Omschrijving
Doding in het verkeer: wraakroepende roekeloosheid
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1082
Auteur(s)
S. Van Overbeke
Trefwoorden

WEGVERKEER

Bijkomende informatie

Actualiteit

Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers

Doding in het verkeer: wraakroepende roekeloosheid

In België vallen er jaarlijks rond de 500 verkeersdoden. Tel daarbij nog een veelvoud aan verkeersslachtoffers met zware lichamelijke schade en je komt per jaar al snel uit op vele duizenden personen en gezinnen van wie het leven door een verkeersongeval van het ene ogenblik op het andere een blijvende, dramatische wending krijgt. Dat een maatschappij daar niet onverschillig bij blijft, zou een evidentie moeten zijn.

Het nieuwe Strafwetboek (wet van 29 februari 2024), dat doding door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in beginsel strafbaar stelt met een straf van niveau 2 (art. 106 nieuw Sw.), wat een gevangenisstraf tot drie jaar mogelijk maakt, bepaalt dat bij een «dodelijk verkeersongeval» een straf van niveau 3 moet worden opgelegd (art. 107 nieuw Sw.), wat een gevangenisstraf tot vijf jaar mogelijk maakt (we beperken ons hier tot de gevangenisstraf (art. 36 nieuw Sw.) en laten de bijkomende geldboete even buiten beschouwing (art. 52 nieuw Sw.)). Die strafverzwaring bij een verkeersgerelateerde onopzettelijke doding is trouwens niet nieuw, want ook het vroegere strafwetboek voorzag in een gelijkaardige strafverzwaring (art. 419, tweede lid, voorheen art. 419bis, oud Sw.). Het Grondwettelijk Hof zag daarin geen graten (GwH 30 september 2021, nr. 123/2021, RW 2021-22, 428).

Met de wet van 8 februari 2026 «houdende diverse technische en dringende bepalingen» (BS 16 februari 2026 err. BS 18 februari 2026) gaat de wetgever nog verder in dezelfde richting (zie de artikelen 72-76 van die wet). Niet alleen wordt de terminologie aangepast - de redelijk neutrale aanduiding «dodelijk verkeersongeval» wordt gewijzigd in de toch meer confronterende benaming «doding in het verkeer» (nieuw art. 107 nieuw Sw.) - maar ook en vooral wordt thans voorzien in een bepaling die de «verzwaarde doding in het verkeer» strafbaar stelt met een straf van niveau 4 (nieuw art. 107/1 nieuw Sw.), wat neerkomt op een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar tot ten hoogste tien jaar. Van een dergelijke «verzwaarde doding» is er sprake wanneer de bestuurder die door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het verkeer iemands dood veroorzaakt, zich hierbij schuldig heeft gemaakt aan welbepaalde verkeersmisdrijven: sturen in staat van dronkenschap of een soortgelijke staat, rijden zonder rijbewijs, zware snelheidsovertredingen, negeren van het rode verkeerslicht en overtredingen van de vierde graad, alsook - jawel - rijden met de gsm in de hand. Bij een «integriteitsaantasting» (het vroegere onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen) wordt niet in een zwaarder strafniveau voorzien, maar worden dit «verzwarende factoren» die de rechter in overweging dient te nemen (nieuw art. 218/1 nieuw Sw.).

Het nieuwe Strafwetboek heeft duidelijk oog voor gradatie volgens de aard van de onvoorzichtigheid. Waar voorheen elk gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in aanmerking kwam (vroeger art. 418 Sw.) en de burgerrechtelijke fout zich dus identificeerde met de strafrechtelijke fout, komt thans slechts nog een ernstig gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in het strafrechtelijke vizier (straf van niveau 2). In een verkeerscontext wordt dit zwaarder bestraft (straf van niveau 3), waaraan thans dus nog een extra gradatie wordt toegevoegd bij volstrekt verwerpelijke inbreuken (straf van niveau 4). De aandacht is volledig verschoven van de onopzettelijkheid van het gevolg (de dood) naar de opzettelijkheid van het roekeloze rijgedrag dat tot dit gevolg heeft geleid. Maar het blijft wel degelijk een onopzettelijk misdrijf (art. 7, § 1, derde lid, 2°, nieuw Sw.). Het onaanvaardbare rijgedrag mag dan al opzettelijk zijn gesteld - in beschonken toestand achter het stuur kruipen of aan 150 km per uur door de bebouwde kom razen doe je niet «per ongeluk» -, de gevolgen zijn niet gewild, tenzij er sprake zou zijn van een opzettelijke doodslag, maar dat veronderstelt dat het opzet betrekking heeft op het nefaste gevolg zelf: de dood van een ander.

In tijden waarin beleidsmakers in ons land met de handen in het haar zitten door de overbevolkte, uitpuilende gevangenissen (zie de wet van 18 juli 2025 die deze overbevolking wil aanpakken), is het opmerkelijk dat aan de maatschappelijke roep om méér repressie in het verkeersstrafrecht spoorslags gevolg wordt gegeven. Permanent inzetten op (veel) meer en efficiëntere controles is dan ook lastiger en valt moeilijker politiek te verzilveren. Toch is de verkeersveiligheid vooral bij dat laatste gebaat. Jaarlijks vallen er in ons land honderden verkeersdoden, maar jaarlijks zijn er ook duizenden bestuurders die onder invloed van alcohol of drugs een voertuig besturen, de openbare weg als een racebaan gebruiken of losjesweg de gsm hanteren achter het stuur. Willen we het eerste cijfer richting nul doen evolueren - en dat willen we met zijn allen - dan moeten we ook en vooral dat tweede cijfer drastisch doen dalen. Dat laatste zullen we zeker niet bereiken door louter in te zetten op een verzwaring van de gevangenisstraffen.

Steven Van Overbeke