«Blijvende Persoonlijke Ongeschiktheid»: 1 jaar na de Indicatieve Tabel 2024 - quo vadis? Begrip en onbegrip ...
Patrick MEESEN
Coördinator Major Claims AXA
De laatste Indicatieve Tabel is in werking getreden op 4 december 2024 en had enkele opmerkelijke wijzigingen in petto. Deze bijdrage analyseert de impact van de verhoging x 3 voor de forfaitaire vergoeding van de blijvende persoonlijke ongeschiktheid (hierna BPO) vanuit het perspectief van de aansprakelijkheidsverzekeraar.
Inleiding
1. Slachtoffers van lichamelijke schade vinden we doorgaans terug in het verkeer, waarvoor een verplichte BA-verzekering bestaat voor motorrijtuigen. Hoewel het aantal schadegevallen met lichamelijke letsels in de loop der jaren gelukkig is gedaald, raken jaarlijks nog steeds ongeveer 45.000 personen gewond in het verkeer, waarbij het merendeel lichtgewond is.1
2. De vergoeding van deze lichtgewonden gebeurt in het overgrote deel van de gevallen in der minne tussen verzekeraars BA en rechtsbijstand. Hun schaderegelingsproces is dan ook gebaseerd op het respecteren van elementaire rechtsregels en bestaande rechtspraak. De betaalde verzekeringspremies financieren het geheel.
3. Het bepalen van het bedrag van de lichamelijke schade is evenwel een complex en veelbesproken onderwerp binnen de Belgische schaderegeling.2
Een van de belangrijkste instrumenten hierbij is de Indicatieve Tabel, die al ruim dertig jaar een onmisbare leidraad vormt voor het vaststellen van schadevergoedingen bij lichamelijk letsels.
4. Deze Indicatieve Tabel, opgesteld door het Nationaal verbond van magistraten en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters, dient als een advies (niet-bindend) voor de (forfaitaire) berekening van schadevergoedingen bij lichamelijke schade. Deze tabel wordt om de vier jaar geactualiseerd om rekening te houden met socio-economische, juridische en maatschappelijke evoluties die relevant zijn voor de vergoeding van schade.
5. Met de publicatie van de Indicatieve Tabel voor 2024 is een opvallende en ingrijpende wijziging doorgevoerd: de forfaitaire bedragen voor blijvende ongeschiktheden zijn verdrievoudigd ten opzichte van de vorige versie uit 2020.3
6. In deze bijdrage wordt ingegaan op deze ingrijpende wijziging op het vlak van de schaderegeling voor de «beperkte» BPO, gezien de hoeveelheid aan schadegevallen in dit segment.
7. De besproken onderwerpen in deze bijdrage zijn achtereenvolgens: (A) Historiek van de Indicatieve Tabel; (B) Voorzienbaarheid van de verhoging x 3 van de forfaits; (C) Nieuwe inzichten; (D) De complexiteit van de vergoeding van de (beperkte) BPO; (E) De toepassing in de tijd; (F) Het gelijkheidsbeginsel; (G) De motiveringsplicht van de arts-deskundige; (H) Slotbeschouwingen.
A. Historiek van de Indicatieve Tabel
8. De nationale Indicatieve Tabel dateert uit de jaren 1990. Het doel was toen en is nog steeds het bevorderen van eenheid en consistentie in de schaderegeling.
9. In zijn woord vooraf in het gekende werk van Dries Simoens over de Buitencontractuele Aansprakelijkheid, uitgegeven in 1999, geeft deze auteur een duidelijke omschrijving van waar het hier allemaal om gaat: «Deze tabel kwam een eerste keer tot stand in 1995 en werd in 1997 herzien. Het is de bedoeling haar om de twee jaar te bestuderen en waar nodig aan te passen, dit in workshops waaraan zowel magistraten als advocaten en verantwoordelijken van diverse verzekeringsmaatschappijen hun medewerking verlenen. De bedoeling van dit initiatief is op de punten waar de schadevergoeding doorgaans forfaitair wordt bepaald, een grotere eenvormigheid te bewerkstelligen in de rechtspraak van de hoven en rechtbanken. Zijn we in dit boek eerder afkerig van overdreven forfaitarisme - de schade dient zoveel mogelijk in concreto te worden geraamd en de schadeloosstelling moet daarvan een afspiegeling zijn -, dan ontkennen we niet dat soms niet anders dan forfaitair te werk kan worden gegaan. En dan strookt het met het billijkheidsgevoel dat de rechtsonderhorigen gelijk worden behandeld ongeacht het rechtsgebied waarin hun aanspraak wordt geformuleerd - voor zover althans (en dit is de vraag) hun schade gelijk is. Indien ze van beide zijden fair wordt aangewend, moet de Indicatieve Tabel ook het sluiten van dadingen tussen verkeersslachtoffers en verzekeringsmaatschappijen vergemakkelijken.» Verder schrijft deze auteur eveneens: «alleen als de werkelijke omvang van de schade niet kan worden bewezen en/of becijferd, in de gevallen waarin meestal een forfaitaire begroting (ex aequo et bono, in billijkheid) wordt aangenomen, is deze tabel een indicatie, een aanwijzing, een hulpmiddel.»4
10. Deze gedeelde heldere filosofie van regelmatig overleg tussen alle belanghebbenden om te komen tot een kader van minnelijke en forfaitaire vergoedingen, vinden wij in de daaropvolgende jaren terug.
11. In het voorwoord van de Indicatieve Tabel van 2004 worden de contouren voor het gebruik van de Indicatieve Tabel nogmaals duidelijk beschreven en lezen we:
«Alleen wanneer het bestaan van schade rechterlijk zeker is, maar de omvang ervan niet in concreto met rechterlijke zekerheid kan bepaald worden, is een - voorzichtig - gebruik van de Indicatieve Tabel gepast. De Indicatieve Tabel is geen bindend voorschrift. De tabel laat de soevereine beoordeling van de feitenrechter, geval per geval onverkort. Hij heeft slechts tot doel voor de partijen en de rechters een hulpmiddel te zijn, waaraan zij hun zienswijzen, respectievelijk beoordelingen kunnen toetsen. De aangeduide bedragen kunnen derhalve niet als minimum of maximum bedragen worden beschouwd. De tabel nodigt ieder die met schade en schadeloosstelling te maken heeft uit zich blijvend te verdiepen in het onzekere karakter van de schade met drie dimensies: waarde, tijdsverloop en reflexie op andere mensen, dimensies die een permanent spanningsveld creëren waarin de rechter zijn vonnis dient te vellen. Wij wensen dan ook de rechters en de verzekeringsmaatschappijen in hun minnelijke onderhandelingen bij schaderegelingen een blijvende kritische ingesteldheid toe.»5
De band met de verzekeraars en de inschattingen die moeten worden gemaakt, zijn in deze editie nogmaals zeer duidelijk.
12. In latere jaren komt er een zekere ongerustheid naar boven en wordt er door enkele auteurs en praktijkbeoefenaars gewezen op de noodzaak tot nuance en voorzichtigheid bij het gebruik van de tabel. In een commentaar op de Indicatieve Tabel van 2012 door politierechter te Brussel M. Van Wilderode stelt zij: «Het is nooit de bedoeling geweest dat de Indicatieve Tabel blindelings zou worden toegepast. Zij is geen catalogus van schade die zich in alle gevallen voordoet, noch een «checklist» dienend om na te gaan of men wel «alles vraagt wat enigszins denkbaar is».»6 Deze rechter pleit terecht voor nuance bij het gebruik van de Indicatieve Tabel en voor een zekere terughoudendheid ten aanzien van de omvang van de schadevergoeding.
13. Jammer genoeg hebben we moeten vaststellen dat het overleg tussen alle stakeholders in de loop der jaren verwaterde en de geest wat uit de fles was. Meer recent, in het voorwoord van Walter Peeters (initiatiefnemer van de eerste Indicatieve Tabel) in zijn Handboek van de Indicatieve Tabel, uitgegeven in 2022, merken wij inderdaad een zekere ongerustheid omtrent de evolutie van de Indicatieve Tabel en merkt deze auteur op: «de Tabel kan nationaal genoemd worden, de toepassing ervan daarentegen ...»7 Deze scepsis vinden wij inderdaad terug in de toch wel verdeeld evoluerende rechtspraak tussen noord en zuid in de voorbije jaren in België. Ook door andere auteurs is reeds vastgesteld dat de laatste jaren in Wallonië doorgaans hogere dagbedragen werden toegekend dan deze die gangbaar waren in de Indicatieve Tabel.8
14. Voor de laatste editie(s) hebben we moeten vaststellen dat het nauw overleg met de verzekeringssector slechts zeer beperkt is geweest. Sommige auteurs is dit ook opgevallen: «Een aandachtspunt blijft de samenstelling van de werkgroep die de Indicatieve Tabel opstelt.»9 Oproepen uit het verleden omtrent het gebrek aan transparantie omtrent de wijzigingen werden opnieuw niet of onvoldoende gehoord.10
15. In verband met de hier onderzochte wijzigingen is het nuttig om ook de nieuwe samenstelling van de laatste werkgroep te bekijken, waarbij absoluut geen afbreuk wordt gedaan aan de beste bedoelingen die de betrokken magistraten voor ogen hebben in deze uitdagende materie.11
16. Een multidisciplinair overleg waarbij gezocht wordt naar een gemeenschappelijk draagvlak tussen alle stakeholders, is zeker een piste om de doelstellingen van het begin, het uniform vergoeden van lichamelijke schade, te optimaliseren12... en verrassingen te vermijden.
B. Voorzienbaarheid van de verhoging x 3 van de forfaits?
17. Het belang voor de verzekeraar om zijn toekomstige uitgaven te anticiperen kan en mag niet onderschat worden, gezien de verzekeringssector onderworpen is aan een sterk gereglementeerd financieel beheer. Verzekeraars hebben hun premie berekend op basis van de laatste gekende evoluties, waaronder de IT 2020. Als men plots de veel hogere bedragen van IT 2024 toepast op oude dossiers, klopt het financiële plaatje niet meer. De vraag of de grote veranderingen (o.a. voor de beperkte BPO) op enige wijze voorspelbaar waren, is dan ook legitiem vanuit dit oogpunt.
18. Bij het analyseren van de nieuwe Indicatieve Tabel van 2024 liggen de meeste wijzigingen in de lijn van de verwachtingen. De aanzienlijke verhogingen van de forfaitaire bedragen (x 3) voor de blijvende ongeschiktheden in vergelijking met de tabel van 2020 vallen evenwel op. Deze verhogingen zijn financieel niet neutraal gezien het relatief groot aantal schadegevallen op jaarbasis dat dient geregeld en betaald te worden (zie inleiding).
19. In het woord vooraf van de nieuwe Indicatieve Tabel wordt aangegeven dat de leden van de werkgroep zich voor de wijzigingen hebben laten leiden door de evolutie van de rechtspraak, de socio-economische evoluties en de situatie in de ons omringende landen (wordt hier buiten beschouwing gelaten).13
20. Een onderzoekende blik op deze aanpassingen roept enkele bedenkingen op over de rechtvaardiging ervan. Stellen dat de rechtspraak, vooral in Vlaanderen, sinds de vorige Indicatieve Tabel significante stijgingen in de forfaitaire vergoedingen voor de BPO in het vooruitzicht heeft gesteld, lijkt ons een brug te ver. Bovendien is de inflatie in de afgelopen jaren weliswaar gestegen, maar niet in de mate dat die deze aanzienlijke verhogingen (x 3) zou rechtvaardigen.
1. Voorspelbaarheid en rechtspraak
21. De hierna onderzochte vonnissen uit Vlaanderen tonen aan dat de Indicatieve Tabel 2020, voorafgaand aan de publicatie van de nieuwe Indicatieve Tabel, regelmatig werd gevolgd en er niet wordt geanticipeerd op een sterke verhoging (x 3) zoals voorzien in de Indicatieve Tabel van 2024.
22. Ik verwijs hiervoor naar enkele uitspraken uit Vlaanderen die deze terughoudendheid illustreren:14
- Rechtbank van eerste aanleg Dendermonde, 15 november 2022: BPO 10% > IT 202015
- Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk 16 januari 2023: BPO 3% > IT 202016
- Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer 6, 30 maart 2023: BPO 3% > IT 202017
- Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 4 mei 2023: BPO 13% > IT 202018
- Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 9 januari 2024: BPO 12% > IT 202019
- Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, 23 januari 2024: BPO 4% > IT 202020
- Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, 11 april 2024: BPO 3% conform > IT 202021
- Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 10 oktober 2024: BPO 10% conform > IT 202022
23. Geleidelijk aan stellen we evenwel in Vlaanderen toch hier en daar een tendens tot verhoging van het geldelijk forfait vast, maar dan eerder bij hogere percentages van ongeschiktheid.
- Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, 15 maart 2023: BPO 12% - 1.300 euro per punt (verhoogd forfait met ca. 30% > IT 2020)23
- Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, 22 mei 2023: BPO 15% - 1.500 euro per punt (verhoogd forfait met ca. 138% > IT 2020)24
- Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 25 april 2024: BPO 12% - 1.000 euro per punt (verhoogd forfait met ca. 66% > IT 2020)25
24. In tegenstelling tot de Vlaamse rechtspraak toont het zuiden van het land, inclusief Brussel, al geruime tijd afwijkende tendensen. Dit betreft evenwel voornamelijk de vergoedingsmethode (zie verder). Zelfs voor lagere percentages van BPO wordt hier de kapitalisatiemethode vaak toegepast.26 De kapitalisatiemethode geeft doorgaans hogere bedragen dan de forfaitaire vergoeding.
25. De toepassing van de kapitalisatiemethode in het zuiden en Brussel is evenwel ook weer niet uniform. Zo oordeelde de politierechtbank van Brussel op 26 februari 2024 nog tot een forfaitaire vergoeding (zonder verhoogd punt) voor een BPO van 5%, in plaats van de gevraagde kapitalisatie.27
26. Stellen dat zonder meer een verhoging x 3 voor de lage percentages van BPO op basis van de rechtspraak in de lijn van de verwachtingen lag, lijkt mij niet vanzelfsprekend.
2. Voorspelbaarheid en evolutie inflatie
26. Interessant is het om toch ook even een licht te werpen op de evolutie van de inflatie in de geobserveerde periode. De socio-economische ontwikkelingen van de afgelopen vier jaar, waaronder een significante inflatie, kunnen in algemene zin de aanpassing van schadebedragen verantwoorden, mits we het concept van inflatie als uitgangspunt nemen. Dit uitgangspunt wordt niet onverdeeld aanvaard. Zo stellen sommige auteurs: «Dienen waardebepalingen bij immateriële schade (zoals morele schade of een dagbedrag voor persoonlijke ongeschiktheid) aangepast te worden aan koopkracht? De op geld gewaardeerde immateriële schade wordt aan de benadeelde uitgekeerd, zodat deze als het ware een soort vervangend levensgeluk kan inkopen waarbij de gederfde levensvreugde aldus gecompenseerd wordt met andere levensvreugde. Bij het toekennen van een bedrag wegens overlijden is er geen mogelijkheid van compenseren van gederfde levensvreugde. Het geld wordt zelfs als besmet ervaren: iedere vakantie is vergald als ze betaald wordt vanuit de verkregen vergoeding voor morele schade na overlijden. Het doel is mooi, maar het middel deugt niet. Koopkracht en immateriële schade gaan eigenlijk niet samen, net zoals immateriële schade en geld niet samengaan.»28
27. Het is hierbij desondanks nuttig om de inflatiecijfers voorafgaand aan de nieuwe Indicatieve Tabel even in ogenschouw te nemen en deze in relatie tot de 200% verhoging van de hier besproken forfaits te bekijken. De gegevens uit STATBEL geven een inflatie van 19,29% voor de periode 2021-2024. Wanneer we de consumptieprijsindex van 2013 als referentie nemen (waarbij deze gelijkgesteld is aan 100), zien we dat deze index in december 2024 is gestegen tot 133,54, wat een toename van 33,54% vertegenwoordigt ten opzichte van de eerdere forfaitaire bedragen. Terugkijkend naar 1996 zien we dat de index is gestegen naar 187,85 punten in 2024, wat een totale stijging van 87,85% aangeeft29 (bron: STATBEL). Op basis van deze gegevens kunnen we dan ook niet anders dan vaststellen dat de verhoging van 200% een aanzienlijke overschrijding is van de inflatie-evolutie in de afgelopen jaren.30
28. Op basis van de evolutie van de rechtspraak in Vlaanderen en de inflatie is het bijgevolg moeilijk te begrijpen dat deze verhoging x 3 plots werd doorgevoerd. Toch kunnen we stellen dat er, weliswaar post factum, enkele (al dan niet gedeelde) redenen hiervoor gegroeid zijn in de voorbije jaren ...
C. Nieuwe inzichten
29. Vandaag weten we dat de verhoging x 3 kadert in een algemene opwaardering van de IT 2024 ten opzichte van 2020 en dat deze is gesteund op «nieuwe inzichten». Zo oordeelt de politierechter van Ieper in een vonnis van 15 september 2025 «dat de hogere bedragen een uiting zijn van de hogere waarde die de maatschappij ondertussen aan bepaalde schadeposten toekent ten gevolge van gewijzigde maatschappelijke inzichten».31
30. De term «nieuwe inzichten» die we in recente vonnissen aantreffen, is een juridische en sociaal-economische rechtvaardiging voor de stijging van de vergoedingen.
31. De juridische rechtvaardiging vinden we in het wegwerken van het verschil in waarderingsmethode tussen noord en zuid in België. Juist omdat het verschil tussen een berekening op basis van een kapitalisatie en de toekenning van een forfaitair bedrag zo groot was geworden, hebben de auteurs van de IT 2024 ervoor gekozen de forfaitaire bedragen aanzienlijk te verhogen.32
32. De economische rechtvaardiging betreft een inhaalbeweging die te maken heeft met het verlies aan koopkracht door de inflatie. Sinds de coronacrisis en de energiecrisis is de levensduurte in België inderdaad gestegen. Daarenboven volgt de Tabel 2024 de dalende trend in de rentevoeten o.m. wat betreft de kapitalisatierente (vaak 0,5% tot 1%). De IT 2024 erkent hiermee dat een slachtoffer op de huidige financiële markt geen hoog rendement meer kan halen op zijn schadevergoeding. Problematisch wordt het hier wanneer de rentevoeten of inflatie wel zouden stijgen. Niemand heeft hier op de lange termijn zicht op.33
33. Tot slot is er een sociale dimensie aan deze verhogingen, die uiteraard ook juridisch relevant is. In een vonnis van 14 augustus 2025 van de politierechtbank te Vilvoorde geeft rechter Luc Brewaeys (co-auteur van de Indicatieve Tabel 2024) enige uitleg. Niet alleen haalt hij de problematiek van de vergoedingsmethode aan (kapitalisatie <> forfait), ook meent hij: «Nog meer dan vroeger is het toekennen van een billijke vergoeding aan slachtoffers in onze maatschappij belangrijk geworden. Dat zulks aanleiding geeft tot hogere verzekeringspremies is een gevolg dat collectief zal moeten worden gedragen.»34 Op deze zienswijze is het als verzekeraar moeilijk commentaar te hebben gezien hun opdracht in het kader van minnelijke regelingen eveneens is te zorgen voor een billijke vergoeding van het slachtoffer. Het zijn uitsluitend de rechters die hiervoor de vinger aan de pols houden.
34. Men kan dus stellen dat de opstellers van de huidige Indicatieve Tabel vonden dat de bedragen van de vorige Indicatieve Tabel onvoldoende de schade dekten. De opstellers zijn alzo tot een nieuw inzicht gekomen omtrent de betrokken schadepost(en), in welk geval de bestaande forfaits en de nieuwe forfaits niet meer dezelfde lading dekken.
35. De auteurs van de toekomstige IT 2028 (?) zouden het best voorafgaand wat opheldering geven bij deze «nieuwe inzichten» en zeker bij de «sociale dimensie». In een vonnis van 12 april 2024 van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel vinden we een indicatie omtrent de nieuwe inzichten en de opwaardering van de «beperkte» bedragen. De rechter wijst er in verband met de vergoeding voor blijvende morele schade op «dat het een illusie is dat de vergoeding de benadeelde plaatst in de toestand van vóór het ongeval, maar dat dit niet betekent dat de benadeelde slechts een beperkt symbolisch bedrag toekomt. Het gaat niet om een verrijking van de benadeelde, maar om herstel van diens schade dat het meest het herstel in natura benadert. Zo zullen bijvoorbeeld een verbetering van het levenscomfort, een mooie reis maken of de financiële zekerheid van diens kinderen garanderen, een voldoening geven aan de benadeelde die een beetje het leed en de spijt zal verzachten.»35
36. Het lijkt mij a priori een gevaarlijke evolutie om indicaties te geven op welke wijze de compensatie van persoonlijk leed kan worden gezien, zeker voor de hier onderzochte kleine BPO.
37. In het kader van deze sociale dimensie wil ik er toch op wijzen dat bij hoge vergoedingen voor beperkte ongeschiktheden wij mogelijk afglijden naar een «alles-is-een-letsel»-cultuur. De financiële prikkel om elk klein ongemak te juridiseren wordt alzo een gevaarlijke tendens. Er dreigt eveneens een disproportionaliteit te ontstaan ten opzichte van zware letsels. Men zou er rekening mee moeten houden dat de kosten voor alle kleine letsels de financiering van complexe zorg en vergoedingen die nodig is voor zwaargewonden, niet ondermijnen. Overeenkomstig de regel van de integrale compensatie moet een compenserende schadevergoeding in principe in verhouding staan tot de omvang van het ondergane leed.36
38. Belangrijk om op te merken is dat zowel in het noorden als het zuiden van het land rechters de delicate en complexe aard van de vergoeding voor persoonlijke ongeschiktheid erkennen. Ze benadrukken dat deze schade van abstracte en subjectieve aard is en dat het toekennen van een exacte geldwaarde zeer complex is. Zo beslist de rechter van de politierechtbank te Antwerpen in een recent vonnis van 19 november 2025: «De berekening van persoonlijke schade is in het algemeen een bijzonder delicate aangelegenheid temeer daar deze schade van abstracte aard is en elke vergoeding die hier tegenover staat symbolisch blijkt, om reden dat het moreel leed of pijn zich niet laat vertalen in een exact berekenbare vergoeding in tegenstelling tot schade bijvoorbeeld door inkomensverlies.»37
D. De complexiteit van het vergoeden van de (beperkte) BPO in de minnelijke regeling.
1. Algemeen
39. Het bepalen van de financiële compensatie voor de BPO is complex. Enerzijds is er een medisch aspect waarbij het letsel en de gevolgen worden beschreven. Anderzijds moet er worden gekeken in welke mate deze gevolgen impact hebben op het slachtoffer. Het feit dat we hier dikwijls met een subjectieve beleving van de situatie na het ongeval te maken hebben, maakt de situatie niet eenvoudiger. Het gevolg van een ongeschiktheid op het bepalen van de specifieke gevolgen voor het slachtoffer is dikwijls moeilijk of wordt onvoldoende bevraagd. Daarenboven gaat het niet alleen om de feitelijke gevolgen voor het dagelijkse leven, maar ook om de juiste waardering in de tijd. Toch staan de verzekeraars in de eerste linie om tot billijke regelingen te komen.
40. Bij het bepalen van de vergoeding fungeert de Indicatieve Tabel als een belangrijk en richtinggevend advies. In het «Woord vooraf» bij de laatste versie van 2024 benadrukken de auteurs: «De Indicatieve Tabel blijft een belangrijk hulpmiddel om schadevergoeding te begroten, zeker voor schadeposten die niet in geld waardeerbaar zijn. Het blijft noodzakelijk het indicatief karakter ervan te benadrukken.»38
41. In het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst van 22 mei 2023 beschrijft de rechter goed waar het over gaat:
«De tarificaties voorzien in de Indicatieve Tabel vormen evenwel slechts een indicatieve richtlijn, geenszins bedoeld om uniform en blindelings toegepast te worden. Het blijft nog altijd de rechter ten gronde die, geval per geval in concreto moet onderzoeken en die soeverein bepaalt welke vergoeding de meest adequate is. De evaluatie van de blijvende morele schade verschilt uiteraard van persoon tot persoon omdat de perceptie en beleving ervan individueel verschilt van wat men als levenskwaliteit ervaart.»39
42. In een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 11 april 2025 wordt door de rechter voor een BPO van 15% deze in-concreto-benadering uitvoerig toegepast. De rechter besluit tot toekenning van een forfaitaire vergoeding van 1.500 euro/punt ongeschiktheid, dit terwijl de Indicatieve Tabel van 2024 in een bedrag van 2.880 euro/punt voorziet.40
43. Hierna volgen enkele beschouwingen die voor de verzekeraar (en de rechter) relevant zijn in het juridische kader van de schaderegeling en het gebruik van de Indicatieve Tabel.
2. De basisregels:
a. De schadezekerheid
44. Volgens artikel 6.25 BW wordt enkel zekere schade vergoed. Het bestaan ervan moet onbetwistbaar vastgesteld zijn, maar de omvang wordt aan de rechter overgelaten. Het Hof van Cassatie bevestigt dat het zekere karakter van de schade een feitelijke beoordeling vergt, die aan de appreciatie van de rechter wordt overgelaten.41 (Cass.3 januari 2018, AR nr. P.17.0976.F.). Absolute zekerheid hoeft er niet te zijn, wel een afweging op basis van de gewone gang van zaken.42
45. Bij de BPO, die een vorm van toekomstige schade is, bepaalt artikel 6.25, tweede lid BW «dat toekomstige schade tot schadeloosstelling leidt indien zij het zekere gevolg is van de actuele aantasting van een juridisch beschermd belang».43
46. Deze schadezekerheid wordt voor de verzekeraars onderzocht en vertaald aan de hand van een medisch rapport en een uitgebreid onderzoek.
b. De integrale schadevergoeding
47. Het basisprincipe in het Belgische recht is de restitutio in integrum, dat wil zeggen dat het slachtoffer zoveel mogelijk in de toestand moet worden hersteld als ware het ongeval niet gebeurd (art. 6.30 BW).
48. Voor materiële schade geldt hiervoor in de eerste plaats een herstel in natura. In de hier onderzocht materie spreekt het voor zich dat dit herstel in natura a priori niet mogelijk is. De subjectieve schade, zoals pijn of ongemak, die men niet direct in geld kan uitdrukken, wordt evenwel in geld gecompenseerd.
49. Het principe van de integrale schadeloosstelling vereist dat de vergoeding enkel de schade dekt en niets dan de schade moet worden vergoed. De vergoeding moet daarenboven juist en passend zijn.44
50. Om dit principe in de praktijk te brengen, wordt de in-concreto-benadering gebruikt. De schade moet in de concrete omstandigheden worden vastgesteld, zonder dat het slachtoffer er beter of slechter van wordt. Deze in-concreto-benadering wordt door de verzekeraar in de praktijk gebracht door het opmaken van een schadedossier. Hierbij levert de verzekeraar diensten aan het slachtoffer om zijn leefwereld en de gevolgen van het ongeval hierop grondig in kaart te brengen. Dit gebeurt aan de hand van inlichtingenformulieren, inspectierapporten, medische verslagen, enz. Het doel is om in een passende vergoeding te voorzien. De rol van de verzekeraar gaat dan ook verder dan enkel «vergoeden». De betaalde verzekeringspremies financieren ook deze geleverde diensten.
51. Essentieel is de goede trouw die door alle betrokkenen hierbij aan de dag wordt gelegd. Verzekeraars hebben hier een voorbeeldfunctie te vervullen, die tevens het voorwerp uitmaakt van interne en externe controles.
52. Ondanks deze werkwijze in concreto wordt de Indicatieve Tabel dikwijls als een soort «prijslijst» gebruikt in plaats van als advies. Een dergelijk gebruik gaat dan ook in tegen de hierboven vernoemde principes en bemoeilijkt minnelijke regelingen wanneer de nuance ontbreekt.
3. Wat moet worden vergoed?
a. De gevolgen van de ongeschiktheid
53. Bij de vergoeding van de BPO gaat het om de langdurige gevolgen die een persoon ondervindt na een letsel dat niet volledig herstelt. Het betreft dus toekomstige schade die de levenskwaliteit van het slachtoffer blijvend beïnvloedt.
54. In de IT 2024 wordt dit omschreven als: «De niet-economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer in het dagelijks leven, met uitzondering van huishoudelijke activiteiten. Aldus omvat zij, onder meer:
- De beperkingen, ongemakken en de aantasting van de gedragingen en/of ervaringen en/of handelingen in het dagelijkse leven te wijten aan het letsel;
- De pijnen die gebruikelijk gepaard gaan met dit letsel;
- De frustraties en angsten waartoe dit alles leidt;
- De invloed op de persoonlijke activiteiten zoals vrijetijdsbesteding, sportbeoefening en hobby’s en op de sociale, vriendschappelijke en familiale relaties.»45
55. De toegekende bedragen zijn bedoeld om het fysieke én het psychische leed, de ontreddering, het inferioriteitsgevoel, de verzwakking, de vermoeidheid, de ongemakken, de slapeloosheid ... te vergoeden.46 De moeilijkheid is: hoe bepalen we deze percepties?
b. De vaststelling van de ongeschiktheid
56. Het vaststellen van de BPO gebeurt idealiter op een gemotiveerde wijze door een arts-deskundige onder de vorm van een eenzijdig medisch rapport, een minnelijke medische expertise of desgevallend via een door de rechtbank aangestelde deskundige. De arts-deskundige stelt op basis van de concrete gevolgen voor het dagelijkse leven een percentage vast voor de blijvende ongeschiktheid. Dit percentage geeft een inschatting van de mate waarin het letsel het leven blijvend beïnvloedt. Dit rapport geldt eveneens als een advies voor de verdere schaderegeling.
57. Omdat de schade zich in de subjectieve gevoelswereld bevindt, is de schadebepaling niet eenvoudig. Zeker voor pijnen, frustraties en angsten is dit het geval. Beperkingen of hinder kunnen wat beter geobjectiveerd worden, doch blijven in essentie subjectief. In de hier onderzochte materie van de beperkte BPO is dit uiteraard nog uitdagender. Een persoon zou daarenboven kunnen liegen met het oog op het verkrijgen van een grotere schadeloosstelling.47
58. Toch moeten de fundamentele regels van het vergoedingsrecht worden nageleefd, en moet de schade ultiem in elk geval worden vergoed.
c. De waardebepaling van de schade
59. De schade is de negatieve impact die vergoed moet worden. Het gaat over de vergelijking van de situatie voor en na het ongeval. De rechter/aansprakelijkheidsverzekeraar moet in concreto nagaan hoe het best een integrale schadeloosstelling wordt verkregen. Dit is het uitgangspunt.
60. De waardebepaling van de schade is a priori het exclusieve terrein van de rechter.48 De Indicatieve Tabel speelt hier haar rol als richtinggevend instrument, ook voor de verzekeraars.
61. Zodra de schade vastgesteld is, moet ze worden gewaardeerd en vergoed. Dit gebeurt via verschillende methodes, afhankelijk van de omstandigheden en de aard van de schade.49 Deze vergoedingsmethodes zijn:
- Forfaitaire vergoeding: Een vast bedrag dat zonder verdere berekeningen wordt toegekend.
- Kapitalisatie: Een methode waarbij toekomstige, periodieke schade (zoals gederfd inkomen of huishoudelijke hulp) wordt omgerekend in een eenmalig kapitaal. Hierbij wordt rekening gehouden met leeftijd, levensverwachting, rente en inflatie, en wordt de toekomstige schade verdisconteerd naar de huidige waarde.
- Rente: Een rente kan worden berekend over een forfaitair dagbedrag, dat wordt geactualiseerd over de tijd (meestal bij zware lichamelijke letsels). Deze methode wordt hier verder niet besproken.
62. In België varieert de toepassing van deze methodes. In Vlaanderen wordt de forfaitaire methode veel gebruikt voor relatief kleine ongeschiktheden, terwijl in het Franstalige deel de kapitalisatie vaker wordt toegepast. De toepassing van de kapitalisatiemethode kan hogere bedragen opleveren dan forfaitaire schattingen voor een en hetzelfde ongeval, wat uiteraard problematisch is.
63. De rechter heeft ruime vrijheid om de meest geschikte methode te kiezen, afhankelijk van de situatie en de beschikbare gegevens. In deze is het detail van het medisch rapport niet te onderschatten. Men kan stellen dat het gebruik van de forfaitaire berekeningsmethode toeneemt naargelang de onzekerheden over de toekomst toenemen.50 De forfaitaire methode blijft van toepassing «wanneer objectieve en vaststaande gegevens als basis voor kapitalisatie ontbreken, de blijvende gevolgen van de letsels gering zijn of de partijen geen stukken bijbrengen die toelaten het bedrag van zijn schade juister te bepalen».51
64. Opmerkelijk is dat het Hof van Cassatie geen voorkeur heeft voor een van voornoemde methodes en dat de rechter geval per geval beslist welke vergoedingswijze aangewezen is. De rechter mag de schade forfaitair begroten en de kapitalisatiemethode weigeren, op voorwaarde dat:
- hij de redenen aangeeft waarom de kapitalisatieberekening niet kan worden gevolgd; en
- hij bepaalt dat de schade niet anders kan worden geraamd.
Het Hof van Cassatie gaat evenwel na of de vastgestelde feiten de gevolgen verantwoorden die de rechter daaruit in rechte afleidt.52
E. De toepassing in de tijd
1. Context
65. De toepassing van de Indicatieve Tabel 2024 in de tijd vormt, gezien de sterke opwaardering van sommige schadeposten in deze laatste versie, een onderschat probleem in de letselschadepraktijk. Verzekeraars hebben voor ongevallen uit bv. 2021 of 2022 reserves aangelegd op basis van de oude tabel (2020). Nu moeten zij deze dossiers minnelijk afwikkelen tegen de veel hogere tarieven van 2024. Dit zorgt a priori voor een «reserveringstekort» in de balansen van verzekeraars.
66. Toch is er juridisch-technisch geen probleem om de laatste Indicatieve Tabel toe te passen op lopende schadedossiers. Daar het concept van de Indicatieve Tabel geen wet is, doch enkel een advies uitmaakt voor de raming van de schade, geldt het verbod op terugwerkende kracht van een wet formeel niet. In het woord vooraf wordt duidelijk gesteld: «De Indicatieve Tabel is geen wet, hetgeen echter niet belet dat het de rechter toegelaten is om op aanvullende wijze gebruik te maken van deze Tabel bij het bepalen van de schadevergoeding ...»53
67. Hoe dan ook moet er de facto worden nagegaan welk referentiepunt het meest passend is om te komen tot een billijke vergoeding.
2. De basisregel
68. Een belangrijke discussie in dit verband betreft welke peildatum moet worden gehanteerd bij de vaststelling van de schade.
69. De basisregel is dat de schade wordt vastgesteld op de datum van de uitspraak, maar de rechter kan ook de consolidatiedatum of een andere datum kiezen. Dit wordt eveneens onderschreven door constante rechtspraak van het Hof van Cassatie.54
70. In een arrest van het Hof van Cassatie van 14 september 2018 benadrukt het Hof nogmaals de rechterlijke vrijheid, stellende: «De regel dat de schade moet worden bepaald op het ogenblik van de uitspraak staat niet eraan in de weg dat de rechter het hoofdbedrag van de vergoeding kan berekenen op het ogenblik dat de schade reeds vaststaand was en in haar geheel kon worden geraamd en bijgevolg tot vergoeding aanleiding kon geven, alsook compensatoire interest kan toekennen om de bijkomende schade te vergoeden die veroorzaakt werd door de uitgestelde betaling van het hoofdbedrag.»55
71. Afwijkingen zijn dus toegestaan en een rechter kan hier soeverein over oordelen. Deze rechterlijke vrijheid kunnen we enkel maar onderschrijven. Het is inderdaad zo dat zich tussen het schadegeval en de uitspraak gebeurtenissen kunnen voordoen die de toestand van de benadeelde verbeteren of verslechteren.56 Verzekeraars dienen ook op basis van concrete gegevens een beoordeling te verrichten.
3. Praktijktoepassingen
72. Uit het volgende korte overzicht blijkt dat menig rechter, zowel in het noorden als in het zuiden van het land, van deze appreciatievrijheid gebruikt maakt. Meer bepaald wordt de consolidatiedatum regelmatig gebruikt, op voorwaarde van eeen juiste motivatie om de waardebepaling van de vergoeding te doen. De consolidatiedatum is de datum waarop de medische toestand niet meer verandert.
73. Een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 7 april 2025 in verband met de BPO oordeelt net als het Hof van Cassatie: «De regel immers dat de schade moet worden bepaald op het ogenblik van de uitspraak staat niet eraan in de weg dat de rechter het hoofdbedrag van de vergoeding kan berekenen op het ogenblik dat de schade reeds vaststaand was en in haar geheel kon worden geraamd, en bijgevolg tot vergoeding aanleiding kon geven, alsook compensatoire intrest kan toekennen om de bijkomende schade te vergoeden die veroorzaakt werd door de uitgestelde betaling van het hoofdbedrag.»57
74. Een gelijkaardige redenering vinden we terug in een vonnis van 25 april 2025 van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, stellende: «De rechter die oordeelt dat de schade op de consolidatiedatum in haar geheel voor begroting vatbaar is, kan zonder schending van artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek het slachtoffer die vergoeding toekennen.»58
75. Ook zien we de toepassing van de consolidatiedatum als peildatum voor de berekening van de BPO in het zuiden van het land (n.b. op forfaitaire basis) in een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Neufchâteau van 9 mei 2025. Het betrof een ongeval van 2014 en een consolidatiedatum in 2015 en de rechter stelde «dat de toepassing van de IT 2024 op deze zaak zou neerkomen op een oververgoeding».59
76. In een vonnis van de politierechtbank van Luik van 25 maart 2025 beslist de rechter voor een ongeval van 2017 de IT van 2020 te gebruiken aangezien het rapport van minnelijke medische expertise getekend werd in 2023.60
77. Tot slot verwijs ik nog naar een vonnis van de politierechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 22 april 2025 voor een ongeval van 26 december 2019, waarbij ook de consolidatiedatum in aanmerking werd genomen als peildatum. De rechter past hierbij de in-concreto-benadering toe, rekening houdend met de koopkrachtevolutie in de overgangsperiode van de oude IT 2020 naar de nieuwe IT 2024, stellende: «de Indicatieve Tabel 2020 voorzag een vergoeding van 855,00 euro per graad van ongeschiktheid. Thans bedraagt de vergoeding 2.655,00 euro per graad van ongeschiktheid. Dit betreft een significante verhoging en betreft geen loutere indexering rekening houdende met de muntontwaarding en inflatie. Hierboven werd reeds gesteld dat het slachtoffer steeds gerechtigd is op de vergoeding van de werkelijk door hem geleden schade, ongeacht wat de tabel bepaalt. De rechtbank is derhalve geenszins gebonden door de bedragen van de Indicatieve Tabel en dient de schade in concreto te beoordelen waarbij zij beroep kan doen op de forfaitaire bedragen van de Indicatieve Tabel. De rechtbank moet hierbij rekening houden met de vermindering van de koopkracht en dus de schade zoals ze in absolute cijfers in het verleden geleden werd herwaarderen naar de waarde van de dag van haar uitspraak. Enkel op die manier wordt de schadelijder terug in de toestand geplaatst waarin hij zou zijn geweest voor het ongeval. Hiermee rekening houdende, alsook met de aard van de blijvende letsels en de blijvende hinder die zij zullen hebben op het dagdagelijkse leven van eiseres, begroot de rechtbank de BPO op 1.250 euro per graad van ongeschiktheid.»61 De rechter neemt in dit vonnis als peildatum de consolidatiedatum (10% BPO) en wijkt af van het advies van de Indicatieve Tabel. Het betrof in deze zaak eveneens een probleem van stilzitten van het slachtoffer in verband met het indienen van zijn eis (zie hierna schadebeperkingsplicht).
4. De schadebeperkingsplicht
78. Zoals in voorgaand vonnis benoemd, is een bijkomend element bij de afweging van de toepasselijke Indicatieve Tabel de schadebeperkingsplicht van het slachtoffer. Het slachtoffer mag zijn situatie niet foutief verzwaren en heeft de plicht zijn eis te laten kennen zodra hij in het bezit is van de noodzakelijke stavingsstukken.
Het slachtoffer heeft bovendien geen recht op vergoedende interest wanneer de vertraging in de betaling van de schadevergoeding te wijten is aan zijn fout of nalatigheid en dit voor de duur van de periode als gevolg van die fout of die nalatigheid.62
79. Zo stelde de politierechter van Antwerpen reeds in een vonnis van 9 juni 2006: «Alhoewel de schaderegeling in principe gebeurt op het ogenblik van de uitspraak, en de rechtbank de Indicatieve Tabellen geldig op dat ogenblik normalerwijze toepast, heeft iedereen een schadebeperkingsplicht en kan een aanbod tot vergoeding enkel genegeerd of betwist worden wanneer dit op redelijke gronden gebaseerd is. Zulks is in casu niet het geval (...). Er is derhalve geen reden om de tarieven toe te passen van de Indicatieve Tabel die tien jaar na datum van het ongeval gelden.»63
80. De motivering achter dit vonnis vinden we ook terug bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 25/03/2025 stellende dat «van een redelijk en voorzichtig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden als eiser wordt sneller eigen initiatief verwacht».64 In casu werd de IT van 2020 toegepast terwijl de IT van 2024 gevraagd werd voor een BPO van 3% .
81. Ook vinden we een gelijkaardige redenering in een vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 22 april 2025 stellende «De rechtbank is geenszins gebonden door de forfaits afkomstig uit de Indicatieve Tabel en kan hiervan afwijken. Dit zal het geval zijn wanneer de toepassing van de forfaits zou leiden tot een «overcompensatie» van de schade van het slachtoffer. Of noch wanneer het slachtoffer een eigen fout heeft begaan die zijn gevolgen heeft voor de omvang van de schadevergoeding. Zo zal het slachtoffer, wanneer het niet de vereiste redelijke maatregelen neemt om zijn schade te beperken, zelf moeten instaan voor de schade die deze fout heeft veroorzaakt. Van een slachtoffer mag immers verwacht worden dat hij de redelijke maatregelen neemt om zijn schade te beperken.»65 In casu was het de verzekeraar die bij de rechtbank een verzoekschrift had neergelegd teneinde het slachtoffer te dwingen een schade-eis op te stellen. Verder stelde de rechtbank nog dat het slachtoffer redelijkerwijze een vordering kon opstellen binnen een termijn van ruim twee maanden na de kennisname van het deskundigenverslag.
De essentie van deze uitspraken is dat alle partijen inclusief de schadelijder medewerking dienen te verlenen. Voor de verzekeraars is dit een aansporing om het schaderegelingsproces goed te bewaken.
F. Het gelijkheidsbeginsel
82. De significante verhoging van de forfaits voor de blijvende ongeschiktheden, het verschil in vergoedingsmethodologie tussen de regio’s en de problematiek van de toepassing in de tijd leidt ons onvermijdelijk tot de bijkomende vraag of er geen probleem is ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel.
83. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen op gelijke wijze worden behandeld. In de context van schadevergoedingen betekent dit dat vergelijkbare situaties zoveel mogelijk op dezelfde manier worden beoordeeld en afgehandeld. Voor verzekeraars betekent dit dat ze consistent moeten omgaan met vergelijkbare schadegevallen en dat ze niet willekeurig of discriminerend te werk gaan.
84. Slachtoffers die op verschillende tijdstippen een schadevergoeding aanvragen, kunnen verschillende bedragen toegewezen krijgen, zelfs als hun schade vergelijkbaar is. Dit kan de (terechte) bestaansreden van de Indicatieve Tabel op termijn ondermijnen en leiden tot onvrede en bijkomende juridische geschillen, wat het proces van schaderegeling vertraagt.
85. Door de verhoging van de forfaits hebben de magistraten zeker een poging willen ondernemen om een en ander wat recht te trekken. Blijft evenwel het problematische gegeven dat een persoon op 1 december 2024 een vergoeding kan ontvangen die 3 x lager ligt dan het slachtoffer die voor dezelfde schade op 10 december een vergoeding zou kunnen ontvangen op basis van de nieuwe Indicatieve Tabel. Verzekeraars worden regelmatig geconfronteerd met dergelijke problemen aangezien dikwijls meerdere personen betrokken zijn in eenzelfde ongeval (bv. inzittenden die elkaar kennen) en in een relatief kort tijdsbestek moeten worden vergoed. De jure mag er dan geen probleem zijn (zie hierboven nr. 66), in de praktijk is het voor de verzekeraar moeilijk om dit aan slachtoffers van hetzelfde ongeval uit te leggen.
G. De motiveringsplicht van de arts-deskundige
86. Bij kleine ongeschiktheden is de grens tussen «geen letsel» en «een klein letsel» dikwijls flinterdun. Een en ander is afhankelijk van de interpretatie van de arts.
87. Aangezien rechters/verzekeraars vaak moeten beslissen op basis van de informatie die hen wordt voorgelegd, is het van groot belang dat medische verslagen gedetailleerd en goed gemotiveerd zijn. Een correcte toepassing van de Indicatieve Tabel is gebaat bij een omstandige omschrijving van de letsels. «Een slecht geformuleerd medisch verslag leidt onvermijdelijk tot een onbillijke vergoeding», schreef één van de grondleggers van de Indicatieve Tabel.66
88. In de nieuwe Indicatieve Tabel kunnen we het expliciet benadrukken van de motiveringsplicht van de deskundige arts enkel toejuichen. Inderdaad lezen wij in de IT 2024 «dat de deskundige een percentage van de persoonlijke ongeschiktheid bepaalt in functie van de concrete gevolgen van de letsels op het dagelijkse leven van het slachtoffer, met uitzondering van de huishoudelijke activiteiten. Hij moet dit percentage motiveren.»67 Verder lezen wij: «De deskundige zou dienen uitgenodigd te worden om: een precieze en volledige beschrijving te geven van alle nuttige elementen waarmee hij rekening heeft gehouden; het geheel van de letsels en de aantasting van de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer ingevolge het schadeverwekkend feit te beschrijven in een begrijpelijke taal enz.»68
89. Wanneer deskundigen hun beoordelingen helder onderbouwen, wordt het voor alle betrokken partijen - slachtoffers, verzekeraars en rechters - duidelijk hoe de conclusies tot stand zijn gekomen. Deze transparantie vergroot het vertrouwen in de objectiviteit van de rapporten, wat van groot belang is in minnelijke regelingen en juridische procedures waar de uitkomst vaak grote gevolgen heeft.
90. Daarnaast bevordert een goed gemotiveerd rapport de consistentie in schadevergoedingen en draagt het bij tot een betere in-concreto-benadering verder in het verloop van het schaderegelingsproces. Door hun overwegingen en de methodologie achter hun beoordelingen expliciet uiteen te zetten, kunnen rechters/verzekeraars beter inschatten of de voorgestelde schadevergoeding aansluit bij de specifieke omstandigheden en leefwereld van het slachtoffer. Dit is essentieel voor een uniforme aanpak in de beoordeling van schadeclaims, wat bijdraagt aan het rechtvaardigheidsgevoel in de praktijk. Dit alles sluit eveneens aan bij het beginsel van de integrale schadevergoeding, waarbij de unieke situatie van elk slachtoffer in aanmerking moet worden genomen om tot een passende vergoeding te komen in concreto. Men moet weten wat men meet.69
91. Zeker voor kleine ongeschiktheden moet men het subtiele onderscheid tussen lagere percentages goed medico-sociaal-economisch motiveren.
92. Het medisch verslag is een advies, doch dit is essentieel bij de beoordeling van het gevolg dat aan het schadegeval moet worden gegeven. Elementen in een medisch verslag die een herstel in natura toelaten, zoals medicatie, therapie ..., moeten in overweging worden genomen alvorens men gaat vergoeden bij equivalent. Men mag niet tot een situatie komen waarbij enkel het herstel in geld als enige uitkomst gratuit wordt vooropgesteld.
93. Toch moeten we ook hier wijzen op enig gevaar. Hoe groter de inzet van de schadevergoeding per % is, hoe groter de druk op de arts wordt om vriendelijk te zijn en iets toe te kennen. Uiteraard ondermijnt dit de objectiviteit van de medische expertise.
H. Slotbeschouwingen
94. De Indicatieve Tabel heeft zeker de verdienste te bestaan, en het gebruik ervan moet verder verfijnd worden. De intenties van de huidige opstellers waren ongetwijfeld nobel, maar grote wijzigingen worden het best progressief doorgevoerd én in samenspraak met alle stakeholders voorbereid. De schaderegeling moet voorspelbaarheid uitstralen voor alle actoren. Overleg om de overgang naar de volgende Indicatieve Tabel te optimaliseren is voor alle actoren, en zeker voor de verzekeringssector, toe te juichen. Deze werkwijze zal ongetwijfeld preventief werken op het aantal zaken die alsnog aan de rechter worden voorgelegd.
95. Bovenal komt het erop aan om waar ook in België een persoon in concreto en volgens gelijke inzichten te vergoeden voor zijn hierboven onderzochte beperkte BPO. Het vergoeden van de vele dossiers met een beperkte BPO is gezien de dikwijls moeilijk objectiveerbare schade steeds een uitdaging op het vlak van het verkrijgen van een billijke schadevergoeding. De rol van de verzekeraar is in deze niet beperkt tot de uiteindelijke betaler. Van bij de aangifte wordt er een schaderegelingsproces op gang gebracht dat constant wordt geoptimaliseerd om slachtoffers efficiënt en billijk te vergoeden. De verzekeraar dient zich hierbij kritisch maar constructief op te stellen om juist te vergoeden.
96. De versterking van de motiveringsplicht van de deskundige arts in de nieuwe Indicatieve Tabel is in deze context essentieel. Dit bevordert niet alleen transparantie en consistentie, maar ook rechtvaardigheid, verantwoording en de ondersteuning van de rechterlijke beslissingen of minnelijke regelingen. Dit alles draagt bij aan een eerlijker en effectiever schadevergoedingssysteem, ook voor kleinere ongeschiktheden.
97. Laat de verzekeraars hun rol van poortwachter spelen. Zij hebben eveneens de taak om de premies voor hun klanten zo laag mogelijk te houden. Een vlotte schaderegeling draagt hier eveneens toe bij. In een markt met stijgende kosten mogen zij kritisch staan ten aanzien van wat wel en niet vergoed moet worden. Laten we hierbij ook niet vergeten welke toegevoegde waarde verzekeraars hebben bij het schaderegelingsproces voor de zware schadegevallen.
98. Hoewel het aan de rechter toekomt de vinger aan de pols te houden, kunnen we ons de vraag stellen of we niet een hogere tolerantie moeten hebben voor kleine ongemakken. Het vergoeden van elke minimale angst of hinder leidt tot een claimcultuur die de solidariteit onder druk zet. Vandaag leven we in een wereld waarin een zekere mate van stress, angst en constante prikkels de norm is geworden. Telewerk, digitale interactie, enz. zijn deel van ons dagelijkse leven geworden en hebben ongetwijfeld ook een invloed op de waardering van schade.
99. Menig jurist met een bijzondere interesse voor de regeling van lichamelijke schade zal met een gezonde nieuwsgierigheid en een kritische geest de verdere evolutie van de huidige en komende Indicatieve Tabellen opvolgen ... Uit de rechtspraak zal moeten blijken wat de invloed is van de verhoging van de forfaitaire bedragen op de vergoeding van schade voortvloeiend uit relatief geringe blijvende ongeschiktheden.70
1 F. Slootmans, «Statistisch rapport 2024 - Verkeersongevallen 2023», beschikbaar op www.vias.be, 26 augustus 2024.
2 H. Ulrichts en E. Lemmens, «De (on)mogelijkheden van de rechter in letselschadedossiers. Welke trend gaat de toekomst van het juridische meten van lichamelijke schade bepalen?» in De Indicatieve Tabel 2016: kansen en kritiek, T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Brussel, Intersentia, 2018, 89-120; zie ook T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Intersentia, 2025, 823-1086.
3 «Indicatieve tabel 2024», T.Pol., die Keure, Brugge, 2025, 161-186.
4 D. Simoens, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, t/ XI, Buitencontractuele Aansprakelijkheid, deel II Schade en schadeloosstelling, Antwerpen, Story Scientia, 1999, 8.
5 W. Peeters en J.-L. Desmecht, «Indicatieve tabel 2004 (inzake schadeloosstelling)», VAV 2004/3, 163-175.
6 M. Van Wilderode, «De indicatieve tabel 2012: indicatief, directief of een gemiste kans ...?», VAV 2013, afl. 1, 3-18.
7 W. Peeters, Handboek van de Indicatieve Tabel - lichamelijke en andere schade, Brussel, Politeia, 2022, 3.
8 H. Ulrichts en E. Lemmens, op. cit., 97.
9 T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Intersentia, 2025, 985; B. Weyts, «De nieuwe Indicatieve Tabel 2024, Meer van hetzelfde», RW 2024-25, nr. 20, 18 januari 2025, 762.
10 H. Ulrichts, Schaderegeling in België, 11 oktober 2017, Wolters Kluwer, 635; M. Van Wilderode, op. cit., 3-18.
11 Opmerkelijk bij de totstandkoming van de Indicatieve Tabel 2024 is dat de werkgroep van magistraten die voordien (2020) bestond uit 10 magistraten (5 uit Vlaanderen, 1 uit Brussel (Fr.), 4 uit Wallonië) nu uit 18 magistraten bestond (8 uit Vlaanderen, 2 uit Brussel (Fr.), 8 uit Wallonië), waarbij er slechts 3 uit de vorige werkgroep kwamen en er dus 15 magistraten voor vers bloed zorgden. Voor het eerst is er ook een meerderheid aan Franstalige kant.
12 H. Ulrichts en E. Lemmens, op.cit., 114.
13 Indicatieve Tabel 2024, op.cit., 1.
14 Gezien het hoge aantal minnelijke regelingen op basis van de richtlijn van 2020 zijn er relatief weinig vonnissen voor de lagere percentages BPO.
15 I. Sommerijns en M. Sommerijns, Lichamelijke schade, Repertorium rechtspraak 2022-2023, Intersentia, Antwerpen, 2024.
16 Rb. West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, 16 januari 2023, onuitg., rolnummer 20/1278/A.
17 Pol. Antwerpen, afd. Antwerpen, 30 maart 2023, onuitg, rolnummer 18A005855.
18 Pol. Antwerpen, afd. Antwerpen, 4 mei 2023, onuitg., rolnummer 22A235.
19 Pol. Antwerpen, afd. Antwerpen, 9 januari 2024, onuitg., rolnummer 19A268.
20 Rb. West-Vlaanderen, afd. Brugge, 23 januari 2024, onuitg., rolnummer 20/2143/A.
21 Pol. West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, 11 april 2024, onuitg., rolnummer 19K006402.
22 Pol. Antwerpen, afd. Antwerpen, 10 oktober 2024, onuitg., rolnummer 19A104.
23 Pol. West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, 15 maart 2023, onuitg., rolnummer 18A12184.
24 Pol. Oost-Vlaanderen, afd. Aalst, 22 mei 2023, onuitg., rolnummer 19A004677.
25 Rb. Oost-Vlaanderen, afd. Gent, 25 april 2024, onuitg., rolnummer 23/1915/A.
26 L. De Somer en L. Helsen, «Begroting en schadeloosstelling» in Handboek Letselschade Gemeen Recht, X. (ed.), A.IV., 101.
27 Pol. Brussel 26 februari 2024, onuitg., rolnummer 23A225.
28 H. Ulrichts, Bijzondere vraagstukken bij letselschade in Schaderegeling in België, Wolters Kluwer, 11 oktober 2017, 405.
29 Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium), «Consumptieprijsindex, inflatie, gezondheidsindex, afgevlakte index, indexen zonder petroleum en energie, laatste 13 maanden», beschikbaar op: https://statbel.fgov.be/nl/themas/consumptieprijsindex/consumptieprijsindex#figures.
30 Zie ook D. de Callatay, «La neuvième édition du Tableau indicatif ou le triomphe des contrastes», RGAR, 2025/5.
31 Pol. Ieper, 15 september 2025, onuitg., rolnummer 15 september 2025.
32 L. Brewaeys en F. Carpentier, «Vergoeding van schade geleden door personen na de Indicatieve Tabel 2024», VAV 2025, afl. 4, 11.
33 Pol. West-Vlaanderen, afd. Brugge, 21 januari 2025, onuitg., rolnummer geanonimiseerd.
34 Pol. Vilvoorde, 14 augustus 2025, onuitg., rolnummer 20V007897.
35 Rb. Brussel (Fr.) (8e k.), 12 april 2024, RGAR, 2025/1, 45-58.
36 Zie V. Schollaert, «Het bestaan en de schadeloosstelling van morele schade», RW 2025-26, 482-494; zie ook V. Schollaert, Morele schade, Larcier-Intersentia, 372 e.v.
37 Pol. Antwerpen, afd. Antwerpen, 19 november 2025, onuitg., rolnummer 23A011504.
38 Indicatieve Tabel 2024, op. cit., 1.
39 Pol. Oost-Vlaanderen, afd. Aalst, 22 mei 2023, onuitg., rolnummer 19A004677.
40 Rb. Antwerpen, afdeling Antwerpen, 11 april 2025, onuitg., rolnummer 21A001039.
41 Cass., 3 januari 2018, AR nr. P.17.0976.F.
42 Zie ook H. Bocken en I. Boone, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht, Brugge, die Keure, 2011, 54.
43 Zie I. Samoy en G. Jocqué, «Het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in Boek 6 BW: vaarwel 1382», RW 2024-25, 729.
44 T. Vansweevelt en B. Weyts, op. cit., 1308 e.v.
45 Indicatieve Tabel 2024, op. cit., 13.
46 J. Matthys, Evaluatie en vergoeding van lichamelijke schade, Intersentia, Antwerpen, 2020, 559.
47 Zie ook V. Schollaert, Het bestaan en de schadeloosstelling van morele schade, op. cit., 487.
48 S. Ravyse, Conclusie bij Cass., 6 september 2024, AR nr. C.23.0287.N, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240906.1N.2.
49 Zie ook I. Samoy en G. Jocqué, «Het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in Boek 6 BW: vaarwel 1382 - deel 2», RW 2024-25, nr 19, 11 januari 2025, 733.
50 G. Jocqué, «Tijdsverloop en schadevergoeding», TPR 2016, 1409.
51 I. Samoy en G. Jocqué, «Het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in Boek 6 BW: vaarwel 1382 - deel 2», RW 2024-25, 733.
52 Cass., 20 november 2012, VAV 2013, 74.
53 Indicatieve Tabel 2024, op. cit.,1.
54 Cass. (2e k.), 7 september 2005, P.05.0500., RW 2008-09, 275; Zie Cass., 20 maart 2013, RGAR 2014, 15039; Zie ook L. De Somer en L. Helsen, «Tijdstip waarop de schade wordt begroot» in Handboek Letselschade Gemeen Recht, 2024, afl. 57, 117 e.v..
55 Cass. (1e k)., 14 september 2018, T.Verz. 2019, afl. 3, 347.
56 Zie D. Simoens, «Latere gebeurtenissen, al dan niet vreemd aan de schade: alternatieven voor de vaste cassatieregel», TBBR 2003, afl. 1, 47.
57 Rb. Antwerpen, afd. Antwerpen, 7 april 2025, onuitg., 24/1773/A.
58 Rb. Antwerpen, afd. Antwerpen, 25 april 2025, onuitg., rolnummer 23/1629/A; Cass., 20 maart 2013, AR nr. P.12.1130.F; Cass., 14 september 2018, T.Verz., 2019/3, 347.
59 Rb. Luxemburg, afd. Neufchâteau, 9 mei 2025, rolnummer 24/373/A, Forum de l’assurance 2025/257, oktober 2025, 171 ev.
60 Pol. Luik, 25 maart 2025, onuitg., rolnummer 23A396.
61 Pol. West-Vlaanderen, afd. Brugge, 22 april 2025, onuitg., 2025/3196.
62 H. Ulrichts, Bijzondere vraagstukken bij letselschade in Schaderegeling in België, op. cit., 401.
63 Pol. Antwerpen, 9 juni 2006, onuitg., rolnummer 97A5882.
64 Rb. Antwerpen, afd. Mechelen, 25 maart 2025, onuitg., rolnummer 20/151/A.
65 Pol. West-Vlaanderen, afd. Brugge, 22 april 2025, onuitg., vonnisnummer 2025/3196.
66 T. Papart en B. Ceulemans, «Le vade-mecum du tribunal de police», Brussel, Kluwer, 2004, 340.
67 Indicatieve Tabel 2024, op. cit., 13.
68 Indicatieve Tabel 2024, op. cit., 14.
69 H. Ulrichts en E. Lemmens, op. cit., 98.
70 L. Brewaeys en F. Carpentier, «Vergoeding van schade geleden door personen na de indicatieve tabel 2024», VAV 2025, afl. 4, 11.