18 giugno 2009, n. 69, in materia di mediazione finalizzata alla conciliazione delle controversie civili e commerciali, Gazzetta Ufficiale 5 marzo 2010, nr. 28.

60  Art. L111-3 Code des procédures civiles d’exécution: «Seuls constituent des titres exécutoires: [...] 7° Les transactions et les actes constatant un accord issu d’une médiation, d’une conciliation ou d’une procédure participative, lorsqu’il sont contresignés par les avocats de chacune des parties et revêtus de la formule exécutoire par le greffe de la juridiction compétente.» Deze bepaling werd ingevoerd door art. 44 loi du 22 décembre 2021 pour la confiance dans l’institution judiciaire (1), n° 2021-1729, JORF 23 december 2021, n° 0298; De tussenkomst van de griffie wordt beschouwd als een noodzakelijke waarborg: «Cette intervention du greffe vise à écarter le risque d’inconstitutionnalité pesant sur un dispositif qui aurait placé l’avocat comme seul acteur du contrôle de l’acte.» (Rapport sur le projet de loi organique, après engagement de la procédure accélérée, pour la confiance dans l’institution judiciaire (n° 4092) (S. Mazars), ASSEMBLEE NATIONALE, n° 4147); Reverchon-Billot M., «L’acte contresigné par avocat: un nouveau titre exécutoire de la justice participative», Procédures 2022/4, 17-20.

61  Amrani Mekki S., «Des modes amiables à l’annexe à la déclaration d’appel. Pot-pourri procédural de nature à renforcer la confiance dans l’institution judiciaire?», La Semaine Juridique 2022/13, (690) 697.

62  Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht Reeks geschillen en beslechting, Sdu, 2007, 313.

63  Zie ook: België: Hensen W., Gerechtelijke bemiddeling. Knelpunten en mogelijkheden, die Keure, 2018, 169-170. Nederland: Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht Reeks geschillen en beslechting, Sdu, 2007, 313.

64  Broeckx K. en Van Schel S., De uitvoerbare titel, die Keure, 2023, 3; art. 8.1, 5° BW

65  MvT bij wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, KAMER, 2003-04, 23 oktober 2003, nr. 51-0327/001, 10. Zie ook: Verslag bij wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 2004-05, 31 januari 2005, nr. 51-0327/012, 4: «[...] op het moment dat het akkoord geformaliseerd wordt, en in het bijzonder bij de eventuele homologatie ervan, dat er een controle moet gebeuren met betrekking tot de openbare orde en over de mogelijkheid van de partijen om een dading af te sluiten omtrent het geschil dat hen tegenover elkaar plaatst.».

66  MvT bij wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-2021, 24 februari 2021, nr. 55-1806/001, 70.

67  België: art. 1 Organieke wet notariaat; Vraag en antwoord nr. 0570 van de heer Borginon, KAMER, 2004-05, 3 maart 2005, nr. 51-750; Dauw P., Deconinck B. en Wylleman B., Burgerlijk procesrecht Deel II - Duiding, Intersentia, 2021, 985; Lesseliers V., «De notaris en bemiddeling: 10 jaar later», Not.Fisc.M. 2009/7, (277) 284; Wijnant T., «Uitvoerbaarheid van akkoorden die tot stand komen na bemiddeling» in Verschelden G. en Senaeve P. (eds.), Wetgeving en rechtspraak familie(proces)recht 2017, Intersentia, 2017, (243) 284. Nederland: E.A.L. Van Emden en L.H. Rijpkema, «De notaris en het Europese consumentenrecht - Mag de notaris een akte verlijden die een (mogelijk) oneerlijk beding bevat?», MvV 2022, 3: over de notariële zorgplicht. Frankrijk: Goujon-Bethan T., L’homologation par le juge. Essai sur une fonction juridictionnelle, Parijs, LGDJ, 2021, 124.

68  HvB Antwerpen 23 mei 2023, T.Not. 2024, (131) 132: «In de regel kan de rechter een uitvoerbare titel verlenen inzake een overeenkomst, die werd opgesteld bij onderhandse akte, in zoverre deze overeenkomst rechtsgeldig wordt bevonden en het verlenen van de gevraagde titel, die strekt tot de uitvoering hiervan, niet strijdt met regels van openbare orde of dwingend recht.».

69  Cass. (1e k.) 14 april 2005, AR nr. C.03.0148.F., Arr.Cass. 2005, 868; Cass (1e k.) 6 december 2007, AR nr. C.06.0092.N, Arr.Cass. 2007, 2400; Cass. 14 december 2012, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4; HvB Antwerpen 23 mei 2023, T.Not. 2024, (131) 132: «In de regel kan de rechter een uitvoerbare titel verlenen inzake een overeenkomst, die werd opgesteld bij onderhandse akte, in zoverre deze overeenkomst rechtsgeldig wordt bevonden en het verlenen van de gevraagde titel, die strekt tot de uitvoering hiervan, niet strijdt met regels van openbare orde of dwingend recht.»; Allemeersch B., Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 184; Dupon F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het Burgerlijk procesrecht, Intersentia, 2022, 323 en 526; Peeraer F., Nietigheid en aanverwante rechtsfiguren in het vermogensrecht, Intersentia, 2019, 370 en 373.

70  België: art. 1028 Ger.W.; Cass (1e k.) 6 december 2007, AR nr. C.06.0092.N, Arr.Cass. 2007, 2400; De Bauw S. en Verschelden G., «De kamer voor minnelijke schikking en de bevordering van een minnelijke oplossing voor familiale geschillen» in Senaeve P. (ed.), Handboek familieprocesrecht, Wolters Kluwer, 2020, (163) 258; Meuwissen W., Praktische gids bemiddeling: met modellen, Wolters Kluwer, 2018, 241; Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 286-287. Frankrijk: art. 1566, eerste lid Code de Procédure Civile; Goujon-Bethan T., L’homologation par le juge. Essai sur une fonction juridictionnelle, LGDJ, 2021, 536-537; Guillemain A., «Réflexions sur la qualification de l’homologation judiciaire», Gazette du Palais 2012, (10) 10.

71  Art. 1733 Ger. W met verwijzing naar artt. 1025-1034 Ger.W.

72  Raes S. en Van Den Bossche M., «Commentaar bij artikel 1025 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2016, losbl., 88; Van Parys L., «Procedure op eenzijdig verzoekschrift» in TPR 1980, (241) 243.

73  Werbrouck J., De doorwerking van het Europees consumentenrecht in het nationaal procesrecht, Mortsel, Intersentia, 2023, 204 en 315 e.v..

74  Niet exhaustief: HvJ 27 juni 2000, «Oceano Grupo Editorial», ECLI:EU:C:2000:346; HvJ 21 november 2002, «Cofidis SA», ECLI:EU:C:2002:705; HvJ 4 juni 2009, «Pannon GSM Zrt.», ECLI:EU:C:2009:350; HvJ 26 oktober 2006, «Mostazo Claro», ECLI:EU:C:2006:675: de verplichting geldt ook indien de nietigheid van een arbitragebeding voor het eerst wordt opgeworpen in het kader van een beroep tot vernietiging van een arbitraal vonnis. Zie uitgebreid: Dupon F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het Burgerlijk procesrecht, Intersentia, 2022, 302-313; Pollefeyt F., «Onzin van de b2b-onrechtmatige bedingenleer na de hervorming van het verbintenissenrecht», TPR 2024/4, (1303) 1395-1397; Van Oevelen A., Rutten S. en Dupon F., «Ambtshalve inroepbaarheid van Europees consumentenrecht, materieelrechtelijk en procesrechtelijk beschouwd» in Straetmans G. en Rozie M. (eds.), Doorwerking van het Europese recht in de nationale rechterlijke praktijk, Intersentia, 2012, 95-124; Werbrouck J., De doorwerking van het Europees consumentenrecht in het nationaal procesrecht, Intersentia, 2023, 315-527.

75  HvJ 6 oktober 2009, «Asturcom Telecomunicaciones», ECLI:EU:C:2009:615; HvJ 16 november 2010, «Pohotovost», ECLI:EU:C:2010:685; Werbrouck J., De doorwerking van het Europees consumentenrecht in het nationaal procesrecht, Intersentia, 2023, 432-431.

76  Schriftelijk advies van NKGB bij wetsvoorstel nr. 0598 tot wijziging van artikel 1746 Ger.W. (vereenvoudigde homologatie collaboratieve akkoorden), 4 juli 2025, ref. 24050.

77  De mogelijkheid tot derdenverzet blijft bijgevolg overeind (art. 21, tweede lid Ger.W.).

78  België: art. 1043 Ger.W. Frankrijk: Cass. (civ) 1 september 2016, nr. 15-22915, ECLI:FR:CCASS:2016:15.22915.

79  België: Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 100. Frankrijk: Goujon-Bethan T., L’homologation par le juge. Essai sur une fonction juridictionnelle Bibliothèque de droit privé, LGDJ, 2021, 289.

80  Art. 5.27 BW.

81  Art. 5.31 BW.

82  Art. 5.33 BW; HvB Luik 26 mei 1983, JL 1983/26, 337: in casu ging het over dwaling over het recht; HvB Luik 26 augustus 2008, JLMB 2009/3, 128; Maes B., Vanlersberghe P., Clijmans N. e.a., Gerechtelijk Privaatrecht, die Keure, 2019, 361.Dwaling omtrent het recht of benadeling als wilsgebrek zijn uitgesloten bij de dading (art. 2052, tweede lid oud Burgerlijk Wetboek).

83  Art. 1728 Ger.W.

84  Antwerpen (BSbe k.) 25 september 2018, Limb.Rechtsl. 2019/2, 129.

85  Gonda M., Droit et pratique de la médiation, 2 ed., Larcier, 2021, 148. Zie ook: Wijnant T., Bemiddeling in balans, Intersentia, 2021, 646-647: deze auteur stelt voor om de bemiddelaar een rapporteringsrol toe te meten.

86  Art. 5.51 BW; Meuwissen W., «De gerechtelijke bemiddeling (commentaar bij artikel 1736 Ger.W.)» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer, 2024, (losbl.) randnr. 12.

87  Art. 1397 Ger.W.; Dirix E., «Commentaar bij art. 1397-1402 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, 2019, (losbl.) 130.

88  Moreau P., L’homologation judiciaire des conventions. Essai d’une théorie générale, Larcier, 2008, 333: «Il nous semble difficile d’admettre que, grâce à l’homologation, le juge puisse conférer une autorité particulière à un contrat dont l’annulation devra être prononcée si la personne protégée le requiert.».

89  De Bauw S. en Verschelden G., «De kamer voor minnelijke schikking en de bevordering van een minnelijke oplossing voor familiale geschillen» in Senaeve P. (ed.), Handboek familieprocesrecht, Wolters Kluwer, 2020, (163) 258: bijvoorbeeld hoffelijke communicatie tussen partijen.

90  België: De Bauw S. en Gayse B., «De rechter en bemiddeling: nood aan nieuwe attitudes en vaardigheden?» in Van Ransbeeck R. (ed.), Bemiddeling, die Keure, 2008, (105) 157. Nederland: Van Muijden M.S., Mediation en de vaststellingsovereenkomst. Aantasting en afdwingbaarheid naar Nederlands en Amerikaans recht, Sdu, 2007, 97.

91  Art. 1732, tweede lid Ger.W.

92  Broeckx K. en Van Schel S., De uitvoerbare titel, die Keure, 2023, 4, 8 en 21; Raes S., Minnelijke schikkingen in de familierechtbank. Een empirisch-juridische evaluatie, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 822. Nederland: zie ook over het belang van nauwkeurig omschreven en uitvoerbare verbintenissen in het proces-verbaal: Ahsmann M.J.A.M., De regierol van de rechter Burgerlijk Proces & Praktijk, Wolters Kluwer, 2024, 387-388. Engeland: Foskett D., Foskett on compromise, 8 ed., Sweet & Maxwell, 2015, 156: «The court will decline to enforce terms that are too vague.».

93  Finland: s. 23 Act on mediation in civil matters and confirmation of settlements in general courts 29 april 2011, nr. 394. Luxemburg: art. 1251-22(2) Nouveau Code de procedure civile.

94  De Bauw S. en Gayse B., «De rechter en bemiddeling: nood aan nieuwe attitudes en vaardigheden?» in Van Ransbeeck R. (ed.), Bemiddeling, die Keure, 2008, (105) 158; Hensen W., Gerechtelijke bemiddeling. Knelpunten en mogelijkheden, die Keure, 2018, 170.

95  België: MvT bij wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, KAMER, 2017-2018, 18 juni 2018, nr. 54-2919/001, 55; Boudart A.-M. en Vander Stock C., «L’arrêt de la Cour Constitutionnelle du 24 septembre 2020: la procédure contentieuse restera le «plan B» (noot onder GwH 24 september 2020», JLMB 2021, (156) 156. Engeland: Ahmed M., «Implied compulsory mediation», C.J.Q. 2012/31/2, (151) 156; Roney J.H.B., «Alternative dispute resolution: a change in perception», I.C.C.L.R. 1999, (329) 329: the Woolf Reforms. Frankrijk: Direction des affaires civiles et du sceau, Circulaire du 19 juillet 2025, N° NOR JUSC2520914C, CIV/08/2025.

96  Sandefur R., "Access to what?", Daedalus 2019/148/1, 49-55