Omschrijving
Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1282
Auteur(s)
E. Vyncke
Trefwoorden

HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

ERFRECHT

Bijkomende informatie

Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen

Dr. Els VYNCKE

Het leerstuk van de «huwelijksvoordelen» zorgt voor controverse in het Belgisch familiaal vermogensrecht. Doordat de desbetreffende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek té summier zijn, worden ze op uiteenlopende manier uitgelegd, zowel wat betreft de draagwijdte van het concept als de berekeningen die ermee gepaard gaan. In deze bijdrage wordt een stand van zaken gegeven van de voorgestelde berekeningsmethoden, om vervolgens de waargenomen pijnpunten met een zelfontwikkelde methode te beantwoorden.

I. Inleiding

1. Kort gesitueerd - Het Burgerlijk Wetboek houdt in dat bepaalde huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen (in de praktijk «huwelijksvoordelen» genoemd) principieel niet als schenkingen te beschouwen zijn. Als die vermogensverkrijgingen echter bepaalde grenzen overschrijden, stelt de wet ze toch gelijk met schenkingen.1 Deze grenzen worden vaak de «plafonds» genoemd. De vraag of een huwelijksvoordeel de plafonds overschrijdt, is belangrijk. Kinderen2 kunnen immers menen dat een huwelijksvoordeel aan de echtgenoot van hun overleden ouder hun erfenis heeft uitgehold, en dat daardoor hun erfrechtelijke reserve geschonden is. Die reserve zou de kinderen een minimum aan erfrechten moeten verschaffen, maar biedt slechts bescherming tegen overmatige giften (en daarmee gelijkgestelde beschikkingen) die hun ouder vermaakt heeft.3 Vandaar kunnen kinderen hun reserve slechts inroepen tegen het gedeelte van het huwelijksvoordeel dat de plafonds overschrijdt (het «surplus»). Om te weten of dit effectief het geval is, moeten er berekeningen gemaakt worden. Het Burgerlijk Wetboek is op dat vlak echter te summier, waardoor er nog belangrijke discussiepunten openstaan.

2. Afbakening van huwelijksvoordelen - Een wettelijke of unaniem aanvaarde definitie van huwelijksvoordelen ontbreekt in het Belgische recht. Een eerdere bijdrage4 beschrijft een stand van zaken van de verschillende doctrinaire opvattingen over wat huwelijksvoordelen wel en niet zijn, inclusief de in mijn proefschrift ontwikkelde definitie. Gelet op de discussies op dit vlak hoeft het niet te verbazen dat er evenmin eensgezindheid bestaat over het berekeningsvraagstuk.

3. Inhoud van deze bijdrage - In deze bijdrage wordt mijn theorie over huwelijksvoordelen nog eens kort herhaald, om dan te focussen op de volgende discussiepunten:

- Wanneer overschrijdt een huwelijksvoordeel de wettelijke grenzen, hetgeen aan kinderen toelaat om het erfrechtelijk te verrekenen? Enkel het gedeelte dat deze plafonds overschrijdt (het surplus) is vatbaar voor de erfrechtelijke verrekening zoals bepaald in de artikelen 4.150-4.157 BW. Is er sprake van een surplus, dan spreekt men van een «onvolkomen» huwelijksvoordeel.5 De erfrechtelijke verrekening houdt in dat het surplus wordt opgenomen in de rekenboedel en wordt aangerekend op het beschikbaar deel, wat uiteindelijk kan resulteren in een inkortingsvordering op grond van de erfrechtelijke reserve van de kinderen van de overleden echtgenoot.6

- Hoe en op welk ogenblik moeten huwelijksvoordelen gewaardeerd worden in functie van deze erfrechtelijke verrekening?

II. Hoe huwelijksvoordelen herkennen: definitie in het kort

4. Ontwikkelde definitie - Huwelijksvoordelen zijn volgens mij vermogensverrijkingen van een eigen vermogen die voortvloeien uit een structurele keuze voor solidariteit, gemaakt door de echtgenoten samen.7

5. Structurele keuze voor solidariteit - Huwelijksvoordelen zijn een uiting van solidariteit in een echtpaar.8 Het gaat om de bereidheid van beide echtgenoten om hun middelen te herverdelen,9 waarbij ze die bereidheid geconcretiseerd hebben in hun huwelijksovereenkomst. Met name hebben ze drie parameters inzake de vermogenstoebedeling vastgelegd. Het gaat ten eerste over afspraken over de middelen die zij voor hun solidariteit willen aanmerken (het voorwerp), ten tweede over de mate waarin zij daaromtrent solidair willen zijn (de sleutel)10, en ten slotte gaat het over de omstandigheden waaronder zij solidair willen zijn (de situatie). Om van een structurele keuze te kunnen spreken, moeten deze verschillende parameters verankerd zijn in een huwelijksovereenkomst, vóór de vermogensverrijking in kwestie tot stand komt. Het is daarbij niet vereist dat ook in geval van echtscheiding voor solidariteit wordt gekozen.

6. Gezamenlijk gemaakte keuze - Om van een gezamenlijke solidariteitskeuze te kunnen spreken, dus een keuze uitgaande van de beide echtgenoten, wordt hier verdedigd dat de beide echtgenoten aan hen toebehorende (tegenwoordige en/of toekomstige)11 vermogensbestanddelen moeten aanmerken als voorwerp van de solidariteitsregeling. Er wordt evenwel niet vereist dat deze aanmerkingen gelijkwaardig zijn, noch dat het huwelijksvoordeel wederkerig bedongen is.

7. Verrijking van een eigen vermogen - Een huwelijksvoordeel komt enkel tot stand wanneer een eigen vermogen van een echtgenoot goederen verkrijgt die voorheen niet tot dat eigen vermogen behoorden. Zo kunnen kinderen bij de verblijving van het gemeenschappelijk vermogen geen reservataire aanspraken maken inzake de goederen die de langstlevende echtgeno(o)t(e) zélf in de gemeenschap had ingebracht.12 Anders verwoord bestaat een huwelijksvoordeel enkel uit vermogensbestanddelen die niet binnen het eigen vermogen van de verrijkte echtgeno(o)t(e) tot stand gekomen zijn (zie over deze «totstandkoming», infra randnummers 23-24).

8. Toegepast op een voorbeeld - In de huwelijksovereenkomst van echtgenoten A en B werd volgende regeling opgenomen: «De partijen verklaren het stelsel van scheiding van goederen aan te nemen. Zij verklaren dat bij het vooroverlijden van echtgenoot A het huis te Anderlecht in volle eigendom toekomt aan echtgenoot B.» De vraag rijst of deze toekenning een huwelijksvoordeel uitmaakt voor B als de langstlevende.

Als het huis in Anderlecht exclusief tot het eigen vermogen van A behoort, is de regeling in het voorbeeld geen huwelijksvoordeel, maar een contractuele erfstelling ten gunste van B. Het eigen vermogen van B wordt immers verrijkt ten gevolge van een keuze die A alleen heeft gemaakt. Om de sleutel van de herverdeling toe te passen, wordt het vermogen van echtgenoot B namelijk niet in aanmerking genomen. Het voorwerp van deze regeling betreft dus slechts het eigen vermogen van A.

Als daarentegen de regeling als voorwerp de vermogens van de beide echtgenoten in aanmerking neemt om daarop de afgesproken sleutel toe te passen, zal dit wel een huwelijksvoordeel uitmaken. Het gaat dan immers om een gezamenlijke, structurele keuze om middelen te herverdelen. Aan deze voorwaarden is voldaan wanneer het huis in Anderlecht aldus tot een (beperkt/intern) gemeenschappelijk vermogen of een onverdeeldheid tussen de echtgenoten behoorde. In de huwelijksovereenkomst worden immers het voorwerp (het huis, onderdeel van het vermogen van beide echtgenoten), de sleutel (de totaliteit van dat voorwerp) en de situatie (bij vooroverlijden van A) verankerd, voorafgaand aan de totstandkoming van deze vermogensverrijking van B ten tijde van het vooroverlijden van A.

Mijns inziens is de kwalificatie als huwelijksvoordeel af te wijzen als het gaat over de toekenning van exclusief eigen goederen.13 Indien dit door de wetgever/de civiele rechtspraak toch wordt aanvaard, kan de door mij ontwikkelde definitie evenwel nog steeds dienen om huwelijksvoordelen te herkennen. Dan zouden echtgenoten A en B bijvoorbeeld als huwelijksvoordeel kunnen bedingen dat «alle onroerende goederen van beide echtgenoten bij het vooroverlijden van A aan B zullen toekomen», zelfs indien bij het vooroverlijden van A blijkt dat alleen het eigen vermogen van A een onroerend goed bevat. Ook volgend beding uit een huwelijksovereenkomst zou dan als huwelijksvoordeel kwalificeren: «Bij het vooroverlijden van A komt in totaliteit toe aan B: het huis te Anderlecht uit het eigen vermogen van A en de banktegoeden op de eigen rekening van B.»14

In mijn bijdrage «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» worden de bestanddelen van deze definitie uitgediept en wordt ze vergeleken met andere doctrinaire opvattingen over huwelijksvoordelen, bijvoorbeeld die van Renchon, van De Page en De Stefani en van Casman en Verbeke.15

III. Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen

9. Sibillijnse wettelijke instructies - De wettelijke plafonds staan in het Burgerlijk Wetboek uitgewerkt in het hoofdstuk over de conventionele gemeenschapsstelsels; vandaar is de formulering ervan geënt op dit type stelsel. Die formulering wringt wanneer de plafonds moeten worden aangewend in een stelsel van scheiding van goederen. Dit komt doordat er in een scheidingsstelsel niet steeds sprake is van een huwgemeenschap en van een inbreng, en omdat het lot van de overgespaarde inkomsten verschilt ten opzichte van gemeenschapsstelsels.16 De parlementaire voorbereidingen stellen het volgende, weinigzeggende, over de toepassing van de plafonds in scheidingsstelsels: «Om deze grenzen [i.e. de plafonds] te bepalen, zal men ook in scheidingsstelsels (fictief) gebruik moeten maken van concepten die kenmerkend zijn voor gemeenschapsstelsels (in het bijzonder voor de componenten van het gemeenschappelijk vermogen), zelfs indien deze technisch gezien niet voorhanden zijn in het stelsel van scheiding van goederen.»17 Uiteindelijk bevat de wet slechts de vage instructie dat de plafonds in stelsels van scheiding van goederen naar analogie moeten worden toegepast, zonder enige verdere concretisering.18

10. Geen eensgezindheid - Voor de praktijk is het essentieel om te weten hoe er berekend wordt of een huwelijksvoordeel vatbaar is voor inkorting, en voor welk bedrag.19 Evenwel bevat het Burgerlijk Wetboek geen bruikbare handleiding. Daarom hebben verschillende rechtsgeleerden berekeningsmethoden uitgewerkt. Aangezien er echter geen unanimiteit heerst over de afbakening van het begrip huwelijksvoordeel zelf, hoeft het niet te verbazen dat er evenmin eensgezindheid heerst over hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekend moeten worden. In elk geval moet daarvoor geweten zijn wat de omvang van het huwelijksvoordeel is, om daarna te kunnen controleren of dit huwelijksvoordeel de wettelijke plafonds overschrijdt of niet. Het is immers enkel het gedeelte dat deze grenzen overschrijdt dat erfrechtelijk verrekend kan worden, door het toe te voegen aan de rekenboedel en het aan te rekenen op het beschikbaar deel.

A. Uiteenlopende doctrinaire opvattingen

11. Eerst omvang berekenen via «dubbele afwikkeling» - Nadat een regeling uit een huwelijksovereenkomst als huwelijksvoordeel gekwalificeerd werd volgens de ene of andere strekking, moet de omvang van dat huwelijksvoordeel worden bepaald. Vanuit de idee dat er slechts sprake is van een huwelijksvoordeel als er wordt afgeweken van een standaardsituatie tussen gehuwden, berust deze berekeningsmethode ook op een vergelijking. De omvang van het huwelijksvoordeel wordt berekend door het resultaat van twee afwikkelingen van huwelijksstelsels te vergelijken. Enerzijds is er de vereffening-verdeling van het effectieve huwelijksstelsel van de echtgenoten, anderzijds een fictieve vereffening-verdeling van een referentiestelsel. Als de effectieve afwikkeling voor een echtgenoot méér oplevert dan de fictieve, is er volgens deze opvatting sprake van een huwelijksvoordeel.20

De opvattingen verschillen over wat het referentiestelsel is bij deze «dubbele afwikkeling». Volgens sommigen is dit steeds het wettelijk stelsel,21 volgens anderen moet er een onderscheid worden gemaakt tussen gemeenschapsstelsels en scheidingsstelsels. Een conventioneel gemeenschapsstelsel moet dan worden vergeleken met het wettelijk stelsel, terwijl de zuivere scheiding van goederen als referentie geldt voor «gecorrigeerde» scheidingsstelsels.22

Casman en Verbeke lijken deze tweede stelling aan te hangen, aangezien zij stellen dat er in gemeenschapsstelsels een ander ijkpunt geldt (ongelijke verdeling van aanwinsten versus gelijke verdeling van aanwinsten zoals in het wettelijk stelsel) dan in scheidingsstelsels (méér krijgen dan het eigen vermogen versus enkel over het eigen vermogen beschikken zoals in een zuivere scheiding van goederen).23 Bovendien kan er voor hen in een scheidingsstelsel slechts sprake zijn van een huwelijksvoordeel, indien er op de zuivere scheiding van goederen correcties werden aangebracht die leiden tot een vermogensverschuiving van de ene naar de andere echtgenoot.24 Zo kan volgens Casman en Verbeke een beding over de werking van een onverdeeldheid een huwelijksvoordeel uitmaken in de mate dat er wordt afgeweken van het gemeen recht (art. 3.74 BW).25 Evenwel schrijven zij over verrekenbedingen enerzijds dat het de volledige verrekenvordering is die voor de verrekengerechtigde echtgenoot een huwelijksvoordeel oplevert,26 maar anderzijds schrijven ze ook dat wanneer echtgenoten afwijken van het wettelijk uitgewerkte verrekenbeding, door inkomsten uit niet-aanwinsten níét te verrekenen, dit «oppotten van eigen vermogen» een huwelijksvoordeel uitmaakt (zie ook infra).27 In dat geval krijgt de «oppottende» echtgenoot evenwel niet méér dan het eigen vermogen. Waarschijnlijk beschouwen zij de gelijke verdeling van aanwinsten als ijkpunt voor een scheiding van goederen met verrekenbeding, zoals in gemeenschapsstelsels, en moet er bij een dergelijke correctie dus niet vergeleken worden met de zuivere scheiding van goederen.

12. Moeilijkheden - Als het wettelijk stelsel steeds als referentie moet dienen, lijkt het praktisch gezien vaak onmogelijk om de fictieve vereffening-verdeling daarvan op een correcte manier uit te voeren. Essentiële informatie kan namelijk verloren zijn gegaan, bijvoorbeeld betalingsbewijzen van vermogensverschuivingen die in het wettelijk stelsel tot een vergoedingsrekening zouden hebben geleid.28 In het algemeen kunnen bepaalde keuzes niet met zekerheid gereconstrueerd worden. Wanneer in een scheidingsstelsel de gezinswoning bijvoorbeeld voor een beperkte huwgemeenschap wordt aangekocht, kan er niet met zekerheid vastgesteld worden in welke verhouding de echtgenoten in een zuivere scheiding van goederen die woning zouden hebben aangekocht. Dit zou 50/50 kunnen zijn, maar een echtgenoot zou ook kunnen beweren dat in dat fictieve scenario de woning in een ongelijke verhouding aangekocht zou zijn geweest.29

De stelling dat er meerdere referentiestandaarden gelden, levert dan weer een merkbaar verschil op wanneer echtgenoten grenzen stellen aan hun solidariteit. Als voorbeeld kan gedacht worden aan echtgenoten die ervoor kiezen om in hun huwelijksovereenkomsten géén solidariteit in te bouwen betreffende de inkomsten van hun eigen vermogen. De interesten van bijvoorbeeld een voorhuwelijkse effectenportefeuille zullen dan niet verdeeld of verrekend worden. Een dergelijke keuze levert in vergelijking met het wettelijk stelsel wél een huwelijksvoordeel op, omdat een echtgenoot méér dan de helft van alle aanwinsten verkrijgt.30 In vergelijking met een zuivere scheiding van goederen wordt er geen huwelijksvoordeel verkregen, omdat de echtgenoot die zo de interesten «oppot» in het eigen vermogen niet méér krijgt dan diens eigen vermogen.31 Geldt het wettelijk stelsel als referentie, dan kan het «oppotten» van eigen inkomsten dus uiteindelijk tot een inkortingsvordering tegen het huwelijksvoordeel leiden. Geldt de zuivere scheiding van goederen als referentie, dan zal de keuze om die interesten niet te herverdelen geen huwelijksvoordeel uitmaken, waardoor de stiefkinderen hun reserve niet kunnen inroepen tegen dit «opgepotte» vermogen. Dit verschillende resultaat kan voor echtgenoten aanvoelen als een afstraffing van de keuze voor een gemeenschapsstelsel, en voor de principiële solidariteit die ze daarmee wilden inbouwen.32

13. Dan vergelijken met plafonds - Zoals vermeld is het niet evident om de wettelijke plafonds, waarvan de verwoording geënt is op de gemeenschapsstelsels, naar analogie toe te passen in de context van een scheidingsstelsel. Er bestaat namelijk discussie over wat juist in gemeenschapsstelsels de kenmerkende concepten zijn, die als kapstokken dienen voor een analogische toepassing in scheidingsstelsels. Hangt die analogie vast aan de concepten «gemeen vermogen» en «inbrengsten», zoals in het Burgerlijk Wetboek wordt vermeld, dan wel aan de concepten «aanwinsten» en «niet-aanwinsten», die in de wettekst onderliggend aanwezig zouden zijn?

14. Gemeen vermogen en inbrengsten33 - In scheidingsstelsels kan artikel 2.3.57 BW als volgt worden uitgelegd. Het plafond ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen zou inhouden dat een huwelijksvoordeel onvolkomen is (i.e. het plafond overschrijdt) wanneer door de ongelijke verdeling van een gemeen bestemmingsgebonden vermogen (cf. gemeenschappelijk vermogen) een echtgenoot méér dan de helft van vermogensbestanddelen verkrijgt die in het wettelijk stelsel niet tot het gemeenschappelijk vermogen behoord zouden hebben (cf. inbrengsten).34 Bij de gelijke verdeling van een gemeen bestemmingsgebonden vermogen is er daarentegen sprake van een volkomen huwelijksvoordeel, ook als hierdoor vermogensbestanddelen verkregen worden die in het wettelijk stelsel als inbrengst zouden kwalificeren.

Het plafond ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen (art. 2.3.58 BW) zou dan inhouden dat een huwelijksvoordeel onvolkomen is zodra de verdeling van het gemeen bestemmingsgebonden vermogen een echtgenoot méér oplevert dan de gelijke verdeling van hetgeen is overgespaard van de wederzijdse inkomsten.35

15. Moeilijkheden - Als voor een analogische toepassing van de plafonds steeds de vergelijking met het wettelijk stelsel moet worden gemaakt, stelt dit problemen in de praktijk. In het wettelijk stelsel zijn bewijsstukken rond wederbeleggingen bijvoorbeeld essentieel om te bepalen of iets een gemeenschapsgoed uitmaakt of niet, maar dergelijke bewijzen zullen niet voorhanden zijn in de context van een scheidingsstelsel. Daardoor is het niet mogelijk om die fictieve kwalificatie te maken, namelijk de vraag te beantwoorden of in het wettelijk stelsel een vermogensbestanddeel een gemeenschapsgoed zou zijn geweest.36

16. Aanwinsten en niet-aanwinsten - Een andere opvatting ziet de analogie in concepten die onderliggend in gemeenschapsstelsels aanwezig zouden zijn.37 Dit zijn de aanwinsten, die in het wettelijk stelsel tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, en niet-aanwinsten, die in het wettelijk stelsel tot het eigen vermogen behoren. Aanwinsten worden daarbij principieel38 gedefinieerd als «[...] alle inkomsten die de echtgenoten (zowel uit arbeid als uit vermogen) tijdens het huwelijk verwerven, hetgeen daarop gespaard is, en hetgeen daarmee verworven is».39 Onder de auteurs die in deze concepten de spil van de analogische toepassing zien, verschillen de meningen over de plafonds alsnog.

Casman en Verbeke40 schrijven dat ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen huwelijksvoordelen slechts het plafond overschrijden, indien een echtgenoot daarmee méér verkrijgt dan de totaliteit van alle aanwinsten én de helft van de niet-aanwinsten die het voorwerp van het huwelijksvoordeel uitmaken. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen is dit het geval van zodra de echtgenoot méér verkrijgt dat de helft van alle aanwinsten.41 Waar voor het bepalen van de omvang van huwelijksvoordelen in scheidingsstelsels dus een ander ijkpunt geldt dan voor gemeenschapsstelsels, gelden in alle stelsels dezelfde regels om uit te maken in welke mate een huwelijksvoordeel volkomen/onvolkomen is.42 Daarbij hebben alle aanwinsten een rol te spelen, ook indien zij bijvoorbeeld buiten de verrekenmassa gehouden werden (vgl. supra randnummers 11-12).

Volgens een andere strekking worden de plafonds in scheidingsstelsels daarentegen enkel bepaald door de vermogensbestanddelen die bij huwelijksvoordeel verkregen worden.43 Doordat deze auteurs evenwel verschillende opvattingen hebben over wélke vermogensbestanddelen het voorwerp kunnen uitmaken van een huwelijksvoordeel,44 formuleren zij de plafonds ook licht anders.

Als in een scheidingsstelsel enkel aanwinsten45 via huwelijksvoordeel kunnen worden verkregen, betekent dit de facto dat het plafond ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen niet overschreden kan worden. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen is het plafond (art. 2.3.58 BW) overschreden zodra er vermogensbestanddelen die als aanwinsten kwalificeren, voor méér dan de helft via huwelijksvoordeel verkregen worden.46

Als daarentegen aangenomen wordt dat in scheidingsstelsels ook niet-aanwinsten het voorwerp van een huwelijksvoordeel kunnen uitmaken, worden de plafonds als volgt naar analogie toegepast.47 Ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen zal het plafond (art. 2.3.57 BW) slechts overschreden worden als vermogensbestanddelen die als niet-aanwinsten kwalificeren, voor méér dan de helft via het huwelijksvoordeel verkregen worden. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen is het plafond (art. 2.3.58 BW) overschreden zodra er via een huwelijksvoordeel niet-aanwinsten verkregen worden, maar ook als vermogensbestanddelen die als aanwinsten kwalificeren, voor méér dan de helft via het huwelijksvoordeel verkregen worden.

Door de plafonds in scheidingsstelsels enkel te laten afhangen van de vermogensbestanddelen die via huwelijksvoordeel verkregen worden, worden volgens mij eigenlijk niet de plafonds van de artikelen 2.3.57-2.3.58 BW naar analogie toegepast, maar het plafond van artikel 2.3.55, tweede lid BW, dat in gemeenschapsstelsels geldt bij een vooruitmaking (zie infra).48 Deze bepaling wordt evenwel niet naar analogie van toepassing verklaard door artikel 2.3.64, § 1, vierde lid BW.

17. Moeilijkheden aanwinsten/niet-aanwinsten - De analogische interpretatie van Casman en Verbeke heeft als voordeel dat ze consistent is: aanwinsten worden steeds op dezelfde wijze gedefinieerd49 en de plafonds worden in alle stelsels op dezelfde wijze toegepast. Deze opvatting wordt echter bekritiseerd omdat ze de keuze voor een scheidingsstelsel te weinig zou respecteren. Immers, als de echtgenoten kiezen voor een scheidingsstelsel, is het net níét de bedoeling om inzake álle aanwinsten (inkomsten en besparingen) solidariteit in te bouwen.50

Daartegenover staat dat als enkel het voorwerp van het huwelijksvoordeel de plafonds bepaalt (analogische interpretatie van onder meer De Page en De Stefani), dit niet consistent is.51 De plafonds worden immers anders toegepast naargelang het type stelsel (gemeenschap/scheiding van goederen), zoals uit volgend voorbeeld blijkt.

Vergelijk bijvoorbeeld de situatie van een echtpaar A-B met één niet-gemeenschappelijk kind, de dochter van echtgenoot A. Hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van A. Reeds in de voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst had dit koppel beslist om enkel betreffende sommige aanwinsten solidariteit te verankeren. De andere aanwinsten en de niet-aanwinsten hebben zij buiten die structurele solidariteit gehouden. Deze gezamenlijke solidariteitskeuze nam de vorm aan van een (beperkte) huwgemeenschap, die bij ontbinding door overlijden verdeeld wordt in de verhouding 60/40 ten voordele van de langstlevende van hen. De langstlevende mag daarbij diens kavel zelf samenstellen.

In een eerste hypothese geldt er sinds de huwelijkssluiting een conventioneel gemeenschapsstelsel en zijn er aanwinsten voor een totaal van 620.000 euro en niet-aanwinsten voor een totaal van 470.000 euro. Via een uitsluitingsclausule in de voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst hadden A en B de inkomsten het uit eigen vermogen uit de huwgemeenschap gesloten.

Bij ontbinding van dit conventioneel gemeenschapsstelsel bestaat het gemeenschappelijk vermogen van dit echtpaar uit hun gezinswoning, gezamenlijk aangekocht tijdens het huwelijk met overgespaarde beroepsinkomsten (waarde: 200.000 euro) en 400.000 euro aan overgespaarde beroepsinkomsten. Meer bepaald werden de beroepsinkomsten van A tijdens het huwelijk steeds gestort op een KBC-rekening (totaal: 50.000 euro). De beroepsinkomsten van echtgenoot B werden tijdens het huwelijk steeds gestort op een ING-rekening (totaal: 350.000 euro).52 De huwgemeenschap bevat met andere woorden aanwinsten voor een waarde van in totaal 600.000 euro. Tot het eigen vermogen van A behoort een kunstwerk dat zijn grootmoeder tijdens het huwelijk aan A had geschonken (niet-aanwinst t.w.v. 320.000 euro). Tot het eigen vermogen van B behoort een vakantiehuis dat B geërfd had tijdens het huwelijk (niet-aanwinst t.w.v. 150.000 euro) en de overgespaarde huuropbrengsten van dat vakantiehuis, die op een Triodos-rekening staan op naam van B (aanwinsten t.w.v. 20.000 euro).

Bij de ongelijke verdeling van de huwgemeenschap kiest B als langstlevende voor de gezinswoning van 200.000 euro en voor spaartegoeden ten belope van 160.000 euro om tot een kavel van 60% te komen (t.w.v. 360.000 euro). In de nalatenschap van A vallen daardoor de overige 240.000 euro aan spaartegoeden. Het niet-gemeenschappelijk kind kan dit huwelijksvoordeel van B voor een waarde van 60.000 euro met een schenking gelijkstellen, omdat het plafond op 300.000 euro ligt (gelijke verdeling van de aanwinsten) en de kavel van B dit plafond met 60.000 eruo overschrijdt (art. 2.3.58 BW). Het gaat dus om een onvolkomen huwelijksvoordeel ten belope van 60.000 euro.

Merk op dat Casman en Verbeke53 stellen dat het plafond van artikel 2.3.58 BW in dit conventioneel gemeenschapsstelsel op 310.000 euro ligt, omdat het ijkpunt op de gelijke verdeling van alle aanwinsten ligt.54 Aangezien B in totaal 380.000 euro van de aanwinsten onder zich heeft (60% huwgemeenschap + huuropbrengsten), is er volgens hen sprake van een onvolkomen huwelijksvoordeel ten belope van 70.000 euro.

In een tweede hypothese55 geldt er sinds de huwelijkssluiting een scheidingsstelsel met een beperkt gemeenschappelijk vermogen. In de voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst werd bepaald dat de huwgemeenschap beperkt is tot de inkomsten uit eigen vermogen en de onroerende goederen die de echtgenoten gezamenlijk verwerven voor de huwgemeenschap.56 Bij ontbinding van het huwelijk zijn er aanwinsten voor een totaal van 620.000 euro en niet-aanwinsten voor een totaal van 470.000 euro.

Tot de beperkte huwgemeenschap behoort de gezinswoning, destijds volledig met overgespaarde beroepsinkomsten aangekocht (aanwinst t.w.v. 200.000 euro), alsook 400.000 euro aan overgespaarde inkomsten uit eigen vermogen, dus in totaal 600.000 euro aan aanwinsten. Meer bepaald had echtgenoot A tijdens het huwelijk het geschonken kunstwerk een tijdje verhuurd aan een bureau van interieurarchitecten. Van de vergoeding die A daarvoor kreeg, blijft er nog 50.000 euro over op een KBC-rekening (aanwinsten). De opbrengsten die echtgenoot B ontving door het verhuren van de geërfde vakantiewoning, staan op een ING-rekening, waarvan nog 350.000 euro resteert bij ontbinding (aanwinsten). Tot het eigen vermogen van A behoort het kunstwerk dat tijdens het huwelijk aan hem werd geschonken (niet-aanwinst t.w.v. 320.000 euro), maar geen overgespaarde beroepsinkomsten. Tot het eigen vermogen van B behoort het tijdens het huwelijk geërfde vakantiehuis (niet-aanwinst t.w.v. 150.000 euro) en diens tijdens het huwelijk overgespaarde beroepsinkomsten op een Triodos-rekening (aanwinsten, totaal: 20.000 euro).

Bij de ongelijke verdeling van de beperkte huwgemeenschap kiest B als langstlevende voor de gezinswoning van 200.000 eruo en voor banktegoeden ten belope van 160.000 euro om tot een kavel van 60% te komen (t.w.v. 360.000 euro).57

Volgens Casman en Verbeke geldt ten aanzien van het niet-gemeenschappelijk kind hetzelfde plafond, zowel in dit gecorrigeerde scheidingsstelsel als in het conventionele gemeenschapsstelsel. Het plafond ligt immers op de gelijke verdeling van alle aanwinsten, waardoor het ligt op de helft van 620.000 euro, zijnde op 310.000 euro.

Volgens de strekking die onder meer door De Page wordt aangehangen (supra, randnummer 16) wordt het plafond in scheidingsstelsels enkel bepaald door de 360.000 euro die door B wordt verkregen uit het gemeenschappelijk vermogen. Ten aanzien van een niet-gemeenschappelijk kind ligt het plafond met andere woorden op de helft van de verkregen aanwinsten, dus op 180.000 euro.

18. Nog een moeilijkheid bij aanwinsten/niet-aanwinsten - Wanneer de plafonds worden toegepast aan de hand van de concepten aanwinst en niet-aanwinst, is een bijkomende moeilijkheid dat er hierdoor een nieuw kwalificatievraagstuk ontstaat. Er moet namelijk bepaald worden welke vermogensbestanddelen al dan niet als aanwinsten kwalificeren.

Wordt de opvatting van Casman en Verbeke gevolgd, dan moet dit voor álle vermogensbestanddelen van de beide echtgenoten worden uitgemaakt indien er niet-gemeenschappelijke kinderen reservataire aanspraken maken. Álle aanwinsten moeten immers worden geïdentificeerd om het plafond ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen te kunnen bepalen, en daarvoor moet in principe voor élk vermogensbestanddeel de kwalificatie worden gemaakt.58 Dit auteursduo raadt daarom aan dat echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst een weerlegbaar vermoeden opnemen dat de goederen die het voorwerp van het huwelijksvoordeel uitmaken, aanwinsten zijn.59 Ook wordt aangeraden om reeds de nodige bewijselementen in de huwelijksovereenkomst op te nemen als het huwelijksvoordeel op welbepaalde goederen slaat.60 Bij gebrek aan een dergelijke conventionele bewijsregeling menen deze auteurs dat deze kwalificatievraag niet zo’n bijzonder moeilijke opdracht is; ze maken de vergelijking met de kwalificatie binnen een gemeenschapsstelsel inzake het statuut (eigen/gemeenschappelijk) van de verschillende vermogensbestanddelen.61 Die vergelijking is echter onvolledig: in een gemeenschapsstelsel geldt er immers steeds een weerlegbaar vermoeden van gemeenschappelijkheid, maar dat is niet principieel aanwezig in een scheidingsstelsel.62

In de opvatting van onder meer De Page moet daarentegen enkel betreffende het voorwerp van het huwelijksvoordeel worden uitgemaakt in welke mate dit is samengesteld uit aanwinsten en niet-aanwinsten. Hetzelfde kwalificatievraagstuk speelt dus wel, maar op een beperktere schaal.

B. Zelf uitgewerkte berekeningsmethode

19. Eerst omvang berekenen: verrijking van het eigen vermogen - Zoals hoger reeds werd aangehaald, komt een huwelijksvoordeel enkel tot stand wanneer een eigen vermogen van een echtgenoot goederen verkrijgt die voorheen niet tot dat eigen vermogen behoorden. Bijgevolg bepaalt enkel de verrijking van het eigen vermogen de omvang van het huwelijksvoordeel. Als een gemeenschappelijk vermogen bijvoorbeeld verblijft aan een echtgenoot die er zelf een villa in had ingebracht, zal de waarde van die villa nooit deel uitmaken van de omvang van het huwelijksvoordeel. Zo ook bij een verrekenbeding: enkel de verrekenvordering van de verrekengerechtigde echtgenoot bepaalt de omvang van het huwelijksvoordeel, niet het zelf opgebouwde eigen vermogen van die verrekengerechtigde echtgenoot. Bij een verblijvingsbeding inzake een onverdeeldheid beslaat het huwelijksvoordeel enkel het onverdeelde eigendomsaandeel van de andere echtgenoot. Het eigendomsaandeel dat men reeds bezat, maakt geen deel uit van het verkregen huwelijksvoordeel.63

Merk op dat er dus nooit een referentiestelsel fictief vereffend en verdeeld moet worden. Enkel de vermogensbewegingen binnen het effectieve huwelijksstelsel moeten in kaart worden gebracht - wat al genoeg bewijsproblemen met zich kan meebrengen - zonder ook een fictieve vereffening-verdeling te moeten maken.

20. Dan vergelijking met plafonds - Mijn stelling wordt hieronder verder uitgewerkt. Als eerste introductie kan reeds vermeld worden dat dit niet gelinkt wordt aan de concepten gemeen vermogen/inbrengst, maar aan de concepten aanwinst en niet-aanwinst volgens Casmans definitie (zie supra).

Mijn stelling houdt in dat huwelijksvoordelen slechts het plafond ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen overschrijden, indien het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt met méér dan de helft van de niet-aanwinsten van de andere echtgenoot die werden aangemerkt voor herverdeling. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen wordt het plafond overschreden zodra het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt met méér dan de helft van de voor herverdeling aangemerkte aanwinsten.

Deze plafonds worden dus enkel bepaald door de vermogensbestanddelen die de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst voor structurele solidariteit hadden aangemerkt. Hierdoor bepalen zij zelf hoe ver hun solidariteit reikt; bij deze berekeningen moeten niet steeds álle aanwinsten worden betrokken. Tezelfdertijd houdt deze manier van werken in dat de plafonds op identieke wijze worden toegepast in gemeenschapsstelsels en in scheidingsstelsels.

21. Al eens toegepast op voorbeeld - Het voorbeeld van randnummer 17 wordt hernomen, maar nu wordt er gerekend volgens mijn voorgestelde manier.

De echtgenoten A-B hebben in hun voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst een structurele solidariteitskeuze verankerd. Het voorwerp daarvan was niet onbegrensd, maar werd beperkt. In de hypothese van een conventioneel gemeenschapsstelsel werden de inkomsten van het eigen vermogen immers uit de huwgemeenschap gesloten, terwijl in de hypothese van een gecorrigeerd scheidingsstelsel de beperkte huwgemeenschap enkel de gezinswoning en inkomsten uit eigen vermogen bevatte. In de beide hypothesen bevatte het (beperkte) gemeenschappelijk vermogen daardoor 600.000 euro aan aanwinsten, terwijl het eigen vermogen van A een niet-aanwinst van 320.000 euro bevatte en het eigen vermogen van B zowel 20.000 euro aan aanwinsten als een niet-aanwinst van 150.000 euro.

Bij ontbinding van het stelsel door overlijden wordt de (beperkte) huwgemeenschap ongelijk verdeeld, namelijk 60/40 ten voordele van de langstlevende, waarbij die zelf diens kavel mocht samenstellen. In casu zijn de voor solidariteit aangemerkte vermogensbestanddelen louter de gemeenschappelijke goederen, zijnde aanwinsten voor een totale waarde van 600.000 euro. Bijgevolg mag B als langstlevende voor 360.000 euro (60%) uit die vermogensbestanddelen kiezen. De overige 240.000 euro aan goederen uit het (beperkte) gemeenschappelijk vermogen vallen in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot A.

Het huwelijksvoordeel van B bedraagt zodoende steeds 360.000 euro, omdat dit de waarde is van de vermogensbestanddelen die het eigen vermogen van B verrijkt hebben, via het huwelijksvoordeel. Deze aanwinsten zijn immers tot stand gekomen in het gemeenschappelijk vermogen (zowel in de context van een gemeenschapsstelsel als in een scheidingsstelsel, zie randnummer 24), niet in het eigen vermogen van de langstlevende B. Op het moment van de ongelijke verdeling van de huwgemeenschap werd het eigen vermogen van B dus verrijkt met de volledige 360.000 euro.

Om uit te maken of dit huwelijksvoordeel onvolkomen is ten aanzien van het niet-gemeenschappelijk kind, moet het plafond van artikel 2.3.58 BW worden toegepast. Om de hoogte van dit plafond te bepalen, moet enkel hetgeen voor herverdeling werd aangemerkt in rekening worden genomen. Het gaat aldus om de goederen die tot de huwgemeenschap behoren, zijnde de gezinswoning (200.000 euro) en de gemeenschappelijke inkomsten (50.000 euro + 350.000 euro). Deze vallen allemaal onder de definitie van aanwinsten. Het plafond van artikel 2.3.58 BW ligt aldus op de helft hiervan, zijnde op 300.000 euro. Het huwelijksvoordeel van B overstijgt dit plafond bijgevolg met 60.000 euro, waardoor het voor 60.000 euro een onvolkomen huwelijksvoordeel uitmaakt, ongeacht of er een conventioneel gemeenschapsstelsel of een scheidingsstelsel met toevoeging van een beperkt gemeenschappelijk vermogen gold tussen echtgenoten A-B.

Merk op dat het gedeelte van de huwgemeenschap dat aan de nalatenschap toekomt, ook een rol te spelen heeft bij deze berekeningen. Deze 240.000 euro zijn medebepalend om tot het plafond van 300.000 euro te komen (600.000 euro/2). Dit wijkt af van de methode die onder meer De Page en De Stefani aanhangen, die de plafonds in scheidingsstelsels enkel van het verkregen huwelijksvoordeel laten afhangen.

Afwijkend van Casman en Verbeke is het bij de hier voorgestelde methode irrelevant dat het eigen vermogen van B ook voor 20.000 euro aan voor zichzelf «opgepotte» aanwinsten bevat. Deze uitgesloten aanwinsten werden immers niet voor herverdeling aangemerkt in de structurele keuze voor solidariteit die A en B gezamenlijk maakten. Vandaar hebben ze volgens deze berekeningsmethode geen enkele rol te spelen bij de erfrechtelijke verrekening van het huwelijksvoordeel. Het feit dat B deze aanwinsten voor zichzelf heeft «opgepot», maakt in geen enkel geval een huwelijksvoordeel uit.

22. Plafond van art. 2.3.57 BW meer in detail - Het artikel 2.3.57 BW houdt in dat er ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen geen erfrechtelijke verrekening is ten belope van de aanwinsten die bij huwelijksvoordeel worden verkregen. Dit maakt immers steeds een volkomen huwelijksvoordeel uit, zelfs als de totaliteit van de aanwinsten toekomen aan één echtgenoot.

Het plafond ligt lager voor de niet-aanwinsten die via huwelijksvoordeel verkregen worden. Hierbij is het belangrijk dat een huwelijksvoordeel enkel tot stand komt wanneer het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt (supra). Bijgevolg wordt het plafond enkel bepaald door de herverdeelde niet-aanwinsten die niet in het eigen vermogen van de verkrijgende echtgenoot tot stand kwamen. Anders verwoord gaat het om de niet-aanwinsten die in het eigen vermogen van de andere echtgenoot tot stand kwamen (zie hierover ook het volgende randnummer).

Het zijn volgens artikel 2.3.57 BW immers enkel de «goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht» die dit plafond bepalen. In de context van een gemeenschapsstelsel komt dit neer op de inbrengsten vanwege de andere echtgenoot. Stelselneutraal geformuleerd zijn dit de niet-aanwinsten van de andere echtgenoot die voor herverdeling werden aangemerkt.

23. Tussendoor: totstandkoming niet-aanwinsten buiten eigen vermogen? - In het gemeen recht heeft ieder rechtssubject één eigen vermogen, waardoor principieel alle goederen het vermogen van een rechtssubject binnenkomen via dit eigen vermogen. Anders verwoord komen vermogensbestanddelen principieel tot stand binnen een eigen vermogen. Dit principe geldt onverkort voor niet-aanwinsten.64 Binnen een echtpaar zijn niet-aanwinsten dus ofwel tot stand gekomen in het eigen vermogen van diegene die het huwelijksvoordeel verkrijgt, ofwel in het eigen vermogen van de andere echtgenoot.

24. Tussendoor: totstandkoming aanwinsten buiten eigen vermogen? - In het huwelijksvermogensrecht heeft de wetgever met de huwgemeenschap een uitzondering gemaakt op de eenheid en ondeelbaarheid van het vermogensbegrip; de huwgemeenschap bestaat los van de twee eigen vermogens.65 Daarop voortbouwend wordt hier verdedigd dat aanwinsten binnen een gemeenschappelijk vermogen tot stand kunnen komen. De redenering is als volgt. De wetgever gaat uit van een principiële overweging dat inkomsten en besparingen van echtgenoten (de aanwinsten) de vruchten zijn van hun gezamenlijke inspanningen. Hierdoor worden ze niet aan de ene of de andere echtgenoot toegeschreven, maar worden ze beschouwd als vermogensbestanddelen die de echtgenoten gemeenschappelijk toebehoren.66 In het wettelijk stelsel vallen dergelijke aanwinsten onmiddellijk in het gemeenschappelijk vermogen. Anders gezegd is het principe dat deze aanwinsten rechtstreeks binnen het gemeenschappelijk vermogen tot stand komen, althans zodra er een huwgemeenschap met zakelijke werking gecreëerd is.

Aanwinsten komen echter niet steeds tot stand binnen een gemeenschappelijk vermogen. Echtgenoten kunnen immers vrij kiezen voor een stelsel zonder een gemeenschappelijk vermogen. Eveneens kunnen zij ervoor kiezen om bepaalde aanwinsten (bijvoorbeeld inkomsten uit eigen vermogen) uit hun gemeenschappelijk vermogen te sluiten.67 Er wordt verdedigd dat er dan «persoonlijke aanwinsten» ontstaan, zijnde de inkomsten die één echtgenoot tijdens het huwelijk binnen het eigen vermogen genereert, hetgeen daarop gespaard is, en hetgeen daarmee verworven is.68 Aanwinsten moeten dus niet noodzakelijk binnen een gemeenschappelijk vermogen tot stand komen, noch is het voor de totstandkoming van een aanwinst noodzakelijk dat er (reeds) een gemeenschappelijk vermogen bestaat.

Niettemin zouden aanwinsten wel enkel tijdens een huwelijk gegenereerd kunnen worden.69 Leleu wijkt af van deze heersende leer door te stellen dat met de invoering van de anticipatieve inbreng (art. 2.3.53, § 2 BW) de idee van voorhuwelijkse aanwinsten verankerd werd in de wet,70 wat mijns inziens de lege lata echter niet het geval is.71 Van Molle meent dan weer dat er in scheidingsstelsels slechts aanwinsten kunnen ontstaan vanaf het moment dat er in de huwelijksovereenkomst een solidariteitscorrectie is ingevoerd.72

25. Plafond van art. 2.3.58 BW meer in detail - Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen overschrijdt een huwelijksvoordeel het wettelijk plafond zodra het eigen vermogen van de stiefouder verrijkt wordt met méér dan de helft van alle aanwinsten die voor de herverdeling werden aangemerkt. De verkrijging van niet-aanwinsten van de andere echtgenoot is dus volledig erfrechtelijk verrekenbaar.

De aanwinsten die via de herverdeling verkregen worden, maken maar deel uit van het huwelijksvoordeel indien ze het eigen vermogen van de verkrijger verrijken (supra). Een echtgenoot kan immers niet geconfronteerd worden met erfrechtelijke verrekening ten aanzien van zijn eigen inbrengsten.73 Neem ter illustratie een echtgenoot die oorspronkelijk onder scheiding van goederen gehuwd was, vervolgens de eigen overgespaarde beroepsinkomsten inbracht in een gemeenschappelijk vermogen en daarna de huwgemeenschap in totaliteit verkrijgt als langstlevende. Betreffende deze ingebrachte gelden is er geen sprake van erfrechtelijke verrekening, zelfs niet als dat aanwinsten zijn.74

Evenwel zijn álle aanwinsten die voor de herverdeling werden aangemerkt, bepalend voor het plafond van artikel 2.3.58 BW, ook die welke binnen het eigen vermogen van de verrijkte echtgenoot tot stand kwamen. Zo kunnen de aanwinsten die binnen het eigen vermogen van de verrijkte echtgenoot tot stand kwamen, ervoor zorgen dat de wettelijke plafonds overschreden worden, hoewel zij géén deel uitmaken van het verkregen huwelijksvoordeel en dus niet zelf erfrechtelijk verrekend kunnen worden.75 Anders verwoord kunnen die persoonlijke aanwinsten het verkregen huwelijksvoordeel «opduwen» tot boven het wettelijk plafond.

Voorbeeld: het echtpaar C-D heeft één niet-gemeenschappelijk kind, de zoon van echtgenoot C. Het echtpaar was initieel gehuwd onder een zuivere scheiding van goederen, maar wenst nu over te stappen naar een gemeenschapsstelsel. Hun vermogen bestaat op datum van die wijziging van het huwelijksstelsel uit de gezinswoning, aangekocht tijdens het huwelijk met overgespaarde beroepsinkomsten (200.000 euro, elk mede-eigenaar voor de onverdeelde helft), een rekening met de overgespaarde beroepsinkomsten van echtgenoot C (50.000 euro) en een rekening met de overgespaarde beroepsinkomsten van echtgenoot D (350.000 euro). D heeft tot slot tijdens het huwelijk een vakantiehuis geërfd van 150.000 euro, dat 20.000 euro aan overgespaarde huuropbrengsten heeft opgeleverd. Deze echtgenoten doen inbreng van deze tegenwoordige goederen in de nieuw gecreëerde beperkte huwgemeenschap, doch niet van het vakantiehuis en de huuropbrengsten, die tot het eigen vermogen van D blijven behoren. Over de huwgemeenschap, die een omvang van 600.000 euro heeft,76 bedingen de echtgenoten dat die zal worden verdeeld volgens de sleutel 60/40 ten voordele van de langstlevende, bij een ontbinding door overlijden. De langstlevende mag diens kavel zelf samenstellen.

Kort na de akte wijziging sterft C onverwachts. De vermogenssituatie van het echtpaar C-D is ongewijzigd gebleven sinds de wijzigende huwelijksovereenkomst. Bij de verdeling van de huwgemeenschap kiest D als langstlevende voor de gezinswoning en 160.000 euro aan spaartegoeden om tot een kavel van 60% te komen (t.w.v. 360.000 euro). In de nalatenschap van C vallen daardoor 240.000 euro aan spaartegoeden.

Het huwelijksvoordeel van D beslaat in deze casus níét de volledige 360.000 euro. De goederen die D zelf had ingebracht, maken immers geen deel uit van het huwelijksvoordeel dat D verkrijgt (supra, randnummer 7).

Aangezien D recht heeft op 60% van de huwgemeenschap, moet voor de erfrechtelijke verrekening van het huwelijksvoordeel ervan worden uitgegaan dat D van elk gemeenschapsgoed 60% verkreeg, ook als D’s kavel daadwerkelijk op een andere manier is samengesteld.77 Volgens die proportionele denkwijze verkrijgt D 60% van de eigen inbrengsten ten belope van 270.000 euro,78 en 60% van de inbrengsten door C, ten belope van 90.000 euro.79 Het eigen vermogen van D wordt dus enkel verrijkt voor 90.000 euro, namelijk door aanwinsten die buiten het eigen vermogen van D tot stand gekomen zijn. Het huwelijksvoordeel heeft dus slechts een omvang van 90.000 euro.80

Het niet-gemeenschappelijk kind wenst nu dat dit huwelijksvoordeel erfrechtelijk verrekend wordt. Daarvoor moet het plafond van artikel 2.3.58 BW worden toegepast. Dat ligt op de helft van alle voor herverdeling aangemerkte aanwinsten. Alles wat deel uitmaakt van de huwgemeenschap, werd voor herverdeling aangemerkt, dus ook de door D ingebrachte goederen. Het plafond ligt bijgevolg op 300.000 euro, de helft van 600.000 euro.

In welke mate is dit huwelijksvoordeel onvolkomen? D heeft in totaal 360.000 euro verkregen van de in totaal 600.000 euro aan aanwinsten die voor herverdeling werden aangemerkt. Het gaat dus om méér dan de helft daarvan. Ten belope van 270.000 euro van die verkrijging is geen sprake van een huwelijksvoordeel, omdat dit de eigen inbrengsten van D betreft. Hoewel ze niet tot het huwelijksvoordeel behoren, hebben die eigen inbrengsten wel een «opduweffect». Daardoor blijft het effectieve huwelijksvoordeel (90.000 euro) slechts voor een waarde van 30.000 euro onder het plafond van 300.000 euro. Het maakt dus slechts ten belope van 30.000 euro een volkomen huwelijksvoordeel uit. Het aandeel van het huwelijksvoordeel dat het plafond overschrijdt (i.e. datgene wat verkregen wordt boven de helft van de voor herverdeling aangemerkte aanwinsten), wordt met een schenking gelijkgesteld. Aldus is dit huwelijksvoordeel (90.000 euro) ten belope van de overige 60.000 euro onvolkomen.

Het is daarbij irrelevant dat D ook nog 20.000 euro aan «persoonlijke aanwinsten» in handen heeft (de huuropbrengsten van het geërfde vakantiehuis), naast de 360.000 euro aan aanwinsten uit de huwgemeenschap. Die huuropbrengsten werden immers buiten de solidariteitsregeling van de echtgenoten gehouden, waardoor die niet in rekening moeten worden genomen wanneer een niet-gemeenschappelijk kind om de erfrechtelijke verrekening van het huwelijksvoordeel vraagt.

26. Bewijs van aanwinst? - Om deze plafonds effectief te kunnen toepassen, moet het in de praktijk mogelijk zijn om vermogensbestanddelen te kwalificeren als aanwinst of niet-aanwinst. Het is zeker aan te raden dat in de huwelijksovereenkomst een weerlegbaar vermoeden wordt opgenomen dat bepaalt dat het voorwerp van het huwelijksvoordeel enkel uit aanwinsten bestaat (supra, randnummer 18). Evenwel geldt er mijns inziens in alle huwelijksstelsels een dergelijk vermoeden aangaande het voorwerp van huwelijksvoordelen, zelfs bij gebrek aan een dergelijke conventionele regel.81

Een argument is te vinden in de artikelen 2.3.22, § 3 en 2.3.66, § 5 BW, namelijk het vermoeden in gemeenschapsstelsels dat vermogen tot de huwgemeenschap behoort, en het vermoeden bij verrekenbedingen dat inhoudt dat het aanvangsvermogen geacht wordt leeg te zijn, behoudens geschreven tegenbewijs, waardoor vermogen vermoed wordt tot de verrekenmassa te behoren. Aangezien zowel de huwgemeenschap als de verrekenmassa principieel enkel aanwinsten bevatten,82 houden die wetsbepalingen eigenlijk weerlegbare vermoedens in dat vermogensbestanddelen aanwinsten zijn wanneer er een gemeenschapsstelsel geldt of er een verrekenbeding bedongen is. Wanneer er dan ook wordt overwogen dat wanneer er huwelijksvoordelen bedongen worden, de huwgemeenschap en de verrekenmassa daarvan het voorwerp vormen,83 dan kan er worden beargumenteerd dat deze twee wetsbepalingen weerlegbare vermoedens bevatten dat het voorwerp van een huwelijksvoordeel uit aanwinsten bestaat.

Een tweede argument ligt in de aanname van de wetgever dat op vandaag vermogen voornamelijk wordt opgebouwd door arbeid en in mindere mate uit intergenerationele rijkdom bestaat.84

Vandaar wordt aangenomen dat in alle huwelijksstelsels een weerlegbaar vermoeden geldt dat de vermogensbestanddelen die als voorwerp van een huwelijksvoordeel werden aangemerkt, een aanwinst uitmaken.

Dit betekent dat wanneer afstammelingen hun reserve inroepen tegen een verkregen huwelijksvoordeel, het aan hen is om het tegenbewijs te leveren dat het voorwerp daarvan (gedeeltelijk) uit niet-aanwinsten bestaat.85 Enkel in de mate dat zij de kwalificatie van «niet-aanwinst» kunnen hardmaken, zal het vermoeden van aanwinst weerlegd kunnen worden.86 In de huwelijksovereenkomst kan een dergelijk tegenbewijs niet preventief geblokkeerd worden, ook niet door conventioneel bijvoorbeeld een ruimere definitie van aanwinsten aan te nemen.87

C. Vooruitmakingsbedingen als buitenbeentje

27. In principe is samenstelling kavels irrelevant - Bij de erfrechtelijke verrekening volgens de artikelen 2.3.57-2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek is het resultaat van de effectieve verdelingsverrichtingen niet van belang. In een gemeenschapsstelsel maakt het niet uit welke concrete gemeenschapsgoederen er in de ene of andere kavel worden gelegd.88 Zo zal de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen nooit het plafond van artikel 2.3.57 BW overschrijden, zelfs niet als bij de effectieve verdeling de kavel van de langstlevende echtgenoot wordt opgevuld met de totaliteit van een inbrengst vanwege de andere echtgenoot.

28. Afwijkende erfrechtelijke verrekening van een vooruitmaking - Dit is anders bij de erfrechtelijke verrekening van een vooruitmaking van gemeenschapsgoederen op grond van artikel 2.3.55, tweede lid BW. De concrete vooruitgemaakte gemeenschapsgoederen bepalen namelijk de hoogte van de plafonds.89 Verkrijgt een echtgenoot bij vooruitmaking een inbrengst vanwege de andere echtgenoot in totaliteit, dan zal dit steeds een onvolkomen huwelijksvoordeel uitmaken, ongeacht de verdere verdeling van de huwgemeenschap. Ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen ligt het plafond immers op de helft van de waarde van die vooruitgemaakte niet-aanwinst (die door vooruitmaking aan de ene echtgenoot toekomt maar door de andere echtgenoot was ingebracht). Daardoor zal die vooruitmaking steeds voor de helft het plafond overschrijden. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen zal deze vooruitmaking van een niet-aanwinst steeds in haar volledigheid het plafond overschrijden.

Merk op dat artikel 2.3.55 BW niet naar analogie van toepassing wordt verklaard door artikel 2.3.64 BW. Het is dus maar de vraag of deze berekeningswijze kan worden toegepast in de context van scheidingsstelsels (vgl. supra, randnummer 16).90

D. Waarderingstijdstip

29. Datum van toekenning bepalend(?) - Artikel 2.3.57 BW voorziet erin dat huwelijksvoordelen gewaardeerd worden op de dag van de toekenning ervan. Artikel 2.3.58 BW vermeldt hierover niets. Opnieuw is de wettekst te summier, waardoor die verschillend wordt uitgelegd. De parlementaire voorbereidingen verschaffen wel nog volgende duiding: de waardebepaling gebeurt voor een vooruitmaking op de dag waarop dat recht wordt uitgeoefend, anders gaat het om de waarde die voor de verdeling in aanmerking werd genomen.91

30. Ontbinding stelsel door overlijden - Barbaix merkt op dat hetgeen de parlementaire voorbereidingen suggereren, namelijk een waardering na overlijden, niet verenigbaar is met de regel in het huidige erfrecht die het uiterste moment van waardering vastlegt op het moment van overlijden.92 Inderdaad is de datum van het openvallen van de nalatenschap bepalend voor de samenstelling van de rekenboedel op grond van de artikelen 4.153 4.90 van het Burgerlijk Wetboek. De primauteit van het huwelijksvermogensrecht houdt daarbij in dat de samenstelling van de nalatenschap maar kan worden vastgelegd nadat het huwelijksstelsel is afgewikkeld,93 en in die zin moet effectief de uitoefening van bijvoorbeeld een optioneel vooruitmakingsbeding of een keuzebeding worden afgewacht vooraleer de rekenboedel kan worden samengesteld. Eenmaal dat keuzerecht is uitgeoefend, moet de rekenboedel evenwel steeds, zoals Barbaix stelt, worden samengesteld conform boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.94

Stel dat een langstlevende echtgenoot een onvolkomen huwelijksvoordeel verkrijgt ingevolge een optioneel vooruitmakingsbeding of een keuzebeding betreffende de huwgemeenschap, waarbij die zijn keuzerecht uitoefent drie maanden na het overlijden van de andere echtgenoot. Niettegenstaande dit tijdsverloop moeten alle goederen die destijds gemeenschappelijk waren, voor hun waarde op de overlijdensdatum in de rekenboedel worden opgenomen.95 Dit geldt zowel voor de goederen die in de nalatenschap vallen als die welke als onvolkomen huwelijksvoordeel worden opgeteld bij dat netto-actief van de nalatenschap. Wanneer de verdeling van de nalatenschap tussen de langstlevende echtgenoot en de andere rechtsopvolgers pas maanden of jaren later plaatsvindt, kan dit tijdsverloop opgevangen worden met verschuldigde interesten.96

31. Ontbinding stelsel door echtscheiding - Het is mogelijk om bij huwelijksovereenkomst te bedingen dat huwelijksvoordelen uitwerking zullen krijgen indien het stelsel door echtscheiding ontbonden wordt. Bijvoorbeeld kan er geldig bedongen worden dat de huwgemeenschap bij echtscheiding ongelijk verdeeld wordt.97 Wanneer een ex-echtgenoot dan later overlijdt, kunnen diens kinderen mijns inziens laten controleren of de andere ex-echtgenoot destijds een onvolkomen huwelijksvoordeel verkregen had. Is dat het geval, dan zal de waardering wél op datum van de verdeling worden geplaatst, met indexatie tot aan het openvallen van de nalatenschap.98 Met andere woorden wordt voor de erfrechtelijke verrekening dezelfde waarde genomen als de waarde die bij een EOT in de regelingsakte werd opgenomen, of na een EOO in de verdelingsakte in aanmerking werd genomen. Op die waarde moet dan de indexatie van artikel 4.90 BW worden toegepast, voor de periode tussen het verkrijgen van het onvolkomen huwelijksvoordeel en het openvallen van de nalatenschap.99

32. Huwelijksvoordeel ontvangen tijdens het huwelijk - Een huwelijksvoordeel kan ook ontvangen worden vóór het huwelijk ontbonden is, bijvoorbeeld op grond van een periodiek verrekenbeding. Als er jaarlijks verrekend wordt, zal het verkrijgen van de verrekenvergoeding elk jaar opnieuw een huwelijksvoordeel opleveren. Het verkregen huwelijksvoordeel kan evenwel slechts onvolkomen zijn als er afgeweken is van de standaardsituatie, doordat niet enkel aanwinsten verrekend worden en/of doordat er volgens een ongelijke sleutel verrekend wordt. Omwille van de gelijkstelling met schenkingen van een onvolkomen huwelijksvoordeel, moeten deze waarden mijns inziens bij de samenstelling van de rekenboedel geïndexeerd worden, net zoals dat geldt voor de erfrechtelijke verrekening van schenkingen conform de artikelen 4.153 4.90 van het Burgerlijk Wetboek.100

IV. Samenvatting

33. Definitie huwelijksvoordelen - In mijn proefschrift werd een theorie ontwikkeld om huwelijksvoordelen te kunnen onderscheiden van andere vermogensverkrijgingen tussen echtgenoten, zoals contractuele erfstellingen en bedingen van aanwas. Die theorie stelt dat huwelijksvoordelen vermogensverrijkingen van een eigen vermogen zijn, die voortvloeien uit een structurele keuze voor solidariteit, gemaakt door de echtgenoten samen. Deze definitie wordt in deze bijdrage kort behandeld.101

34. Erfrechtelijke verrekening - De focus van deze bijdrage ligt op de berekeningen die bepalen of, en in welke mate, een huwelijksvoordeel onvolkomen is. Enkel dan kunnen kinderen van de erflater immers een huwelijksvoordeel aanvechten op grond van de erfrechtelijke reserve. De wet is over deze berekeningen te summier, waardoor er in de rechtsleer uiteenlopende berekeningsmethoden zijn voorgesteld. Na het geven van een overzicht van de stand van zaken wordt de door mij ontwikkelde methode uiteengezet.

Er wordt behandeld hoe de omvang van een huwelijksvoordeel begroot kan worden op basis van de vermogensverrijking van een eigen vermogen, zonder dat er daarvoor een fictieve vereffening-verdeling van een referentiehuwelijksstelsel nodig is. De wettelijke «plafonds», die bepalen of een huwelijksvoordeel met een schenking gelijkgesteld kan worden, worden op een stelselneutrale manier verwoord, aan de hand van de concepten aanwinst en niet-aanwinst. Deze stelselneutrale formulering is consistent, omdat ze in stelsels van scheiding van goederen op identieke wijze wordt toegepast als in gemeenschapsstelsels. Terzelfdertijd houdt de voorgestelde manier van werken rekening met het feit dat echtgenoten die voor een scheidingsstelsel opteerden, ervoor kozen om niet álle aanwinsten met elkaar te delen.

1  Art. 2.3.55, 2.3.57, 2.3.58 en 2.3.64, § 1, vierde lid BW.

2  Omwille van de leesbaarheid wordt in deze bijdrage de term de kinderen gebruikt in plaats van de reservataire erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. Ingevolge plaatsvervulling zou het immers ook kunnen dat bijvoorbeeld een kleinkind een reservataire erfaanspraak heeft in de nalatenschap van zijn grootouder (art. 4.13 BW).

3  Art. 4.145 4.150-4.157 BW.

4  Vyncke «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.

5  Wanneer een huwelijksvoordeel de wettelijke plafonds overschrijdt, wordt dit een onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd, omdat het erfrechtelijk verrekend kan worden, wat tot een inkorting kan leiden (in het Frans: avantage matrimonial imparfait of avantage matrimonial-libéralité). Een huwelijksvoordeel dat onder deze plafonds blijft, is een volkomen huwelijksvoordeel, aangezien het nooit kan worden aangevochten op grond van de reserve (avantage matrimonial parfait).

6  Deze bijdrage focust op de vraag hoe er berekend moet worden of er een onvolkomen huwelijksvoordeel voorligt of niet, en voor welk bedrag het de plafonds overschrijdt. De samenstelling van de rekenboedel, de aanrekening op het beschikbaar deel en de uitoefening van een eventuele inkortingsvordering worden daarbij niet uitgediept.

7  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 422-499. Zie ook: E. Vyncke «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.

8  Vgl. Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 24; Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, 2179 overw. B.4.3.

9  Vgl. de volgende sociaalwetenschappelijke definitie van solidariteit: «[...] solidarity was defined as the willingness to share and redistribute material and immaterial resources drawing on feelings of shared fate and group loyalty»: Oosterlynck S., Loopmans M., Schuermans N. e.a., «Putting flesh to the bone: looking for solidarity in diversity, here and now», Ethnic and Racial Studies 2016/5, (764) 765; Stjernø S., Solidarity in Europe: the history of an idea, Cambridge University Press, 2004, 25.

10  Merk op dat de sleutel een breukdeel kan zijn, zoals 100/0 of 60/40, maar dat dit niet noodzakelijk het geval is. Bij een vooruitmaking bestaat de sleutel uit de voorafname van bepaalde goederen, waarna er in principe 50/50 verdeeld wordt. Bij een keuzebeding wordt een resem aan sleutels vastgelegd in de huwelijksovereenkomst, waarna de langstlevende uit die verankerde opties er één mag kiezen.

11  Lees: reeds verworven en/of nog te verwerven vermogensbestanddelen: Barbaix R., Familiaal vermogensrecht in essentie, Intersentia, 2022, 390, nr. 901.

12  Art. 2.3.55, 2.3.57 en ook 2.3.58 BW, zie daarover Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.

13  Zie hierover Vyncke E., «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1251 en 1253 randnummers 30 en 34.

14  In de hypothese dat exclusief eigen vermogen (toch) bij huwelijksvoordeel kan worden verkregen, worden de banktegoeden van B bij deze regeling betrokken om van een gezamenlijke keuze voor solidariteit te kunnen spreken. De afgesproken sleutel (100/0) wordt immers toegepast op een voorwerp dat vermogensbestanddelen van beide echtgenoten in aanmerking neemt. Evenwel maakt de toebedeling van de banktegoeden geen huwelijksvoordeel uit voor B, omdat dit geen vermogensverrijking inhoudt van het eigen vermogen van B, Weliswaar hebben deze banktegoeden wel een «opduweffect» bij de berekeningen of de verkrijging van het huis in Anderlecht een volkomen of onvolkomen huwelijksvoordeel uitmaakt. Zie daarover infra, randnummer 25.

15  E. Vyncke «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.

16  Voor een deel van de rechtsleer ligt in dit laatste het verschil tussen een gemeenschapsstelsel en een scheidingsstelsel. Zie voetnoot 67 voor verwijzingen inzake deze discussie over de «demarcatielijn» tussen gemeenschapsstelsels en stelsels van scheiding van goederen.

17  Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 76.

18  Art. 2.3.64, § 1, vierde lid BW: «De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 zijn van overeenkomstige toepassing.».

19  Huwelijksvoordelen worden principieel in waarde ingekort, aangezien ze niet onder de uitzonderingen van art. 4.150, tweede en vierde lid BW vallen. Zie over deze uitzonderingsgevallen, waarin er in natura wordt ingekort: Vyncke E., «De inkorting in natura in het vigerend erfrecht, met enkele normatieve aanbevelingen» in Declerck C. en Mosselmans S. (eds.), Patrimonium 2024, die Keure, 2024, 327-354; Vyncke E., «Inkorting in natura: wie zijn de «erfgenamen» zoals bedoeld in artikel 4.150, vierde lid BW?» in Declerck C. en Mosselmans S. (eds.), Patrimonium 2025, die Keure, 2025, 413-431.

20  Ter informatie: dezelfde denkwijze bestaat in Frankrijk inzake de berekening van avantages matrimoniaux. Over de precieze toepassing van deze zogenaamde «double liquidation» bestaat er evenwel discussie, bijvoorbeeld of het wettelijk stelsel, het verrekenstelsel of zelfs de situatie tussen niet-gehuwden als referentiestandaard moet dienen. Zie bv. Guiguet-Schiele Q., «Fiche pratique n° 4414: Les avantages matrimoniaux» in Fiches pratiques LexisNexis, LexisNexis, 2025, nr. 1.4. Voor een toepassing in een cijfervoorbeeld, zie bv. Levillain N. en Forgeard M.-C., Cas pratiques de droit de la famille, LexisNexis, 2019, 382-384.

21  Bv. Van Gysel A.-C., Lalière F., Sauvage J. e.a., Les libéralités, Anthemis, 2024, 353, onder sectie 2. Ook Barbaix in: Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 152.

22  Bv. De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 107-109, i.h.b. nr. 296; De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 1000-1003, nr. 532.C.

23  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie, XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 6, nr. 13 en 24, nrs. 69-70.

24  Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 26, nrs. 47-48; Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 21, nr. 62.

25  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 39, nr. 118.

26  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 28, nr. 82 en 24, nr. 70.

27  Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 30, voetnoot 82. In aparte publicaties worden de zelf opgespaarde aanwinsten van de verrekengerechtigde echtgenoten soms als deel van het volkomen huwelijksvoordeel aangemerkt, en soms als géén deel uitmakend van een huwelijksvoordeel: Casman H., «Les nouveautés apportées au régime de séparation de biens» in Aughuet C. (ed.), Le notaire face aux réformes des régimes matrimoniaux et des successions, Larcier, 2018, (59) 81-82, tweede voorbeeld (300 volkomen huwelijksvoordeel, incl. de eigen aanwinsten); Verbeke A., «Civiel- en fiscaalrechtelijke bedenkingen bij het finaal verrekeningsbeding en het alsof-beding in het huwelijkscontract van scheiding van goederen» in Pintens W., Senaeve P., Sluyts C. e.a. (eds.), Liber amicorum Roger Dillemans, Kluwer, 1997, (429) 451, nr. 33 (slechts hetgeen de man via de participatievordering verkrijgt, maakt een huwelijksvoordeel uit).

28  Terzijde wordt opgemerkt dat diezelfde bewijsproblematiek natuurlijk eveneens voorkomt bij echtparen die effectief onder het wettelijk stelsel gehuwd waren.

29  Vgl. voetnoot 57 aangaande het uitgewerkte cijfervoorbeeld.

30  In het wettelijk stelsel zouden deze interesten in de huwgemeenschap vallen en dus aan beide echtgenoten toekomen (art. 2.3.22, § 1, 2° BW). In die context heeft een uitsluitingsclausule tot een voordeel geleid, doordat de interesten niet verdeeld worden en dus enkel het eigen vermogen van de echtgenoot-eigenaar spijzen.

31  In een zuivere scheiding van goederen behoren alle inkomsten sowieso tot het eigen vermogen (art. 2.3.61, tweede lid BW), dus is er geen sprake van een voordeel dat voortvloeit uit afwijkende vermogensafspraken.

32  Casman en Verbeke lijken dit verschil wél logisch te vinden, als gevolg van de bewuste keuze van de echtgenoten voor een stelsel met solidariteitsbalans (gemeenschapsstelsel, mogelijk ook een scheidingsstelsel met verrekenbeding - zie randnummer 11) versus een keuze voor een stelsel waar de autonomie het hoogste goed is (scheidingsstelsel): Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 24-25, nr. 71.

33  Deze opvatting over de wettelijke plafonds hangt samen met de strengste interpretatie over wat huwelijksvoordelen wel en niet zijn, zie daarover Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1246-1247, randnummers 12-14.

34  Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 119, nr. 42; Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 110-113, nrs. 29 en 32.

35  Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 113, nr. 32.

36  Vgl. De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 109, nr. 295.

37  Dit zou enkel nog betwist worden door Renchon en Tainmont volgens Casman H. en Verbeke A., «Séparation de biens - transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial - formule mise à jour», RNB 2024/9, (801) 809, voetnoot 18.

38  Volgens De Page en De Stefani zouden echtgenoten dit aanwinstenbegrip nog conventioneel kunnen uitbreiden, volgens Casman en Verbeke kan dit niet. Zie infra, voetnoot 49.

39  Casman H., «Op zoek naar de draad van Ariadne in de doolhof van huwelijksvoordelen - of zouden het aanwinstenvoordelen moeten zijn?» in Barbaix R., Puelinckx-Coene M. en Swennen F. (eds.), Over erven: liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Kluwer, 2006, (83) 86, nr. 7.

40  Gevolg door bv. Leleu in Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 159-166; Van De Vaerd M., «Hoe wordt het huwelijksvoordeel in het stelsel van scheiding van goederen berekend?», Notariaat 2024/3-4, (11) 17-18.

41  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 27, nrs. 75-76.

42  Casman H., «Les nouveautés apportées au régime de séparation de biens» in Aughuet C. (ed.), Le notaire face aux réformes des régimes matrimoniaux et des successions, Larcier, 2018, (59) 80-83.

43  Deze methode werd initieel door De Page en De Stefani uitgewerkt. Ze wordt met enkele andere accenten gevolgd door Van Molle: De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 779, nr. 532.B.2; Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 324-326, nr. 37. Sauvage volgt dan weer de opvatting dat enkel het voorwerp van het huwelijksvoordeel de plafonds bepaalt in scheidingsstelsels, maar hij volgt niet dat aanwinsten een kenmerkend concept zijn voor het leerstuk van de huwelijksvoordelen: Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 206-208, nrs. 21-23 en 202, nr. 16.

44  Zie voor een overzicht: Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.

45  Volgens De Page en De Stefani kan het aanwinstenbegrip conventioneel worden uitgebreid, zie voetnoot 49.

46  De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 779-780, nrs. 532.B-532.C; De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 107-108, nr. 293.

47  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 325, nr. 37. Vgl. Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 207, nr. 21.

48  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 472-473, nr. 817.

49  Het is volgens hen dus niet mogelijk om «aanwinsten» in de huwelijksovereenkomst ruimer te definiëren: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 7, nr. 12. Volgens bijvoorbeeld De Page en De Stefani kan het aanwinstenbegrip wel conventioneel worden uitgebreid, via een «ad hoc-beding» in een huwelijksovereenkomst, tot maximaal «alle goederen die tijdens het stelsel onder bezwarende titel verkregen werden»: De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 775-776, nr. 531.B en 784-785, nr. 532.E; De Page P., «Le transfert d’un bien commun, propre ou indivis au profit d’un patrimoine propre - instruments conventionnels et clauses», RNB 2024/9, (822) 828, nr. 8.1. Deze stelling lijkt echter niet te worden hernomen in De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 995, nr. 531.B en 1003-1004, nr. 532-1.A.

50  De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 781, nr. 532.D; De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 1002, nr. 532.C; Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 206, nr. 20; Van De Vaerd M., «Hoe wordt het huwelijksvoordeel in het stelsel van scheiding van goederen berekend?», Notariaat 2024/3-4, (11) 19-20.

51  Volgens Sauvage is dit werkwijze nochtans het beste van twee kwaden: Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 207, nr. 23.

52  De titularis van de rekening (bv. enkel B of zowel A als B) is in een gemeenschapsstelsel niet doorslaggevend om het eigendomsstatuut van de banktegoeden te bepalen, zie bv. Aerts M., «De storting van eigen gelden op een bankrekening en de vergoedingen in het wettelijk stelsel» in Verbeke A.-L., Declerck C. en Du Mongh J. (eds.), Themis nr. 121 - Familiaal vermogensrecht, Themis cahiers, Intersentia, 2022, (1) 3, nr. 5 en de verwijzingen aldaar.

53  Vgl. Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 16-17, nr. 26.

54  Volgens de definitie van Casman betreffen de aanwinsten immers de gezinswoning, de spaartegoeden en de huuropbrengsten: 200.000 euro + 50.000 euro + 350.000 euro + 20.000 euro = 620.000 euro. Hierdoor ligt het plafond van artikel 2.3.58 BW op 310.000 euro.

55  Het is eerder onwaarschijnlijk dat er in de realiteit zou worden gekozen voor dit precieze stelsel. Het is desalniettemin als voorbeeld gekozen, omdat het toelaat om de uiteenlopende standpunten toe te lichten aan de hand van vergelijkbare cijfers. Hiermee wordt aangetoond dat de verschillende standpunten tot andere resultaten leiden.

56  Doordat de beroepsinkomsten niet in de huwgemeenschap vallen, gaat het om een scheidingsstelsel. Zie voetnoot 67 voor verwijzingen inzake de discussie over de «demarcatielijn» tussen gemeenschaps- en scheidingsstelsels. Zie over aanwijzingen over hoe deze beperkte huwgemeenschap het best wordt uitgewerkt, bijvoorbeeld met toevoeging van bepalingen over zakelijke subrogatie: Verbeke A.L. en Verdickt B., Handboek Estate Planning I: Relatievermogensrecht, Intersentia, 2024, 210-212.

57  Wanneer de zuivere scheiding van goederen als ijkpunt wordt genomen (supra, randnummer 11), leidt dit waarschijnlijk tot de conclusie dat er in casu geen sprake is van een huwelijksvoordeel voor B. Hoewel B méér dan de helft van de aanwinsten verkregen heeft, heeft B niet méér verkregen dan in een zuivere scheiding van goederen het geval zou zijn geweest. In een zuivere scheiding van goederen zou het eigen vermogen van B mogelijk 620.000 euro bevat hebben, namelijk 350.000 euro huuropbrengsten + 150.000 euro vakantiehuis + 20.000 euro spaartegoeden + mogelijk nog een aandeel (van 100.000 euro?) in de gezinswoning (hoe wordt dit aandeel fictief bepaald, moet er steeds uitgegaan worden van gelijke aandelen?). In vergelijking levert het gecorrigeerde scheidingstelsel (360.000 euro + 150.000 euro + 20.000 euro = 530.000 euro) voor B dus waarschijnlijk minder op dan in een zuivere scheiding van goederen het geval zou zijn geweest.

58  In het voorbeeld uit het vorige randnummer moet in het conventioneel gemeenschapsstelsel bijvoorbeeld ook het eigen vermogen van B worden gekwalificeerd als aanwinst (huuropbrengsten) en niet-aanwinst (vakantiehuis), terwijl dit eigen vermogen niet herverdeeld wordt.

59  Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 79, nr. 18.

60  Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 80, nr. 19.

61  Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 51, nr. 111. Ze raden daarom aan om echtgenoten te adviseren om de aanwinsten en niet-aanwinsten gescheiden te houden, of minstens traceerbaar te houden: Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 79, nr. 17.

62  Art. 2.3.22, § 3 BW. Zie hierover infra, randnummer 26 en Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 466-469, nrs. 808-811.

63  Deze voorbeelden worden meer in detail uitgewerkt in Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 448-450, nr. 783.

64  Bijvoorbeeld geërfde of geschonken goederen blijven volgens de hier voorgestelde theorie steeds in het eigen vermogen van de echtgenoten geworteld, zelfs indien deze niet-aanwinsten reeds als toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen werden ingebracht. Deze blijvende link kan bv. ook gevonden worden in het recht van terugneming dat de echtgenoot-inbrenger kan uitoefenen: art. 2.3.53, § 4 BW; Boone K. en Snyers B., «Art. 1452 BW» in X (ed.), Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, 2019, (235) 262, nr. 68.

65  Sagaert V., Goederenrecht, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 114, nr. 108 en 119, nr. 114.

66  Vgl. Verslag namens de Subcommissie voor de Justitie uitgebracht door de heren Baert, Calewaert, Hambye en Van Laeys, SENAAT, 1975-1976, 25 november 1975, nr. 683/2, 60; Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de dames Goedele Uyttersprot en Laurette Onkelinx, KAMER, 2017-2018, 29 juni 2018, nr. 54-2848/007, 38.

67  Er bestaat een discussie over de vraag waar de demarcatielijn ligt tussen gemeenschapsstelsels en scheidingsstelsels, met name hoever een echtpaar kan gaan om de huwgemeenschap «uit te dunnen» vooraleer zij niet meer onder een gemeenschapsstelsel gehuwd zijn, maar onder een scheidingsstelsel. Zie daarover o.m. Barbaix R., Handboek Familiaal Vermogensrecht, Intersentia, 2018, 282, nr. 490; Casman H. en Verbeke A.L., «Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen», TEP 2020/1 (vol. 2020), (14) 46, nr. 80; Pintens W., Declerck C., Du Mongh J. e.a., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2010, 333, nr. 606 en 385, 709; De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 808-810, nr. 543; De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 1029-1031, nr. 534; Nudelholc S., «Les acquêts ou le retour du refoulé» in Van Molle M. (ed.), La famille et son patrimoine en questions, Centre de droit privé - Unité de droit familial, Anthemis, 2015, (9) 33-34.

68  Vgl. Casman H., «Op zoek naar de draad van Ariadne in de doolhof van huwelijksvoordelen - of zouden het aanwinstenvoordelen moeten zijn?» in Barbaix R., Puelinckx-Coene M. en Swennen F. (eds.), Over erven: liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Kluwer, 2006, (83) 86, nr. 7; Verbeke A., «Algemeen kader huwelijksvoordelen» in Barbaix R., Geelhand De Merxem N. en Verbeke A. (eds.), Huwelijksvoordelen. Handboek Estate Planning, Larcier, 2010, (3) 19-20, nr. 40.

69  In dezelfde zin: HvB Antwerpen 24 april 2012, Notarieel en Fiscaal Maandblad 2012/6, (216) overweging 5.6-5.7. Zie ook: Barbaix R., Handboek Familiaal Vermogensrecht, Intersentia, 2018, 304-305, nr. 526; Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 6, nr. 9; Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 240, voetnoot 34.

70  Leleu Y.-H., «La réforme des régimes matrimoniaux par la loi du 22 juillet 2018: présentation, évaluation» in Leleu Y.-H. (ed.), La réforme du droit des régimes matrimoniaux: Loi du 22 juillet 2018, Larcier, 2018, (7) 52, nr. 90. Zie hierover ook: Casman H., «Op zoek naar de draad van Ariadne in de doolhof van huwelijksvoordelen - of zouden het aanwinstenvoordelen moeten zijn?» in Barbaix R., Puelinckx-Coene M. en Swennen F. (eds.), Over erven: liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Kluwer, 2006, (83) 97-98, nr. 39.

71  Zie hierover ook Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 487-488, nr. 843 (de lege lata) en 494, nr. 856 (de lege ferenda).

72  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 303, nr. 7.

73  Dit blijkt uitdrukkelijk uit art. 2.3.55, § 1, tweede lid en 2.3.57, eerste lid BW. Betreffende art. 2.3.58 BW wordt aangenomen dat hetzelfde geldt: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 8, voetnoot 10; Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 572, nr. 552; Tainmont F., «La théorie des avantages matrimoniaux à la veille de la réforme du droit successoral: extension ou abrogation?», RNB 2016/6, (434) 443, voetnoot 16.

74  Vgl. Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1252, randnummer 31.

75  Zie voor een ander uitgewerkt cijfervoorbeeld: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 453-455, nr. 788.

76  De gezinswoning + de overgespaarde beroepsinkomsten = 200.000 euro + 50.000 euro + 350.000 euro = 600.000 euro.

77  Vgl. Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-1976, 25 november 1975, nr. 683/2, 8: «Peu importe que par l’effet du partage ces biens [i.e. de inbrengsten] soient ou non attribués à l’époux survivant. [...] le montant de la donation est égal à la quotité dépassant la moitié attribuée au conjoint survivant dans le partage du patrimoine commun» en Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 568, nr. 548 in fine. Zie hierover ook: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 474, nr. 820.

78  D had namelijk een onverdeelde helft van de gezinswoning ingebracht (100.000 euro x 60% = 60.000 euro) en overgespaarde beroepsinkomsten (350.000 euro x 60% = 210.000 euro).

79  C had namelijk een onverdeelde helft van de gezinswoning ingebracht (100.000 euro x 60% = 60.000 euro) en overgespaarde beroepsinkomsten (50.000 euro x 60% = 30.000 euro).

80  Puelinckx-Coene berekent in een vergelijkbare casus het huwelijksvoordeel op een andere wijze, omdat zij rekening houdt met het aandeel in de zelf ingebrachte goederen dat de langstlevende «verliest»: Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 570, nr. 550.

81  Contra: De Page en De Stefani menen dat er geen dergelijk vermoeden aanwezig is in scheidingsstelsels: De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 781, nr. 532.D.

82  Hoewel de afbakening van de aanwinsten in de verrekenmassa (art. 2.3.65 BW) niet volledig identiek is aan de aanwinsten die tot de huwgemeenschap in het wettelijk stelsel behoren (vgl. Casmans definitie), was het wel de bedoeling van de wetgever dat die verrekenmassa zoveel als mogelijk de huwgemeenschap in het wettelijk stelsel zou benaderen: Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 26 en 79.

83  De middelen die voor solidariteit werden aangemerkt, betreffen immers de gemeenschapsgoederen of (de waarde van) de goederen die tot de verrekenmassa behoren.

84  Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2016-2017, 25 januari 2017, nr. 54-2282/001, 74.

85  In dezelfde zin: Casman H., «La séparation de biens pure et simple, les indivisions entre époux séparés de biens et les avantages matrimoniaux dans les régimes sans communauté» in Casman H., Cassiers A., Declerck C. e.a. (eds.), La nouvelle séparation de biens: entre évolution et révolution, Patrimoines & Fiscalités, Anthemis, 2019, (7) 37.

86  Zie hierover meer in detail: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 465-476.

87  Contra: De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 775-776, nr. 531.B en 784-785, nr. 532.E; Delahaye B. en Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux» in Van Molle M. (ed.), La rédaction des conventions matrimoniales et de cohabitation légale, Limal Anthemis, 2025, (129) 154-155, nrs. 36-37.

88  Zie de verwijzingen in voetnoot 77.

89  Vgl. Pintens W., Declerck C., Du Mongh J. e.a., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2010, 343, nr. 624; Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 567, nr. 548.

90  In mijn proefschrift wordt de normatieve aanbeveling gemaakt om deze afwijkende regel af te schaffen voor alle huwelijksstelsels: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 585, nr. 1053.

91  Wetsvoorstel houdende boek 2, titel 3, «Relatievermogensrecht» en boek 4 «Nalatenschappen, schenkingen en testamenten» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2019-2020, 20 mei 2020, nr. 55-1272/001, 52.

92  Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 152.

93  Bevestigd door Cass. 7 december 2020, AR nr. C.19.0488.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.11.

94  In de rechtsleer wordt geschreven dat een huwelijksvoordeel rang neemt op datum van de creatie ervan, dus op datum van de wijzigende huwelijksovereenkomst, of de datum van huwelijkssluiting in geval van een voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst: art. 4.154 BW; De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 661-662, nr. 459; De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 837, nr. 459; Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 612, nr. 579; Tainmont F., «Les avantages matrimoniaux. Eléments d’attention à l’égard des praticiens», R.P.P. 2023/4, (331) 337, nr. 16. In lijn met de door mij voorgestelde theorie van huwelijksvoordelen gaat het met andere woorden om de datum waarop de solidariteitskeuze structureel verankerd werd in de huwelijksovereenkomst (of de datum van huwelijkssluiting). De Page lijkt hiervan af te wijken voor wat betreft huwelijksvoordelen die bij echtscheiding verkregen worden. Hij lijkt te suggereren dat dan zowel de rang als de waardering bepaald worden door/op de datum van de verdeling: De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 1005, nr. 532-1.C. Wat betreft de datum van aanrekening op het beschikbaar deel (art. 4.154 BW) klopt dat mijns inziens niet.

95  Andere auteurs stellen daarentegen dat er een onderscheid moet worden gemaakt: tussen gemeenschappelijke en niet-gemeenschappelijke kinderen, tussen aanwinsten en niet-aanwinsten, dan wel tussen huwelijksvoordelen verkregen via een vooruitmakingsbeding of via een verdelingsbeding: Delahaye B. en Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux» in Van Molle M. (ed.), La rédaction des conventions matrimoniales et de cohabitation légale, Limal Anthemis, 2025, (129) 136, voetnoot 28; De Page P., «Le transfert d’un bien commun, propre ou indivis au profit d’un patrimoine propre - instruments conventionnels et clauses», RNB 2024/9, (822) 823-824, nrs. 3.3-4; Tainmont F., «Les avantages matrimoniaux. Eléments d’attention à l’égard des praticiens», R.P.P. 2023/4, (331) 336, nr. 15.

96  Barbaix in: Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 152. Zie hierover ook: Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2016-2017, 25 januari 2017, nr. 54-2282/001, 117; Verstraete J., «Schuldeisers en schuldenaars bij de verdeling van een nalatenschap», NFM 2025/5, (118) 143, nr. 93.

97  Art. 299 oud BW laat een overeenkomst in die zin toe. Vgl. HvB Gent 2 november 2023, Tijdschrift Estate Planning 2024/2, 763. Een dergelijke vermogensafspraak die voor het eerst in de regelingsakte (EOT) of na de EOO wordt gemaakt, maakt echter géén huwelijksvoordeel uit, omdat ze niet voorafgaand aan de vermogensverrijking werd vastgelegd in een huwelijksovereenkomst: supra, randnummer 5 en Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1251 en 1254, randnummers 27 en 36.

98  Art. 4.90 BW. Vgl. De Page P., «Les avantages matrimoniaux dans le Livre 2.3 du Code civil - explications, applications et conséquences pratiques», RNB 2023/1, (70) 109, nr. 25.C; De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 1005, nr. 532-1.C; Tainmont F., «Les avantages matrimoniaux. Eléments d’attention à l’égard des praticiens», R.P.P. 2023/4, (331) 345, nr. 35. Volgens Tainmont is art. 4.90, § 3, vierde lid BW van toepassing. Zie over de datum van aanrekening conform art. 4.154 BW: supra, voetnoot 94.

99  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 459, nr. 792 en 485-486, nr. 841.

100  Vgl. Tainmont F., «Les avantages matrimoniaux. Eléments d’attention à l’égard des praticiens», R.P.P. 2023/4, (331) 340, nr. 21. Zie hierover: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 459, nr. 792 en 484-485, nr. 839.

101  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 423-499. Zie hierover ook «Hoe huwelijksvoordelen herkennen» RW 2025-2026, 1243-1255.