Omschrijving
Grensoverschrijding en rechtsmisbruik: een dialectische verhouding
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1162
Auteur(s)
V. Sagaert
Trefwoorden

BURENHINDER

EIGENDOM

RECHTSMISBRUIK

Bijkomende informatie

Actualiteit

Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers

Grensoverschrijding en rechtsmisbruik: een dialectische verhouding

Grensoverschrijding en rechtsmisbruik blijven merkwaardig genoeg een vruchtbare akker voor kruisbestuiving. Nadat historisch een geval van bouwen over de grenzen van eigen percelen heen reeds een (dé) mijlpaal vormde voor de theorie van rechtsmisbruik (Cass. 10 september 1971, Arr.Cass. 1972, 31, concl. proc.-gen. Ganshof van der Meersch, RCJB 1976, 300, noot P. van Ommeslaghe), blijft het de rechtspraak en wetgever ook recent beroeren.

De wetgever maakte in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zoals ook onder het oud Burgerlijk Wetboek het geval was, een onderscheid naargelang de bouwer te goeder of te kwader trouw was, met andere woorden zich al dan niet bewust was van het feit dat hij over de perceelsgrens heen bouwde. Voor het geval van kwade trouw beklemtoonde de wetgever dat de nabuur de verwijdering van het overschrijdende inherente bestanddeel kan eisen, tenzij er noch een omvangrijke inname is, noch een potentiële schade is in hoofde van laatstgenoemde (art. 3.62, § 2, derde lid BW). Dat vormde volgens het Grondwettelijk Hof een schending van het grondwettelijk beschermde eigendomsrecht (Grondwettelijk Hof nr. 49/2024, 25 april 2024, RW 2025-26, 216, noot K. De Schepper en TBBR 2025, 218, noot L. Van Gorp). Het ging in die zaak om een geval waarin iemand bewust over de perceelsgrens heen bouwde vanuit de aanname dat er noch een potentiële schade, noch een omvangrijke inname was en dus het bouwwerk niet zou mogen worden afgebroken, en waarin hij deze bouwwerken ook voortgezet had niettegenstaande het protest van de buurman. Het arrest van het Grondwettelijk Hof kon verrassen aangezien aan de buurman in die omstandigheden toch andere remedies ter beschikking stonden tijdens het bouwproces, zoals een kortgedingprocedure of zelfs een eenzijdig verzoekschrift, die de voortzetting van de bouwwerken hadden kunnen verhinderen.

De wetgever heeft op 8 februari 2026 (BS 16 februari 2026, err. 18 februari 2026) aan die ongrondwettigheid geremedieerd door een nieuw lid 3 in artikel 3.62, § 2 BW in te voegen, dat louter verwijst naar het verbod van rechtsmisbruik (art. 1.10 BW). Of die wijziging in de praktijk veel verschil zal meebrengen, is nog maar de vraag. De beoordelingsvrijheid van de rechter wordt hierdoor nog groter. De kwade trouw speelt, zoals in de rechtspraak reeds het geval is, een rol bij het beoordelen van de vraag of er al dan niet rechtsmisbruik is. Evenwel is het ook na de wetswijziging niet uitgesloten dat de vordering tot verwijdering, ook ten aanzien van de bouwer te kwader trouw, onder omstandigheden rechtsmisbruik kan uitmaken (Parl.St. Kamer 2025-26, nr. 1181/1, 82).

Nog recenter ging het Grondwettelijk Hof opnieuw in op de problematiek in een procedure op prejudiciële vraag (Grondwettelijk Hof 29 januari 2026, nr. 16/2026). Het ging om een thans vaak voorkomend praktijkgeval: iemand had zijn gebouw geïsoleerd met isolatiemateriaal dat de perceelsgrens overschreed, wat noodzakelijk het geval is als het gebouw tot tegen de perceelsgrens is gebouwd. Het Hof ziet alvast geen schending van het gelijkheidsbeginsel tussen de situatie waarin iemand op het platteland bouwt en iemand in verstedelijkt gebied bouwt. Wel brengt het Hof een belangrijke precisering aan op het vlak van de remedie: aangezien de sanctie voor rechtsmisbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, en niet in een verval van dat recht, kan de eigenaar van het betrokken perceel niet tegen zijn wil van de eigendom van dat perceel worden beroofd - aangezien de wetgever niet in een dergelijk mechanisme heeft voorzien. Een dergelijke weigering door die eigenaar om een grensoverschrijding op zijn eigendom toe te staan met het oog op het plaatsen van isolatie tegen een al bestaand gebouw dat op de perceelgrens is opgericht, die rechtsmisbruik uitmaakt, kan bijgevolg, zo oordeelt het Grondwettelijk Hof, niet worden bestraft met een gedwongen eigendomsoverdracht, hetgeen zelf in strijd zou zijn met artikel 16 van de Grondwet. Als suggestie voor de wetgever voegt het Hof eraan toe dat aan de bevoegde wetgever, en niet aan het Hof, is om te beslissen of het van openbaar nut is om, met het oog op het uitvoeren van isolatiewerken, rekening houdend met de doelstellingen en verplichtingen op vlak van leefmilieu, een grensoverschrijding op het naburige perceel toe te staan die een eigendomsoverdracht van de grondoppervlakte van de grensoverschrijding met zich zou meebrengen.

Wat is de juridische moraal van het verhaal? Het lijkt er alleszins op dat tussen buren - zoals ook bij bovenmatige burenhinder het geval is - de wetgevende normen zo algemeen mogelijk moeten worden gehouden, zodat de rechter - met de wijsheid die haar of hem eigen is - kan inspelen op de concrete feiten van het geval. Niet alleen omwille van grondwettigheidsredenen, maar ook omwille van «beleid van de rechter» zou dat de insteek moeten zijn. Hopelijk houdt hij of zij daarbij niet alleen rekening met de individuele belangen van de in het geding zijnde partijen, maar ook met het algemeen belang (vgl. nochtans Cass. 22 oktober 2021, RW 2021-22, 1105, noot D. Gruyaert). Zo kan de rechter de invulling van zijn of haar beoordelingsvrijheid - zich al dan niet bewust van de Hegeliaanse dialectiek die hij of zij aan het beoefenen is - verder objectiveren.

Vincent Sagaert, KU Leuven