Omschrijving
Recht in beeld: filmen in de rechtspleging
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1482
Auteur(s)
A. Van Belleghem, V. Verdoodt
Trefwoorden

OPENBAARHEID DER TERECHTZITTINGEN

Bijkomende informatie

Recht in beeld: filmen in de rechtspleging

Amélie Van Belleghem

Rechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen en Vrijwillig wetenschappelijk medewerker KULeuven;

Valerie Verdoodt

Postdoctoraal onderzoeker in recht en technologie aan de Universiteit Gent

De camera draait. In de zittingszaal, de gangen, de verhoorkamer: mensen verschijnen recht in beeld. Achter elk beeld schuilt een spanningsveld van rechten. Wat gebeurt er wanneer persvrijheid, privacy en het recht op een eerlijk proces botsen? Hoe openbaar moet Justitie vandaag echt zijn? Kijken we morgen live mee vanuit onze zetel?

1. Context en probleemstelling

Het publiek toont grote belangstelling voor Justitie en in het bijzonder voor wat zich in de rechtbank afspeelt. Videobeelden uit de zittingszaal of zelfs de verhoorkamer duiken niet alleen op in nieuwsuitzendingen, maar ook in televisieprogramma’s die inspelen op de publieke fascinatie voor het rechtssysteem. Tegelijkertijd speelt digitalisering een steeds grotere rol in de rechtsgang en staat die hoog op de beleidsagenda.1 De coronapandemie bracht het gebruik van nieuwe technologieën binnen Justitie in een stroomversnelling: zo werden er onlinezittingen georganiseerd waaraan partijen digitaal konden deelnemen.2 Deze ontwikkelingen maken het noodzakelijk om de grenzen van openbaarheid en mediatisering van Justitie opnieuw kritisch te onderzoeken. De vraag dringt zich daarbij op hoe de meerwaarde van audiovisueel materiaal voor een transparant publiek debat zich verhoudt ten opzichte van de rechten van procespartijen.

In deze context komen verschillende belangen met elkaar in conflict, waaronder persvrijheid, de openbaarheid van de zitting, het recht op een eerlijk proces, het recht op gegevensbescherming, en het recht op afbeelding. Dit laatste, gegrond in het recht op privacy, verleent aan iedere persoon zeggenschap over het gebruik van zijn of haar beeltenis. Daarnaast zijn ook de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid fundamentele rechten, die bij onderlinge botsing zorgvuldig moeten worden afgewogen. De concrete invulling van die belangenafweging is evenwel niet evident. Zij doet zich voor op diverse momenten in de rechtspleging en op verschillende plaatsen binnen het gerechtsgebouw: de zittingszaal, tijdens een verhoor en tot slot bij opnamen in de gangen van het gerechtsgebouw. In elk van deze contexten rijst de vraag of betrokkenen toestemming moeten geven en of ze zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevinden, waarin het moeilijk is om op volledig vrije en geïnformeerde wijze toestemming te geven voor beeldopnamen. Wie beslist uiteindelijk over het maken van opnamen: de journalist, de betrokkene zelf, de rechter, of een combinatie van deze actoren? Dergelijke vragen confronteren ons met de mogelijkheid dat toestemming in deze omstandigheden niet de bescherming biedt die zij in theorie belooft. Het is onder andere deze spanning die in het vervolg van deze bijdrage nader wordt geanalyseerd.

Deze bijdrage beperkt zich tot het filmen in zittingszalen, in de verhoorkamer en in het gerechtsgebouw en gaat niet in op afzonderlijk gereguleerde regimes inzake audiovisuele opnamen van verhoren of reconstructies,3 opsporingsberichtgeving,4 beelden van buiten de gerechtsgebouwen,5 beelden van overbrengingen,6 specifieke bescherming van minderjarigen,7 opnamen van de zitting van het hof van assisen voor slachtoffers en hun advocaten,8 of voor historische justitiearchieven of educatieve doeleinden.9

2. Filmen in de zittingszaal

De openbaarheid van de terechtzitting is een hoeksteen van de rechtsstaat,10 maar zij bepaalt niet zonder meer het medium waarlangs openbaarheid wordt gerealiseerd. Waar verslaggeving in woorden traditioneel vrij is, vereist audiovisuele verslaggeving in de zittingszaal een expliciete, voorafgaande toestemming van het gerecht, op straffe van strafrechtelijke sancties.11 Dat wettelijke uitgangspunt maakt duidelijk dat de zittingszaal in principe geen «publieke plaats» is voor camera’s, en dat elke toelating tot filmen een zorgvuldige afweging vergt tussen transparantie enerzijds en de bescherming van het eerlijke proces, de persoonlijke levenssfeer en de gegevensbescherming anderzijds. Zodra de zitting openbaar is gemaakt voor audiovisuele media, voegt veelal ook de vereiste toestemming een dimensie toe. De volgende paragrafen werken dit afwegingskader uit.

2.1 Openbaarheid van de terechtzitting - maar niet voor audiovisuele pers

De principiële openbaarheid van de terechtzittingen is dermate belangrijk dat ze op talrijke plaatsen werd verankerd.12 Vanzelfsprekend is de terechtzitting dan ook in principe openbaar toegankelijk voor journalisten, die ook hier een uiterst belangrijke rol spelen voor het recht op informatie van het publiek.13 De media heeft het recht, en als vierde macht de plicht, om verslag uit te brengen over rechtszaken met een maatschappelijk belang, wat eveneens de publicatie van foto’s van een verdachte kan inhouden.14 Journalisten mogen, net als burgers, in principe plaatsnemen in een zittingszaal, luisteren en hiervan schriftelijk verslag maken. Er moet in principe ook worden voorzien in plaatsen voor de pers.15 Bij grote mediabelangstelling kan voorzien worden in een aparte zaal waar journalisten de zitting live kunnen volgen via een scherm.16 Dat impliceert echter niet noodzakelijk dat ook radio- of televisieverslaggeving vanuit de zittingszaal is toegestaan.17

Verdere regels omtrent audiovisuele verslaggeving zijn terug te vinden in wetgeving en in de (nationale) guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media van het College van de hoven en rechtbanken.18 Deze laatste zijn niet bindend, maar bieden een overzicht van de algemene principes die de samenwerking met de media ondersteunen en vergemakkelijken.19 Daarnaast hanteren verschillende hoven en rechtbanken eigen persrichtlijnen, waarin soms afwijkende bepalingen worden opgenomen.20

De parlementaire voorbereiding van de wet van 25 april 2024 houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures bevestigen dat de rechter op grond van artikel 759 Ger.W. het recht heeft (en voor de nieuwe wet ook reeds had) om opnamen van zittingen toe te staan, dit op grond van de bevoegdheid van de rechter om tijdens de zitting de orde te handhaven.21 Artikel 759/1, eerste lid Ger.W. en artikel 565 Sv. bepalen:

«Het maken van geluids- of audiovisuele opnames van de zitting, het bewaren, het verspreiden daarvan onder derden of het verrichten van enige andere verwerking, zonder voorafgaande toestemming van het gerecht, wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met een geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro, of met een van die straffen alleen.» [nadruk toegevoegd door auteurs].22

De wet beoogt een algemeen wettelijk kader aan te nemen inzake het gebruik van videoconferentie én de opname van terechtzittingen in burgerlijke en strafzaken.23 Een van de aangehaalde doelstellingen is de openbaarheid van de zittingen te verhogen om het voor de burger makkelijker te maken zijn recht op grond van artikel 148 van de Grondwet uit te oefenen.24 Artikel 759/1, eerste lid Ger.W. bevestigt dat een zittingszaal in principe geen openbare plaats is voor audiovisuele verslaggeving. De openbaarheid is in die zin beperkt. Of de terechtzitting openbaar is voor audiovisuele verslaggeving, wordt beslist door «het gerecht». Artikel 759 Ger.W., daarentegen, kiest voor de duidelijke bewoording «de rechter». In de voorbereidende werken werd bevestigd dat de term verwijst naar de rechter die de kamer voorzit waarvoor de terechtzitting plaatsvindt en werd verduidelijkt: «het is deze rechter die bevoegd zal zijn om een opname toe te staan of te weigeren».25 Het blijft jammer dat de terminologie in de wettekst zelf niet werd aangepast om dit duidelijker te maken.

De parlementaire voorbereidingen bevestigen dat het artikel ook geldt voor opnamen met journalistieke doeleinden.26 Daarbij werd verwezen naar de werkwijze die in de praktijk reeds werd gehanteerd:

«Zoals thans het geval is, zal de opname van een zitting of van een deel van een zitting voor journalistieke doeleinden immers door de rechter moeten worden toegestaan en in overeenstemming moeten zijn met de parameters die deze vaststelt, overeenkomstig zijn bevoegdheid van handhaving van de orde op de zitting. De verantwoordelijkheid voor de verwerking ligt ook bij de persoon die de opname maakt.»27

Er werd verduidelijkt dat niets werd voorzien voor wat betreft de verwerking van (persoons)gegevens, aangezien dit niet de verantwoordelijkheid is van de rechterlijke orde, maar wel van diegene die de opname maakt.28 Een rechter kan dus, als uitzondering op het verbod, beslissen om de zittingszaal openbaar te maken voor audiovisuele berichtgeving, maar spreekt zich daarbij niet uit over de verwerking van persoonsgegevens. De hierboven beschreven rol van de rechter om te beslissen of er kan gefilmd worden in de zittingszaal, betreft dus enkel een beoordeling van de wijze waarop aan de openbaarheid van de zitting gestalte wordt gegeven.

De toestemming van de rechter is vereist, niet alleen voor het maken van de opnamen, maar ook voor het verspreiden of voor enige andere verwerking (art. 759/1, eerste lid Ger.W. en art. 565 Sv.). Toestemming moet dus zowel voor de opname zelf als voor elk later gebruik van het beeldmateriaal worden gevraagd. Wordt bijvoorbeeld toestemming gevraagd om te filmen voor het journaal, dan rechtvaardigt dit niet automatisch hergebruik in een entertainmentprogramma.

2.2 De rol van de rechter bij de concretisering van de openbaarheid van de zitting

De rechter neemt aldus de beslissing of zijn zittingszaal openbaar is voor de audiovisuele pers. Niet onbelangrijk is de plaats van artikel 759/1 Ger.W. onmiddellijk na artikel 759 Ger.W. en de bevestiging in de voorbereidende werken dat het gaat om een beslissing van de rechter om tijdens de zitting de orde te handhaven (zoals hierboven geciteerd). Het gaat om een strafbaarstelling van de miskenning van een verbod, een vorm van contempt of court.29 Dergelijke beslissingen kunnen worden gekwalificeerd als maatregelen van orde, meer bepaald administratieve proceshandelingen die de rechter stelt in het belang van een goede rechtsbedeling, zonder dat deze een oordeel inhouden over de vordering(en) en zonder dat deze enige invloed hebben op de hoofdzaak.30 Een dergelijke maatregel is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 1046 Ger.W.), en de motiveringsplicht is er niet op van toepassing.31 Bij gebrek aan motiveringsplicht zijn er dan ook geen bronnen te consulteren om na te gaan hoe elke rechter individueel deze beslissing maakt. De maatregel kan worden opgelegd zonder dat enige formaliteit hoeft te worden vervuld, terwijl evenmin een procedure van verdediging is voorgeschreven en moet nageleefd worden.32 Zelfs wanneer journalisten de rechtbank uitvoerig gemotiveerd aanschrijven met het verzoek om beelden te mogen maken, kan dit in principe worden beantwoord met een loutere bevestiging of weigering. In die zin kan voorafgaand aan de beslissing geen debat met de procespartijen of met de betrokken journalisten worden afgedwongen, hoewel laatstgenoemden (die nochtans geen partij zijn) rechtstreeks door de beslissing van de rechter worden geraakt.

De motivering blijft in het hoofd van de rechter. De appreciatiebevoegdheid is volledig open en de nationale wetgever voorzag niet in verdere handvatten voor een concretere invulling. Toch kunnen enkele aspecten richting geven.

Ten eerste geldt dat de beperking van de openbaarheid van de terechtzitting met de uitsluiting van de audiovisuele media de regel vormt, terwijl toelating de uitzondering is; uitzonderingen worden in het recht strikt geïnterpreteerd.

Ten tweede wijst de omkadering van de wettelijke bepaling in de bepalingen over de «politie ter terechtzitting» van de rechter erop dat in het bijzonder rekening wordt gehouden met wat nodig is voor het serene verloop van het debat en een eerlijk proces.

Ten derde bieden de artikelen 6, 8 en 10 EVRM een toetsingskader voor de afweging van de soms conflicterende rechtsbelangen en tussen de persvrijheid, het publiek belang op informatie, de bescherming van persoonsgegevens, het recht op privacy, de rechten van verdediging, het vermoeden van onschuld en de goede werking van het gerecht.33 Immers, wanneer een journalist vraagt om te mogen filmen en de rechter die de zitting voorzit, weigert dit of legt beperkingen op, houdt dit een beperking in die moet voldoen aan de vereisten van artikel 10, tweede lid EVRM, zodat deze bij wet moeten zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk moeten zijn in het belang van genoemde legitieme doelstellingen.34 Artikel 759/1 Ger.W. is de wettelijke bepaling die de beperking voorziet. De vraag rijst of een dergelijke bepaling voldoende precies is.35 Het EHRM erkent dat het, gelet op de uiteenlopende situaties waarmee voorzitters van gerechten in procedures worden geconfronteerd, onmogelijk is om nauwkeurige vereisten vast te stellen voor de maatregelen die in elk individueel geval moeten worden genomen om het ordelijke verloop van de zittingen te waarborgen.36 Over een gelijkaardige bepaling in het Duitse recht oordeelde het EHRM dat deze bepaling door het Duitse Grondwettelijk Hof verder was geconcretiseerd, door middel van het ontwikkelen van criteria die de voorzitters richting geven bij de belangenafweging. Aangezien het de taak is van de rechtspraak om de resterende interpretatieve twijfel weg te nemen, achtte het EHRM de bepaling onder die omstandigheden voldoende precies.37 De genomen beslissing tot inperking moet telkens ook noodzakelijk zijn, waartoe, in deze specifieke context, de volgende criteria in overweging genomen moeten worden bij het afwegen van de rechten: de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de mate waarin de betrokken persoon bekend is, de invloed op de strafprocedure, de omstandigheden waaronder de opnamen worden gemaakt, de inhoud, vorm (foto’s, bewegende beelden en/of audio) en gevolgen van de publicatie, alsook de zwaarte van de opgelegde sanctie.38 De beslissing is aldus inherent contextafhankelijk en vergt steeds een proportionele en genuanceerde belangenafweging.

Niet alleen de rechten van de beklaagde spelen een rol, maar ook die van alle aanwezigen, zoals andere magistraten, de griffie, de zaalwachter, (burgerlijke) partijen, advocaten, tolken, mensen van slachtofferonthaal, ordehandhavers en andere aanwezigen. Bovendien beschikt de rechter die de zitting voorzit, over een eigen recht op afbeelding en privacy, wat de afweging verder bemoeilijkt.

2.3 Scenario 1: geen toestemming van de rechter voor opnamen

Indien de rechter geen toestemming verleent tot opname, is het de pers niet toegestaan audiovisuele middelen in de rechtszaal te gebruiken. Het hierboven vermelde toetsingskader blijft daarbij wel van belang: ook in zijn weigering moet de rechter rekening houden met de rechten en belangen die in het geding zijn. Wordt geen toestemming verleend, dan rijst de vraag naar herkenbare beeldverslaggeving eenvoudigweg niet, nu er, behoudens strafrechtelijke inbreuken, geen beelden zullen zijn vanuit de zittingszaal. De afwegingen die journalisten moeten maken voor het al dan niet herkenbaar in beeld brengen van beklaagden tijdens een lopend proces, gelden voor beelden die zij hebben van buiten de zittingszaal. Ze kunnen dus niet zomaar worden getransponeerd naar een recht om in de zittingszaal beelden te maken. Er is immers geen recht om in de zittingszaal opnamen te maken. De beslissing van de rechter is in die zin bepalend voor de mogelijkheid tot audiovisuele verslaggeving. De individuele toestemming van betrokkenen kan slechts relevant worden binnen de ruimte die door de rechter wordt geopend, maar kan deze ruimte niet zelf creëren.

2.4 Scenario 2: wel toestemming van de rechter voor opnamen

Als de rechter wel toestemming geeft voor audiovisuele opnamen, wordt de zitting (in die bijkomende mate) openbaar voor de audiovisuele pers. Dat betekent dat er mag gefilmd worden in een zittingszaal, waar verschillende mensen in diverse hoedanigheden aanwezig zijn. De vraag dringt zich op hoe de openbaarheid die door de rechter wordt toegestaan, zich verhoudt tot de rechten en belangen van publiek en media en hoe deze worden afgewogen. Verder wordt bovendien besproken welke impact deze rechterlijke toestemming kan hebben, in het bijzonder op partijen, met name op de druk die deze laatsten ervaren om zelf toestemming te geven. Er dient dan ook duidelijk gecommuniceerd te worden, ook over eventuele voorwaarden waaronder een audiovisuele opname wordt toegestaan, zodat niet de indruk wordt gewekt dat het filmen van personen in de zittingszaal is toegestaan, ook zonder de desgevallend noodzakelijke toestemming van verschillende aanwezigen.

2.4.1 Spanningsveld tussen de fundamentele rechten en belangen van aanwezigen in de zittingszaal, publiek en media

a. Het recht op afbeelding in de zittingszaal

Wanneer de rechter de zitting openbaar maakt voor de audiovisuele pers, rijst de vraag in welke gevallen journalisten personen, in het bijzonder beklaagden en burgerlijke partijen, herkenbaar in beeld mogen brengen, al dan niet met hun toestemming. Daarbij staat allereerst het recht op privacy39 en het daarvan afgeleide recht op afbeelding40 centraal. Dit laatste verleent individuen in beginsel exclusieve zeggenschap over het maken en gebruiken van hun beeltenis.41 Dierickx legt uit dat de notie «afbeelding» of «beeltenis» elke «weergave van de beeltenis van de persoon door middel van beeldende technieken, mimiek, vermomming of nabootsing, die vastgelegd is op materiële of immateriële wijze» omvat.42 Naast foto’s en video-opnamen vallen dus ook portretten, tekeningen (bv. van een gerechtstekenaar) en zelfs driedimensionale representaties, zoals wassen beelden, onder het toepassingsgebied.43 Voorwaarde is wel dat de persoon herkenbaar is, wat geval per geval door de feitenrechter moet worden beoordeeld.44 Herkenning kan ook gebeuren via bijkomstige kenmerken zoals lichaamshouding, speciale tatoeages, of contextuele elementen45. Ook het plaatsen van een balkje voor de ogen of soms zelfs het volledig blurren van een gezicht is, in het geheel van mogelijkheden tot herkenning, geenszins voldoende om iemand onherkenbaar te maken, terwijl een balkje zelfs het nadelige effect kan hebben iemand te criminaliseren.46 Het stemgeluid valt niet onder het recht op afbeelding, maar wordt beschermd door een afzonderlijk persoonlijkheidsrecht.47 Het recht op de stem is het recht op het verbaal uitdrukkingsmiddel van de persoonlijkheid, los van de inhoud of de betekenis van de woorden.48 Het recht op stem is nauw verwant aan het recht op afbeelding en verleent ook een exclusief controlerecht aan de houder.49 De voorwaarden waarin die bevoegdheid kan worden uitgeoefend, stemmen overeen met de voorwaarden waarin het recht op afbeelding wordt uitgeoefend.50 Voor de verdere analyse wordt dan ook geen verder onderscheid gemaakt.

Het recht op afbeelding houdt in dat de toestemming van de afgebeelde persoon verkregen moet worden, zowel voor het maken als voor het latere gebruik van de beelden.51 De toestemming moet er dus ook zijn voor het maken van de beelden. Het blurren of plaatsen van een balkje maakt een gemaakte afbeelding in principe slechts nadien onherkenbaar, zodat deze techniek geen oplossing of omzeiling kan inhouden van het principiële verbod op het maken van beelden waarvoor op het ogenblik van de opname geen toestemming is. De toestemming moet vrij, zeker en ondubbelzinnig worden gegeven en kan zowel mondeling als (in sommige gevallen) stilzwijgend zijn, maar wordt restrictief geïnterpreteerd.52 Toestemming geldt bovendien uitsluitend voor een specifieke afbeelding en een welbepaald gebruik.53 Het maken van beelden impliceert dus niet automatisch dat ze ook mogen worden verspreid of hergebruikt.54 Het zonder toestemming filmen van een aanwezige in de zittingszaal, zoals een beklaagde of burgerlijke partij, of het aanwenden van opnamen voor een ander doel dan overeengekomen, vormt in beginsel een schending van het recht op afbeelding.55

Die bescherming is echter niet absoluut en kan worden beperkt wanneer andere fundamentele belangen dit rechtvaardigen, zoals de vrijheid van meningsuiting56 en de persvrijheid.57 Het is aan de journalist of de redactie om bij hun verslaggeving een afweging te maken of het maatschappelijk belang en publiek debat het recht op privacy van de betrokkene overtreffen.58 Hierbij spelen de criteria voor het afwegen van het recht op vrije meningsuiting en het recht op privéleven een belangrijke rol, namelijk onder meer het openbaar belang van het debat, de bekendheid van de persoon, het eerdere gedrag van de persoon, het onderwerp van de berichtgeving, de inhoud, de vorm en gevolgen van de publicatie en de wijze waarop de informatie is verkregen.59 Publieke personen genieten daarbij in mindere mate bescherming en het nemen en verspreiden van beelden zonder hun uitdrukkelijke toestemming zal mogelijk zijn als dit kadert binnen het recht op informatie voor het publiek.60 In een gerechtelijke context kan worden geargumenteerd dat veel beklaagden in strafprocessen voor hun vervolging onbekend waren bij het brede publiek en ook tijdens hun proces een normaal persoon (niet een publiek persoon) blijven, betrokken in een strafproces.61

In deze discussies wordt ook vaak het vermoeden van onschuld aangehaald.62 Ook de pers kan dit beginsel schenden.63 Journalisten mogen uiteraard berichten over vermoedens van schuld, maar vroegtijdige schuldigverklaringen zijn niet toelaatbaar.64 De media zelf kunnen evenwel niet verantwoordelijk worden gesteld wanneer in de publieke opinie een vermoeden van schuld ontstaat louter doordat tegen iemand een strafonderzoek wordt ingesteld of doordat iemand als beklaagde of beschuldigde zich voor een onderzoeksgerecht of vonnisgerecht moet verantwoorden.65

Deze journalistieke belangenafweging speelt zich evenwel af binnen de grenzen die door de rechter krachtens artikel 759/1 Ger.W. worden vastgesteld. De rechterlijke toelating tot audiovisuele verslaggeving impliceert geen voorafgaand oordeel over het recht op afbeelding van de betrokkenen, maar bepaalt wel de ruimte waarbinnen verdere afwegingen door de media kunnen plaatsvinden.

b. Gegevensbeschermingswetgeving en de journalistieke uitzondering

Zoals hierboven uiteengezet, speelt toestemming een centrale rol bij het recht op afbeelding. Wanneer videobeelden leiden tot de identificatie van personen in de zittingszaal, kwalificeren zij als persoonsgegevens en zal de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) eveneens van toepassing zijn.66 Ook hier geldt dat verwerking slechts is toegestaan mits er een geldige rechtsgrond voorhanden is, waarvan de toestemming van de betrokkenen de meest voor de hand liggende is in deze context, althans voor niet-publieke personen.67 Daarnaast moeten de rechten van de betrokkene gerespecteerd worden, waaronder het recht op informatie, inzage en gegevenswissing («het recht om vergeten te worden»).68

Voor journalistieke doeleinden geldt echter een bijzondere regeling. Publicaties die bedoeld zijn om bij te dragen aan het publieke debat, kunnen onder bepaalde omstandigheden worden vrijgesteld van de verplichtingen van de AVG. Ook hier spelen de bovengenoemde afwegingscriteria een belangrijke rol. Het belangrijkste gevolg van de journalistieke uitzondering is dat bepaalde AVG-rechten van de betrokkene niet van toepassing zijn. Zo kan een betrokkene zijn toestemming niet meer intrekken, hoeven de rechten uit Hoofdstuk III AVG (zoals het recht op informatie) niet te worden toegepast, en geldt het verbod op de verwerking van bijzondere of strafrechtelijke gegevens niet voor zover dit noodzakelijk is voor het journalistieke doel.69 De rechtvaardiging hiervoor is het algemeen belang van een vrije en effectieve pers. Zonder deze uitzonderingen zou het vermogen van journalisten om informatie te verzamelen en te verspreiden die essentieel is voor het publieke debat, ernstig worden beperkt.70

In België is de uitzondering wettelijk verankerd in artikel 24 van de wet van 30 juli 2018.71 Daarin wordt verwerking voor journalistieke doeleinden gedefinieerd als «de voorbereiding, het verzamelen, opstellen, voortbrengen, verspreiden of archiveren ten behoeve van het informeren van het publiek, met behulp van elke media en waarbij de verwerkingsverantwoordelijke zich de naleving van journalistieke deontologische regels tot taak stelt». Over de reikwijdte van deze definitie bestaat enige onduidelijkheid,72 echter, het hof van beroep Gent paste artikel 24 reeds toe op burgerjournalistiek.73 Een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 is momenteel hangende.74 Wel moet worden benadrukt dat uitzonderingen op het gegevensbeschermingsrecht slechts zijn toegestaan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke.75

Naast dit juridische kader spelen ook beroepsethische normen een belangrijke rol in de omgang met beeldmateriaal. In België zijn journalisten verenigd onder de Raad voor de Journalistiek, die een deontologische code heeft opgesteld. Deze bevat specifieke bepalingen met betrekking tot het verzamelen en gebruiken van beeldmateriaal. Zo moet een journalist loyale methodes hanteren bij het verkrijgen van opnamen en ernstig omgaan met mensen in een kwetsbare positie.76 Met betrekking tot privacy benadrukt de code dat journalisten steeds een afweging moeten maken tussen het maatschappelijk belang van de informatie en de rechten van de betrokkenen, waarbij het privéleven en de menselijke waardigheid slechts mogen worden aangetast voor zover strikt noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.77 In gerechtelijke context gelden bovendien concrete richtlijnen voor de identificatie van verdachten en veroordeelden. De journalist moet daarbij telkens geval per geval beslissen of hij de identiteit niet bekendmaakt, kiest voor beperkte identificatie of volledige identificatie.78 Bij beperkte identificatie moeten beeld- en video-opnamen op doeltreffende wijze onherkenbaar worden gemaakt.79 Volledige identificatie is slechts toelaatbaar onder specifieke voorwaarden, namelijk wanneer: er een maatschappelijk belang bestaat (in het geval van een verdachte moet dit een gewichtig maatschappelijk belang zijn); de verdachte of veroordeelde een publiek figuur is en het maatschappelijk belang een volledige identificatie rechtvaardigt; de betrokkene zelf met zijn verhaal naar buiten komt en geen bezwaar maakt tegen volledige identificatie; het gaat om ernstige misdrijven, waarbij de schuld aannemelijk is gemaakt, bijvoorbeeld door een bekentenis; de verdachte voortvluchtig is; de volledige identificatie kan dienen als waarschuwing voor mogelijke nieuwe slachtoffers.80

2.4.2 Toestemming beklaagden (en anderen in beeld)

In de voorgaande bespreking werd gewezen op het belang van toestemming van de gefilmde persoon. Hoewel beeldverslaggeving in bepaalde gevallen zonder toestemming kan worden gerechtvaardigd, roept zelfs verleende toestemming specifieke vragen op in de procedurele context van de zittingszaal.

a. Juridische kwalificatie

Een beklaagde of andere persoon in de zittingszaal moet zijn wil uiten en een keuze maken om al dan niet gefilmd te worden. Wie weigert, moet in principe worden geëerbiedigd; wie toestemt, doet afstand van een deel van de bescherming die het recht op afbeelding biedt.81 Toestemming zou juridisch kunnen worden beschouwd als een eenzijdige rechtshandeling,82 waarbij iemand vrijwillig afstand doet van de bescherming die het recht op afbeelding of gegevensbescherming biedt.83 Het verlenen van de toelating beoogt namelijk het ontnemen van het onrechtmatige karakter aan het maken of gebruiken van zijn afbeelding.84 Deze toestemming functioneert evenwel niet autonoom binnen de context van de zittingszaal. Zij kan slechts uitwerking krijgen voor zover de rechter de zitting openstelt voor audiovisuele verslaggeving. Zonder rechterlijke toelating ontbreekt immers de mogelijkheid om opnamen te maken, ongeacht de wil van de betrokken persoon (zie 2.3).

Toestemming moet vrij,85 specifiek en ondubbelzinnig worden gegeven en kan expliciet of in sommige gevallen stilzwijgend zijn,86 maar wordt restrictief geïnterpreteerd.87 Zij geldt enkel voor een welbepaalde opname en gebruik.88 Net als elke afstand van recht, wordt zij niet vermoed.89 In een zittingszaal, waar de gevolgen van beeldverslaggeving vergaand kunnen zijn, moeten aanwijzingen van toestemming omzichtig worden beoordeeld.90

Wat de intrekking betreft, werd klassiek aangenomen dat een gegeven toestemming discretionair kon worden herroepen, waarbij ex nunc een einde komt aan de rechtmatigheid van de exploitatie, hoewel een laattijdige uitoefening van dit recht diende te berusten op gegronde motieven en getoetst wordt aan rechtsmisbruik.91 Er is evenwel een evolutie in de opvattingen waarbij het recht op intrekking thans minstens afhankelijk wordt gemaakt van het bestaan van een geldige reden, zoals door de koppeling aan het recht op vergetelheid dat niet steeds voorhanden is.92 Volgens Isgour is er enkel een recht op intrekking zo het behouden van de toestemming rechtsmisbruik zou uitmaken.93 Ook de AVG voorziet in principe in het recht om toestemming in te trekken, maar niet wanneer de journalistieke uitzondering van toepassing is.94

b. Onvolwaardige wil

De vraag dringt zich op of toestemming die in de zittingszaal wordt verleend, in bepaalde omstandigheden als onvolwaardig moet worden beschouwd.95 Toestemming veronderstelt immers een vrije en bewuste wilsvorming (art. 5.27, 1° en 5.126 BW). Wanneer iemand door fysieke of psychologische omstandigheden feitelijk niet in staat is zijn wil te uiten,96 en de draagwijdte van zijn beslissing te overzien,97 is de wil niet volwaardig. Van Gerven wijst in dat verband uitdrukkelijk naar de emotionele toestand waarin iemand zich bevindt,98 er is dan sprake van feitelijke onbekwaamheid, een situatie waar geen wilsvorming heeft plaatsgevonden.99

De zittingszaal is bij uitstek een context waarin dergelijke vragen zich stellen. Er zijn namelijk verschillende elementen die wijzen op het gebrek aan volle vrijheid, zoals de kwetsbare positie, in het bijzonder van een beklaagde, en de druk die van de procedurele context kan uitgaan. Die druk kan nog toenemen wanneer de vraag naar toestemming pas rijst bij aanvang van de zitting, terwijl camera’s reeds opgesteld staan en de rechter, die nog over de zaak moet oordelen, toelating tot filmen heeft verleend. In die omstandigheden kan de beslissing om al dan niet herkenbaar in beeld te verschijnen, moeilijk los worden gezien van de context waarin zij wordt genomen.

Hoewel empirisch onderzoek hierover ontbreekt, lijkt het aannemelijk dat dergelijke factoren in concrete gevallen de feitelijke bekwaamheid om een wil te uiten kan aantasten. Dit geldt niet alleen voor beklaagden, maar ook voor burgerlijke partijen. Een slachtoffer dat instemt om herkenbaar zijn verhaal te doen voor de camera, kan zich in een emotioneel overweldigende situatie bevinden, waardoor betwijfeld kan worden of de keuze werkelijk vrij en bewust gemaakt is.

c. Wilsgebreken

De vaststelling dat toestemming in de zittingszaal onder druk kan staan, leidt tot de verdere vraag of zij ook kan worden aangetast door de algemene wilsgebreken. Toestemming is immers niet geldig wanneer zij het gevolg is van een doorslaggevend wilsgebrek zoals dwaling, bedrog, geweld of misbruik van omstandigheden (art. 5.33, eerste lid BW). Hoewel deze leer haar oorsprong vindt in het contractenrecht (meerzijdige rechtshandelingen), wordt ze ook toegepast op eenzijdige rechtshandelingen.100

Geweld, een eerste mogelijk wilsgebrek, vormt slechts een nietigheidsgrond wanneer de rechtshandeling werd gesteld onder onrechtmatige dwang door degene tot wie de wilsuiting is gericht, waardoor de betrokkene moet vrezen voor een aanzienlijke aantasting van zijn fysieke of morele integriteit, zijn vermogen of dat van zijn naasten (art. 5.36 BW). Artikel 5.36 BW omvat talrijke vormen van geweld, waaronder de morele dwang.101 De dwang kan iemand treffen in zijn fysieke of morele integriteit, in zijn eer of zijn vermogen.102 Het analyseren van alle voorwaarden gaat het bestek van deze analyse te buiten, maar enkele elementen verdienen aandacht.103 Dwang moet ruim worden geïnterpreteerd en bestaat in het algemeen uit de machtsuitoefening om iemand tot een rechtshandeling te dwingen.104 Of er sprake is van onrechtmatige dwang, moet steeds in concreto worden nagegaan105 en de feitenrechter mag dit wettig afleiden uit de bijzondere omstandigheden waarin de toestemming werd gevraagd.106 Daarbij geldt dat de dwang moet uitgaan van degene tot wie de eenzijdige wilsuiting gericht is, in casu de journalist. Een mogelijk scenario is dat een journalist toestemming vraagt nadat de rechter reeds toelating gaf tot filmen, in een zittingszaal waar camera’s al opgesteld staan en in aanwezigheid van de rechtbank. In zulke omstandigheden kan de betrokkene de indruk krijgen dat weigeren «moeilijk doen» is in het bijzijn van de rechter die nog over de zaak moet oordelen. Er zou dan eventueel sprake kunnen zijn van een vrees voor een negatieve impact op zijn fysieke integriteit, morele integriteit of vermogen.107 Toch is het onzeker of dit de toets van de onrechtmatigheid van de dwang zou halen. Zo is aanvaard dat dwang bij normale rechts- of gezagsuitoefening toegelaten is, bijvoorbeeld de vrees uit eerbied voor het gezag van een ouder of een «meerdere» of hiërarchische overste.108 De dwang is evenwel ook onrechtmatig wanneer zij op een kennelijk onredelijke manier wordt uitgeoefend, zodat moet worden nagegaan of de persoon die de dwang uitoefent, zich op die manier gedraagt als een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.109 De vrees moet ook van die aard zijn dat zij op een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde concrete omstandigheden indruk kan maken.110 Bovendien moet er een causaal verband bestaan: de vrees moet het gevolg zijn van een dreiging met een kwaad door de journalist zelf.111 De toestemming is niet ongeldig indien zij werd verleend wegens de vrees voor een kwaad waarmee niet werd gedreigd of dat niet werd opgewekt door de medecontractant of een derde.112

Een tweede mogelijkheid is het wilsgebrek misbruik van omstandigheden (art. 5.37 BW). Voor een niet-jurist lijkt dit begrip meteen van toepassing op de situatie waarin toestemming wordt gevraagd in een beladen context, waar de omstandigheden zelf als drukkend worden ervaren, zoals in een zittingszaal. Ook de wetgever voorzag erin dat het geweld ook kan uitgaan van een derde, onder de voorwaarden gesteld in artikel 5.37 BW «misbruik van omstandigheden» en niet onder het wilsgebrek dwang.113 Artikel 5.37 BW vereist echter dat er bij de contractsluiting een kennelijk onevenwicht bestaat tussen de prestaties als gevolg van het misbruik door de ene partij van omstandigheden die verbonden zijn aan de zwakke positie van de andere partij. Die vereiste van kennelijk onevenwicht van wederzijdse prestaties beperkt het toepassingsgebied en sluit in principe eenzijdige rechtshandelingen zoals het verlenen van toestemming tot filmen uit.114 Hierdoor lijken eenzijdige rechtshandelingen uit de boot te vallen voor de beoogde bescherming. Het valt te betwijfelen of dit de bedoeling was van de wetgever. Immers werd uitdrukkelijk bepaald dat deze situaties «dwang uit een noodtoestand» in het verleden kunstmatig bij geweld werden ondergebracht en voortaan opgevangen worden onder misbruik van omstandigheden, zonder dat blijkt dat men de wil had om eenzijdige rechtshandelingen van die bescherming uit te sluiten.115

Daarnaast is beargumenteerd dat misbruik van omstandigheden als een toepassing dient te worden beschouwd van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht.116 De leer van de fout met de toetsing aan de algemene zorgvuldigheidsnorm is niet relevant voor de beoordeling van een eventuele schending van het recht op afbeelding, maar wel voor de aansprakelijkheid voor eigen daad, hetgeen onverkort blijft gelden naast het recht op afbeelding.117 Mogelijk kan ook worden beargumenteerd dat in bepaalde omstandigheden een journalist die toestemming vraagt in de geschetste omstandigheden van een zittingszaal en met de bijhorende druk, de zorgvuldigheidsnorm schendt.

d. Vrije toestemming en gegevensbeschermingswetgeving

De voorwaarden voor geldige toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens sluiten nauw aan bij het voorgaande. Artikel 4 (11) AVG vereist een vrije, specifieke en ondubbelzinnige toestemming.118 Volgens de richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) kan een duidelijke machtsongelijkheid, druk, intimidatie of vrees voor nadelige gevolgen een vrije wilsvorming in de weg staan.119 Bovendien sanctioneert artikel 227, 3° WVP strafrechtelijk hij die om een persoon te dwingen hem zijn instemming te geven met de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens, jegens die persoon gebruikt maakt van feitelijkheden, geweld, bedreigingen, giften of beloften. De Bot omschrijft deze bepaling als het misdrijf dat bestaat in het afdwingen van de toestemming tot verwerking, hetgeen in verband dient te worden gebracht met artikel 6, onder a) en artikel 7 AVG, in het bijzonder het vrije karakter van de toestemming.120 De Bot zet terecht uiteen dat een toestemming die wordt afgedwongen, geen vrije toestemming is.121

e. Slotbedenkingen bij toestemming voor filmen in de zittingszaal

Er kan/moet gedebatteerd worden over de wenselijkheid om dergelijke situaties überhaupt te laten ontstaan. Wanneer de rechtbank bij wijze van uitzondering toestemming geeft aan audiovisuele media om opnamen te maken in de zittingszaal, is vaak ook de toestemming van de gefilmde personen vereist. Deze toestemming wordt echter op verschillende manieren juridisch op de proef gesteld. Zelfs indien zij onvolwaardig of gebrekkig zou blijken, of foutief zou zijn verkregen, leidt dit hoogstens tot relatieve nietigheid of buitencontractuele aansprakelijkheid. Het is dan aan de betrokkene om (indien zijn toestemming bewezen zou zijn) de onvolwaardige wil, gebrekkige wil of fout te bewijzen. Een gefilmde persoon zal dus zelf stappen moeten ondernemen om te komen tot wat, zeker in het kader van nieuwsuitzendingen, slechts schadeherstel zal inhouden. Ook wanneer toestemming achteraf zou kunnen worden ingetrokken, wat niet altijd het geval is, zijn de beelden doorgaans al verspreid. Wanneer gerechtelijke stappen nodig zijn, kan enkel gehoopt worden dat die persoon niet opnieuw geconfronteerd wordt met een zittingszaal met camera’s in gereedheid.

De kritische bedenking is of het wenselijk is dat personen, en in strafzaken in het bijzonder beklaagden die het vermoeden van onschuld dragen, door de rechterlijke orde in een situatie worden geplaatst waarin zij geconfronteerd worden met camera’s in de zittingszaal en daarbij druk kunnen ervaren bij het nemen van een beslissing om al dan niet herkenbaar in beeld te verschijnen. Dit geldt ongeacht of hun toestemming later ongeldig kan blijken wegens een onvolwaardige of gebrekkige wil en ongeacht of er een fout werd begaan bij het vragen van de toestemming. Guldix ging zo ver om het filmen in zittingszalen waarbij journalisten zich «in alle mogelijke bochten wringen om toch maar iedere beweging en iedere emotie te trachten vast te leggen», «barbaarse praktijken» te noemen.122 Dit aspect kan meegewogen worden binnen de discretionaire bevoegdheid van de rechter die beslist of en in welke mate de zittingszaal wordt opengesteld voor audiovisuele media. Beelden uit de zittingszaal tonen personen in uiteenlopende posities van kwetsbaarheid, wat ook de impact van de opname en de verspreiding ervan voor het individu kan verzwaren. Zoals Van Overbeke benadrukt, kan het opnemen van gesprekken of het filmen van een gebeuren ongetwijfeld praktisch zijn, maar heeft het vaak een, dikwijls onbedoeld maar even zo goed doelbewust, intimiderend effect op de overige betrokkenen, die niet zelden erdoor worden gefnuikt in hun spontaneïteit en zelfs in hun oprechtheid, terwijl die toch essentieel is op een rechtszitting.123

2.4.3 Voorwaarden vastgesteld door de rechter

De parlementaire voorbereidingen van de wet houdende zitting per videoconferenties benadrukken dat opnamen van zittingen voor journalistieke doeleinden in overeenstemming moeten zijn met de voorwaarden («parameters») die de rechter vaststelt.124 Noch de wet, noch de nationale guidelines van het College van hoven en rechtbanken bevatten hierover nadere concretisering, zodat de invulling in de praktijk aan de beoordelingsvrijheid van de rechter wordt overgelaten.

In de praktijk kan een rechter beslissen dat een journalist de volledige zitting audiovisueel mag opnemen. Eveneens gebeurt het dat een rechter toelating verleent om te filmen onder de voorwaarde dat niemand (soms met de toevoeging: zonder toestemming) herkenbaar in beeld wordt gebracht. Andere voorwaarden die soms worden opgelegd, bestaan uit het beperken van de opname tot «sfeerbeelden» bij de start van de zitting of tot het louter filmen van de voeten van de aanwezigen, het filmen van enkel de rechter die de uitspraak doet, het vereisen van bepaalde technieken die personen onherkenbaar maken of het vereisen van de expliciete toestemming van betrokkenen. De technieken die personen later onherkenbaar maken, zijn vaak ontoereikend in omstandigheden waar de toestemming van de in beeld gebrachte personen noodzakelijk is, nu ook voor het maken van de beelden toestemming nodig is en niet enkel voor het gebruik.

Een voorbeeld van hoe dergelijke voorwaarden door de rechter kunnen worden opgelegd én hoe zij in het licht van artikel 10 EVRM worden getoetst, is te vinden in het arrest van het EHRM in de zaak «Axel Springer t/ Duitsland».125 In die zaak besliste de voorzittende Duitse rechter voorafgaand aan de zitting dat het gezicht van de beklaagde «op de gebruikelijke manier» onherkenbaar moest worden gemaakt alvorens tijdens de zitting gemaakte beelden van hem konden worden gepubliceerd.126 Nadat een journalist vroeg bij brief om de beschikking te wijzigen, omdat reeds meerdere herkenbare foto’s van de beklaagde in verschillende kranten waren gepubliceerd, vulde de rechter zijn beschikking schriftelijk aan. De enige mediavertegenwoordigers die foto’s en video-opnamen van de beklaagde mochten maken, waren degenen die zich vooraf bij de rechtbank hadden geregistreerd en de garantie hadden gegeven dat het gezicht van de beklaagde vóór publicatie of verspreiding van het materiaal door een technisch procedé, zoals pixelering, onherkenbaar zou worden gemaakt, zodat de beelden alleen in die vorm konden worden gebruikt. Journalisten die zich niet aan de beschikking hielden, mochten niet langer over de zaak berichten. In de motivering werd het publiek belang bij informatievoorziening afgewogen tegen de persoonlijkheidsrechten van de beklaagde.127 Voor het EHRM argumenteerde een Duitse uitgever dat deze beschikking een inbreuk inhield op artikel 10 EVRM.

Het EHRM oordeelde dat er geen sprake was van een schending van artikel 10 EVRM. Het Hof benadrukte dat de voorzittende rechter een zorgvuldige belangenafweging had verricht tussen persvrijheid en persoonlijkheidsrechten van de beklaagde. Daarbij werden onder meer de volgende zaken benadrukt: dat foto’s in de zittingszaal iemand kunnen tonen in een staat van grote stress en hier zelfs in handboeien en aldus in omstandigheden waar hij geen mogelijkheid had zijn privacy te beschermen; dat een beklaagde zich niet vrijwillig blootstelt aan het publiek, maar hiertoe werd gedwongen door de zitting bij te wonen, zodat er een dringende noodzaak bestaat om de privacy te beschermen; dat de beklaagde nooit contact met de media heeft opgezocht en zelfs integendeel uitdrukkelijk niet instemde met het maken van beelden; het schadelijk effect dat dit kan hebben op personen, in het bijzonder ook voor een latere maatschappelijke rehabilitatie; terwijl de sanctie beperkt was tot het niet herkenbaar in beeld mogen brengen en aldus de minst restrictieve van alle mogelijke inperkingen.128

3. Filmen in de verhoorkamer

In de verhoorkamer komt het spanningsveld rond toestemming en kwetsbaarheid ook sterk tot uiting. Hier botsen immers bijkomend het geheim van het onderzoek, het vermoeden van onschuld en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachten, terwijl er tegelijkertijd publieke belangstelling bestaat voor deze fase van het strafproces. De vraag rijst of en in welke omstandigheden filmen hier toelaatbaar kan zijn.

Ook in de onderzoeksfase van de strafprocedure kan een verdachte persoon zich in principe beroepen op het recht op afbeelding,129 zoals bevestigd in principe 8 van een aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa.130 Dit betekent dat ook tijdens lopende strafprocedures artikel 8 EVRM bescherming biedt. Hierbij zal net zoals bij filmen in de zittingszaal, onder andere, geoordeeld moeten worden of de persoon in kwestie een publieke persoon is, en of het gaat om een feit van maatschappelijk belang, waardoor het informatieve gebruik van de afbeelding ervan eventueel gerechtvaardigd kan worden zonder toelating op grond van artikel 10 EVRM. Zoals hierboven vermeld zouden personen in bepaalde strafzaken publieke personen kunnen uitmaken, maar dit betekent niet dat elke persoon betrokken bij een proces een publiek persoon uitmaakt. Bijvoorbeeld in het arrest «Sciacca» beschouwde het EHRM een vrouw die verdacht werd van fiscale fraude, als een niet-publiek persoon.131

Cruciaal is dat filmen van verdachten tijdens een verhoor rechtstreeks raakt aan een van de fundamenten van het strafproces: het geheim van het opsporings- en gerechtelijk onderzoek, verankerd in de artikelen 28quinquies en 57 Sv. Beide bepalingen voorzien erin dat de procureur des Konings (in het geval van een gerechtelijk onderzoek met instemming van de onderzoeksrechter), indien het openbaar belang het vereist, gegevens kan verstrekken aan de pers.132 Hieraan wordt toegevoegd dat hij dient te waken over de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden, het privéleven en de waardigheid van personen, waarbij eveneens wordt bepaald dat voor zover als mogelijk de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet wordt vrijgegeven. Ook de advocaat van een verdachte kan soms in het belang van zijn cliënt gegevens verstrekken. Inbreuken op dit geheim van het onderzoek zijn strafbaar gesteld.133

Indien in de verhoorkamer wordt gefilmd met het oog op uitzending, bevat deze opname informatie uit het geheim onderzoek, zodat de toestemming van de procureur des Konings vereist is. Die toestemming kan slechts worden gegeven indien het openbaar belang dit vereist. Bovendien moet ook de proportionaliteitstoets worden doorstaan, terwijl ook de vraag rijst of dergelijke beelden noodzakelijk zijn voor het publiek of van dwingend openbaar belang zijn, en daarbij hoe het openbaar belang in deze context moet worden geïnterpreteerd.

Rechtspraak bevestigt de grenzen: het hof van beroep Brussel oordeelde dat de aanwezigheid van een cameraploeg bij arrestatie en verhoor van een verdachte een schending van de privacy en van het geheim van het onderzoek uitmaakt, met schending van de rechten van verdediging en het recht op eerlijk proces met, na een belangenafweging over onrechtmatig verkregen bewijs, de vrijspraak tot gevolg.134 De correctionele rechtbank Ieper oordeelde dat bij het draaien van beelden voor een televisieprogramma over verkeersovertredingen in samenwerking met de politie, onbevoegden (het televisiepersoneel) kennis kregen van de vaststellingen en aldus het recht op privacy van de overtreders werd geschonden.135 Het Hof van Cassatie heeft het cassatieberoep tegen deze beslissing verworpen, onder meer oordelend dat het beroepen vonnis terecht onderzocht of het recht op een eerlijk proces in het gedrang werd gebracht en daartoe de begane onrechtmatigheid, de schending van het recht op privacy, heeft afgewogen tegen de ernst van het misdrijf.136 Bij beschikking van 2 april 2025 verklaarde de raadkamer van de rechtbank Luik een verhoor en het daaropvolgende aanhoudingsmandaat nietig, omdat door de aanwezigheid van een cameraman zonder bewezen voorafgaande toestemming van de verdachte het geheim van het onderzoek, de privacy en het vermoeden van onschuld werd geschonden.137 Michiels stelt terecht de vraag of de nietigheid van het aanhoudingsmandaat niet te verregaand is, des te meer nu het geheim van het onderzoek en de vertrouwelijkheid van het verhoor niet op straffe van nietigheid voorgeschreven zijn, zodat de kapstok ter beoordeling eerder het recht op een eerlijk proces zou moeten zijn, met de daarin gesloten proportionaliteitstoets.138 Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 25 juni 2024 een arrest van het hof van beroep Brussel van 18 januari 2024 vernietigd omdat het het gedetailleerde verweer niet had beantwoord over het opzettelijke karakter van de onregelmatigheid van een uitgevoerde huiszoeking, erin bestaande dat die huiszoeking met miskenning van privacy en de onschendbaarheid van de woning en met miskenning van het geheim van het onderzoek werd gefilmd en uitgezonden, dit nadat er desbetreffend overleg en informatie-uitwisseling had plaatsgevonden tussen de televisieomroep en de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie en de speurder, zoals naderhand is gebleken uit het televisieprogramma «De onderzoeksrechter».139

Naast rechtspraak zien we in de Omzendbrief van het College van het openbaar ministerie nr. COL OMP 1/2019 die de communicatie van het Openbaar Ministerie met de pers organiseert140 en er ook op gericht is de communicatiemethoden «te stroomlijnen», dat, wanneer het Openbaar Ministerie ermee instemt om beeldopnamen te maken, de voorafgaande schriftelijke toestemming van de betrokkenen steeds vereist zal zijn. De Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) ging verder in een aanbeveling van 9 januari 2025 en stelde dat verdachten die in een stressvolle verhoorsituatie verkeren, niet in staat zijn werkelijk in te stemmen met opnamen voor televisie.141 Meer specifiek: «de stress die de persoon kan ervaren ten gevolge van de situatie waarin hij zich bevindt, kan zijn oordeelsvermogen beïnvloeden. Dat geldt des te meer wanneer de televisiecamera’s bij aankomst van die persoon al opgesteld staan in het verhoorlokaal.»142 Volgens de HRJ zouden dergelijke opnamen en hun uitzending niet mogen plaatsvinden; minstens zouden de voorwaarden sterk verstrengd moeten worden, bijvoorbeeld door een bedenktijd en herbevestiging na raadpleging van een advocaat.143

4. Filmen in de gangen van het gerechtsgebouw

Tot slot kan de vraag gesteld worden of journalisten wel vrij kunnen filmen in de gangen van het gerechtsgebouw, bijvoorbeeld bij het afnemen van interviews en/of wanneer toevallige passanten in beeld komen. Enerzijds wordt een verbod op filmen in het gerechtsgebouw zonder toestemming gekoppeld aan de bevoegdheid van de magistraat die instaat voor het beheer van het gerechtsgebouw.144 Anderzijds voorzien de (nationale) guidelines van het College van de hoven en rechtbanken dat voor opnamen in het gerechtsgebouw buiten de zittingszalen de toestemming nodig is van de voorzitter van de rechtbank of van de persrechter/persattaché.145

Dat het gerechtsgebouw op bepaalde tijdstippen vrij toegankelijk is voor het publiek, zou kunnen pleiten voor de kwalificatie ervan als publiek toegankelijke plaats.146 Het valt evenwel te betwijfelen of dit zonder meer opgaat. De bijzondere functie en context van het gerechtsgebouw kunnen immers beperkingen verantwoorden. Personen die zich er moeten begeven, bevinden zich vaak in omstandigheden die onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen. In de gangen moet het bovendien mogelijk blijven om (nagenoeg) vertrouwelijke gesprekken te voeren, bijvoorbeeld tussen cliënt en advocaat. Ook de mogelijkheid om tijdens een zittingspauze even op adem te kunnen komen zonder gefilmd te worden, lijkt relevant te zijn voor het recht op een eerlijk proces. Het voortdurend draaien van camera’s zou dat recht in het gedrang kunnen brengen. Daarnaast kunnen beperkingen gerechtvaardigd zijn om veiligheidsredenen: het is niet aangewezen dat het volledige gebouw, met inbegrip van beveiligingsmaatregelen of routes, in beeld wordt gebracht.

Wanneer in deze ruimtes beelden worden gemaakt, zijn hier ook het recht op afbeelding en het gegevensbeschermingsrecht van belang. Indien de afgebeelde persoon slechts een bijkomstig element vormt (bijvoorbeeld toevallig op de achtergrond), is toestemming niet vereist.147 In de praktijk kan dit onderscheid evenwel moeilijk te maken zijn. Een persoon zou zich tegen het op die wijze in beeld komen zelfs niet kunnen verzetten.148 Terecht wordt evenwel benadrukt dat bij de keuze om zich in het openbaar te begeven en dus de keuze om door anderen bekeken te worden, er een groot verschil is tussen de vluchtige blikken van enkele seconden enerzijds en anderzijds het vereeuwigen daarvan voor iedereen met de mogelijkheid om het beeld bestendig te fixeren en oneindig te reproduceren.149 De guidelines van het College van hoven en rechtbanken bepalen dan ook dat het verboden is om toevallige passanten herkenbaar in beeld te brengen.150

Opdat een dergelijke beperking van de persvrijheid de proportionaliteitstoets zou doorstaan, is het aangewezen om in een specifieke, makkelijk toegankelijke locatie te voorzien waar journalisten wel interviews kunnen afnemen. Daarbij kan in een neutrale achtergrond voorzien worden om te vermijden dat toevallige passanten herkenbaar in beeld verschijnen.

5. De toekomst van de openbaarheid

Het voorgaande heeft aangetoond dat de discussie over filmen in gerechtelijke context sterk door nuance wordt gekenmerkt. Voor het filmen van verhoren lijkt de eindgeneriek te zijn ingezet. In de zittingszaal blijft het uitgangspunt dat audiovisuele verslaggeving slechts mogelijk is mits rechterlijke toestemming, na afweging van privacy, gegevensbescherming, het recht op een eerlijk proces, de goede rechtsbedeling en de persvrijheid. Deze analyse bevestigt dat het gebruik van camera’s in de zittingszalen met grote omzichtigheid moet worden benaderd. Tegelijk roept zij vragen op die verder (empirisch) onderzoek vergen, naar de voorwaarden die door rechters in de praktijk worden opgelegd alsook naar de belangenafweging die zij maken.

Journalisten kunnen steeds schriftelijk verslag uitbrengen, maar het is de vraag of deze vorm van openbaarheid anno 2026 nog volstaat en toereikend is voor de rol van journalisten om het recht van het publiek op informatie daadwerkelijk te realiseren. Het debat over audiovisuele verslaggeving in de zittingszaal blijft dan ook actueel. In Nederland kunnen bepaalde rechtszaken met grote publieke belangstelling inmiddels via livestream gevolgd worden.151 In sommige landen werd zelfs al een rechtbankzitting gehouden in de metaverse.152

De overweging moet ook in België worden gemaakt of en op welke wijze de openbaarheid van terechtzittingen verder kan worden gemoderniseerd. Dit sluit aan bij de doelstelling van de wetgever om het voor burgers eenvoudiger te maken hun recht op grond van artikel 148 van de Grondwet uit te oefenen.153 Streaming via live audio en/of audiovisuele uitzending zou sneller en ruimer informatie beschikbaar kunnen maken. Ook journalisten zouden mogelijk efficiënter aan verslaggeving kunnen doen wanneer zij niet verplicht vanuit een zittingszaal moeten schrijven. Naast de nieuws- en informatiewaarde zou een integrale uitzending bovendien een positieve invloed kunnen hebben op het vertrouwen van de burger in Justitie. Uit de recentste «justitiebarometer» van de Hoge Raad voor de Justitie blijkt dat drie vierde van de Belgen voorstander is van het opnemen van zittingen, in het bijzonder in de jongste leeftijdscategorie (15-24 jaar).154

Thans is een beslissing tot livestream via een website reeds mogelijk, voor zover geen opnamen worden bewaard.155 Het is evenwel nog wachten op de, in de beleidsnota Justitie aangekondigde, uitvoeringsbesluiten.156 In diezelfde beleidsnota wordt tevens aangekondigd dat zal worden nagegaan of de wet zelf moet worden aangepast.157 Het kan nuttig zijn het livestreamen van zittingen uitdrukkelijk afzonderlijk te regelen en deze te onderscheiden van zittingen in videoconferentie.158 In zekere zin zou dit kunnen worden vergeleken met een relaiszaal, toegankelijk voor een breder publiek. Om tegemoet te komen aan de bezorgdheden die rezen in het kader van beeldopnamen, is het noodzakelijk dat geen opname plaatsvindt en dat het verbod op het maken van opnamen behouden blijft. Van Overbeke uit terecht bezwaren over het opnemen van zittingen en concludeert «Verba volant: mag het toch even159 Ook bij livestream zouden de woorden vliegen, alleen wat verder en sneller. Het spreekt evenwel voor zich dat er oog moet zijn voor nuance en maatwerk, zodat deze stelling hoofdzakelijk hoopt een aanzet te zijn om hierover verder debat te voeren.

1  Beleidsnota justitie, KAMER, 2024-2025, 22 april 2025, nr. 56 0856/017, 15-16.

2  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 4; De Mets J., «EHRM: virtuele zittingen in strafzaken vereisen sterke waarborgen», De Juristenkrant 2026/521, 4.

3  Artikel 112ter Sv. regelt de audiovisuele opname van verhoren of reconstructies die slechts mogen beluisterd worden in wettelijk geregelde omstandigheden en niet voor publieke uitzending dienen.

4  Bv. gerechtelijke opsporingsberichten en opsporingsprogramma’s zoals «Faroek»; Zie hierover Ministeriële richtlijn inzake het verspreiden van gerechtelijke opsporingsberichten via de media en het internet, BS 1 juli 2005 (ed. 3).

5  Over de wenselijkheid van het publiceren van al dan niet herkenbare beelden van beklaagden die buiten de gerechtsgebouwen worden genomen, zie onder meer: EHRM 14 december 2006, 10520/02, «Case of verlagsgruppe news gmbh/Austria (no. 2)» (een absoluut verbod op het publiceren van een foto van een zakenmagnaat naast krantenberichten over onderzoeken naar zijn vermeende belastingontduiking was een schending van artikel 10 EVRM).

6  Tijdens de fase van de overbrenging van personen naar de gerechtelijke entiteiten mogen zij niet blootgesteld worden aan publieke nieuwsgierigheid (met inbegrip van beeldopnamen). Zie hierover: artikel 35 Wet op het politieambt en Voorhoof D., «Artikel 35 van de wet op het politieambt: een concrete juridische basis voor de privacybescherming van aangehouden, gevangen en opgehouden personen of ... een aanslag op de persvrijheid?», Panopticon 1993/2, 107-121. Het artikel lijkt geen resultaatsverbintenis op te leggen. Een beklaagde riep voor het EHRM in dat de media herhaaldelijk beelden heeft verspreid van zijn overbrenging van de gevangenis naar het gerechtsgebouw, waardoor de publieke opinie dat hij schuldig was, reeds zou gevormd zijn. Het EHRM oordeelde dat niet blijkt dat de agenten nalatig zouden geweest zijn en dat geen invloed bewezen was op het proces (Lemmens P., «Noot onder EHRM 2 juni 2005, 46825/99», RW 2007-08, (250) 251).

7  Dit betreft de specifieke verboden tot publicatie of verspreiding voorzien in artikel 433bis Sw. (vanaf 1 september 2026 artikel 356 Strafwetboek 2024) over aantasting van de persoonlijke levenssfeer van minderjarigen en artikel 417/63 Sw. voor misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden, zie vanaf 1 september 2026 artikel 192 Strafwetboek 2024.

8  Artikel 258/1 Sv. voorziet erin voor procedures voor het hof van assisen dat de voorzitter onder bepaalde omstandigheden kan beslissen de zitting te laten opnemen voor de slachtoffers en hun advocaten. Zie hierover ook Vereecke V., Handboek hof van assisen, Intersentia, 2025, 210-212.

9  Artikel 258/2 Sv. voorziet in het opnemen van zittingen voor het hof van assisen voor het belang van het aanleggen van historische justitiearchieven. De opname voor historische justitiearchieven of educatieve doeleinden in het algemeen gemaakt en bewaard middels het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 763bis, § 1, 2° Ger.W. en raadpleegbaar voor specifieke doeleinden met de schriftelijke toelating van de beheerder van het systeem, waarbij de in artikel 782, § 6 opgelijste entiteiten optreden als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van de AVG en WVP, worden geregeld in artikel 759/2 Ger.W. en 556 Sv. Tijdens de voorbereidende werken werd er, na het advies van de gegevensbeschermingsautoriteit en de Raad van State waaruit bleek dat het verband tussen de artikelen 759/2 en 759/1 Ger.W. diende te worden verduidelijkt, op gewezen dat het voorgestelde artikel 759/1 van toepassing is op opnamen voor journalistieke doeleinden, waar, anders dan bij 759/2, de verantwoordelijkheid voor de verwerking ligt bij de persoon die de opname maakt. Beide artikelen zijn strikt van elkaar te onderscheiden. Het zou ook geen nut hebben om journalisten toe te laten opnamen te maken mits toelating van de rechter, om vervolgens te bepalen dat alles enkel via een specifiek videoconferentiesysteem van Justitie kan opgenomen worden.

10  Artikel 148 Grondwet.

11  Artikel 759/1, eerste lid Ger.W. en artikel 565 Sv.

12  Naast artikel 148 Grondwet zie ook artikel 757 Ger.W.; artikel 190 Sv.; artikel 280, derde lid Sv.; artikel 6 EVRM; artikel 14 IVBPR. Dit onderzoek heeft vanzelfsprekend evenmin betrekking op zittingen in raadkamer of situaties waar wordt beslist tot behandeling van de zaak met gesloten deuren wanneer de vervolgingen zijn gegrond op de artikelen 417/7 tot 417/36, 417/38, 417/44, 417/46, 417/47, 417/56, 433quater/1, 433quater/4 of op artikel 433quinquies Sw. (vanaf 1 september 2026 artikelen 134 tot 163, 165, 171, 173, 174, 187, 265, 268 en 258 Strafwetboek 2024) in geval van uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, nu deze zittingen dan ook uiteraard niet openbaar zijn voor journalisten en al helemaal niet voor de audiovisuele pers.

13  Zie o.a. EHRM 11 januari 2000, 31457/96, «News Verlags GmbH & Co. KG/Oostenrijk», § 56.

14  Ibid., § 56 and 59. Zie ook Raad van Europa, Comité van Ministers, Recommendation Rec(2003)13 of the Committee of Ministers to member states on the provision of information through the media in relation to criminal proceedings, 10 juli 2003.

15  Appendix to the Recommendation Rec (2003)13 of the Committee of Ministers of the Council of Europe to member states on the provision of information through the media in relation to criminal proceedings (adopted by the Committee of Ministers on 10 July 2003 at the 848th meeting of the Ministers» Deputies), principle 12 en 13.

16  COLLEGE VAN DE HOVEN EN RECHTBANKEN, Guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media, 6 januari 2026, 6, https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/publications/guidelines-chr-praktische-afspraken-met-de-media.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

17  Valcke P. en Voorhoof D., Handboek mediarecht, Larcier, 2014, 299.

18  COLLEGE VAN DE HOVEN EN RECHTBANKEN, Guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media, 6 januari 2026, https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/publications/guidelines-chr-praktische-afspraken-met-de-media.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

19  COLLEGE VAN DE HOVEN EN RECHTBANKEN, Guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media, 6 januari 2026, 2, https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/publications/guidelines-chr-praktische-afspraken-met-de-media.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

20  zie voor het ressort Antwerpen-Limburg https://www.tribunaux-rechtbanken.be/sites/default/files/media/reatpi/antwerpen/files/persprotocolhvb.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026; zie voor het ressort Gent https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/media/gen/files/praktische-persafspraken-ressort-gent.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

21  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 6. Artikel 759 Ger.W. bepaalt: «De toebehoorders wonen de zittingen bij eerbiedig en stilzwijgend; alles wat de rechter tot handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.» Die bepaling is, behoudens de weglating van de woorden «met ongedekten hoofde», ongewijzigd sinds zijn inwerkingtreding op 1 januari 1969.

22  Ingevoegd bij artikel 2 Wet van 25 april 2024 houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, BS 3 juni 2024 (ed. 1), met ingang van 1 september 2024.

23  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 3.

24  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 3.

25  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 7.

26  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 7.

27  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 7.

28  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 7 en 90.

29  Van Overbeke S., «Een nieuw misdrijf: ongeoorloofde opname van de rechtszitting», RW 2024-25/2, 42.

30  Van Den Bergh B., «Commentaar bij artikel 760 Ger.W. - De rechterlijke politiemaatregelen ter zitting» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger.W., Kluwer, 2025, (131) 136.

31  Thiriar P., Scheers D. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, 432.

32  Van Den Bergh B., «Commentaar bij artikel 760 Ger.W. - De rechterlijke politiemaatregelen ter zitting» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger.W., Kluwer, 2025, (131) 134 en 136.

33  Valcke P. en Voorhoof D., Handboek mediarecht, Larcier, 2014, 300.

34  EHRM 21 september 2017, 51405/12, ECLI:CE:ECHR:2017:0921JUD005140512, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», overwegingen 33 en 34.

35  EHRM 21 september 2017, 51405/12, ECLI:CE:ECHR:2017:0921JUD005140512, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», overweging 36.

36  EHRM 21 september 2017, 51405/12, ECLI:CE:ECHR:2017:0921JUD005140512, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», overweging 36.

37  EHRM 21 september 2017, 51405/12, ECLI:CE:ECHR:2017:0921JUD005140512, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», overweging 36.

38  EHRM 21 september 2017, 51405/12, ECLI:CE:ECHR:2017:0921JUD005140512, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», overweging 42.

39  Het recht op privacy geniet constitutionele en internationaalrechtelijke bescherming in artikel 22 Grondwet, artikel 8 EVRM, artikel 7 (recht op privacy) en artikel 8 (recht op gegevensbescherming) Handvest van de Grondrechten van de EU en artikel 17 IVBPR.

40  Binnen de Europese Unie is dit recht niet geharmoniseerd, waardoor de bescherming per lidstaat verschilt. Synodinou T., «Image Right and Copyright Law in Europe: Divergences and Convergences», Laws 2014/3, (181) 183. In België wordt het recht op afbeelding beschouwd als een persoonlijkheidsrecht, ontwikkeld door rechtspraak en rechtsleer, en beschermd door artikel XI.174 WER. Persoonlijkheidsrechten worden gekenmerkt door hun universele en onvervreemdbare aard. Ze komen iedere natuurlijke persoon toe louter op basis van zijn of haar persoon-zijn, bieden bescherming tegen inbreuken door derden en zijn niet in geld waardeerbaar (Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 2).

41  Artikel XI.174 WER voorziet erin dat: «De auteur of de eigenaar van een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden.»; HvB Antwerpen 7 oktober 2020, NJW 2021/448, (688) 690.

42  Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 62.

43  Ook voor het tekenen en tentoonstellen of verspreiden van gerechtstekeningen aan het publiek is in principe toelating vereist van de afgebeelde persoon op grond van het recht op afbeelding (Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 197). Het gaat om elke visuele impressie van een beeld, ongeacht de daartoe gebruikte techniek of het aangewende materiaal, waardoor dit door andere personen waarneembaar en herkenbaar wordt, zelfs zo er wordt vervormd, bijvoorbeeld tot karikatuur (Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1162 en 1166). Het is een misopvatting dat getekende portretten geen schending van het recht op afbeelding zouden kunnen opleveren (Schuijt G., «Het portret van Mohammed B.», NJB 2005/18, (938) 939).

44  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1169.

45  Dierickx concludeert op basis van een analyse van rechtsleer en rechtspraak: «in regel moet de afbeelding op zichzelf en zonder context herkenbaar zijn, maar de context kan een belangrijke invloed hebben en kan de herkenbaarheid vergemakkelijken.» (Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 69 ev.).

46  Schuijt G., «Het portret van Mohammed B.», NJB 2005/18, (938) 938.

47  Lindemans J. en Vogt S., «Oude wijn in nieuwe zakken: exploitatie van afbeelding en stem via deepfakes vanuit perspectief van persoonlijkheidsrechten en de AI-verordening», Computerrecht 2025/2, (4), 8; Guldix E., «Recht op stem» TPR 2009, (918) 918.; Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 55.

48  Guldix E., «Recht op stem» TPR 2009, (918) 918.

49  Lindemans J. en Vogt S., «Oude wijn in nieuwe zakken: exploitatie van afbeelding en stem via deepfakes vanuit perspectief van persoonlijkheidsrechten en de AI-verordening», Computerrecht 2025/2, (4), 8.

50  Guldix E., «Recht op stem» TPR 2009, (918) 918.

51  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1174.

52  Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 93-94; De Hert P. en Saelens R., «recht of afbeelding» TPR 2009, (867) 872; Sustronck O., Praktijkboek internetrecht, Wolters Kluwer, 2017, 174; Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 86; Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1175-1177. Mondelinge toestemming kan in bepaalde gevallen worden aangenomen, bijvoorbeeld enkel voor een eenmalige nieuwsuitzending, maar moet steeds voldoende specifiek zijn.

53  Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 94.

54  Artikel XI 174 WER. Echter, Dierickx nuanceert dat de toestemming zich ook kan uitstrekken tot andere vormen van gebruik of aspecten die verbonden zijn met het gebruik binnen de context waarbinnen de toelating gegeven werd, bijvoorbeeld beelden gemaakt voor een televisieprogramma, die dan gebruikt werden voor de lanceringscampagne ervan. Daarnaast kunnen partijen ook contractueel afspreken dat de toestemming ruimer geldt dan enkel voor dat specifieke gebruik of die context. Die mogelijkheid is evenwel beperkt: de toestemming moet steeds voldoende specifiek blijven (Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 123).

55  HvB Antwerpen 7 oktober 2020, NJW 2021/448, (688) 690.

56  Artikel 10 EVRM; artikel 19 Grondwet.

57  Artikel 25 Grondwet.

58  Het EHRM benadrukt ook dat «de plichten en verantwoordelijkheden van journalisten die verbonden zijn aan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting bijzonder belangrijk zijn in verband met de verspreiding onder het grote publiek van foto’s die persoonlijke en intieme informatie over een individu onthullen. Hetzelfde geldt wanneer dit gebeurt in verband met strafrechtelijke procedures [...]» EHRM 16 april 2009, 34438/04, «Egeland and Hanseid v. Norway», § 59.

59  EHRM 7 februari 2012, C-39954/08, «Axel Springer AG/Germany». Specifiek in verband met beelden genomen in de zittingszaal, oordeelde het EHRM dat «beelden van een verdachte die in een rechtszaal zijn gemaakt, de persoon in een toestand van grote nood kunnen tonen en mogelijk in een situatie waarin hij minder zelfbeheersing heeft.» EHRM 21 september 2017, 51405/12, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany».

60  Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 164; Interessant hier is de discussie of beklaagden in bepaalde assisenprocessen, waarbij de feiten de maatschappij sterk beroeren, (althans gedurende het proces) ook als publieke personen kunnen worden beschouwd. Voorhoof D., «Gerechtsverslaggeving en het recht op afbeelding van de beklaagde of beschuldigde», De journalist maart 2004, 5.

61  EHRM 21 september 2017, 51405/12, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany», § 47.

62  Artikel 6 EVRM.

63  Van Gerven D., «Hoe kan de pers het vermoeden van onschuld eerbiedigen», De Juristenkrant 2012/250, 12.

64  Lemmens K. en Taevernier B., «Media en vermoeden van onschuld: het kan beter», De Juristenkrant 2012/251, 17.

65  Voorhoof D., «De media, de verdachte en het vermoeden van onschuld», A&M 2012/1, (7) 8.

66  Zie o.a. HvJ 14 februari 2019, C-345/17, ECLI:EU:C:2019:122, «Sergejs Buivids», § 31.

67  Artikel 6 AVG; Journalisten zouden zich in sommige gevallen ook kunnen beroepen op de uitzonderingsgrond «noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang», maar niet wanneer dit minder zwaar doorweegt dan de belangen of de fundamentele rechten van de betrokkenen. In het kader van deze afweging verwijst de Vlaamse Vereniging voor Journalisten bijvoorbeeld naar de Richtlijnen van de Raad voor de Journalistiek over identificatie in een gerechtelijke context die later nog aan bod komen. Deltour P., «Journalisten en de AVG: een praktische handleiding», Vlaamse Vereniging van Journalisten, 11 september 2018, https://www.journalist.be/nl/nieuws/journalisten-en-de-avg-een-praktische-handleiding#_ftnref24, geraadpleegd op 12 april 2026.

68  Respectievelijk artikelen 13 en 14, 15, 17 AVG.

69  Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018, 68616.

70  Voinea D.V., «GDPR rules and exceptions for journalists», Annals of the University of Craiova for Journalism, Communication and Management Volume 7, 2021, 110.

71  Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018, 68616.

72  Deze definitie lijkt op het eerste gezicht niet in overeenstemming met de ruime interpretatie die het Europees Hof van Justitie hanteert. HvJ 14 februari 2019, C-345/17, ECLI:EU:C:2019:122, «Sergejs Buivids». Het Europees Hof van Justitie oordeelt dat het doorslaggevende criterium is of de verwerking ertoe strekt «informatie, meningen of ideeën aan het publiek» bekend te maken, ongeacht het gebruikte medium of de hoedanigheid van de verwerker.

73  Voorhoof D., «Geen verbod op filmen van politieagenten (noot onder HvB Gent 19 september 2018)», De Juristenkrant 2018/380, (1) 2; Debruyne N., «Burgerjournalistiek op Youtube is ook journalistiek», De Juristenkrant 2018/386, 5.

74  Zie ook het advies bij dit wetsvoorstel van de Gegevensbeschermingsautoriteit, «Advies betreffende het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens wat de verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden betreft, 16 maart 2023, Doc 55 2694/002, https://www.dekamer.be/flwb/pdf/55/2694/55K2694002.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026 en van het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens, «Advies nr. 1/2024 van 22 januari 2024», https://federaalinstituutmensenrechten.be/sites/default/files/2024-02/FIRM%20Advies%201-2024%20-%20Verwerking%20persoonsgegevens%20voor%20journalistieke%20doeleinden.pdf, geraadpleegd op geraadpleegd op 12 april 2026.

75  HvJ 14 februari 2019, C-345/17, ECLI:EU:C:2019:122, «Sergejs Buivids», § 64.

76  Artikel 15 Code van de Raad voor de Journalistiek, Bijgewerkte versie 2023, https://www.rvdj.be/sites/default/files/pdf/code-rvdj.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

77  Artikelen 22 en 24 Code van de Raad voor de Journalistiek.

78  Richtlijnen bij artikel 23 Code van de Raad voor de Journalistiek i.v.m. identificatie in een gerechtelijke context.

79  Ibid.

80  Ibid.

81  Deraeve K., «Foto’s op de werkvloer: «say cheese»?», Sociale wegwijzer 2022/22, (9) 10.

82  Een eenzijdige rechtshandeling is de wilsuiting waarbij een persoon de bedoeling heeft om rechtsgevolgen te doen ontstaan (artikel 5.125 BW). Over de technische overbodigheid van artikel 5.125 BW gelet op artikel 1.3, eerste lid BW zie Peeraer F., «Totstandkoming, geldigheid en interpretatie van contracten en eenzijdige rechtshandelingen: inhoudelijke vernieuwingen: herformuleringen en metonymieën» TPR 2024, (1135) 1262 en 1263. Ook een kwalificatie als meerzijdige rechtshandeling (contract) is niet a priori uit te sluiten. Theoretisch zou een persoon met een commerciële partner een contract kunnen sluiten over het gebruik van zijn afbeelding, zelfs voor beelden in de zittingszaal. Zulke constructies blijven evenwel onderworpen aan de bevoegdheid van de rechter om de openbaarheid niet te verruimen tot audiovisuele pers, evenals aan de klassieke leer van de contractuele wilsgebreken.

83  Het gevolg van een (eenzijdige) rechtshandeling kan een afstand zijn van een subjectief recht. Wetsvoorstel houdende Boek 1 «Algemene bepalingen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1805/001, 10; Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 34-35. Dierickx wijst echter op onenigheid in de rechtsleer op dit punt, waarbij sommigen in het kader van persoonlijkheidsrechten de opvatting hebben dat het om een juridisch feit of een materiële handeling zou gaan.

84  Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 34-35.

85  De geldigheid van de toestemming veronderstelt dat zij vrij en bewust wordt gegeven (artikelen 5.27, 1° en 5.126 BW).

86  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1175. De meerwaarde van een uitdrukkelijke schriftelijke wilsuiting spreekt in functie van het bewijsrecht voor zich (Isgour M., Le droit à l’image, Larcier, 2014, 153 en 154).

87  Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 93-94; De Hert P. en Saelens R., «recht of afbeelding» TPR 2009, (867) 872; Sustronck O., Praktijkboek internetrecht, Wolters Kluwer, 2017, 174; Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 86; Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1175-1177. Mondelinge toestemming kan in bepaalde gevallen worden aangenomen, bijvoorbeeld enkel voor een eenmalige nieuwsuitzending, maar moet steeds voldoende specifiek zijn.

88  Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 94.

89  Het is een algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht strikt moet worden uitgelegd en niet wordt vermoed, waarbij die afstand enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn (Cass. 14 november 2022, C.22.0144.F.), zoals thans ook gecodificeerd in artikel 1.12 BW.

90  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1176.

91  Voorz. Rb. Brussel (kort ged.) 15 november 2001, A&M 2002/2, 187; Lindemans J. en Vogt S., «Oude wijn in nieuwe zakken: exploitatie van afbeelding en stem via deepfakes vanuit perspectief van persoonlijkheidsrechten en de AI-verordening», Computerrecht 2025/2, (4), 8; Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 124 en 126; Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1177.

92  HvB Antwerpen 7 oktober 2020, NJW 2021/448, (688) 690; Rb. Brussel 25 mei 2011, A&M 2011/4-5, 569; Rb. Brussel 21 november 2006, A&M 2007/3, 284; Geiregat S., «Recht op afbeelding (noot onder HvB Antwerpen 7 oktober 2020)», NJW 2021/448, (691) 692; Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 95 en 96.

93  Isgour M., Le droit à l’image, Larcier, 2014, 254.

94  Artikel 24, § 2 wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018, 68616.

95  De afwezigheid van toestemming is niet volledig gelijk te schakelen met een wilsgebrek, omdat niet alle gevallen van afwezigheid van toestemming onder de toepassingsvoorwaarden vallen van één van de wilsgebreken, zoals de onvolwaardige wil (Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 34).

96  Sagaert V., Beginselen van verbintenissenrecht: de contractuele en quasi-contractuele verbintenissen, LeA Uitgevers, 2026, 68.

97  Van Gerven W. en Van Oevelen A., Verbintenissenrecht, Acco, 2021, 110; De Boeck A. en Van Damme N., «Wilsuiting: werkelijke wil - uitgedrukte wil - veinzing» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2019, (201) 226.

98  Van Gerven W. en Van Oevelen A., Verbintenissenrecht, Acco, 2021, 110.

99  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 35.

100  Hoewel soms wordt verwezen naar elementen die ontbreken bij eenzijdige rechtshandelingen (zoals een tegenpartij). Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 157; Peeraer F., «Totstandkoming, geldigheid en interpretatie van contracten en eenzijdige rechtshandelingen: inhoudelijke vernieuwingen: herformuleringen en metonymieën», TPR 2024, (1135) 1263. Waar benadeling, misbruik van omstandigheden en bedrog moeten uitgaan van een tegenpartij, geldt bij een eenzijdige rechtshandeling degene tot wie de eenzijdige wilsuiting gericht is, als tegenpartij (Devroe S., «Eenzijdige rechtshandeling» in Boecquaert K., Bouras S., De Rey S. e.a., Focus op verbintenissen, Kluwer, 2023 (152) 154).

101  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 43.

102  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 43.

103  Voor een bespreking van alle voorwaarden zie Sagaert V., Beginselen van verbintenissenrecht: de contractuele en quasi-contractuele verbintenissen, LeA Uitgevers, 2026, 74; Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 215.

104  Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 216.

105  Hier dient de rechter na te gaan of de persoon die de dwang uitoefent, zich op die manier gedraagt als een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst (Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 216).

106  Cass. 24 maart 2003, S.02.0092.F.

107  Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 223.

108  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 44.

109  Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 216.

110  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 44; De Rey S., «Le consentement et la capacité» in Jafferali R. (ed.), Le Livre 5 du Code civil et le nouveau droit des contrats, Larcier, 2022 (103) 131.

111  Van Damme N., «Commentaar bij art. 5.36 BW» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (211) 225.

112  Cass. 5 oktober 2023, C.22.0238.N-C.22.0253.N.

113  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 44. Bij de keuze om het wilsgebrek dwang niet van toepassing te maken op omstandigheden die niet toerekenbaar zijn aan de wederpartij, werd verduidelijkt dat deze situaties thans worden opgevangen (letterlijk) onder misbruik van omstandigheden. Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 43.

114  Herbosch M., «Commentaar bij art. 5.37 BW - Misbruik van omstandigheden» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (193) 20-210.

115  Wetsvoorstel houdende Boek 5 «Verbintenissen» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, 24 februari 2021, nr. 1806/001, 43.

116  Herbosch M., «Commentaar bij art. 5.37 BW - Misbruik van omstandigheden» in Dambre M., Tilleman B. en Tanghe T. (eds.), Comm.Bijz.Ov., Kluwer, 2024, (193) 202.

117  Dierickx L., «Sociale media en het recht op afbeelding» in Bertels N., De Pourcq S., Vanleenhove C. e.a., Sociale media anno 2015, Intersentia, 2015, (91) 93; Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1164.

118  Meer bepaald: «Elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt.».

119  Europees Comité voor gegevensbescherming, Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679, 4 mei 2020, https://www.edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf (geraadpleegd op 12 april 2026).

120  Debot D., «Publieke handhaving - Administratieve en strafrechtelijke sancties - strafrechtelijke sancties» in De Bot D., De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer, 2019, (1223) 1231.

121  Debot D., «Publieke handhaving - Administratieve en strafrechtelijke sancties - strafrechtelijke sancties» in Debot D., De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer, 2019, (1223) 1231.

122  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1178 en 1179.

123  Van Overbeke S., «Een nieuw misdrijf: ongeoorloofde opname van de rechtszitting», RW 2024-25/2, 42.

124  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 7.

125  EHRM 21 september 2017, 51405/12, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany».

126  De zaak vond plaats in Duitsland, waar gelijkaardige bevoegdheden gelden voor de rechter die de zitting voorzit tot ordehandhaving van de zitting, ook wat betreft het toelaten van audiovisuele opnamen onder door de rechter bepaalde voorwaarden.

127  Het was onwaarschijnlijk dat de zaak in heel Duitsland opzien had gebaard (geen enkele landelijke televisiezender, behalve de tweede verzoekende vennootschap, had belangstelling getoond om verslag te doen), de herkenbare berichtgeving kon een schandpaaleffect hebben, de beklaagde had nooit in de openbaarheid gestaan, nooit zelf de media gezocht en uitdrukkelijk verzocht om zijn identiteit te verbergen, wat samen zwaarder weegt dan het publieke belang bij informatie). EHRM 21 september 2017, 51405/12, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany».

128  EHRM 21 september 2017, 51405/12, «Axel Springer SE and RTL Television Gmbh/Germany». Andere aspecten die werden benadrukt, waren het feit dat het niet was aangetoond dat informatie over het uiterlijk van de beklaagde een wezenlijke bijdrage had kunnen leveren aan het debat over de zaak; er geen sprake was van bekendheid; de beklaagde geen publiek persoon was maar een normaal persoon betrokken in een strafprocedure; de eerdere herkenbare beschikbare foto’s van de beklaagde jaren eerder werden gemaakt en hem op jongere leeftijd tonen; de beklaagde bekentenissen had afgelegd maar de procedure nog niet was afgerond en hij nog steeds en tot het einde het vermoeden van onschuld genoot; de verklaringen waren afgelegd door iemand die volgens de deskundige een schizoïde persoonlijkheidsstoornis had.

129  Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 191-194.

130  Raad van Europa, Comité van Ministers, Recommendation Rec(2003)13 of the Committee of Ministers to member states on the provision of information through the media in relation to criminal proceedings, 10 juli 2003.

131  EHRM 11 januari 2005, 50774/99, «Sciacca/Italy», § 28.

132  Ook artikel 90sedecies Sv. voorziet erin dat de procureur des Konings «in andere situaties dan bedoeld in de artikel 28quinquies en 57» (zodus niet lopende een opsporings- of gerechtelijk onderzoek) indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens betreffende feiten die strafbaar zijn met criminele of correctionele straffen kan verstrekken. Ook hier wordt de nadruk gelegd op de notie van openbaar belang, het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging, het privéleven en de waardigheid van de persoon. Er kan ook duiding worden gegeven over «ernstige criminele en correctionele zaken» die werden afgesloten met een in kracht van gewijsde veroordeling.

133  Artikel 458 en 460ter Strafwetboek en met ingang van 1 september 2026 artikel 352 en 668 Strafwetboek 2024.

134  Schuermans F., «Bolletjesslikker ontspringt dans door aanwezigheid camera», De Juristenkrant 2007/153, 8.

135  Corr. Ieper 26 mei 2005, AM 2005/4, 339.

136  Cass. 8 november 2005, P.05.1106.N.

137  Rb. Luik (afd. Luik) 2 april 2025, JT 2025/19, 336-337. In casu stelde de verdachte dat hij vooraf geen toestemming had gegeven voor de aanwezigheid van de cameraman, terwijl de onderzoeksrechter bevestigde die toestemming tijdens het verhoor niet te hebben gevraagd. De verdachte tekende pas na het verhoor een document waarin hij instemde met de mogelijke uitzending van beelden in een televisieprogramma. De raadkamer oordeelde dat deze omstandigheden de vertrouwelijkheid van het verhoor en de essentiële waarborgen van de strafprocedure schonden, en verklaarde zowel het verhoor als het aanhoudingsmandaat nietig.

138  Michiels O., «Quand la caméra entre dans le cabinet du juge: la nullité du mandat d’arrêt est-elle inévitable? (noot onder Rb. Luik (afd. Luik) 2 april 2025)», JT 2025/19, 337-338.

139  Cass. 25 juni 2024, P.24.0211.N en zie ook de conclusie van het Openbaar Ministerie in deze zaak.

140  Een nieuwe omzendbrief valt evenwel te verwachten na de aanbeveling van de Hoge Raad voor de Justitie van 9 januari 2025, nr. 2025/1-CAE.

141  Hoge Raad voor de Justitie, aanbeveling van 9 januari 2025, nr. 2025/1-CAE. Het betreft de aanbeveling «betreffende de ongeschiktheid van een door een parketmagistraat verhoorde persoon om bij die gelegenheid werkelijk in te stemmen met de opname van het verhoor met het oog op de uitzending op televisie van fragmenten uit dat verhoor». De HRJ benadrukt dat een vermoedelijk onschuldig persoon die wordt verhoord in de loop van een onderzoek, legitiem van de openbare dienst die de rechterlijke orde aanbiedt, mag verwachten dat hij de beslissing om al dan niet in te stemmen met de opname van het verhoor of de uitzending van gemonteerde en door derden becommentarieerde fragmenten van die opname, niet op dat moment moet nemen.

142  Hoge Raad voor de Justitie, aanbeveling van 9 januari 2025, nr. 2025/1-CAE, 5.

143  De HRJ meent dat: «Een uitdrukkelijke en schriftelijke bevestiging van die instemming moet niet enkel vóór en onmiddellijk na de opname worden gevraagd, maar ook na een bedenktijd van minstens 8 dagen. Dat zou de betrokkenen in staat stellen weloverwogen in te stemmen met de uitzending, in alle kalmte, na het inwinnen van het advies van een advocaat en zonder de druk van de inzet van het verhoor, met name de mogelijkheid voor het parket om een aanhoudingsbevel te eisen of andere maatregelen te nemen. Zo zou kunnen worden opgelegd dat de instemming a posteriori pas wordt gegeven na het zien van de scène (na montage en toevoeging van commentaar) of nadat de betrokkene kennis heeft kunnen nemen van de scène.» (Hoge Raad voor de Justitie, aanbeveling van 9 januari 2025, Nr. 2025/1-CAE, 5).

144  Omzendbrief van het College van het openbaar ministerie nr. COL OMP 1/2019 die de communicatie van het Openbaar Ministerie met de pers organiseert, 21; De Mets J., «Elektronische procesvoering», NJW 2025/515, (46) 52.

145  College van de Hoven en Rechtbanken, Guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media, 6 januari 2026, 7, https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/publications/gui​de lines-chr-praktische-afspraken-met-de-media.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

146  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1181.

147  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1183.

148  Dierickx L., Het recht op afbeelding, Intersentia, 2005, 152.

149  Guldix E., «Algemene systematische beschouwingen over het persoonlijkheidsrecht op de eigen afbeelding», RW 1980-81, (1161) 1182 en 1183.

150  COLLEGE VAN DE HOVEN EN RECHTBANKEN, Guidelines Praktische modaliteiten voor de relaties met de media, 6 januari 2026, 6, https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/publications/guidelines-chr-praktische-afspraken-met-de-media.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

151  Ter Voert M., Dubelaar M., Geertsema K. e.a., Digitale zittingen in de Rechtspraak. Stand van zaken in straf-, jeugdbeschermings-, vreemdelingen- en toezichtzaken in 2024, Colofon, 2024. Zie https://www.rechtspraak.nl/livestreams (geraadpleegd op 12 april 2026), waarbij wordt benadrukt dat het bekijken van een livestream wat anders is dan deelnemen aan een onlinezitting én dat het niet toegelaten is om zonder toestemming opnamen te maken van de stream. Zie https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/augustus/livestream-zitting-veehouderijen/, geraadpleegd op 12 april 2026.

152  Maus M., «Is het in België mogelijk om rechtbankzittingen te houden in de metaverse?», Blog Vakgroep Publiek Recht VUB 24 september 2024, https://vakgroep-publiekrecht.research.vub.be/nl/is-het-in-belgie-mogelijk-om-rechtbankzittingen-te-houden-in-de-metaverse (geraadpleegd op 12 april 2026). De metaverse is een virtuele omgeving, vaak gebaseerd op virtual reality technologie, waarin gebruikers zich digitaal kunnen bewegen en interageren. RATHENAU INSTITUUT, «Wat is de metaverse», https://www.rathenau.nl/nl/digitalisering/wat-de-metaverse, geraadpleegd op 12 april 2026.

153  Wetsontwerp houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55 3722/001, 3.

154  HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE, vijfde justitiebarometer, 14 juni 2024, 73, https://hrj.be/admin/storage/hrj/vijfde-justitieba​rometer-2024.pdf, geraadpleegd op 12 april 2026.

155  De Mets J., «Elektronische procesvoering», NJW 2025/515, (46) 52.

156  Beleidsnota justitie, KAMER, 2024-2025, 22 april 2025, nr. 56 0856/017, 12.

157  Beleidsnota justitie, KAMER, 2024-2025, 22 april 2025, nr. 56 0856/017, 12.

158  Bij livestream dringt de mogelijkheid tot gelijktijdige communicatie en interactie zich niet op, zoals wel het geval is bij videoconferentie. Artikel 763bis, § 1, 1° Ger.W. definieert een videconferentie als volgt: «elke rechtstreekse audiovisuele verbinding, in reële tijd, met als doel het verzekeren van een multidirectionele en gelijktijdige communicatie van beeld en geluid en een visuele, auditieve en verbale interactie tussen meerdere geografisch van elkaar verwijderde personen of groepen van personen».

159  Van Overbeke S., «Een nieuw misdrijf: ongeoorloofde opname van de rechtszitting», RW 2024-25/2, 42.