Omschrijving
Civiel cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1447
Auteur(s)
M. de Potter de ten Broeck
Trefwoorden

VONNISSEN EN ARRESTEN

VONNISSEN EN ARRESTEN / Vonnis alvorens recht te doen

CASSATIE

CASSATIE / Burgerlijke zaken

CASSATIE / Cassatieberoep

Bijkomende informatie

Civiel cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken

Michaël de Potter de ten Broeck

In een arrest van 19 februari 2026 beslist het Hof van Cassatie om een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken slechts toe te laten «na een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had». Deze beslissing van het Hof getuigt volgens de auteur van weloverwogen en bij te treden keuzes uit verschillende mogelijkheden om de bewoordingen «na het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. uit te leggen.

1. In een arrest van 19 februari 2026 klaart het Hof van Cassatie uit wanneer een cassatieberoep openstaat tegen een eindbeslissing en tegen een beslissing alvorens recht te spreken1:

Artikel 1077 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat cassatieberoep tegen een vonnis alvorens recht te spreken slechts openstaat na het eindvonnis.

Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis een eindvonnis is voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen.

Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te spreken, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.

Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat cassatieberoep onmiddellijk openstaat tegen een eindbeslissing waarmee de rechter een geschilpunt definitief beslecht en daarmee zijn rechtsmacht over dat punt uitput. Dergelijk cassatieberoep is niet afhankelijk van een vonnis waarmee de rechter het gehele voor hem hangende geschil beslecht zodat zijn rechtsmacht over het gehele geschil is uitgeput, noch van een cassatieberoep tegen een dergelijk vonnis.

Daarentegen staat tegen een beslissing alvorens recht te spreken niet onmiddellijk cassatieberoep open, doch slechts na een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had. Dergelijk cassatieberoep is niet afhankelijk van een vonnis waarmee de rechter het gehele voor hem hangende geschil beslecht zodat zijn rechtsmacht over het gehele geschil is uitgeput, noch van een cassatieberoep tegen een dergelijk vonnis of van een cassatieberoep tegen de vermelde eindbeslissing.

Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt eveneens dat de rechter die in laatste aanleg een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te spreken en geen eindbeslissing, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd.

2. Vooraleer nader in te gaan op de beslissing zelf, past het om de drie begrippen die in dit arrest naar voren komen, te kaderen: de beslissing alvorens recht te spreken, de eindbeslissing en het daadwerkelijke eindvonnis of -arrest.2

Met een beslissing alvorens recht te spreken neemt de rechter een beslissing over een voorafgaande maatregel, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting, van welke aard ook, en hebben zij erover debat gevoerd.3,4 Zo’n beslissing is volgens artikel 19, derde lid, Ger.W. tweeërlei: hetzij een beslissing waarbij de rechter over een onderzoeksmaatregel oordeelt of een tussengeschil regelt dat op een dergelijke maatregel betrekking heeft, hetzij een beslissing waarbij de rechter oordeelt over een voorlopige regeling van de situatie van de partijen.5 Bij gebrek aan wettelijke omschrijving legt het Hof van Cassatie een onderzoeksmaatregel uit als elke maatregel waardoor de rechter elementen inzamelt die hem kunnen informeren over de feiten en hem kunnen toelaten het geschil op te lossen, zonder dat dit wordt beperkt tot de onderzoeksmaatregelen die zijn vermeld in het hoofdstuk van het Gerechtelijk Wetboek over het bewijs.6,7 Een onderzoeksmaatregel is dus ruim en omvat bijvoorbeeld de opschorting van de behandeling van de zaak8 of de (ambtshalve) heropening van het debat om partijen toe te laten om over een bepaald(e) punt of vordering te concluderen9 of om bijkomende stukken voor te leggen.10 Een tussengeschil over een onderzoeksmaatregel slaat dan weer op een incident dat zich tijdens de uitvoering van een bevolen onderzoeksmaatregel voordoet. Te denken valt aan de beslissing tot uitbreiding van de opdracht van de deskundige of vervanging van de deskundige.11 De rechter beslist ook alvorens recht te spreken als hij de situatie van de partijen voorlopig regelt, zoals wanneer hij, alvorens recht te spreken, een provisie op een gevorderd bedrag toekent.12 Elk van deze beslissingen alvorens recht te spreken heeft, aangezien de rechter ermee «geen recht spreekt», geen gezag van gewijsde en put de rechter zijn rechtsmacht niet uit. Dezelfde rechter kan in een latere (eind)uitspraak steeds op zo’n beslissing terugkomen, ongeacht of er zich nieuwe of gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan.13

Op een eindbeslissing daarentegen kan de rechter niet terugkomen. Een eindbeslissing is volgens artikel 19, eerste lid, Ger.W. een beslissing waarmee de rechter zijn rechtsmacht over een geschilpunt uitput.14 Een geschilpunt is een punt waarover tussen partijen betwisting bestond en waarover zij debat hebben gevoerd.15,16 Een debat ligt volgens het Hof van Cassatie voor zodra een partij heeft verzocht om «als naar recht» te oordelen17 of zich «heeft gedragen naar de wijsheid van de rechter»18. Een eindbeslissing veronderstelt dus dat de rechter een feitelijk of juridisch twistpunt, hetzij van materieelrechtelijke, hetzij van procedurele aard, (binnen zijn aanleg) definitief beslecht, zodat hij zijn rechtsmacht over dat punt uitput.19 Een eindbeslissing ligt voor zodra de rechter zijn rechtsmacht over één geschilpunt uitput20, weze het in een tussenvonnis dan wel een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest.21 Een eindbeslissing vereist aldus niet dat de rechter zijn rechtsmacht over het volledige geschil (elk geschilpunt) uitput.22 Kenmerkend voor een eindbeslissing is dat ze gezag van gewijsde heeft23 en het berechte geschilpunt aan de rechtsmacht van de rechter onttrekt, zodat hij daarop, in een latere fase van het(zelfde) geding, niet meer kan terugkomen.24

Met een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest tot slot zet de rechter (voor zijn aanleg) een punt achter het gehele geschil en sluit hij definitief de debatten (in die aanleg).25 Het is het laatste vonnis of arrest in de rij. Daarmee heeft de rechter (mogelijk in verschillende vonnissen of arresten) alle geschilpunten beslecht en put hij aldus zijn rechtsmacht over het gehele geschil uit. Hij beslist in zo’n eindvonnis of -arrest over de gerechtskosten.26

3. In het hoger vermelde arrest van 19 februari 2026 schrijft het Hof van Cassatie dat een cassatieberoep tegen een eindbeslissing niet afhankelijk is van (een cassatieberoep tegen) een vonnis of arrest waarmee de rechter het gehele voor hem hangende geschil beslecht zodat zijn rechtsmacht over het gehele geschil is uitgeput.

Dit standpunt is gekend. Algemeen aanvaard is dat tegen een eindbeslissing onmiddellijk cassatieberoep openstaat27, ongeacht of die beslissing in een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»28 prijkt, dan wel in een tussenvonnis of -arrest staat.29 Om cassatieberoep tegen een eindbeslissing in een tussenvonnis of -arrest in te stellen, is niet het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest» af te wachten.30 De termijn om zo’n cassatieberoep in te stellen loopt evenwel sowieso vanaf de dag waarop het daaropvolgende «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest» is betekend of conform artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W. ter kennis is gegeven, tenzij die termijn vroeger is aangevangen omdat het tussenvonnis of -arrest zelf eerst is betekend of ter kennis gegeven.31

Hierbij is nog nader te preciseren dat die eindbeslissing in laatste aanleg moet zijn gewezen32 en in principe niet eerder in cassatie door en tegen dezelfde partij(en) mag zijn bestreden.33 Bovendien is het voor het cassatieberoep niet relevant of de bestreden eindbeslissing bij verstek34 dan wel op tegenspraak is gewezen, in kort geding of op eenzijdig verzoekschrift is afgeleverd.35

4. Interessanter is wat het Hof in het arrest van 19 februari 2026 schrijft over de mogelijkheid om een cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing alvorens recht te spreken. Artikel 1077 Ger.W. bepaalt dat een cassatieberoep tegen een vonnis alvorens recht te spreken slechts openstaat «na het eindvonnis». Artikel 1082, derde lid, Ger.W. stelt voorop dat een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken kan worden herhaald «na het eindvonnis» indien zo’n cassatieberoep voordien als voorbarig is afgewezen.

Ter herinnering, het Hof beslist dat «tegen een beslissing alvorens recht te spreken niet onmiddellijk cassatieberoep open [staat], doch slechts na een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had. Dergelijk cassatieberoep is niet afhankelijk van een vonnis waarmee de rechter het gehele voor hem hangende geschil beslecht zodat zijn rechtsmacht over het gehele geschil is uitgeput, noch van een cassatieberoep tegen een dergelijk vonnis of van een cassatieberoep tegen de vermelde eindbeslissing».

Met deze beslissing geeft het Hof nader invulling aan het woord «na» uit de artikelen 1077 en 1082, derde lid, Ger.W. (1) en klaart het een onduidelijkheid op over de betekenis van de woorden «het eindvonnis» uit deze wetsbepalingen (2). Na een bespreking van beide aspecten volgt een besluit (3).

1) Na ...

5. Artikel 1077 Ger.W. schrijft voor dat een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken maar kan «na» het eindvonnis, wat in artikel 1082, derde lid, Ger.W. terugkomt. Op dat punt verschilt artikel 1077 Ger.W. van artikel 1050, tweede lid, Ger.W. dat hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te spreken slechts toelaat «samen met» het hoger beroep tegen het eindvonnis, alsook van artikel 1055 Ger.W. dat hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te spreken slecht toelaat «tegelijkertijd als [...] tegen» het eindvonnis.36 In de Franstalige versies van deze artikelen contrasteert «après» met «avec».

6. «Na» of «après» betekent taalkundig «in de tijd volgend op» of «achter». Het betekent niet «samen» of «avec», wat dan weer «gezamenlijk» of «in elkaars gezelschap» inhoudt. Het betekent evenmin «tezelfdertijd» als in «op hetzelfde moment».37

7. Ondanks dit taalkundige verschil schreef Krings in 1988 dat «qu’après» betekent «qu’en même temps»: «Or un pourvoi ne peut être dirigé contre une décision d’avant dire droit qu’en même temps que le pourvoi dirigé contre la décision définitive».38

Dat standpunt lijkt zijn neerslag ook te vinden in de tekst van artikel 1121/4 Ger.W. omtrent het cassatieberoep in tuchtzaken. Zo’n cassatieberoep kan slechts tegen voorbereidende beslissingen of tegen onderzoeksbeslissingen worden ingesteld «samen met» of «conjointement avec» het cassatieberoep tegen «de eindbeslissing». Volgens de wetgever herneemt hij hiermee de regel bedoeld in artikel 1077 Ger.W.39

8. Wetteksten winnen evenwel aan rechtszekerheid als de erin gebruikte woorden daadwerkelijk inhouden wat ze in het gewone (zelfs juridische) taalgebruik betekenen, tenzij de wetgever duidelijk het tegendeel aangeeft.40 Niet alleen de taalkunde maar ook de rechtszekerheid is er dus bij gebaat dat het woord «na» (of «après») niet betekent «samen met» of «tezelfdertijd als [...] tegen» (of «avec»).

Terecht schrijven auteurs dan ook dat artikel 1077 Ger.W. een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken toelaat onafhankelijk van het eveneens indienen van een cassatieberoep tegen «het eindvonnis». Het cassatieberoep kan tegen enkel een beslissing alvorens recht te spreken zijn gericht, op voorwaarde dat «het eindvonnis» is afgewacht.41 In diezelfde lijn begrijpen auteurs artikel 1082, derde lid, Ger.W. als een mogelijkheid om een als voorbarig afgewezen cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken toch ontvankelijk in te stellen «na het eindvonnis», zonder dat op dat moment het cassatieberoep ook tegen «het eindvonnis» moet zijn gericht.42

Rest dan nog artikel 1121/4 Ger.W. waarin de wetgever «samen met» (of «conjointement avec») gebruikt om hetzelfde te zeggen als «na» (of «après») uit artikel 1077 Ger.W. Deze woorden «samen met» verliezen evenwel bij verschillende auteurs elke taalkundig correcte betekenis. Aanvaard wordt dat een cassatieberoep in tuchtzaken tegen enkel de voorbereidende beslissing of de onderzoeksbeslissing wordt gericht voor zover maar een eindbeslissing is geveld. Het komt dus neer op «na».43

9. Met goede reden treedt het Hof van Cassatie in het hoger vermelde arrest van 19 februari 2026 deze laatste taalkundig coherente en meer rechtszekere visie bij. Een cassatieberoep staat open tegen enkel een beslissing alvorens recht te spreken op voorwaarde dat «het eindvonnis» is geveld. Een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken is immers «niet afhankelijk» van een cassatieberoep tegen «het eindvonnis», omschreven door het Hof als «een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had». Dat brengt ons bij de omschrijving van «het eindvonnis».

2) ... het eindvonnis

10. Uit de drie bestaande visies omtrent het begrip «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. (a, b en c) kiest het Hof van Cassatie in het arrest van 19 februari 2026 terecht de visie die «eindvonnis» begrijpt als een eindbeslissing waarop de aangevochten beslissing alvorens recht te spreken betrekking had (d).

a) Eerste visie: «een eindbeslissing»

11. Volgens een eerste visie staat een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken open als in het bestreden vonnis of arrest ook «een eindbeslissing» figureert, zonder dat die eindbeslissing op de beslissing alvorens recht te spreken betrekking moet hebben. De idee is dat onmiddellijk cassatieberoep mogelijk moet zijn tegen een beslissing alvorens recht te spreken uit een bestreden vonnis of arrest zodra meer algemeen een onmiddellijk cassatieberoep tegen dat bestreden vonnis of arrest mogelijk is.44

12. Deze visie schemert door waar nogal wat auteurs voor «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W., zonder nadere precisering, verwijzen naar «het eindvonnis» uit artikel 19, eerste lid, Ger.W. en alzo de idee uitdrukken dat «een eindbeslissing» volstaat.45 Met een eindbeslissing beslecht de rechter definitief «een» feitelijk of juridisch twistpunt, ofwel van materieelrechtelijke, ofwel van procedurele aard. Een eindbeslissing vereist niet dat de rechter zijn rechtsmacht over het gehele geschil uitput.46

13. Deze visie komt evenzeer en misschien nog meer uitgesproken naar voren bij auteurs die de link leggen tussen artikel 1077 Ger.W. en artikel 1050, tweede lid, Ger.W.47 Volgens artikel 1050, tweede lid, Ger.W. is hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te spreken enkel mogelijk samen met het hoger beroep tegen «het eindvonnis», tenzij de rechter anders bepaalt. Het Hof van Cassatie begrijpt dit eindvonnis als «een eindbeslissing» in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger.W.48 Om tegen een beslissing alvorens recht te spreken hoger beroep te kunnen instellen, is aldus vereist dat er over «een» geschilpunt «een» eindbeslissing voorligt, die geen verband hoeft te houden met de beslissing alvorens recht te spreken.49

14. Met enige terughoudendheid zou deze visie in sommige cassatiearresten te lezen vallen.

Zo plaatste het Hof in een - toegegeven - oud arrest van 6 februari 1930 «de eindbeslissing» tegenover «de beslissing alvorens recht te doen»: «le «jugement définitif» dont s’agit en ce texte [te weten, artikel 14 van het decreet van 2 brumaire, jaar IV, gelijkluidend aan artikel 1077 Ger.W.; nvda] ne peut se définir que par relation aux jugements préparatoires ou d’instruction, auxquels la même disposition les oppose, c’est-à-dire à des décisions qui, rendues au cours d’une instance déterminée, constituent des décisions provisoires au regard du jugement terminant la même instance.»50 Als het Hof met die laatste zinssnede enkel een beslissing alvorens recht te spreken omschrijft door die te contrasteren met de «jugement terminant la même instance» (want zo’n beslissing is inderdaad «provisoire» in verhouding tot het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»51), geeft het Hof daarmee geen omschrijving van het eveneens vermelde «jugement définitif». Alzo gelezen, maakt het voor het Hof niet uit waarop «le jugement définitif» betrekking heeft opdat cassatieberoep tegen de beslissing alvorens recht te spreken openstaat, noch is daartoe een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»52 vereist.

In meer recente arresten neemt het Hof soms de woorden «de eindbeslissing» («la décision définitive») in de mond in de plaats van het wettelijk gebruikte «het eindvonnis» («le jugement définitive»), al is in die gevallen, bij gebrek aan effectieve eindbeslissingen in de bestreden vonnissen of arresten, niet geheel duidelijk of het Hof daarmee «een» eindbeslissing dan wel een bijzondere welbepaalde eindbeslissing bedoelt (zie de hierna besproken derde visie).53

b) Tweede visie: een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»

15. Voorstanders van een tweede visie begrijpen «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. niet als een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger.W., maar wel als het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»54 waarmee de rechter een einde maakt aan het geding.55

16. Ze lezen hun visie in arresten waarin het Hof van Cassatie beslist dat bij een gemengd vonnis cassatieberoep enkel openstaat tegen de erin vervatte eindbeslissing(en), maar voorbarig is in zoverre het tegen de erin vervatte beslissing(en) alvorens recht te spreken is gericht.56 Tegen een beslissing alvorens recht te spreken uit een gemengd vonnis zou aldus nog geen cassatieberoep mogelijk zijn, ook niet als het beroep evenzeer tegen een eindbeslissing is gericht.57

Of het Hof met deze rechtspraak werkelijk aangeeft dat «eindvonnis» verwijst naar het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»58, valt nog te betwijfelen in het licht van de hierna geduide derde visie (c) waarmee deze rechtspraak niet incompatibel is (zie d)).

17. In enkele arresten lijkt het Hof van Cassatie meer expliciet de kaart van de tweede visie te trekken. Twee arresten zijn noemenswaardig.59

Het Hof besliste in een arrest van 4 november 1976 dat twee arresten enkel de heropening van de debatten bevalen en een ander arrest enkel de overlegging van stukken beval, zodat «deze arresten beslissingen zijn alvorens recht te doen». De voorziening ertegen was niet ontvankelijk daar een eveneens geviseerd arrest van latere datum «geen einde heeft gemaakt aan het geding».60

Meer recent oordeelde het Hof op 11 september 2020 dat «een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te doen in een tussenvonnis moet worden ingesteld voor het verstrijken van de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen het eindvonnis. Dit geldt ook voor een cassatieberoep tegen een eindbeslissing in dit tussenvonnis, tenzij, gelet op de betekening ervan, de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen de eindbeslissing eerder is verstreken.»61 Het Hof erkent aldus enkel voor een eindbeslissing de mogelijkheid dat het startpunt van de cassatietermijn eerder aanvangt dan met de betekening van «het eindvonnis», dat het Hof plaatst tegenover een «tussenvonnis». De termijn kan ook aanvangen vanaf de betekening van het tussenvonnis waarin de eindbeslissing staat. Daarmee lijkt het Hof te kennen te geven dat «eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»62 is.

18. Deze tweede visie lijkt daarnaast steun te kunnen vinden in de parlementaire voorbereiding van artikel 1082, derde lid, Ger.W., waarin ook sprake is van een cassatieberoep «na het eindvonnis». Van Reepinghen schreef daaromtrent dat «het toch nuttig gebleken (is) nader te bepalen dat, indien een voorziening tegen (een beslissing alvorens recht te spreken) verworpen wordt als voorbarig, die voorziening - bij uitzondering op de regel van lid 2 [pourvoi sur pourvoi ne vaut] - herhaald kan worden na de uitspraak van de beslissing die een einde maakt aan het geschil».63 De beslissing die een einde maakt aan het geschil lijkt te verwijzen naar een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»64 (tenzij met «geschil» eerder geschilpunt wordt bedoeld).

19. Dergelijke tweede visie komt tot slot voor in artikel 416 Sv. Tegen een beslissing alvorens recht te spreken is in strafzaken maar cassatieberoep mogelijk na de eindbeslissing die een einde maakt aan de vervolgingen en samen met deze.65 Er is dus een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest»66 af te wachten én het cassatieberoep moet ook tegen dat eindvonnis of -arrest zijn gericht.

c) Derde visie: een eindbeslissing waarop de beslissing alvorens recht te spreken betrekking had

20. Een derde visie begrijpt «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. als een eindbeslissing die verband houdt met de beslissing alvorens recht te spreken. Tegen een beslissing alvorens recht te spreken staat pas cassatieberoep open nadat een eindbeslissing is geveld over een geschilpunt waaromtrent de beslissing alvorens recht te spreken draaide. Bij het Hof is alsdan maar te klagen over een inwilligende beslissing alvorens recht te spreken, zoals de aanstelling van een deskundige of een voorlopige regeling van de situatie van de partijen, eenmaal de rechter heeft beslist over een geschilpunt waaromtrent de deskundige advies moest geven, respectievelijk de rechter de situatie van de partijen definitief regelt. Bij afwijzende beslissingen alvorens recht te spreken, zoals wanneer de rechter oordeelt dat een deskundigenonderzoek niet opportuun is, staat cassatieberoep maar open nadat de rechter oordeelde over een geschilpunt waarvoor een partij de deskundige wou raadplegen.

21. Deze visie kent het minste weerklank, maar is daarom niet minder interessant. In 1981 valt bij Cambier een spoor van deze visie te vinden: «L’article 1077 énonce que le recours n’est ouvert contre les jugements d’avant dire droit qu’après le jugement définitif. Les illégalités entachant les mesures préparatoires trouveront leur sanction dans les effets qu’elles auront produits sur la décision qui s’en autorise.» De auteur preciseerde dat «l’illégalité commise sera sans sanction si le jugement d’avant dire droit qui en est affecté n’a point eu d’effet sur la décision définitive».67

De idee dat een verbreking door het Hof van Cassatie (als «sanction») maar denkbaar is als de beslissing alvorens recht te spreken een eindbeslissing heeft beïnvloed, komt ook, al is het maar in embryonale fase, bij meer recente auteurs aan de oppervlakte. Zo merken Vanlerberghe en Verbist op dat het Hof met «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. wel eens zou kunnen bedoelen «elk vonnis dat werd gewezen na de uitvoering van het vonnis alvorens recht te doen en dat een eindbeslissing bevat over de ontvankelijkheid of over de gegrondheid».68 Vanlerberghe schrijft elders suggestief dat «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. kan worden begrepen als «het vonnis waarin kennisgenomen wordt van de resultaten van de onderzoeksmaatregel».69 Daarmee vernauwen deze auteurs in het raam van artikel 1077 Ger.W. het nochtans brede begrip «eindbeslissing» uit artikel 19, eerste lid, Ger.W.70, zonder evenwel al zo ver te gaan dat de relevante eindbeslissing voor artikel 1077 Ger.W. enkel deze is die verband houdt met de eerder uitgesproken voorafgaande maatregel.

22. Voorts lijkt een cassatiearrest van 4 april 1975, mogelijk onbedoeld, bij deze visie aan te knopen. Het Hof oordeelde dat een cassatieberoep, enkel gericht tegen de beslissing alvorens recht te spreken uit een gemengd vonnis, onontvankelijk was omdat tegen dergelijke beslissing alvorens recht te spreken cassatieberoep enkel openstaat «na de eindbeslissing» (mijn onderlijning).71 Er lag dus al «een» eindbeslissing voor, maar niet «de» eindbeslissing (wat deze uitspraak anders maakt dan de uitspraken aangehaald bij de eerste visie onder a), waar nog geen eindbeslissingen voorlagen).

d) Evaluatie van de keuze van het Hof voor de derde visie

23. In het hoger vermelde arrest van 19 februari 2026 staat het Hof expliciet de derde visie voor, terwijl het de twee andere visies verwerpt: «tegen een beslissing alvorens recht te spreken [staat] niet onmiddellijk cassatieberoep open, doch slechts na een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had. Dergelijk cassatieberoep is niet afhankelijk van een vonnis waarmee de rechter het gehele voor hem hangende geschil beslecht zodat zijn rechtsmacht over het gehele geschil is uitgeput, noch van een cassatieberoep tegen een dergelijk vonnis of van een cassatieberoep tegen de vermelde eindbeslissing.»

24. Niet alleen is dit standpunt van het Hof te rijmen met het merendeel van zijn rechtspraak, maar ook verdient het standpunt van het Hof bijval om twee redenen, een eerste omtrent de proceseconomische beweegredenen van de wetgever, een tweede omtrent de coherentie binnen het Ger.W.

25. Vooreerst is de gekozen derde visie, in tegenstelling tot de eerste visie, compatibel met de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat bij een gemengd vonnis een cassatieberoep enkel openstaat tegen de erin vervatte eindbeslissing, maar voorbarig is in zoverre het tegen de erin vervatte beslissing alvorens recht te spreken is gericht. In elk van deze cassatiearresten stonden de aangevochten eindbeslissingen los van de eveneens bekritiseerde beslissing alvorens recht te spreken.72

26. Voorts beoogde de wetgever met het uitgestelde cassatieberoep om het voorbarig instellen van rechtsmiddelen te beperken.73 De wetgever streefde aldus een verantwoorde proceseconomie na.

De eerste visie past moeilijker in dat doel dan de derde visie. «Een» eindbeslissing volstaat voor de eerste visie, terwijl een welbepaalde eindbeslissing voor de derde visie is vereist. Alzo zet de eerste visie de deur naar het Hof van Cassatie erg wijd open, zelfs wijder open dan de deur naar het hof van beroep (of een andere beroepsinstantie) aangezien cassatieberoep dan mogelijk is «na» een dergelijke eindbeslissing, terwijl hoger beroep ook tegen die eindbeslissing moet zijn gericht («samen met»).74 Was dat de bedoeling van de wetgever? Bovendien valt te argumenteren dat een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken in vele gevallen voorbarig aanvoelt als er nog geen zicht is op een resultaat van die beslissing alvorens recht te spreken, geconcretiseerd in een eindbeslissing daaromtrent. Die voorbarigheid werkt door op de proceseconomie. Het is minder proceseconomisch om een cassatieberoep toe te laten tegen een beslissing alvorens recht te spreken zodra «een eindbeslissing» voorligt, zonder dat al is geweten waartoe die beslissing alvorens recht te spreken heeft bijgedragen of wat de uiteindelijke uitkomst ervan is. Eigen aan een beslissing alvorens recht te spreken is immers dat de rechter op die beslissing kan terugkomen en ze kan wijzigen.75 Ook vormt bijvoorbeeld het resultaat van een deskundigenonderzoek enkel een advies voor de rechter.

Daartegenover staat dat de tweede visie waarbij het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»76 af te wachten is, de deur naar het Hof enigszins té veel sluit, zonder dat daarvoor werkelijk een goede reden te geven is. Het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest» komt er mogelijk pas lang na de eindbeslissing over het geschilpunt waaromtrent de beslissing alvorens recht te spreken draaide. De onwettigheden, om het met Cambier te zeggen, zijn met de eindbeslissing in een tussenvonnis al aan het licht gekomen, maar je kan er nog niet tegen handelen («sanctionner»), je moet wachten tot het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest».77 Proceseconomisch is dat niet, althans minder dan bij toepassing van de derde visie.

Aldus kan de derde visie zich het best inpassen in de bedoeling van de wetgever om de deur naar het Hof van Cassatie ietwat te sluiten, zonder evenwel die deur te zeer dicht te doen. Een cassatieberoep toelaten tegen een beslissing alvorens recht te spreken waarvan is geweten dat ze op een eindbeslissing heeft doorgewerkt, lijkt geen (te) voorbarig cassatieberoep. Ook naar proceseconomie toe is het verantwoord om een cassatieberoep toe te laten tegen een beslissing alvorens recht te spreken nadat een eindbeslissing steunend op die beslissing alvorens recht te spreken is genomen. Enerzijds wordt een onnodig (vroeg) cassatieberoep vermeden (niet zo in de eerste visie), anderzijds wordt een partij geen onnodige wachttijd voor in cassatie te komen opgedrongen (wel in de tweede visie).

27. Tot slot iets over coherentie, enerzijds binnen artikel 1077 Ger.W., anderzijds binnen het ruimere Ger.W.

De derde visie schept binnen artikel 1077 Ger.W. een coherentie, wat de tweede visie niet doet. Artikel 1077 Ger.W. heeft het over «vonnissen» alvorens recht te doen en «het eindvonnis». De derde visie leest «vonnis» in beide gevallen als «beslissing», terwijl de tweede visie hier een onderscheid maakt. In de tweede visie is een «vonnis alvorens recht te doen» een «beslissing alvorens recht te spreken», terwijl «het eindvonnis» het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest» is.

Daarnaast vaart de coherentie van het begrip «eindvonnis» uit de artikelen 19, eerste lid, 1050, tweede lid, en 1077 Ger.W. beter bij de derde dan bij de tweede visie. Het woord «eindvonnis» uit artikel 19, eerste lid, Ger.W. is te verstaan als «eindbeslissing». In de derde visie verwijst «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. naar een eindbeslissing waaromtrent de beslissing alvorens recht te spreken draaide. Het gaat al minstens om een «eindbeslissing», verschillend van het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»78 in de tweede visie. Niettemin krijgt die eindbeslissing een toch ietwat andere invulling dan «het eindvonnis» in artikel 1050, tweede lid, Ger.W., te weten «een eindbeslissing», ongeacht welke.79 Het voordeel ten aanzien van de tweede visie is dus dat het begrip «eindvonnis» in de derde visie minstens naar een «eindbeslissing» verwijst. De terminologische kloof met artikel 1050, tweede lid, Ger.W. is alzo minder groot. Anders gezegd, de derde visie weegt minder dan de tweede visie door op het verschil tussen de uitgestelde appellabiliteit (artikel 1050, tweede lid, Ger.W.) enerzijds en het uitgestelde cassatieberoep (artikel 1077 Ger.W.) anderzijds.

Bovendien hoeft er geen een-op-een-coherentie te zijn omtrent het gebruik van het begrip «eindvonnis» in artikel 1050, tweede lid, Ger.W. en artikel 1077 Ger.W. Beide wetsbepalingen verschillen sowieso. De incoherentie tussen de wetsbepalingen wat het begrip «eindvonnis» betreft, is dan te bezien tegen de achtergrond van hun ander verschilpunt. Hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te spreken moet plaatsvinden «samen met» een hoger beroep tegen «een eindbeslissing», wat niet is vereist voor een cassatieberoep tegen zo’n beslissing alvorens recht te spreken. Gelet op dit verschilpunt lijkt het verantwoord om, vanuit de hoger vermelde beweegreden van de wetgever, voor een cassatieberoep de drempel van een bijzondere welbepaalde eindbeslissing in te bouwen, zonder die vereiste te stellen bij het uitgesteld hoger beroep.

3) Besluit

28. Het Hof herhaalt in zijn arrest van 19 februari 2026 vooreerst zijn gekende standpunt dat tegen een eindbeslissing onmiddellijk cassatieberoep openstaat, ongeacht of die beslissing in een «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest» prijkt, dan wel in een tussenvonnis of -arrest staat. Om cassatieberoep tegen een eindbeslissing in een tussenvonnis of -arrest in te stellen, is niet het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest» af te wachten.

29. Interessanter is de keuze van het Hof wat betreft de mogelijkheid om tegen een beslissing alvorens recht te spreken een cassatieberoep in te stellen. Het Hof kiest voor de minst bekende visie op artikel 1077 Ger.W. Onbekend maakt daarom niet onbemind. De keuzes van het Hof verdienen immers bijval.

Ten eerste is het taalkundig correcter en dus meer rechtszeker om het woord «na» uit artikel 1077 Ger.W., bij gebrek aan tegenindicatie, zijn gebruikelijke betekenis te geven. Een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken is «niet afhankelijk» van een cassatieberoep tegen «het eindvonnis».

Ten tweede kent de beslissing van het Hof om «het eindvonnis» uit artikel 1077 Ger.W. te begrijpen als «een eindbeslissing over een geschilpunt waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had» meerdere voordelen, afgewogen tegen de andersluidende visies waarbij «het eindvonnis» hetzij «een eindbeslissing», hetzij het «daadwerkelijke eindvonnis of -arrest»80 is. De visie van het Hof komt, meer dan de andere visies, tegemoet aan niet alleen de bedoeling van de wetgever met het uitgestelde cassatieberoep tegen beslissingen alvorens recht te spreken, maar ook de proceseconomie en de coherentie. Het merendeel van de bestaande cassatierechtspraak staat er evenmin aan in de weg.

30. De keuze van het Hof om een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken slechts mogelijk te maken na een eindbeslissing waarop die beslissing alvorens recht te spreken betrekking had, werkt door op andere wetsbepalingen.

Voor de hand ligt het dat bij toepassing van artikel 1082, derde lid, Ger.W. een eerder als voorbarig afgewezen cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken kan worden herhaald «na het eindvonnis», te weten nadat een eindbeslissing is geveld die steunt op de beslissing alvorens recht te spreken.

Daarnaast is aan artikel 1073, eerste lid, Ger.W. te denken. Volgens die wetsbepaling loopt de cassatietermijn van drie maanden «te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid». Die wetsbepaling moet een opening laten om de cassatietermijn betreffende een beslissing alvorens recht te spreken te doen lopen door een betekening van een tussenvonnis waarin een eindbeslissing staat die voortbouwt op die beslissing alvorens recht te spreken.

31. Tot slot roept de keuze van het Hof ook vragen op. Zo rijst de vraag of een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken enkel openstaat zodra de eerste eindbeslissing valt, steunend op de beslissing alvorens recht te spreken, dan wel of bij elke mogelijke eindbeslissing die op deze beslissing alvorens recht te spreken steunt, of nog bij enkel een laatste dergelijke eindbeslissing een nieuw cassatieberoep mogelijk is. Met Cambier in het achterhoofd, lijkt het antwoord te zijn dat bij elke eindbeslissing en niet enkel bij de eerste of de laatste eindbeslissing een cassatieberoep openstaat tegen de aan de basis ervan liggende beslissing alvorens recht te spreken. Met (doch niet «samen met») elke dergelijke eindbeslissing zou alsdan de onwettigheid waarmee de beslissing alvorens recht te spreken is aangetast, aan het Hof kunnen worden voorgelegd.

1  Cass. 19 februari 2026, AR nr. C.24.0332.N (het Hof kwalificeert vervolgens de beslissing van de appelrechter als een eindbeslissing zodat de voorwaardelijke afstand van het cassatieberoep niet kan worden aangenomen).

2  Het onderscheid tussen een beslissing alvorens recht te spreken en een eindbeslissing staat de voorbije jaren in het middelpunt van de procesrechtelijke belangstelling. Stapsgewijs klaart het Hof van Cassatie de materie uit. Deze bijdrage beoogt niet de reeds gegeven uitklaring te omschrijven of verdere klaarheid te bieden.Zie de volgende voetnoot voor enkele relevante cassatiearresten en hierna voor enkele auteurs in de materie: Allemeersch B., Broeckx K., Closset-Marchal G., De Leval G., Delvaux M.-A., Georges F., Hoc A., Menetrey S., Mougenot D., Taelman P., Thiriar P., Van Compernolle J., Vandenbussche W., Van Doninck J., Van Drooghenbroeck J.-F., Van Orshoven P. en Voet S., ««Un arrêt sans dire droit» (noot onder Cass. 3 december 2020)», JT 2021, 100-102; de Potter de ten Broeck M. en Van Severen C., «Eerherstel voor de beslissing alvorens recht te doen (noot onder Cass. 11 juni 2021)», RW 2021-22, 506-512; Eloy G. en De Houck R., «L’appel différé des jugements avant dire droit: errements passagers de la Cour de Cassation ou cote mal taillé?» in Boularbah H., Georges F. en Van Drooghenbroeck J.-F. (eds.), Questions qui dérangent en droit judiciaire, Anthemis, 2021, 179-242; Thiriar P., «Hoger beroep tegen een maatregel alvorens recht te spreken - cassatie contra legem (noot onder Cass. 11 juni 2021)», NJW 2022, 319-320; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Babylonische spraakverwarringen in het gerechtelijk recht. Pleidooi voor een definiëring van de begrippen eindvonnis, eindbeslissing, beslissing alvorens recht te doen, maatregel van inwendige aard» in Alofs E., Byttebier K., Goossens E. en Van Doninck J. (eds.), Redelijk eigenzinnig ..., Knops Publishing, 2023, 949-965; Van Severen C. en de Potter de ten Broeck M., «De kwalificatie van rechterlijke beslissingen in het burgerlijk proces: uiteindelijk beslist?» in Vandenbussche W., Broeckx K., Lust S., Krans B. en Voet S. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Kluwer, 2025, 239-262.

3  Cass. 19 februari 2026, AR nr. C.24.0332.N; Cass. 16 januari 2025, AR nr. F.24.0020.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250116.1F.1, JT 2025, 675, TBO 2024, 213, noot Thiriar P. en P&B 2025, 85; Cass. 18 oktober 2024, AR nr. C.20.0340.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.4; Cass. 19 september 2024, AR nr. C.23.0404.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240919.1F.2, JT 2024, 579, noot; Cass. 20 januari 2023, AR nr. C.22.0194.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.6, RW 2022-23, 1234, noot en Soc.Kron. 2023, 242; Cass. 16 september 2022, AR nr. C.22.0035.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10, JT 2023, 322, RABG 2022, 1194, noot Sonck S. en TRV 2023, 160, noot Deferme D. en Verhulst M.; Cass. 16 september 2022, AR nr. C.21.0405.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9, concl. Mortier R., JT 2023, 319, RABG 2022, 1196, noot Sonck S., RABG 2023, 69 en P&B 2023, 15; Cass. 11 juni 2021, AR nr. C.17.0412.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9, JT 2021, 745, noot Dejemeppe B., JLMB 2022, 72, NJW 2022, 317, noot Thiriar P., RABG 2021, 1334, noot Govaerts M., RABG 2021, 1515, concl. Mortier R., noot Sonck S., RCJB 2022, 193, noot Hoc A., RW 2021-22, 505, noot de Potter de ten Broeck M. en Van Severen C., TBH 2021, 658 en VAV 2021, 24; Cass. 12 februari 2021, AR nr. C.20.0048.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, concl. Mortier R., JT 2021, 182, noot, RABG 2021, 490, RW 2022-23, 109, concl. Mortier R., noot, TBBR 2023, 215, TBO 2021, 41, noot Thiriar P. en P&B 2021, 74.

4  Hieraan zou kunnen worden toegevoegd dat de beslissing niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering mag betreffen, zoals het Hof van Cassatie in het arrest van 19 februari 2026 herhaalt. Doch, daarover valt te discussiëren. Zie hiervoor nader: Van Severen C. en de Potter de ten Broeck M., «De kwalificatie van rechterlijke beslissingen in het burgerlijk proces: uiteindelijk beslist?» in Vandenbussche W., Broeckx K., Lust S., Krans B. en Voet S. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Kluwer, 2025, i.h.b. 259-261.

5  Hoewel dit niet met zoveel woorden tot uiting komt in de tekst van artikel 19, derde lid, Ger.W., ligt een beslissing alvorens recht te spreken voor ongeacht of de rechter de gevorderde voorafgaande maatregel beveelt of weigert (zie over de beslissing tot afwijzing van een onderzoeksmaatregel: Cass. 22 maart 1982, Arr.Cass. 1981-82, 910; Mortier R., «Conclusie bij Cass. 16 september 2022, C.21.0405.N», ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9, nr. 2.2; Van Drooghenbroeck J.-F. en Hoc A., «L’appel en hochepot (pourri)», JT 2019, 784).

6  Cass. 16 oktober 2017, AR nr. C.16.0222.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.4, JTT 2017, 465 en RW 2018-19, 144, noot.

7  Artikelen 870-1016bis Ger.W.

8  Cass. 16 oktober 2017, AR nr. C.16.0222.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.4, JTT 2017, 465 en RW 2018-19, 144, noot.

9  Cass. 4 november 2005, AR nr. C.04.0074.F en C.04.0089.F, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051104.19, Arr.Cass. 2005, 2114 en Pas. 2005, 2107; Cass. 2 april 1990, Arr.Cass. 1990-91, 1013 en Pas. 1990, 896, concl. Leclercq J.-F.; Cass. 4 februari 1972, Arr.Cass. 1972, 528 en Pas. 1972, 524.

10  Cass. 16 januari 2025, AR nr. F.24.0020.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250116.1F.1.

11  Vanlerberghe B., «De appellabiliteit van beslissingen tot aanstelling van een deskundige en van beslissingen genomen in het kader van een deskundigenonderzoek» in Carette N. en Weyts B. (eds.), Verantwoord aansprakelijkheidsrecht. Liber Amicorum Aloïs Van Oevelen, Intersentia, 2017, 571-586.

12  Zo’n provisie is niet te verwarren met de (eind)beslissing die, na vaststelling van aansprakelijkheid, een definitief verworven voorschot toekent op een nog nader te begroten schadevergoeding; zie hierover: Mortier R., «Conclusie bij Cass. 11 juni 2021, C.17.0412.N», ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9, nr. 2.2.

13  Cass. 18 december 2013, AR nr. P.13.0104.F, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131218.1, Arr.Cass. 2013, 2804, Pas. 2013, 2648 en P&B 2014, 141; Cass. 13 februari 1978, Arr.Cass. 1978, 701 en RW 1978-79, 1179; Allemeersch B., Broeckx K., Closset-Marchal G., De Leval G., Delvaux M.-A., Georges F., Hoc A., Menetrey S., Mougenot D., Taelman P., Thiriar P., Van Compernolle J., Vandenbussche W., Van Doninck J., Van Drooghenbroeck J.-F., Van Orshoven P. en Voet S., ««Un arrêt sans dire droit» (noot onder Cass. 3 december 2020)», JT 2021, 100; De Page H., Les obligations: traité élémentaire de droit civil III, Bruylant, 1967, 988; Lindemans D., «Voorlopige maatregelen door de rechter ten gronde: art. 19 Ger.W.», TBH 1989, 226; Taelman P., Van Doninck J. en Vandenbussche W., «Geen vreemden voor elkaar: invloed van de doctrine op de cassatierechtspraak in het civiel procesrecht» in Mortier R., Couwenberg I., Ernotte M.-C. en Inghels B. (eds.), Het Hof van Cassatie in dialoog: liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier-Intersentia, 2024, 981-982; Taelman P., «Potpourri en de burgerlijke rechtspleging» in Vanbiervliet W. (ed.), De Pot-pourriwetten. Een eerste evaluatie van de waaiers aan quick wins, reparaties en grondslagen voor organisatorische vernieuwingen, Larcier, 2017, 23; Taelman P., Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Kluwer, 2001, 41 en 106; Van Drooghenbroeck J.-F. en Hoc A., Droit judiciaire, Larcier-Intersentia, 2024, 290; Van Severen C. en de Potter de ten Broeck M., «De kwalificatie van rechterlijke beslissingen in het burgerlijk proces: uiteindelijk beslist?» in Vandenbussche W., Broeckx K., Lust S., Krans B. en Voet S. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Kluwer, 2025, 242.

14  Voor zover het geschilpunt niet wordt beslecht in het raam van een vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel, omdat het dan een beslissing alvorens recht te spreken is (of blijft).

15  Bv. Cass. 13 december 2019, AR nr. C.19.0054.F, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9, JT 2021, 53, noot Malengreau T. en Van Drooghenbroeck J.-F.; Cass. 14 juni 2018, AR nr. C.17.0595.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180614.5, RW 2018-19, 1261 en P&B 2018, 200; Cass. 12 juni 2014, AR nr. C.13.0465.N, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140612.8, Arr.Cass. 2014, 1473 Cass. 8 oktober 2001, AR nr. S.00.0113.F, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18, Arr.Cass. 2001, 1661; Dauw E. en Taelman P., «Capita selecta van de civiele rechtspleging» in Claeys I. (ed.), Recente wetgevende hervormingen: nieuw en beter?, Kluwer, 2021, 445.

16  Zie evenwel de verwarring die het Hof van Cassatie over het begrip geschilpunt schept door in zijn rechtspraak over het onderscheid tussen een beslissing alvorens recht te spreken en een eindbeslissing sinds een arrest van 16 september 2022 (Cass. 16 september 2022, AR nr. C.22.0035.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10, JT 2023, 322, RABG 2022, 1194, noot Sonck S. en TRV 2023, 160, noot Deferme D. en Verhulst M.) te oordelen dat een rechter die beslist over een nochtans betwiste voorafgaande maatregel «geen geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek (beslecht). Hij beoordeelt enkel, alvorens enig geschilpunt te beslechten, de vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel». Die rechter beoordeelt evenwel in elk geval een geschilpunt, alleen beslecht hij dat punt niet definitief (want anders zou een eindbeslissing voorliggen).Zie hierover: Van Severen C. en de Potter de ten Broeck M., «De kwalificatie van rechterlijke beslissingen in het burgerlijk proces: uiteindelijk beslist?» in Vandenbussche W., Broeckx K., Lust S., Krans B. en Voet S. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Kluwer, 2025, 258-259.Over het begrip geschilpunt valt bovendien nog wel wat meer te zeggen, bv.: Taelman P., «Potpourri en de burgerlijke rechtspleging» in Vanbiervliet W. (ed.), De Potpourri-wetten: een eerste evaluatie van de waaiers aan quick wins, reparaties en grondslagen voor organisatorische vernieuwingen, Larcier, 2017, 23.

17  Cass. 19 februari 2018, AR nr. S.17.0052.F, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180219.3, JLMB 2018, 1340, noot Georges F.; kritisch hierover: Englebert J. en Taton X., Droit du procès civil, II, Anthemis, 2019, 523, nr. 839; Georges F., ««Référé à justice» et recevabilité de l’action: question litigieuse ou singulière prime à la paresse? (noot onder Cass. 19 februari 2018)», JLMB 2018, 1344-1345.

18  Cass. 2 januari 2003, AR nr. C.02.0269.F, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030102.1, Pas. 2003, 3; Cass. 9 maart 1993, Arr.Cass. 1993, 271; Cass. 7 januari 1983, 3579, Arr.Cass. 1982-83, 587 en Pas. 1983, 532.

19  De Leval G. (ed.), Droit judiciaire - Tome 2. Procédure civile - Volume 2: Voies de recours, Larcier, 2021, 39; Parmentier C., Comprendre la technique de cassation, Larcier, 2011, 33.

20  Cass. 25 maart 2010, AR nr. C.08.0392.N, onuitg.: «(...) dat het eindvonnis (in de zin van artikel 19, eerste lid Ger.W.) niet noodzakelijk een definitieve beslechting van het gehele geschil inhoudt maar dat het volstaat dat het vonnis een geschilpunt heeft beslecht».

21  Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 5.

22  Van Reepinghen C., Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, Belgisch Staatsblad, 1964, 49.

23  Artikel 24 Ger.W.: «Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak».

24  Dit geldt, volgens artikel 19, tweede lid, Ger.W., «behoudens de bij dit Wetboek bepaalde uitzonderingen», wat doelt op de mogelijkheid voor de rechter om zijn eerder gewezen beslissingen uit te leggen, te verbeteren en te herstellen (zie art. 793-801bis Ger.W.). Nochtans verlenen deze correctiemogelijkheden aan de rechter slechts een zeer beperkte rechtsmacht, zodat ze niet kunnen worden beschouwd als een daadwerkelijke uitzondering op het beginsel van uitputting van rechtsmacht (zie hierover: Van Severen C., «Inleidende commentaar bij de artikelen 793-801bis Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, losbl., 2025, 2-6).

25  Berneman S., «Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 125-126.

26  Artikel 1017, eerste lid, Ger.W.; Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 5.

27  Bv. Closset-Marchal G. en Van Drooghenbroeck J.-F., Les voies de recours en droit judiciaire privé, Bruylant, 2009, 175; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 268.

28  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

29  Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 10; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 268.

30  Cass. 17 februari 1977, Pas. 1977, 651 (impliciet); Berneman S., «Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 126; Gerard P., Boularbah H. en Van Drooghenbroeck J.-F., Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 165.

31  Derijcke W., «Quelques informations pratiques sur le pourvoi en cassation en matière civile (et disciplinaire)» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 237.

32  Artikel 608 Ger.W.; Cass. 13 september 2010, AR nr. S.09.0100.F, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100913.2, Arr.Cass. 2010, 2170, Pas. 2010, 2251 en Soc.Kron. 2011, 211; Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 10; Berneman S., «Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 123-125; Gerard P., Boularbah H. en Van Drooghenbroeck J.-F., Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 164; Parmentier C., Comprendre la technique de cassation, Larcier, 2011, 32; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 267-268.

33  Artikel 1082, tweede lid, Ger.W.: «Na de uitspraak op een vordering tot cassatie staat tegen dezelfde beslissing geen voorziening meer open voor de partij die haar heeft ingesteld, ook al beweert zij nieuwe middelen te kunnen aanvoeren, zelfs ten aanzien van de punten die in de eerste voorziening niet zijn bestreden».De «beslissing» uit artikel 1082, tweede lid, Ger.W. lijkt (in samenhang gelezen met het eerste lid van die wetsbepaling en de inhoud van het daar gehanteerde begrip «punt») te verwijzen naar het vonnis of arrest in zijn geheel, niet naar de specifiek bestreden eindbeslissing. Een tweede voorziening tegen eenzelfde vonnis of arrest, ook al viseert de eiser andere beslissingen eruit dan in de eerste voorziening, zal in de regel niet ontvankelijk zijn. Zie ook: Baudoncq F., «Art. 1082 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 4-13; Blockx F., «Het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Handboek burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2025, 1071; Gerard P., Boularbah H. en Van Drooghenbroeck J.-F., Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 167-168.

34  Zie ook artikel 1076 Ger.W.: «Ten aanzien van de niet verschenen partij loopt de termijn eerst vanaf de dag waarop verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar is.»Tegen een verstekvonnis kan de niet-verschenen partij maar cassatieberoep aantekenen nadat de termijn voor verzet is verstreken. Een andere partij kan evenwel tegen een eindbeslissing in het verstekvonnis onmiddellijk cassatieberoep instellen. Zie hierover: Baudoncq F., «Art. 1076 Ger.w.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 2-4; Mosselmans S., «Verstek en verzet in het civiele geding» in APR, Kluwer, 2022, 232-234.

35  Cass. 25 februari 2011, AR nr. C.10.0470.N, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110225.2, Arr.Cass. 2011, 644, Pas. 2011, 667 en Rev.trim.dr.fam. 2011, 705 («Tegen de in laatste aanleg gewezen beslissing op eenzijdig verzoekschrift, kunnen enkel de verzoeker en de eventueel tussengekomen partijen cassatieberoep instellen»); Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 10; Berneman S., «Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 126; Gerard P., Boularbah H. en Van Drooghenbroeck J.-F., Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 166-167; Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA, 2024, 729-730; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 268.

36  Artikel 1050, tweede lid, Ger.W. en artikel 1055 Ger.W. worden eenzelfde draagwijdte toegedicht: Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA, 2024, 656 en 662.

37  Vgl. Cass. 9 september 2024, AR nr. C.23.0168.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.5, JT 2025, 500, RABG 2025, 215, RW 2024-25, 302, noot en P&B 2024, 160.

38  Krings E., concl. voor Cass. 24 december 1987, Pas. 1988, 506.

39  Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3337/001, 32.

40  Zie ook: Raad van State, Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, 14 (Wetgevingstechniek - Definitieve versie 20-03 (1).pdf, geconsulteerd op 6 maart 2026).

41  Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 12; Sobrie S., «Rechtsmiddelen» in Focus op het recht, Kluwer, 2022, 506.Minder duidelijk, doch wel in terminologie: Parmentier C., Comprendre la technique de cassation, Larcier, 2011, 33 («qu’après»).

42  Sobrie S., «Rechtsmiddelen» in Focus op het recht, Kluwer, 2022, 510.

43  Baudoncq F., «Art. 1121/1-1121/6 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 11-12; Sobrie S., «Rechtsmiddelen» in Focus op het recht, Kluwer, 2022, 550.Zie ook: Van Den Bergh B., «Notarieel tucht(proces)recht in hoofdlijnen» in Hofstrossler P., Slabbaert K. en Van Den Bergh B. (eds.), Tuchtrecht voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen, Intersentia, 2019, 98-99 (die in voetnoot 372 opsomt op welke punten de cassatieprocedure in tuchtzaken afwijkt van de gemeenrechtelijke cassatieprocedure, zonder daarbij te vermelden dat artikel 1121/4 Ger.W. (woordelijk) afwijkt van artikel 1077 Ger.W.).Anderen schrijven bij de bespreking van de gelijkenissen van de cassatieprocedure in tuchtzaken met de gemeenrechtelijke cassatieprocedure dat artikel 1121/4 Ger.W. «zoals artikel 1077» cassatieberoep slechts toelaat «samen met» het cassatieberoep tegen de eindbeslissing, waardoor de verwarring compleet is: Maes B., «De cassatieprocedure in civiele zaken en in tuchtzaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 306; Maes B., «De nieuwe regels van het cassatieberoep in strafzaken, civiele zaken en in tuchtzaken» in Cahiers Antwerpen Brussel Gent, Larcier, 2015, 53.

44  Vgl. Van Den Bergh B., «Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken» in APR, Kluwer, 2019, 445.

45  Closset-Marchal G. en Van Droogenbroeck J.-F., Les voies de recours en droit judiciaire privé, Bruylant, 2009, 175-177; Dauw P. en Voet S., «Gerechtelijk recht kroniek 2007-2008. Rechtspraakoverzicht Hof van Cassatie (1 september 2007 - 30 september 2008)», NJW 2008, 904; De Leval G., «La requête» in De Leval G. (ed.), Droit judiciaire, 2, Procédure civile, 2, Voies de recours, Larcier, 2021, 149; Derijcke W., «Quelques informations pratiques sur le pourvoi en cassation en matière civile (et disciplinaire)» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 237, voetnoot 10; Dumon F., «Artikel 1077 Ger.W.» in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk wetboek, Kluwer, 1987, 4; Englebert J., Baetens-Spetschinsky, De Lophem E., Laune F., Taton X., Eloy G., Lenaerts J.-S., Lejeune F., Berwette M., Biart J. en Panepinto L., Droit du procès civil, 3, Anthemis, 2022, 214; Gerard P., Boularbah H. en Van Drooghenbroeck J.-F., Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 165; Gerard P. en Gregoire M., «Introduction à la méthode de la Cour de cassation», Rev.dr.ULB 1999, 118-119; Parmentier C., Comprendre la technique de cassation, Larcier, 2011, 32-33; Wagner K., Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2014, 339-340.

46  Zie randnummer 2 voor de omschrijvingen van eindbeslissing en «daadwerkelijk eindvonnis of -arrest».

47  Sobrie S., «Art. 19 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2019, 9.

48  Cass. 18 oktober 2024, AR nr. C.20.0340.N, onuitg.; Cass. 20 januari 2023, AR nr. C.22.0194.N, RW 2022-23, 1234, noot en Soc.Kron. 2023, 242; Cass. 16 september 2022, AR nr. C.21.0405.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9, concl. Mortier R., JT 2023, 319, RABG 2022, 1196, noot Sonck S., RABG 2023, 69 en P&B 2023, 15; Cass. 16 september 2022, AR nr. C.22.0035.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10, JT 2023, 322, RABG 2022, 1194, noot Sonck S., TRV 2023, 160, noot Deferme D. en Verhulst M.

49  Bv. Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA, 2024, 659-660; Laenens J., Scheers D., Thiriar P., Rutten S. en Vanlerberghe B., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2019, 732; Van Drooghenbroeck J.-F. en Hoc A., Droit judiciaire, Larcier-Intersentia, 2024, 390.

50  Cass. 6 februari 1930, Pas. 1930, 101.

51  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

52  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

53  Cass. 19 februari 2010, AR nr. C.08.0127.F, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100219.4, Arr.Cass. 2010, 477, Pas. 2010, 499, RW 2011-12, 742, noot en TBO 2011, 26; Cass. 2 december 1994, AR nr. F.93.0003.N, Arr.Cass. 1994, 1042; Cass. 15 februari 1990, AR nr. F.1040.F, Arr.Cass. 1989-90, 781; Cass. 22 maart 1982, Arr.Cass. 1981-82, 910.

54  Zie randnummer 2 voor meer duiding bij een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest.

55  Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 11-12; Taelman P., Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Kluwer, 2001, 139, voetnoot 564; Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 277.

56  Expliciet: Cass. 19 november 2001, AR nr. S.00.0126.F, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011119.5, Arr.Cass. 2001, 1962; Cass. 24 december 1987, Arr.Cass. 1987-88, 542, JLMB 1988, 242 en Pas. 1988, 505, concl. Krings E.Vgl. Cass. 8 februari 2021, AR nr. C.18.0464.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.6, RW 2020-21, 1372; Cass. 21 april 2016, AR nr. C.15.0142.N, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7, RW 2016-17, 896; Cass. 24 oktober 2013, AR nr. C.12.0295.N - C.12.0446.N, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.4, Arr.Cass. 2013, 2214, APT 2014, 92, OoO 2014, 371, Pas. 2013, 2034, T.Aann. 2014, 154, noot Michel N. en TBO 2014, 17; Cass. 19 februari 2010, AR nr. C.08.0127.F, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100219.4, Arr.Cass. 2010, 477, Pas. 2010, 499, RW 2011-12, 742, not en TBO 2011, 26; Cass. 13 februari 1978, Pas. 1978, 682; Cass. 4 februari 1972, Arr.Cass. 1972, 528.

57  Berneman S., «Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep in burgerlijke zaken» in Maes B. (ed.), De cassatieberoepen, Intersentia, 2024, 127; Sobrie S., «Rechtsmiddelen» in Focus op het recht, Kluwer, 2022, 506.

58  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

59  Baudoncq haalt ook een cassatiearrest van 11 juni 1982 (Cass. 11 juni 1982, Arr.Cass. 1981, 1255, JT 1983, 235, noot Glansdorff F., Pas. 1982, 1171, RCJB 1985, 371, noot Moreau-Margreve I., Rec.gén.enr.not. 1983, 266, Rev.not.b. 1983, 194, RW 1983-84, 1548 en TBH 1983, 339) aan om te besluiten dat het Hof daarin aangeeft dat «de eindbeslissing over de zaak zelf» af te wachten is (Baudoncq F., «Art. 1077 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2017, 11). Het is evenwel precair om dit uit dat cassatiearrest af te leiden. Het Hof preciseert er dat een tussenarrest zowel een eindbeslissing als een beslissing alvorens recht te spreken inhield, waarbij die laatste beslissing duidelijk voortbouwt op de eerste beslissing, en niet omgekeerd. Het Hof stelt vervolgens vast dat er een eindarrest is «dat als gevolg en op grond van de beslissingen van het eerste arrest, over de zaak zelf uitspraak doet». Aangezien dat eindarrest was betekend, was het cassatieberoep tegen de beslissing alvorens recht te spreken uit het niet betekende tussenarrest tijdig en ontvankelijk. Deze beslissing van het Hof geeft niet ondubbelzinnig uitdrukking aan het standpunt dat een daadwerkelijk eindarrest zou zijn af te wachten vooraleer cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te spreken in te stellen valt. In de voorliggende zaak was het nu toevallig een eindarrest, dat, zoals het Hof ook stelt, voortbouwt op de beslissing alvorens recht te doen («op grond van de beslissingen van het eerste arrest»). Hierin valt misschien eerder een zweem van de derde visie te ontwaren?

60  Cass. 4 november 1976, Arr.Cass. 1976-77, 258.

61  Cass. 11 september 2020, AR nr. C.19.0422.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.4, RABG 2020, 1557, noot Idomon C. en RW 2023-24, 461, concl. Mortier R.

62  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

63  Van Reepinghen C., Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, Belgisch Staatsblad, 1964, 255.

64  Zie randnummer 2 voor meer duiding bij het daadwerkelijk eindvonnis of -arrest.

65  Van Reepinghen C., Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, Belgisch Staatsblad, 1964, 254; Gerard P. en Gregoire M., «Introduction à la méthode de la Cour de cassation», Rev.dr.ULB 1999, 119-121; ’T Kint F., «Quelques informations pratiques sur le pourvoi en cassation en matière pénale» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 40-44.

66  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

67  Cambier C., Droit judiciaire civil, 2, La compétence, Larcier, 1981, 772 en voetnoot.

68  Vanlerberghe B. en Verbist J., «Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken» in De Baets C. en Oosterbosch J. (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2023, 277.

69  Vanlerberghe B., «Het cassatieberoep in burgerlijke zaken: enkele aandachtspunten» in Rutten S., Thiriar P. en Vanlerberghe B. (eds.), Actualia gerechtelijk recht 2024, Intersentia, 2024, 53.

70  Ze doen dat in parallel met hoe zij de cassatierechtspraak omtrent artikel 1050, tweede lid, Ger.W. inzake het hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te spreken, begrijpen. Hun visie op die rechtspraak is evenwel niet geheel bij te treden. Zie voor een bedenking: Van Severen C. en de Potter de ten Broeck M., «De kwalificatie van rechterlijke beslissingen in het burgerlijk proces: uiteindelijk beslist?» in Vandenbussche W., Broeckx K., Lust S., Krans B. en Voet S., Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Kluwer, 2025, 259-260.

71  Cass. 4 april 1975, Arr.Cass. 1975, 849.

72  Cass. 8 februari 2021, AR nr. C.18.0464.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.6, RW 2020-21, 1372; Cass. 21 april 2016, AR nr. C.15.0142.N, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7, RW 2016-17, 896; Cass. 24 oktober 2013, AR nrs. C.12.0295.N - C.12.0446.N, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.4, Arr.Cass. 2013, 2214, APT 2014, 92, OoO 2014, 371, Pas. 2013, 2034, T.Aann. 2014, 154, noot Michel N. en TBO 2014, 17; Cass. 19 februari 2010, AR nr. C.08.0127.F, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100219.4, Arr.Cass. 2010, 477, Pas. 2010, 499, RW 2011-12, 742, noot en TBO 2011, 26; Cass. 19 november 2001, AR nr. S.00.0126.F, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011119.5, Arr.Cass. 2001, 1962; Cass. 24 december 1987, AR nr. 7539, Arr.Cass. 1987-88, 542, JLMB 1988, 242 en Pas. 1988, 505, concl. Krings E.; Cass. 13 februari 1978, Pas. 1978, 682; Cass. 4 februari 1972, Arr.Cass. 1972, 528.Zie ook nog: Cass. 28 november 2005, AR nr. C.05.0033.F, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051128.4, Arr.Cass. 2005, 2385, JLMB 2006, 316 en Pas. 2005, 2378; Cass. 4 november 2005, AR nrs. C.04.0074.F en C.04.0089.F, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050623.20, Arr.Cass. 2005, 2114 en Pas. 2005, 2107; Cass. 22 november 1991, AR nr. 7550, Arr.Cass. 1991-92, 260, Pas. 1992, 221 en RW 1991-92, 1029, noot.

73  Van Den Bergh B., «Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken» in APR, Kluwer, 2019, 445.

74  Zie het verschil tussen «na» en «samen» in randnummers 5 tot en met 9.

75  Zie randnummer 2 voor de omschrijving van een beslissing alvorens recht te doen.

76  Zie randnummer2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

77  Cambier C., Droit judiciaire civil, 2, La compétence, Larcier, 1981, 772 en voetnoot.

78  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.

79  Bv. Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA, 2024, 659-660; Laenens J., Scheers D., Thiriar P., Rutten S. en Vanlerberghe B., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2019, 732; Van Drooghenbroeck J.-F. en Hoc A., Droit judiciaire, Larcier-Intersentia, 2024, 390.

80  Zie randnummer 2 voor wat een daadwerkelijk eindvonnis of -arrest is.