Bemiddeling en minnelijke schikking: voor een meer humane samen-leving
Joris J. DE SMET1
Erkend bemiddelaar en advocaat
Plaatsvervangend raadsheer Hof van Beroep Gent
Gina VAN DEN BORRE
Erkend bemiddelaar
Rechter in ondernemingszaken in de Ondernemingsrechtbank Gent
In deze bijdrage staan de auteurs stil bij de uitdagingen en de mogelijkheden die bemiddeling en minnelijke schikking bieden als vormen van alternatieve geschillenregeling. Daarbij gaat hun aandacht niet zozeer uit naar het kader dat daarvoor wettelijke vorm heeft gekregen, maar wel naar de menselijke, sociale en economische context. In hoe mensen met elkaar omgaan, groeit een nieuwe manier van denken, waarbij er plaats gemaakt wordt voor een oprechte en begripvolle omgang tussen de mensen. Dit leidt tot een andere benadering en aanpak ter vermijding van geschillen en tot een meer menselijke, humane manier om met gerezen conflicten om te gaan. Bemiddeling en minnelijke schikking mogen niet beperkt worden tot het toepassen van enkele technieken die gericht zijn op het tot stand brengen van dialoog en onderhandeling. Bemiddeling en minnelijke schikking zijn veel meer dan dat. Bemiddeling en minnelijke schikking moeten gezien worden in het juiste ethisch kader. De alternatieve geschillenregeling moet er uiteindelijk toe leiden dat een meer humane samen-leving gecreëerd kan worden, waar individualisme en egoïsme plaatsmaken voor luisterbereidheid, wederzijds respect en handelen in het algemeen belang.
I. Bemiddeling: een humane manier om conflicten op te lossen en te vermijden.1
Ter inleiding
1. De homo mediator in de brede betekenis van het woord heeft altijd bestaan.2 Voor de boeiende ontstaansgeschiedenis en de verdere ontwikkeling, die reeds in 1681 aanvangt met een werk van de Hollandse diplomaat Abraham de Wicquefort (1606-1682), kan verwezen worden naar de grondige studie van Jacques Faget.3
Alternatieve geschillenregeling wordt sinds vele jaren op internationaal vlak gepromoot, ook binnen de Europese context.4 Bemiddeling wordt vandaag nog te veel gezien als een wijze van «alternatieve» geschillenregeling. Dit houdt in dat men bemiddeling nog eerder ziet als een secundaire mogelijkheid om geschillen op te lossen, en dat de geschillenoplossing in de eerste plaats voorbehouden is voor de rechtbank. Maar het tij is aan het keren. Ooit, en dit zal hopelijk in een nabije toekomst zijn, zal men in de eerste plaats streven naar een minnelijke conflictoplossing. Pas in tweede orde, wanneer een minnelijke regeling niet mogelijk blijkt, zal men het geschil aan de rechter voorleggen om het te laten beslechten.
2. Bemiddeling is een wettelijk gereguleerde manier om gerezen conflicten op te lossen.5 De bemiddeling kan zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk georganiseerd worden. Bemiddeling onderscheidt zich van andere manieren van alternatieve conflictoplossing, zoals bijvoorbeeld de arbitrage, de rechterlijke «bemiddeling» waarbij de rechter een erkend bemiddelaar aanstelt, de verzoeningspoging, en de collaboratieve onderhandeling.6
Artikel 1723/1 van het Gerechtelijk Wetboek omschrijft de bemiddeling als volgt: «De bemiddeling is een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken.» In deze definitie worden vier belangrijke kenmerken van de bemiddeling opgenomen. Bemiddeling betreft een (1) vertrouwelijk - zie ook de gedetailleerde voorschriften in artikel 1728 Ger.W. - en (2) gestructureerd proces onder de leiding van een (3) onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde, en dit (4) op een vrijwillige basis.
De Federale Bemiddelingscommissie heeft bijzondere taken inzake de organisatie, de deontologie,7 de erkenning en de opstelling van een lijst van erkende bemiddelaars, de opleiding, de klachtenbehandeling en sanctionering, adviezen, en de bevordering van de bemiddeling als alternatieve manier van conflictoplossing, ...8
3. Een poging tot conflictoplossing via bemiddeling kan onmiskenbaar waardevol zijn. Bemiddeling is al goed ingeburgerd bij familiale9, burgerlijke en commerciële conflicten en in de ondernemingswereld10, in bouwzaken, en ook bij vennootschapsgeschillen, zoals geschillen tussen een vennootschap en haar bestuurders en/of aandeelhouders, bestuurders onderling en aandeelhouders onder elkaar. Bij dit laatste kan de zogenaamde geschillenregeling genoemd worden die in de rechtspraktijk een bijzondere plaats inneemt. De wettelijk voorziene en gereguleerde geschillenregeling kenmerkt zich door haar subsidiaire karakter. De conflicterende partijen kunnen maar opteren voor de wettelijk voorziene geschillenregeling van uitsluiting of uittreding wanneer zij eerst alle redelijke mogelijkheden benutten om het geschil op een andere wijze dan via de toepassing van de geschillenregeling op te lossen.11 De beoordeling van het subsidiaire karakter van de geschillenregeling wordt gezien in het licht van andere mogelijkheden als die werkelijk zinvol blijken te zijn.12 Een van die andere redelijke mogelijkheden is onmiskenbaar de bemiddeling: De aandeelhouders kunnen overigens ook proberen om hun geschil via bemiddeling op te lossen, dit zowel voor als tijdens de procedure, zelfs ook nog nadat de voorzitter zich al heeft uitgesproken over de richting van de aandelenoverdracht. De voorzitter kan (...) de gerechtelijke bemiddeling bevelen.13 De bemiddeling in «commerciële» zaken wordt in de ondernemingswereld als zeer waardevol aanzien. Reeds lang geleden werd al gewezen op de vele voordelen van bemiddeling in commerciële conflicten.14 Via bemiddeling kan men tot een snelle oplossing komen, wat voor een zakelijk conflict van primordiaal belang is. 80% van de zaken die via bemiddeling verlopen, wordt opgelost in vijf tot dertig uur bemiddeling. De doorlooptijd varieert van enkele weken tot enkele maanden. Het kostenbesparende effect van een bemiddeling is evenmin te onderschatten. De kosten worden gedeeld door de partijen en er zijn geen andere procedurekosten. Bemiddeling is een meerwaarde in alle mogelijke conflicten, zoals bijvoorbeeld ook in sociale zaken, in fiscale zaken, in onderwijszaken, in bestuursaangelegenheden, ...
Er wordt veel geïnvesteerd in de opbouw van duurzame relaties met onder meer klanten, leveranciers, zakelijke partners en werknemers. Vaak is het belangrijk dat de partijen hun professionele en persoonlijke banden kunnen voortzetten, hetgeen mogelijk blijft na bemiddeling. De relatie met de betrokkene blijft door de bemiddeling intact of wordt verbeterd doordat het geschil op een constructieve manier besproken wordt, de partijen inzicht krijgen in de kwestie en ze zich gehoord en gerespecteerd voelen. In een serene sfeer kunnen eventuele emotionele blokkades worden aangepakt, zodat de partijen in staat gesteld worden om deze te overstijgen. De huidige wetgeving dwingt de rechtbanken daarentegen zich te baseren op juridisch correcte oplossingen, niet om emotionele oplossingen te bieden.
De mogelijke oplossingen bij bemiddeling zijn bijna onbeperkt (voor zover niet strijdig met de openbare orde), partijen kunnen op een creatieve manier ook elementen die geen onderdeel vormen van het oorspronkelijke geschil, betrekken in de oplossing ervan. Vanuit de verschillende belangen van de partijen kan er geoptimaliseerd worden. Door de juridische of inhoudelijke complexiteit (een grote hoeveelheid feitelijke data, een hoge techniciteit, een groot aantal partijen, ...) van een geschil kan er een grote onzekerheid zijn over het juridische resultaat. Bij bemiddeling houden de partijen de oplossing zelf in de hand, hetgeen als minder stresserend wordt ervaren. Gezien de partijen zelf de oplossing op een constructieve manier en met kennis van zaken gekozen hebben, is de kans op naleving en het uitblijven van nieuwe conflicten na de bemiddeling veel groter. De uitvoering gebeurt vaak spontaan, waardoor een gedwongen uitvoering vermeden wordt.15
4. «Bemiddeling» is niet alleen een waardevolle manier om gerezen conflicten op te lossen, maar ook zinvol om conflicten te vermijden, of in het kader van de herstructurering van ondernemingen, of binnen de context van dreigende insolventie. In breed perspectief gezien kan bemiddeling met andere woorden zinvol zijn in alle mogelijke domeinen. Ook binnen het kader van de bedrijfsvoering in een (familiale) onderneming, of binnen het kader van onderhandelingen tussen twee of meer partijen die met elkaar overeenkomsten willen aangaan. Dit soort van bemiddeling is op vandaag nog te weinig gekend en toegepast.16 In het kader van een contractuele verhouding tussen verschillende partijen kan voorzien worden in een bemiddelingsclausule die schriftelijk in de overeenkomst wordt opgenomen. Een dergelijke clausule kan dan ook opgenomen worden in bijvoorbeeld een overeenkomst tot overdracht van aandelen, een aandeelhoudersovereenkomst of zelfs in de vennootschapsstatuten. Als de statuten van een vennootschap voorzien in een bemiddelingsclausule, dan zijn de vennootschap, de aandeelhouders en ook de vennootschapsbestuurders daardoor gebonden. Een dergelijke contractuele bemiddelingsclausule zal uiteraard nooit kunnen verhinderen dat aan de rechter dringende en voorlopige maatregelen worden gevraagd. Dit tast de rechtsgeldigheid en de toepasbaarheid van de bemiddelingsclausule niet aan. De rechter die over de grond van de zaak gevat wordt, en vaststelt dat een bemiddelingsclausule in de overeenkomst tussen partijen werd opgenomen, zal de behandeling van de zaak ten gronde moeten uitstellen totdat partijen het bemiddelingstraject aangevat, beëindigd of stopgezet hebben. De vordering zal weliswaar ontvankelijk zijn, maar over de grond van de zaak kan slechts geoordeeld worden na de beëindiging van het contractueel voorziene bemiddelingstraject. Het Franse Hof van Cassatie oordeelde evenwel dat naar Frans recht de miskenning van een bemiddelingsclausule leidt tot de onontvankelijkheid van de ingestelde vordering.17
5. Bemiddeling kan men in een bredere context plaatsen. Het «bemiddelingsgericht» omgaan met elkaar, los van enige conflictueuze situatie, behoeft veelal geen aanstelling van een onafhankelijke derde. Betrokkenen kunnen dat perfect zelf als zij oog hebben voor elkaars noden, belangen en verlangens. Een dergelijke ingesteldheid creëert een cultuur van samenhorigheid, stabiliteit, betrokkenheid, transparantie, vertrouwen en professionaliteit.18
Bemiddelen en bemiddelingsgericht omgaan met elkaar veronderstelt empathie en mededogen, en inzicht in wie of wat we zijn. Hoe verhoudt de mens zich tot de ander? Wat betekent de ander? Wie is de ander? En wat voegt de ander toe aan mijn mens-zijn? Men mag de ander niet vanuit een individuele ingesteldheid benaderen. Het eigen Ik komt niet op de eerste plaats. Integendeel. Wij moeten ons openstellen voor de ander en voor de hogere waarden die ons mens-zijn bepalen.19 We moeten een nieuwe, op bemiddeling gerichte taal leren spreken.20
6. Bemiddelen is niet hetzelfde als onderhandelen, maar er zijn wel gelijkenissen. Bemiddelen maakt het conflicterende partijen mogelijk om tot onderhandelingen te komen. Ook het voeren van onderhandelingen veronderstelt de openheid naar de ander. De Belgische kunst-, cultuur- en architectuurfilosoof en emeritus hoogleraar Bart Verschaffel (Universiteit Gent) schrijft: «In een onderhandeling dient men immers ook het belang van de ander te zien - alleen al om de onderhandelingsmarge te kunnen inschatten en argumenten te kunnen verzinnen die de ander zullen overtuigen of verleiden. Economische relaties vooronderstellen dus dat men zich kan verplaatsen in het standpunt van de ander en het belang beseft van het opbouwen van goede verhoudingen.»21
Bemiddeling vs. rechterlijk oordeel
7. In vergelijking met een beslechting van het gerezen conflict via de rechter biedt de bemiddeling heel wat voordelen. Niet alleen nemen de partijen in een bemiddeling het heft in eigen handen, de inzet binnen het kader van een bemiddeling is ook veel ruimer. Voor de rechtbank wordt in wezen een juridisch debat gevoerd. In een gerechtelijke procedure zal in hoofdzaak enkel het juridisch relevante een plaats krijgen, behoudens wanneer de rechter een minnelijke oplossing faciliteert.22 Welke feiten zijn binnen het kader van de procedure juridisch relevant? Welke rechtsregels zijn in de procedure juridisch relevant? Ook de rechtsvordering beperkt de bewegingsruimte van de rechter die het geschil moet beslechten. De rechter zal in vennootschaps- en ondernemingsconflicten bijvoorbeeld geen standpunt (kunnen) innemen over beleidsmatige vragen en keuzes, omdat dit in beginsel enkel de organen van de vennootschap toekomt. Alleen de vennootschapsorganen zijn ertoe gerechtigd commerciële en beleidsmatige keuzes te maken.
In de bemiddeling hebben alle feiten die de partijen relevant vinden, hun plaats. In een bemiddeling is men niet gebonden aan het keurslijf van een juridisch vertaalde vordering. In wezen is alles bespreekbaar en de oplossing voor het geschil via bemiddeling kan alle kanten uit wanneer de partijen zich daar goed bij voelen. Eén restrictie weliswaar: er moet rekening gehouden worden met de regels van openbare orde. Een bemiddeling kent alleen «winnaars». In een gerechtelijke procedure is dat meestal niet het geval.
8. Een gerechtelijke procedure kijkt veelal alleen naar het verleden om tot een juist oordeel te komen dat een invloed kan hebben op de toekomst. In het zoeken naar een oplossing binnen het kader van een bemiddeling kunnen daarentegen ook elementen doorwegen die betrekking hebben op de toekomst. Zullen de partijen opnieuw door dezelfde deur kunnen, en wie weet weer de draad met vroeger kunnen opnemen? Uiteraard moet binnen het kader van een bemiddeling wel rekening gehouden worden met het alternatief van een gerechtelijke beslechting van het geschil. Zullen partijen daar beter van worden? Welke afwegingen moeten zij maken? Daarin speelt de bemiddelaar uiteraard een belangrijke rol. Zij of hij zal de partijen wijzen op het juridisch kader waarin het conflict aan de beoordeling van de rechter onderworpen zou worden. Maar de bemiddelaar zal pas in haar of zijn opdracht kunnen slagen wanneer aan de partijen een ruimer kader dan het juridische wordt gepresenteerd.
Een gerechtelijke procedure geeft een volledig andere invulling aan het gerezen conflict. Het oordeel van de rechter zal definitief zijn, gezag en kracht van gewijsde verkrijgen, zelfs al is het oordeel fout. De juridische waarheid neemt de bovenhand. Daar waar de rechter in conflictsituaties tussen partijen moet oordelen en zoekt naar een billijke oplossing, zal de beslissing die de rechter neemt, die onafhankelijke en onpartijdige derde, van bovenaf aan de partijen opgelegd worden. Dikwijls zal het zo zijn dat de een gelijk krijgt, en de ander ongelijk. Dit kan zorgen voor wrevel en frustratie. Daarenboven is het risico op een escalatie van standpunten en emoties binnen het kader van een gerechtelijke procedure niet te onderschatten. De houding van partijen in een proces is eerder agressief dan verzoenend, en dat slaat soms wonden, temeer daar de standpunten van partijen in een procedure verwoord en vertolkt worden door hun respectievelijke advocaten die een eigen kijk hebben op de zaak, het standpunt van hun cliënt willen verdedigen «met hand en tand» en de rechtbank willen overtuigen van het gelijk van hun cliënt. De taal van bepaalde advocaten is soms onnodig hard en kwetsend, en dat slaat dikwijls wonden.
De rol van de bemiddelaar
9. De bemiddelaar is geen rechter, geen arbiter, en ook geen relatietherapeut of juridisch raadgever, noch een onderhandelaar. De bemiddelaar neemt binnen de bemiddelingscontext een heel bijzondere plaats in.23 De bemiddelaar staat niet boven de partijen en neemt geen beslissingen in hun plaats.24 De bemiddelaar zal in de eerste plaats wel een specialist zijn inzake menselijke relaties. De bemiddelaar zal uiteraard technische vaardigheden hebben om de communicatie tussen mensen op gang te brengen en te houden, en een blijvende dialoog mogelijk te maken. Dat is de kerntaak van de bemiddelaar.
10. De bemiddelaar, die absoluut geen juridische achtergrond hoeft te hebben, maar uit de meest diverse vakgebieden kan komen - wat heel dikwijls een meerwaarde is -, moet vooral beschikken over de nodige psychologische inzichten en communicatieve vaardigheden om partijen tot elkaar te brengen en hen te laten dialogeren. Dit veronderstelt een diepgaande psychologische kennis, en doorzicht in verbale en non-verbale communicatie. Een wetboek brengt hier geen soelaas. De bemiddelaar zal aan de bemiddelende partijen een «bemiddelingsgerichte» ondersteuning geven in het verloop van de gesprekken. Willem Meuwissen, advocaat en erkend bemiddelaar, verwoordt de taak van bemiddelaar als volgt:25
«De taak van de bemiddelaar bestaat erin de partijen doorheen het bemiddelingstraject te begeleiden. Daarbij voert de bemiddelaar drie soorten onderhandelings-technische ingrepen uit op het overleg tussen partijen:
- De bemiddelaar geeft structuur aan het conflictoplossingsgesprek. Hij begeleidt de partijen van standpunten naar belangen, van belangen naar opties, van opties naar oplossingen en van oplossingen naar akkoord (PIOSS: Positions, Interests, Options, Solutions, Settlement).
- De bemiddelaar faciliteert de communicatie tussen de partijen. Hij handhaaft de regels van goed overleg, nl. dat de bemiddelaar het woord geeft en ontneemt, dat de partijen elkaar niet onderbreken, dat de partijen zich respectvol uitdrukken. Daarnaast stelt de bemiddelaar verhelderende vragen op het juiste ogenblik, in het vakjargon LSD genaamd (Luisteren, Samenvatten, Doorvragen), zodat het geschil in volledige breedte en diepte aan de orde komt.
- De bemiddelaar heft de onderhandelingsbarrières op die tijdens de bemiddeling tussen de partijen ontstaan. Deze zijn de strategische barrière, de cognitieve barrière en de agent-principaal-barrière.»
11. De wetgever heeft de onderverdelingen in categorieën van erkende bemiddelaars in 2018 afgeschaft. Men sprak (spreekt) van erkende familiale bemiddelaars, erkende bemiddelaars in burgerlijke en handelszaken en erkende bemiddelaars in sociale zaken. Maar de erkenning in één categorie staat de erkende bemiddelaar toe ook in de andere domeinen te bemiddelen. Men mag ervan uitgaan dat de bemiddelaar in dat bepaalde domein de nodige competenties heeft. De wetgever oordeelde dat het onderscheid tussen de drie soorten bemiddeling geschrapt kon worden: «Dat onderscheid is niet langer een passende weerspiegeling van de complexe wereld van de bemiddeling. Bovendien zijn bepaalde vormen van bemiddeling niet vervat in de classificatie van de drie pijlers. Er blijft dus een basiserkenning voor alle soorten bemiddeling bestaan.»26
12. De bemiddeling laat toe om conflicterende partijen zelf te laten zoeken naar een voor alle betrokkenen aanvaarbare en billijke oplossing. De bemiddeling gebeurt door tussenkomst van een onafhankelijke derde, de bemiddelaar, die niet de rechter is, maar ofwel door de partijen zelf gekozen en aangesteld wordt, ofwel door de rechtbank. De bemiddelaar stelt zich neutraal en onpartijdig op. Sommigen verkiezen het te spreken over een noodzakelijke «pluripartijdigheid» in plaats van over «onpartijdigheid».27
13. Die derde, de bemiddelaar dus, velt geen oordeel, laat staan dat de bemiddelaar partij zou kiezen voor de een of de ander, maar hij of zij zal aan de hand van de vele bemiddelingstechnieken die er bestaan en in de literatuur overvloedig besproken worden, tussen de partijen een onderhandelingsruimte creëren die de partijen zelf de nodige inzichten kan bijbrengen over de wederzijdse belangen, wat niet hetzelfde is als standpunten, om hen toe te laten zelf een bevredigende oplossing te vinden voor het gerezen conflict.28 De bemiddelaar zal ervoor zorgen dat de dialoog tussen de conflicterende partijen zich niet meer situeert op het zuiver rationele vlak, maar wel op het vlak van het zoeken naar een oplossing. Traditioneel wordt aangenomen dat een bemiddelaar zelf geen oplossingen voorstelt, maar niet iedereen is het daarmee eens. Patrick Van Leynseele pleit voor een grotere opening naar wat hij een médiation évaluative noemt, waarbij de bemiddelaar ook de door de partijen ingenomen standpunten en gesuggereerde oplossingen zou kunnen evalueren.29
De bemiddelaar zal de dialoog op een ander, een hoger niveau brengen, met name op het niveau van de werkelijke, hogere waarden die de verhoudingen tussen de mensen zouden moeten kenmerken. De bemiddelaar staat niet boven de conflicterende partijen, en neemt in hun plaats geen beslissingen. De bemiddelaar zorgt voor het creëren van een evenwichtige situatie tussen de partijen, en dit op alle vlakken. Van belang is dat de conflicterende partijen elkaar zien als mens. Het toevoegen van die menselijke dimensie is essentieel om van een geslaagde bemiddeling te kunnen spreken. Dat is in de eerste plaats een taak voor de bemiddelaar. Ook de betrokken partijen moeten die menselijke factor, die menselijke dimensie in hun onderhandelingen toevoegen, willen zij tot een oprechte, bevredigende oplossing komen. Ware vrede vinden tussen elkaar.
Dikwijls wordt een concrete oplossing voor het conflict verwacht. Maar het komt er primordiaal op aan dat wij het antwoord in onszelf moeten ontdekken. Wij moeten onszelf ontdekken, een andere relatie met onszelf durven aan te gaan, om tot een andere relatie met de ander te kunnen evolueren waar het egoïsme geen plaats heeft. We moeten er ons voor hoeden dat in een burgerlijk, een familiaal, een sociaal, een commercieel of eender welk ander conflict de technische aspecten de bovenhand zouden halen. De bemiddeling bestaat er net in dat aan de dialoog tussen de conflicterende partijen een extra dimensie wordt toegevoegd, een menselijke dimensie die de techniciteit van het onderliggende conflict overstijgt. Alleen op die manier kan het conflict overwonnen en werkelijk opgelost worden. De belangen van de conflicterende partijen zijn essentieel voor een conflictoplossing via bemiddeling. Niet hun standpunten zijn bepalend. Belangen gaan dieper, en overstijgen de onderscheiden standpunten.
14. Zoals Aristoteles het heeft voorgehouden, moet men, opdat er communicatie tussen mensen gerealiseerd zou kunnen worden, om te beginnen de fout van de ander, of wat men als fout van de ander aanziet, minimaliseren. Dit minimaliseren, dat wederzijds moet zijn, zal die gemeenschappelijke ruimte creëren waardoor een dialoog kan ontstaan. Aristoteles gebruikt het woord sugxôrein, wat later in de christelijke wereld zal omschreven worden als het pardon, het elkaar vergeven. Maar dit begrip verschilt wel van de betekenis die Aristoteles eraan gaf. Het pardon zal immers degene die pardonneert en die de ruimte voor een dialoog wil scheppen, in een sterke positie plaatsen, waardoor het de dialoog zal bemoeilijken ten voordele van de onderwerping van de ander. Net het omgekeerde zou moeten gebeuren. Een gemeenschappelijke ruimte scheppen voor dialoog vooronderstelt het respect van de ander in wat die zegt, voelt en denkt. Een dialoog aangaan betekent dat men zijn eigen standpunten tussen aanhalingstekens moet zetten. Het is op die manier dat bijgedragen wordt tot een humanere relatie tussen de mensen, door open te staan voor de noden, de belangen en de meningen van de anderen. Door luisterbereidheid en door respect. Bemiddelen is luisteren. Misschien zelfs nog meer luisteren naar hetgeen niet gezegd wordt dan naar hetgeen wel gezegd wordt. Subtiliteiten detecteren. De Amerikaanse schrijver Herman Melville (1819-1891) schreef in zijn roman Moby-Dick; or: The Whale (1851), hoofdstuk 74: «Is het niet typisch, dat zo een groot dier als een walvis de wereld door zo’n klein oog moet bezien, en de donder door een oor moet horen dat kleiner is dan dat van de haas? Maar als zijn ogen een doorsnede hadden als van Herschels grote telescoop en zijn oren even ruim als het portaal van een kathedraal, zou dat hem beter doen zien of scherper doen horen? Absoluut niet. Waarom probeert u dan uw geest te verruimen? Stel hem liever wat fijner in.»30
15. Als de conflicterende partijen erin slagen een oplossing te vinden voor hun probleem, een werkelijke oplossing, dan zullen de partijen dit steeds ervaren als een gerechtvaardigde oplossing, een billijke oplossing. Een oplossing die zij zelf in volle wijsheid en in billijkheid hebben genomen, in het volle besef van hun verantwoordelijkheid als mens tegenover de ander en tegenover zichzelf.
Het ethische kader van de bemiddeling
16. Jacques Faget schrijft dat de vraag naar de ethische en deontologische principes van de bemiddeling cruciaal is.31 Bemiddeling is niet alleen maar een «techniek», maar veronderstelt in de eerste plaats vooral een visie over de mens en de sociale en politieke veranderingen. Faget stelt dat het instituut van de bemiddeling in zich een aantal filosofische en ideologische waarden draagt. De mens wordt gezien als een vrij en bewust wezen. Alle mensen zijn gelijk. Bemiddeling veronderstelt ook een visie over de intermenselijke verhoudingen. Solidariteit en broederlijkheid tussen de mensen is essentieel. In deze bijdrage wordt gewezen op de filosofische inzichten hierover van onder meer de Franse filosofen Emmanuel Levinas en Paul Ricœur.
17. Er is bij gezaghebbende juristen eveneens een alsmaar grotere aandacht voor de broederlijkheid tussen de mensen. Recent heeft het Franse Grondwettelijk Hof het principe van de broederlijkheid verheven tot een grondwettelijk beschermd recht.32 Het Franse Grondwettelijk Hof deed die uitspraak naar aanleiding van een prejudiciële vraag op initiatief van de Franse advocaat Patrice Spinosi, die de raadsman was van iemand die hulp had geboden, onderdak en eten had gegeven aan clandestiene immigranten. Sinds de erkenning van de broederlijkheid als een grondwettelijk beschermd recht is het bieden van dergelijke humanitaire hulp niet langer als een misdrijf te beschouwen.33
Françoise Tulkens, hoogleraar emeritus aan de Université Catholique de Louvain en gewezen vicevoorzitter van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is van oordeel dat la fraternité als een fundamenteel recht beschouwd mag worden.34 Dit vloeit voort uit het wezen van de mensenrechten en hun belang in onze hedendaagse samenleving, onder meer en met name met betrekking tot de migratie, de vluchtelingenproblematiek en de humanitaire hulp. Zij licht toe dat alles «een gevaar» wordt in het huidige klimaat van sociale, economische en politieke crisis. Er is sprake van een groeiende onverdraagzaamheid. De vreemdeling (Tulkens spreekt van de foreigner, hij die een andere nationaliteit heeft), de vreemde (de stranger, hij die geen lid is van de gemeenschap), de vluchteling, de immigrant, de asielzoeker, de moslim, de roma, zij van wie men beweert dat ze niet in onze samenleving geïntegreerd zijn, worden aanzien als de vijand. Ze worden beschouwd als zondebok door diegenen die zich in hun bestaan en welstand bedreigd voelen. Xenofobie is niet veraf. Tulkens betreurt en stelt vast dat de politiek verantwoordelijken onvoldoende hun rol spelen als pacificateurs, als zij die rust, vrede, verdraagzaamheid brengen. De samenleving wordt gesteund op de angst, die ook in stand gehouden wordt. Vluchtelingen en immigranten worden geweerd, in kampen opgesloten. Maar ze worden daardoor niet afgeschrikt om, dikwijls op gevaar van eigen leven, hun kans te wagen op een beter, een menswaardig leven. Hun wacht dikwijls een onmenselijke ontvangst.
Claude Parmentier, emeritus afdelingsvoorzitter van het Belgische Hof van Cassatie, wijst in een bespreking van een arrest van het Franse Hof van Cassatie van 26 februari 2020 op het Europese Pact over migratie en asiel van 20 december 2023 en gepubliceerd in 2024,35 en de terechte kritieken die daarop worden geformuleerd. Hij besluit zijn bijdrage met de zeer betekenisvolle woorden: «Dans un tel contexte, la fraternité apparaît plus que jamais comme une «bouée d’humanisme». Il faut opposer avec une inébranlable fermeté aux dérives européennes l’idéal de fraternité entre les humains, qui doit imprégner notre esprit et guider nos actions.»36
Het bemiddelingsgericht omgaan met de ander
18. Het bemiddelingsgericht omgaan met de ander raakt de diepe kern van ons mens-zijn. Wie ben ik? Wie ben jij? Wie zijn wij? Wie is de mens? Wat is de mens? Wat houdt het mens-zijn in?37 Hoe moet de mens zich verhouden tot de andere mens, tot de natuur en de ons omringende wereld?38
Het is pas wanneer wij ons diepe zelf ontdekken en leren kennen dat we weten hoe we ons moeten gedragen ten aanzien van de ander en ten aanzien van onze omgeving; wat goed en kwaad is; hoe wij rechtvaardigheid en billijkheid kunnen betrachten. Het is pas dan dat we kunnen proberen gelukkig te zijn en respectvol voor de ander en de ons omringende wereld. Kortom, het is pas wanneer we de kern van ons mens-zijn ten volle begrijpen dat we weten hoe we op een ethische wijze moeten handelen. We moeten ons realiseren dat we tegelijk individuele en universele mensen zijn die samen een gemeenschap vormen van alle mensen binnen dezelfde wereld.39 Het «narcistisch individualisme» moet plaats maken voor een «relationeel individualisme», wat moet toelaten dat mensen met elkaar samenleven en niet naast elkaar.40
Het bemiddelingsgericht omgaan met de ander is van belang zowel binnen als buiten de context van een bemiddeling of een poging tot minnelijke schikking via de rechter. Anders gezegd, het bemiddelingsgericht omgaan met de ander is ook belangrijk in het dagelijks leven, in de werksfeer, in het ondernemings- en vennootschapsleven, bij herstructering van ondernemingen, in het politieke leven, in de administratieve wereld.
19. Wij moeten er ons van bewust zijn dat wij in gemeenschap leven met anderen, dat wij leven in een «samen-leving». Wij moeten ons realiseren dat wij oog en begrip moeten hebben voor de noden van de ander, dat we oog moeten hebben voor de kwetsbaarheid, de belangen en de verlangens van de ander. We moeten leren luisteren, vooral naar dat wat niet uitgesproken wordt. We moeten met andere woorden leren om subtieler met de ander om te gaan.41 We moeten leren de juiste taal te gebruiken.42 We moeten empathie en mededogen, geen medelijden, tonen. We mogen ons niet laten leiden door individualisme en egoïsme. Het eigen ik komt niet op de eerste plaats. De ander is kwetsbaar en moet beschermd worden in zijn fundamenteel «anders zijn». We moeten waken over de gelijkheid van alle mensen en de gelijke behandeling van alle mensen.
In onze omgang met de ander moeten we afstand nemen van de eigen vooroordelen, en moeten we standpunten kunnen overstijgen en de focus leggen op (gemeenschappelijke) belangen. We moeten een gemeenschappelijke ruimte creëren waardoor een dialoog kan ontstaan.
20. Niet alleen filosofen, maar ook dichters en schrijvers hebben zich met deze grote levensvragen ingelaten. Op zoek naar de diepe kern van ons mens-zijn mogen we ons niet alleen door filosofen laten inspireren. De poëtische en de literaire taal is verschillend van de filosofische taal.43 Filosofische taal is in wezen rationeel. Maar de werkelijkheid is niet rationeel, of toch niet uitsluitend rationeel. Dante Alighieri schreef zijn La Divina Comedia. Arthur Rimbaud schrijft: «Je est un autre.» Vasili Grossman heeft het in zijn Leven en Lot over «de kleine goedheid» in plaats van over de grote waarheden van elkeen over wat goed en kwaad is.
René Descartes vermeldt in zijn Les passions de l’âme in 1649 dat er niets hoger, niets edeler is dan de generositeit van de mens voor de andere, het goede doen voor de andere mensen, boven het eigen belang.44
Blaise Pascal wijst er in zijn postuum uitgegeven Pensées in Fragment 142 (editie Sellier)45 op dat de waarheid niet gekend wordt door de rede, maar door het hart. De waarheden die het hart ons doet kennen, zijn de «eerste principes» (les premiers principes) die door iedereen gekend zijn en die universeel zijn, en aan de basis van alles liggen. Het hart zal als een soort van «instinct» de mens leiden en ons dingen laten zien en doen kennen die aan de rede ontsnappen. Het zijn (universele) waarheden die het hart ons toont. Het hart begrijpt Pascal niet op een romantische wijze als bron van emotie en sentiment, maar wel als fundament van de menselijke natuur.46 De Engelse filosoof Derek Parfit (1942-2017) houdt voor dat ethisch handelen gesteund moet zijn op gronden die het persoonlijke overstijgen. Wat telt is het collectieve, het gemeenschappelijke belang. Derek Parfit spreekt van een rationeel altruïsme in plaats van een «self interest theory».47
De Duitse filosoof Jurgen Habermas wijst erop dat een democratische staat ervoor moet zorgen dat er tussen zijn burgers voldoende solidariteit bestaat. Er moet vermeden worden dat burgers alleen in het eigen belang denken en handelen en hun eigen subjectieve rechten uitsluitend in functie van zichzelf en voor eigen profijt gaan uitoefenen.48 De tendens van een afnemende solidariteit wordt, aldus Habermas, nog versterkt door het fenomeen dat meer en meer wetgeving vanuit de nationale staten overgeheveld wordt naar een supranationaal niveau waar andere beslissingsprocessen op een andere wijze gebeuren en beïnvloed worden dan op het niveau van een democratisch georganiseerde maatschappij. Dit versterkt de burger in een tendens naar een groter belang voor de eigen private sfeer. De sociale solidariteit wordt bedreigd door de werking van het marktprincipe, dat een verstoring teweegbrengt van het evenwicht dat voor interne solidariteit zorgde.
De Franse filosoof Emmanuel Levinas wijst ons op het belang van het Gelaat van de Ander dat zich aan mij openbaart in kwetsbaarheid. Paul Ricœur heeft het over het grote belang van de persoonlijke én de narratieve identiteit.
Emmanuel Levinas49
21. Onze wereld is zeer sterk gericht op het «ik». Individualisme en egoïsme voeren de toon. Emmanuel Levinas (1906-1995), een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw, stelde dat de opdracht van de politiek erin bestaat een dam op te werpen tegen individualisme en egoïsme. Het is pas op die manier dat een democratie gehandhaafd kan blijven. Niet de individuele vrijheid telt. Humanisme moet gesteund worden op verantwoordelijkheid. Volgens Levinas is een ander humanisme mogelijk maken en realiseren niet langer gesteund op de individuele vrijheid van een onderscheiden individueel persoon, maar moet dit wel gesteund worden op verantwoordelijkheid. De ethiek die de verantwoordelijkheid voor de ander betekent, is zonder enige beperking. «We zijn allemaal verantwoordelijk voor alles en ten aanzien van iedereen, en ik nog meer dan de anderen», zo schreef Dostojevski in de Gebroeders Karamazov.50 Het ideaal van burgerschap wordt gesteund op ethische en morele plichten, en niet op wettelijke, zo stelt ook de Amerikaanse rechtsfilosoof John Rawls.51 Dit veronderstelt wederzijds respect, luisterbereidheid en handelen in het algemeen belang.
Levinas, voor wie de ethiek de metafysica voorafgaat, brengt zeer ingrijpende en bijzondere inzichten bij over het belang van de Ander. De verhouding van de mens tot de Ander raakt direct aan het Zijn, aan de bestaansreden van het mens-zijn. Het mens-zijn wordt daardoor zin-vol, in het bereiken van steeds meer menselijkheid, meer mens-zijn, meer Zijn, en dus meer in overeenstemming tot het transcendente, dat het eindige Zijn overstijgt, en Zijn wordt.
22. Voor Levinas is het Gelaat van de Ander een van de hoekstenen van zijn filosofische inzichten. Het gelaat van de ander confronteert me niet alleen met mijn directe medemens, maar opent mijn verantwoordelijkheid ook naar de gehele mensheid, naar de gehele universaliteit, die uiteraard geen totaliteit veronderstelt, maar een broederlijkheid onder alle mensen, fundament voor een intermenselijke solidariteit. Mijn verantwoordelijkheid geeft betekenis aan de broederlijkheid onder de mensen. En mijn antwoord aan de ander mag niet onrechtvaardig of onbillijk zijn ten aanzien van de anderen. De aanwezigheid van de ander brengt er mij niet toe te denken wat ik van de ander kan en mag verwachten, maar wel wat de ander en de anderen van mij en de maatschappij, de gemeenschap mogen verwachten. Rechtschapen zijn betekent volgens Levinas je eigen vrijheid in vraag durven te stellen. Rechtvaardigheid vooronderstelt gelijkheid van iedereen voor de wet.
We mogen de vrijheden van de een niet confronteren met de vrijheid van de ander. De rechten van de mens moeten gefundeerd zijn op het humanisme van de andere mens, en het is op die manier dat het mogelijk wordt een maatschappij te organiseren op een correcte en solidaire manier. De rechten van de mens zijn geen morele waarden, noch louter juridische hulpmiddelen. De verdediging van de rechten van de mens beantwoordt aan een fundamentele opdracht van de Staat, hetgeen betekent dat politiek en ethiek onderling nauw verbonden zijn. De rechten van de mens drukken voor Levinas een «liberté dans la fraternité», en een «bonté dans la paix» uit.
De relatie met het gelaat van de Ander drukt «goedheid» uit, maakt een andere manier van leven in gemeenschap mogelijk en geeft een uitermate belangrijke betekenis aan het pluralisme. We moeten ons bewust zijn van onze verhouding tot de anderen, van de ethische en spirituele betekenis van de intersubjectiviteit. Dit zal een open maatschappij mogelijk maken, die openstaat voor de noden van de mensen en die rechtvaardigheid brengt. Een dergelijke ingesteldheid faciliteert een politiek van gastvrijheid ten aanzien van ieder ander. Die ander is overigens geen rivaal, wat een kiem van geweld in zich zou dragen. Vrede vindt zijn wortels in de vastberadenheid van de individuen om de ander niet als een vijand of een rivaal te zien. Het is in die zin dat broederlijkheid en solidariteit onder de mensen mogelijk worden gemaakt, en meteen ook een stabiele vrede onder de mensen.
23. De opening van de ethische dimensie die ontstaat doordat de Ander mij aanspreekt, is een breuk met vroegere filosofische inzichten, waar geoordeeld werd dat de ethische dimensie een kwestie is van het eigen geweten, de stem van het eigen «Ik». Levinas gooit die visie radicaal omver. Het is slechts door de Ander dat wij in een zedelijke dimensie komen te staan. De Ander appelleert aan mij, spreekt mij aan met de eis tot erkenning en tot hulp, en laat zich zien als iemand die niet genegeerd mag worden. Aldus leidt de Ander mij binnen in de ethische orde. Aanvaard ik de eis van de Ander, dan vat ik de niet-evidente weg aan van de rechtvaardigheid, la Justice.
Rechtvaardigheid is een kernbegrip in Totalité et Infini (1961).52 Dit is voor Levinas de zedelijke goedheid zelve, en niet de «rechtvaardigheid» in de gewone betekenis van het woord. En die zedelijke goedheid veronderstelt dat ik de Ander aanvaard, en ook alle gevolgen aanvaard die daaraan gekoppeld zijn. Ik moet dus gastvrij zijn. Het is belangrijk te benadrukken dat voor Levinas de rechtvaardigheid geen wederkerigheid vooronderstelt, zoals bijvoorbeeld bij John Rawls wel het geval is.53
In zijn boek Autrement qu’être ou au-delà de l’essence (1974)54 gaat Levinas een stap verder, en stelt dat niet zozeer het Gelaat van de Ander mij openstelt voor mijn verantwoordelijkheid tegenover de Ander, maar wel zijn kwetsbaarheid, la vulnérabilité. Zijn denken is in Autrement qu’être ook verder geëvolueerd. Levinas heeft het dan duidelijk over de «indeplaatsstelling», «la substitution - la possibilité de se mettre à la place de l’autre qui renvoie au transfert du «par l’autre» au «pour l’autre», et, dans la persécution, de l’outrage infligé par l’autre à l’expiation de sa faute par moi.55 ... Je est un autre.»56 De essentie van Autrement qu’être vat Levinas samen als volgt: «Que l’emphase de l’ouverture soit la responsabilité pour l’autre jusqu’à la substitution - le pour l’autre du dévoilement, de la monstration à l’autre, virant en pour l’autre de la responsabilité - c’est en somme la thèse du présent ouvrage.»57
De opening van het ethische aspect in het Gelaat van de Ander brengt Levinas ertoe ook te wijzen op de maatschappelijke context. Mijn verantwoordelijkheid tegenover de Ander die zich openbaart in het Gelaat, het Gelaat dat mij aankijkt als absoluut vreemde, en de epifanie van het Gelaat, doet de broederlijkheid onder alle mensen ontstaan.58 Want in het gelaat van de Ander roept die Ander mij op tot verantwoordelijkheid, en maakt hij mij als mens, dit wil zeggen, broederlijk: «Le statut même de l’humain implique la fraternité et l’idée du genre humain.»59 Later schrijft Levinas ook nog: «Autrui est d’emblée le frère de tous les autres hommes.»60
Herinner u Beethovens Negende Symfonie, meer dan 200 jaar geleden gecomponeerd: «Alle Menschen, Alle Menschen, Alle Menschen werden Brüder wo dein sanfter Flügel weilt» [Alle mensen, alle mensen, alle mensen worden broeders, daar waar uw zachte vleugel woont] ... waar Thomas Mann ook naar verwijst in zijn Doctor Faustus, de roman waarin Mann op metaforische wijze de nazileer hekelt. In die roman voert Mann de componist Adrian Leverkühn ten tonele, die zijn ziel aan de duivel heeft verkocht om nieuwe muziek te maken. Thomas Mann laat Leverkühn zeggen dat hij Beethovens Negende wilde laten verdwijnen, net zoals hij ook het nobele en het goede, wat men het menselijke noemt, wilde laten verdwijnen.
24. Voor Levinas is het grondvesten van een Staat op de vrijheid, en niet op het Gelaat van de Ander, ongetwijfeld een betere garantie voor de vrijheid en de gelijkheid onder de burgers, maar niet voor de broederlijkheid onder de mensen. Broederlijkheid veronderstelt een verantwoordelijkheidsaanvoelen. Broederlijkheid veronderstelt dat de mens zich in de eerste plaats verantwoordelijk voelt voor de ander, en niet in de eerste plaats of uitsluitend aan zichzelf denkt. De mens moet zich betrokken voelen tot de andere mensen.
Als de verhouding van de Mens tot de Ander een symmetrische relatie zou zijn, zoals bij Thomas Hobbes en bij John Rawls, en niet een asymmetrische relatie zoals bij Levinas, dan moeten de mensen die de wetten maken en zij op wie de wetten toegepast moeten worden, zich in een gelijke positie bevinden. En onder die voorwaarden is er geen echte plaats voor diegenen die zich in een kwetsbare en asymmetrische relatie bevinden, ondanks alle intentieverklaringen aangaande het respect dat voor de meest kwetsbaren vereist is. De Anderen zullen dan wel geholpen worden, maar aan hen wordt geen rechtvaardigheid gegeven, aldus Levinas.61 «Tout se montre et se dit dans l’être pour la justice et reçoit les structures du thématisé et du dit - même la signification et la justice.»62
25. De metafysische betekenis van onze confrontatie met de Ander vloeit hieruit voort dat de ontmoeting met de Ander iets over de werkelijkheid zelf openbaart, namelijk dat de werkelijkheid zich niet laat herleiden tot mijn werkelijkheid.63 Het is de ethiek die het ons mogelijk maakt de metafysische dimensie binnen te treden. Niet omgekeerd. Door een ethische beslissing gaan wij luisteren naar de Ander en doorbreken wij de totalisatie. Inzicht is nodig in de plaats van de Ander, de mens in de natuur en in de lichamelijkheid van de ander. De ontmoeting met de Ander schept altijd verplichtingen, verantwoordelijkheden. De Ander is kwetsbaar en moet beschermd worden in diens fundamenteel anders-zijn, hetgeen dus een ethische verplichting met zich meebrengt. Dat brengt de échte ontmoeting in de Ik-Jij-relatie met zich mee. «La communication n’est possible que dans le sacrifice qu’est l’approche de celui dont on est responsable», schrijft Levinas in La substitution.64
Paul Ricœur65
26. Binnen het kader van een bemiddeling of om bemiddelingsgericht met elkaar om te gaan, is er geen plaats voor een individualistische mensvisie. In een bemiddeling of om bemiddelingsgericht met elkaar te kunnen omgaan, moet men luisteren naar de ander, moet men oog hebben voor de noden en de belangen van de medemens. Transparant communiceren. Erkenning van de ander als «gelijke» mens is essentieel. Dit alles veronderstelt dat men doorzicht heeft in wie en wat de ander is, en in de werkelijke verhouding tussen de mensen. Voornaamheid in onze relatie met de ander. Ethisch handelen.66 De bijzondere meerwaarde van de boeddhistische inzichten.67 Vele filosofen hebben de weg getoond hoe met de ander om te gaan. De stem van het hart laten spreken. De «kleine goedheid» van Grossman en Levinas.68 Friedrich Nietzsche hecht een heel groot belang aan de voornaamheid van de mens.69
Elk mens streeft ernaar gelukkig te zijn, en dit streven stuurt ons helemaal aan. Om gelukkig te kunnen worden, is de ontmoeting met de andere mens noodzakelijk. En die ontmoeting met de ander plaatst ons ook meteen voor onze verantwoordelijkheid.70 Die verantwoordelijkheid doet ons afstand nemen van een soort van individualistisch denken en handelen. Rechtvaardigheid is voor de Franse filosoof Paul Ricœur (1913-2005) essentieel. Rechtvaardigheid ziet hij zowel als morele regel en als institutioneel gegeven. In zijn benadering van het begrip «rechtvaardigheid» streefde Ricœur naar een praktische en toepasbare rechtvaardigheid. Hij deed daar veel onderzoek naar in overleg met rechtspractici, advocaten en magistraten en dit resulteerde in vele bijdragen en lezingen, recent opnieuw samengebracht in een tweedelige bundel Le Juste71, waarin hij zijn inzichten over ethiek binnen de juridische wereld verder uitdiept, verduidelijkt en actualiseert.
27. Paul Ricœur stelt de vraag wat een rechtssubject precies is.72 Voor een rechtssubject is autonomie een voorrecht. Het is de kwetsbaarheid die ervoor zorgt dat de autonomie in de (juridische) praktijk een opdracht wordt. De mens moet autonoom worden. Ricœur spreekt van een maintien du soi-même, het behoud van «zichzelf». Autonoom worden, is zich onttrekken aan de toestand van onderwerping. Sapere aude, zelf durven te denken. Tussen autonomie en kwetsbaarheid bestaat er een paradox. Of eerder een schijnbare paradox. Want de autonomie is deze van een kwetsbaar persoon.
Ricœur stelt de retorische vraag of het recht (niet) gesteund is op de bovenhand die het woord neemt op het geweld. Met elkaar praten, debatteren is belangrijk. Maar, zo stelt Ricœur vast, er bestaat een fundamentele ongelijkheid tussen de mensen als het op het meesterschap van het woord aankomt.73 Niet iedereen is welbespraakt. En dat geeft problemen want de kansengelijkheid veronderstelt gelijkheid op het niveau van de taal. Kunnen praten, het goed kunnen uitleggen, argumenteren, debatteren is belangrijk. Men moet geloven dat men de gave van het woord heeft. Denken dat men niet goed kan praten, levert op zich al een handicap op. Want als men er zelf niet in gelooft, dan plaatst men zichzelf in een inferieure positie. Er ontstaat dan een asymmetrische situatie.
28. Paul Ricœur is van oordeel dat men niet kan spreken van «autonomie» zonder dat men over «identiteit» spreekt. Onder de noemer van de «identiteit» zoeken we naar de kenmerken van iemand die ons moeten toelaten die persoon te herkennen als «dezelfde» (le même). Er bestaat een persoonlijke identiteit en ook een narratieve identiteit.74 Beide identiteiten moeten bij de mens aanwezig zijn. De persoonlijke identiteit is iets wat eigen is, wat specifiek is, wat onveranderlijk is aan een persoon. De narratieve identiteit is de identiteit van een persoon door de tijd heen. De narratieve identiteit van iemand evolueert met de tijd. Narratieve identiteit is met andere woorden een dynamisch gegeven. Paul Ricœur houdt voor dat wie of wat iemand is, de identiteit van een persoon, pas begrepen kan worden vanuit het verhaal dat die persoon over zichzelf vertelt. Het is dus belangrijk in de intersubjectieve contacten te luisteren naar het verhaal dat de ander te vertellen heeft om zijn (narratieve) identiteit ten volle te begrijpen.
29. Paul Ricœur heeft ons belangrijke inzichten bijgebracht over de narratieve identiteit, het grote belang van het verhaal dat iemand vertelt om te weten wie of wat die persoon is. Ricœur werkte dit onder meer uit in zijn driedelige Temps et Récit,75 in de vijfde en de zesde studie van zijn boek Soi-même comme un autre dat in 1990 gepubliceerd werd,76 en verder ook in zijn essay Autonomie et vulnérabilité.77 In zijn inaugurale rede op het seminarie op 6 november 1995 voor het Institut des hautes études sur la justice heeft Ricœur het over autonomie, kwetsbaarheid en narratieve identiteit.
30. «Dire «soi», ce n’est pas dire «je».»78 Het woord même in soi-même heeft twee betekenissen. Même betekent zowel mêmeté als ipséité. Als Ricœur het over identiteit heeft, wijst hij op het verschil tussen mêmeté (wat omschreven kan worden als: idem - hetzelfde zijn; sameness; Gleichheit) en ipséité (in relatie tot de ander, wat het Latijn bedoeld wordt met: ipse - zelfheid; selfhood, Selbstheit).79 Het belang van het onderscheid wordt hierna duidelijk.
In het conceptueel kader van het begrip narratieve identiteit begrijpt Ricœur in de eerste plaats de identiteit als zijnde het idem, het zelfde. Men zoekt in de identiteit een aantal dingen die erop wijzen dat er een zekere duurzaamheid is in de tijd (une permanence dans le temps), een onveranderlijkheid (une immutabilité). Er is een en dezelfde permanente structuur. Er is sprake van een en dezelfde persoon. Die permanente structuur laat evenwel ook plaats voor verandering door de tijd heen. Er is sprake van een zekere ontwikkeling, een evolutie. Maar die evolutie verhindert niet dat het nog steeds om hetzelfde gaat. De eikel en de eikenboom zijn een en dezelfde boom. Er is die ene en dezelfde persoon, eerst als baby, als kind, later als volwassene, als bejaarde. Die permanentie in de tijd binnen het kader van het idem, de mêmeté, duidt Ricœur aan als het «karakter». Het karakter is een dimensie van het algemene of het universele. De vorm van permanentie in de tijd die bij de ipséité hoort, noemt hij de trouw aan het «gegeven woord», de «gedane belofte». De trouw aan het gegeven woord heeft betrekking op het soi.80
Wat men het «karakter» noemt, beantwoordt in een zekere mate aan die eerste betekenis van het woord même, namelijk de betekenis van de mêmeté, het idem. De term «karakter» duidt op het geheel van onderscheidende kenmerken die toelaten een menselijk individu te herdefiniëren als zijnde hetzelfde.81 De onderscheiden kenmerken van het karakter zijn een soort van blijvende kenmerken (les dispositions durables), zelfs al veranderen ze. Door de verandering door de tijd heen ontstaat er een zekere overlapping tussen het idem en het ipse. Men blijft het karakter van de persoon herkennen.
De veranderingen kunnen gebeuren door «gewoonten» (les habitudes) die men zich eigen maakt, waardoor die gewoonten blijvende kenmerken worden die mee het karakter vormen en uitmaken van een persoon waardoor men die persoon kan blijven herkennen. Ricœur spreekt van een sedimentatie van die gewoonten in de persoon zelf.
De fundamentele kenmerken die het karakter vormen, zijn niet alleen het gevolg van gewoonten, maar ook van wat Ricœur «verworven identificaties» (les identifications acquises) noemt. Een persoon identificeert zich met waarden, normen, idealen, modellen, helden waarin die persoon zichzelf herkent, waarmee die persoon zichzelf identificeert.82 Op die manier assimileert een persoon in zich het andere, de andere. Het andere wordt met andere woorden deel van de persoon. De andere, het andere wordt in de persoon geïnterioriseerd.83 Het andere wordt geïncorporeerd in het «zelf». Dit alles vraagt tijd. Ook hier dus smelten het idem en het ipse samen. Er ontstaat loyauteit en vertrouwen. Hierdoor krijgt het karakter een ethisch aspect.
Door de stabiliteit die men verkrijgt door de interiorisering van de gewoonten en de verworven identificaties, ontstaat er stabiliteit in de identiteit, en verzekert het karakter een numerieke identiteit (d.w.z. een «eenheid»), een kwalitatieve identiteit (d.w.z. een «extreme gelijkenis), een ononderbroken continuïteit in de opeenvolgende veranderingen en ten slotte een permanentie in de tijd die het zelf, de mêmeté, definiëren. De vraag naar wie ik ben, verglijdt naar de vraag wat ik ben.
31. Hoewel persoonlijke identiteit en narratieve identiteit lijken samen te vallen, is er toch een onderscheid tussen beide. Het is belangrijk dat er geen totale overlapping, geen versmelting is tussen beide identiteiten. Naast het karakter is er nog iets anders dat de idem-identiteit en de ipse-identiteit in de permanentie van de tijd van elkaar onderscheidt. Ricœur doelt dan op de trouw aan het gegeven woord (la parole tenue), het vertrouwen in de gedane belofte, in het gegeven woord. «La tenue de la promesse, (...), paraît bien constituer un défi au temps, un déni du changement.»84 Het bijzondere aan het gegeven woord is dat men het gegeven woord kan houden, zelfs al is men (door de tijd heen) veranderd. Je maintiendrai.85 Ondanks de verandering blijft men trouw aan het gegeven woord. Het houden van de belofte weerstaat de verandering die een persoon ondergaat. Zelfs al zou de persoon van gedachten veranderen, zelfs al heeft de persoon andere verlangens, hij weerstaat aan de tijd en houdt woord. De ethische verrechtvaardiging voor het behoud van de belofte staat op zichzelf want de persoon houdt woord en wil het vertrouwen van de andere niet beschamen. Door het gegeven woord te respecteren, de belofte na te komen, zelfs al is mijn zelf, mijn idem anders geworden met de tijd, wordt duidelijk dat er een onderscheid blijft bestaan tussen mêmeté en ipséité, tussen het ik (het zelf) en het andere.86
De werkelijke aard van de narratieve identiteit ontstaat maar door de dialectiek tussen het idem en het ipse.87 De onderscheiden gebeurtenissen krijgen een soort van narratieve noodzakelijkheid: «Le paradoxe de la mise en intrigue est qu’elle inverse l’effet de la contingence, au sens de ce qui aurait pu arriver autrement ou ne pas arriver du tout, en l’incorporant en quelque façon à l’effet de la nécessité ou de probabilité, exercé par l’acte configurant.»88
De dialectiek tussen het idem en de ipse illustreert Ricœur aan de hand van het narratieve model van een personage. Het is die dialectiek die bijdraagt aan de vorming van het «zelf». De narratieve identiteit geeft een betekenis aan de identiteit in het licht van het verloop van de tijd. De narratieve identiteit beweegt zich door de tijd heen tussen twee grenzen. Een eerste grens waar idem en ipse met elkaar verward geraken. Een tweede grens ligt daar waar het ipse zijn identiteit zoekt zonder de hulp of de steun van het idem.89
Ricœur wijst op de ravages die een verwarring of een versmelting tussen beide identiteiten kan veroorzaken wanneer ideologen de historische identiteit willen funderen op een onveranderlijkheid van de identiteit, of anders gezegd, om de identiteit aan de tand des tijds te onttrekken. Maar omgekeerd waarschuwt Ricœur ook voor het gevaar wanneer men zich geen identiteit kan vormen, door het onvermogen om voor zichzelf een narratieve identiteit te vormen.90
In de juridische wereld, meer in het bijzonder in het domein van strafzaken, komt men soms personen tegen die zich geen narratieve identiteit kunnen vormen, die er niet in slagen om een leven te leiden in overeenstemming met een narratieve coherentie, die er niet in slagen voor zichzelf te denken (sapere aude), die niet autonoom kunnen worden in de confrontatie met het andere (l’altérité).91 Met andere woorden, in de juridische wereld krijgt men soms te maken met personen die zichzelf verliezen.
Men moet voor zichzelf kunnen opkomen, zelfrespect hebben, zijn eigenheid kunnen opeisen. Men mag niet zwak zijn en zichzelf verliezen onder (diverse vormen van sociale) druk. Hier kunnen we spreken over een conflict tussen zelfreflectie (la réflexivité) en het andere (l’altérité).
32. Wat betekent nu de «narratieve identiteit»? Ricœur licht dit toe aan de hand van het door Aristoteles gebruikte begrip muthos of plot (la mise en intrigue). Een plot wijst naar de constructie van een verhaal die te vergelijken is met de constructie van een persoon.92 De persoonlijke identiteit wordt opgevat als een verhaal, een narratief. Door de vorming van de plot ontstaat uit de heterogeniteit van de verschillende gebeurtenissen één verhaal. De plot is als het ware de synthese tussen de verschillende verhalen. Op die manier ontstaat één verhaal. De plot maakt de verhalen begrijpelijk. Verhalen, is zeggen wie wat gedaan heeft, waarom en hoe, en een verbinding maken door de tijd heen tussen al die verschillende standpunten.93
Het verhaal wordt concordant omdat het door de vorming van de plot een samenhang vertoont. Maar door het optreden van allerlei gebeurtenissen is het verhaal ook disconcordant. De samenhang gaat verloren totdat er opnieuw samenhang ontstaat. Ricœur spreekt van een «concordance disconcordante, caractéristique de toute composition narrative, par la notion de synthèse de l’hétérogène».94
Ricœur wijst er ook nog op dat de persoon nooit een eenheid kan zijn los van zijn ervaringen: «La personne, comprise comme personnage de récit, n’est pas une entité distincte de ses «expériences». Bien au contraire: elle partage le régime de l’identité dynamique propre à l’histoire racontée. Le récit construit l’identité du personnage, qu’on peut appeler son identité narrative, en construisant celle de l’histoire racontée. C’est l’identité de l’histoire qui fait l’identité du personnage.»95
33. In zijn leer over de vorming van de narratieve identiteit onderscheidt Ricœur een aantal niveaus. Hij spreekt van een drievoudige mimèsis.96 De Nederlandse filosoof Jos de Mul licht dit beknopt toe.97 Door een inherente pre-narratieve samenhang, die het gevolg is van onze kennis over de samenhang van het leven (kennis van doelen, intenties, motieven, gevolgen en omstandigheden, het vermogen om de symbolische aard van handelingen en hun rol in culturele instituties te begrijpen, en ook het inzicht in het temporele karakter van het menselijk handelen) hebben we de mogelijkheid om verhalen te vertellen. Die pre-narratieve samenhang is het eerste niveau van de mimesis.
Wanneer alle verhalen van die gebeurtenissen met elkaar verbonden worden tot een homogeen geheel, kunnen we spreken van het tweede niveau van de mimesis. In dit homogeen geheel onderscheidt men zowel een ruimtelijke dimensie (de losse elementen worden met elkaar in verbinding gebracht rondom de personages), als een temporele dimensie (door de verbinding van de gebeurtenissen met elkaar). Er ontstaat tussen al die verhalen een concordantie. Die concordantie is evenwel niet statisch, maar voortdurend in beweging omdat door de tijd heen andere verhalen zich eraan toevoegen. Op die manier ontstaat weer heterogeniteit, die op haar beurt opnieuw tot één geheel, één verhaal moet versmelten. Die voortdurende verstoring van de homogeniteit van het verhaal wordt veroorzaakt door onverwachte gebeurtenissen in het leven. Het levensverhaal vertelt ons over het verleden, het heden en de toekomst. De verstoring van de homogeniteit, de telkenmale terugkerende heterogeniteit door de gebeurtenissen van het levensverhaal, daagt het karakter uit.
Het derde niveau van de mimesis, de derde stap in de opbouw van de narratieve identiteit, bestaat in een - om het met de woorden van de Mul te zeggen - «reflexieve toepassing van de narratieve configuratie op het zelf» of, anders uitgedrukt, «met behulp van de verhalen geven we vorm aan de grotendeels impliciete samenhang van ons leven».98 Op die manier krijgt de persoon een identiteit.
Het mag duidelijk zijn dat de identiteit een dynamisch gegeven is. Het verhaal is nooit af, omdat er zich steeds nieuwe gebeurtenissen voordoen. Telkenmale moet de mens van alle verhalen een homogeen geheel maken, één verhaal reconstrueren. Nieuwe gebeurtenissen, nieuwe verhalen verstoren die homogeniteit telkens opnieuw, en van die nieuw ontstane heterogeniteit maakt men voor de opbouw van zijn identiteit telkens weer een homogeen geheel. «Het narratieve model van de persoonlijke identiteit stelt ons in staat een beter begrip te krijgen van de dialectiek die enerzijds binnen onze identiteit bestaat tussen hetzelfde en het zelf en anderzijds tussen het zelf en de ander», zo schrijft nog de Mul.99 Door de plot, het aanbrengen van homogeniteit in het verhaal, het brengen van concordantie tussen de diverse gebeurtenissen, komt men ertoe het leven te interpreteren en te organiseren.
34. De toelichting over de narratieve identiteit en de betekenis van het verhaal en de verhalen moeten het mogelijk maken om in het kader van een bemiddeling of bij het bemiddelingsgericht omgaan met elkaar rekening te houden met wie de ander is, met wat de ander is. Er moet een oprechte aandacht zijn voor de ander. Dit draagt bij tot de erkenning, tot het respecteren van de ander, tot het zich gerespecteerd voelen door de ander, en tot het voeren van een zinvolle dialoog. Door een goed begrip van de narratieve identiteit van de ander kan men een helder inzicht krijgen in het levensverhaal en de persoonlijke identiteit van de ander, en met de ander in gesprek gaan als autonoom en tegelijkertijd ook kwetsbaar wezen. Dit draagt ook bij tot de levenshouding die we tegenover onszelf en tegenover de ander kunnen en moeten aannemen.
35. De bemiddelaar heeft de bijzondere taak erover te waken dat de gesprekspartners in de bemiddeling op een evenwichtige en gelijke wijze in gesprek kunnen gaan. De bemiddelaar waakt over hun autonomie in de onderhandelingen. De bemiddelaar zorgt er met andere woorden voor dat de partijen zichzelf kunnen zijn, en niet onderworpen worden aan de andere. Daarom moet de bemiddelaar aandacht hebben voor de persoonlijke en de narratieve identiteit van alle partijen die in de bemiddeling betrokken zijn. De bemiddelaar zal bij de partijen een wederzijdse erkenning en een wederzijds respect bijbrengen.
36. De autonomie van het zelf is nauw verbonden met de zorgzaamheid (la sollicitude) voor de naaste, en ook met de rechtvaardigheid van elke mens.100 De theorie over narratieve identiteit opent de weg naar de ethiek, naar de moraal.101 Ethiek en moraal zijn voor Ricœur geen synoniemen. Er is voor hem de primauteit van de ethiek (wat beschouwd wordt als «het goede») op de moraal (de norm). Het ethische doel is het doel van het goede leven voor en met de andere, wat we kunnen samenvatten onder de noemer «zorgzaamheid» in een rechtvaardige samenleving. Dit laatste duidt erop dat het «goed leven» zich niet beperkt tot interpersoonlijke verhoudingen maar zich ook uitstrekt over de gemeenschap waarin we leven.102 Anders gezegd, rechtvaardigheid vertoont ethische kenmerken die niet vallen onder de «zorgzaamheid», maar in hoofdzaak betrekking hebben op de gelijkheid onder alle mensen. De gelijkheid in een samenleving is wat de zorgzaamheid betekent in de intermenselijke verhoudingen.
II. De rechtsprekende functie
«Sociale vrede» en «zorgzaamheid»103
37. Onnodig te zeggen dat de rechterlijke macht een bijzonder belangrijke pijler is in een democratische rechtstaat. Het rechtspreken is fundamenteel in een samenleving. Rechtspreken is oordelen in billijkheid. Rechtspreken is de regel van de rechtvaardigheid naar het hogere niveau van de billijkheid brengen.104 Rechtvaardigheid is gesteund op het ontnemen aan de conflicterende partijen van de mogelijkheid tot geweld of tot wraak.105
38. Samen met Paul Ricœur kan de vraag gesteld worden wat de «rechtvaardige» is. En zijn antwoord luidt vanuit een bekommernis die hij naar het voorbeeld van Aristoteles» phronèsis, de sagesse pratique noemt, de «praktische wijsheid», als volgt: «Le juste, ce n’est plus alors ni le bon ni le légal, c’est l’équitable. L’équitable est la figure qui revêt l’idée du juste dans les situations d’incertitude et de conflit ou, pour tout dire, sous le régime ordinaire ou extraordinaire du «tragique de l’action».»106 Ricœur wijst op het grote belang van de billijkheid.
In overleg en samen met de magistratuur zal Paul Ricœur zijn filosofische en ethische concepten107 gedurende jaren verder uitwerken in het domein van het recht en de rechtstoepassing, wat resulteert in twee belangwekkende uitgaven.108
39. De handeling van de rechter die erin bestaat om recht te spreken, is in de eerste plaats een beslissing nemen.109 Een beslissing nemen binnen het kader van een procedure, een proces waar slechts enkele partijen bij betrokken zijn. Voor het uitwerken van zijn ethische leer over het rechtspreken zal Ricœur zich vooral beperken tot het strafproces, maar zijn bevindingen kunnen per analogie ook vertaald worden naar het burgerlijk proces. De rechter oor-deelt. Dit wil zeggen dat de rechter deelt. De rechter geeft aan elk het zijne. Suum cuique tribuere.110 Het mijne en het uwe. Ricœur zal voorhouden dat de distributieve rechtvaardigheid, hoewel slechts een deel van de grote rechtvaardigheid, bijdraagt tot de totstandkoming van meer rechtvaardigheid tussen de mensen.
Het meest ultieme doel van de mogelijkheid van de rechter om recht te spreken, is de sociale vrede te verzekeren. Die sociale vrede zal (moeten) inhouden dat de partijen elkaar erkennen en dat zij openheid naar elkaar tonen. De winnende partij erkent de verliezende partij als rechtssubject. Maar ook de verliezende partij erkent op haar beurt dat de winnende partij een rechtssubject is, rechten heeft. De verliezende partij moet kunnen erkennen dat het rechterlijk oordeel dat haar ongelijk heeft gegeven, geen akte van geweld betekent, maar een akte van erkenning.111 De sociale vrede verzekeren betekent dat de rechter probeert om een intersubjectieve, wederkerige relatie tussen partijen tot stand te brengen. De ander mag niet langer aanzien worden als een middel, maar als een doel op zich. Dit zorgt voor zorgzaamheid in de intermenselijke relaties.
De handeling van de rechter die erin bestaat te oordelen, maakt niet alleen een einde aan het geschil en aan de onzekerheid doordat een beslissing wordt genomen, maar doet ook de partijen het bestaan van de ander erkennen, waarbij aan elke partij gegeven werd wat haar toekomt. Of anders uitgedrukt, het rechterlijk oordeel zal tussen de betrokkenen ook een «juiste afstand», une juste distance, in acht doen nemen.112 Voor Ricœur is dit een essentieel begrip. De «juiste afstand» zorgt niet alleen voor een onderscheid, maar ook voor verbinding.113
40. Opdat de rechtbanken de hun toevertrouwde taken om onpartijdig en onafhankelijk te kunnen oordelen naar behoren zouden kunnen uitoefenen en de «juiste afstand» tussen de partijen zouden kunnen opleggen, is het absoluut noodzakelijk dat zij in alle sereniteit hun werk kunnen doen, en dat zij die onafhankelijkheid en onpartijdigheid ook naar de buitenwereld kunnen uitdragen. Deze broodnodige serene sfeer wordt helaas al te dikwijls op de proef gesteld door de mediatisering van vele processen, vooral dan van strafprocedures. We kunnen zelfs spreken van de perverse neveneffecten van de mediatisering van de maatschappij in onze moderne tijden. De media hebben een bijzonder grote verantwoordelijkheid in objectieve nieuwsgaring, noodzakelijk voor de bescherming en het uitdragen van de democratische waarden. In menig geval zou enige terughoudendheid in de berichtgeving meer op haar plaats zijn.
De rol van de «sociale media» mag binnen deze context ook niet onderschat worden.114 Iedereen voelt zich geroepen om commentaar te leveren op lopende processen en op rechterlijke uitspraken. Aangestuurd door bepaalde - en soms op sensatie beluste - journalistieke tussenkomsten, al dan niet geïnspireerd door de een of de ander die zich geroepen voelt «duiding» te geven over een lopend proces, en geholpen door de moderne communicatiemiddelen, begint iedereen zich met lopende dossiers te bemoeien en daar (meestal zeer negatieve) commentaar op te geven. De goegemeente zal het wel eens uitleggen, niet gehinderd uiteraard door enige dossierkennis. Dat er in hoofde van elke burger een vermoeden van onschuld bestaat, en dat iedereen het recht heeft om zich te verdedigen, is voor de vox populi geen enkel beletsel om ten behoeve van iedereen stoutmoedig eens haar mening over lopende dossiers wereldkundig te maken, en ook over de werking van justitie haar zeg te doen.
41. In een democratie is het uitermate belangrijk dat de mensen het geloof in justitie behouden. Het is schrijnend te moeten lezen dat 51% van de bevolking de rechters wereldvreemd vindt en dat 40% van de bevolking zegt dat de rechtbanken niet onafhankelijk zijn115, ... en een belangrijk deel dus geen vertrouwen heeft in de rechters. Dit is heel erg omdat het probleem niet bij de rechterlijke orde ligt, bij de zovele magistraten en medewerkers die zich elke dag blijven inzetten om een kwaliteitsvolle justitie te garanderen, maar wel bij de negatieve beeldvorming rond justitie in de media, en bij de zovelen die zich geroepen voelen om via allerlei kanalen over alles en iedereen hun commentaar te geven, waarbij ze bewust of onbewust een negatieve sfeer rond justitie creëren.
Dat er binnen justitie soms sprake is van structurele problemen die opgelost moeten worden, daar is iedereen zich wel bewust van. Zo is er de bijzonder schrijnende achterstand in gerechtszaken in het hof van beroep te Brussel, waar meer dan 11.000 zaken op behandeling wachten.116 Maar structurele problemen zijn uiteraard geen exclusiviteit van justitie. Daarenboven wordt daar zonder enige twijfel aan gewerkt. Maar dit is nog geen alibi voor de burger om zich met de normale rechtsgang te gaan bemoeien.
Als men zou kunnen spreken over een wankele rechtstaat, dan duidt dat erop dat we waakzaam moeten zijn over het functioneren van onze rechtstaat. Want de rechtstaat staat onder druk. Druk van bovenaf, de vraagtekens die we kunnen plaatsen bij het democratische proces bij de totstandkoming van de wetgeving, de kwaliteit van het wetgevend werk. Druk van onderuit, wegens overbevraging door de burger die dikwijls te veel oog heeft voor de eigen, private belangen en te weinig voor het algemeen belang. De zijdelingse druk, uitgeoefend door de media allerhande, die soms onterechte kritiek uiten op de werking van de rechtstaat en het functioneren van de rechter.117
42. De Hoge Raad van Justitie organiseert regelmatig een bevraging bij de gewone burger om te polsen naar wat bij de burger leeft. In een recente studie118 die werd gepubliceerd onder de titel Vijfde Justitiebarometer 2024 - De blik van de burger, leert de bevraging van de burger dat het vertrouwen in justitie sinds 2010 onophoudelijk is gedaald tot 54% in 2024. 48% van de burgers is tevreden over de werking van justitie. Een derde oordeelt dat de werking van justitie erop achteruit is gegaan. Vooral de duurtijd van een rechtszaak is een probleem. Bijna de helft van de burgers is van oordeel dat de rechterlijke uitspraken niet rechtvaardig zijn, de onafhankelijkheid van de magistratuur twijfelachtig is en er geen sprake is van een gelijke behandeling van alle burgers. Een meerderheid is van oordeel dat misdrijven niet streng genoeg bestraft worden. Dit geldt voor 70 à 80% van de burgers, vooral wat betreft seksuele misdrijven, georganiseerde criminaliteit en computercriminaliteit. Bijna een vierde van de burgers is daarentegen van oordeel dat verkeersmisdrijven te streng bestraft worden. Acht op de tien ondervraagden zijn voorstander van werkstraf en elektronisch toezicht. Wat gevangenisstraffen betreft, is drie vierde van de ondervraagde burgers van oordeel dat die uitgezeten moeten worden tot het einde van de opgelegde straf. Dat geldt ook voor gevangenisstraffen van minder dan drie jaar. Men is iets milder wat de rehabilitatie van de veroordeelden betreft. Zes op de tien ondervraagde burgers vinden dat er een mogelijkheid moet zijn om de terugkeer in de maatschappij voor te bereiden, onder toezicht en met opvolging. Drie vierde vindt dat minderjarigen in geval van ernstige feiten onder het regime van de volwassenen berecht moeten worden.
43. Het strafrechtelijk beleid zal er uiteindelijk toe moeten leiden dat de straf op een meer humane wijze wordt toegepast. Daartoe moet in de eerste plaats de rechter bijdragen. Er zijn uiteraard ook nog bijkomende manieren om het strafrecht een menselijker, humaner gezicht te geven. Bijzondere aandacht moet gegeven worden aan het menswaardig behandelen van gevangenen119 en ook aan het creëren van de mogelijkheid van bemiddeling in strafzaken. De menswaardige behandeling van gevangenen is een voortdurende bekommernis. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dat recht is absoluut. De rechtspraak van het Europees Hof van Justitie over de onmenselijke behandeling van gevangenen is - helaas - overvloedig, wat wijst op een falend justitieel en strafrechtelijk beleid.120
44. Door de straf wordt de orde hersteld, en wordt het slachtoffer publiek erkend in zijn lijden. Dit zal kunnen bijdragen aan het rouwproces dat men als slachtoffer (in de ruime zin van het woord, dus ook eventuele nabestaanden, familie, ...) moet doormaken. De straf zal ook belangrijk zijn voor de publieke opinie, die als het ware ook de stem is van het verlangen tot wraak. De publiciteit die aan het opleggen van de straf gegeven wordt, helpt om de billijkheid als principe te leren aanvaarden.
De straf zal ongetwijfeld ook haar doel bereiken als de straf wordt aanvaard, minstens begrepen, door diegene die ze moet ondergaan. De veroordeelde zal zich ook realiseren dat de straf een les voor de toekomst is en leidt tot rehabilitatie en «vergiffenis». De veroordeelde zal zich op zijn minst erkend weten als een «redelijk wezen».121 De veroordeelde moet zicht krijgen op een volledige maatschappelijke re-integratie. Hij moet de kans krijgen om weer een normaal burger te worden.122 En daar precies loopt het in onze huidige wereld enigszins fout.
45. In haar derde lezing voor het Collège de France in het voorjaar 2024 wijst Julie Lacroix erop dat de huidige tendens erin bestaat om in een sfeer van vergelding de slachtoffers heel veel aandacht te geven. Dit is overigens zeer terecht. Tegelijkertijd dreigt men evenwel uit het oog te verliezen dat het finale doel van het rechterlijke oordeel er precies in bestaat die tegenstelling toch te overstijgen, en het hogere en het bredere maatschappelijk belang voor ogen te houden, met name de sociale vrede te herstellen door aan de veroordeelde dader het uitzicht te geven op rehabilitatie, het uitzicht om ooit weer als volwaardig burger in de maatschappij geïntegreerd te worden. Zij verwijst naar de statistieken123, waaruit blijkt dat in 16 van de 27 Europese lidstaten de gevangenisbevolking aanzienlijk toeneemt tussen 2000 en 2023, gaande van 33% in Frankrijk tot 136% in Kroatië. In België is het aantal gevangenen gestegen van 8.688 in 2000 naar 10.381 in 2020. In 2024 staat de teller op zowat 12.500 gevangenen. 4,5% van de gevangenen is vrouw. 36,2% van de gevangenen verkeert in een toestand van voorlopige hechtenis en is dus nog niet veroordeeld. De stijging van het aantal gevangenen wordt vooral veroorzaakt door strengere, langere en effectievere gevangenisstraffen, en door de zwaardere bestraffing van misdrijven die vroeger niet bestraft werden met een effectieve gevangenisstraf.
46. We staan dus ver af van het door Ricœur vooropgestelde ideaal. De strengere bestraffing leidt niet tot meer veiligheid voor de maatschappij in haar geheel en dit blijkt uit het bredere perspectief van het onmiskenbare verband tussen gevangenisstraffen enerzijds en desocialisatie, radicalisering en recidivegevaar anderzijds.124 De gevangenis zal ook altijd deel blijven uitmaken van de «publieke ruimte». Alle maatregelen die niet zouden bijdragen tot het maatschappelijk nut, schieten hun doel voorbij. Alle maatregelen die niet zouden bijdragen tot de bescherming van de maatschappij, moeten vermeden worden. De bestraffing heeft in essentie als onmiddellijk doel de bescherming van de maatschappij tegen een aantasting van de openbare orde. De bestraffing moet als doel op lange termijn leiden tot het herstel van de sociale vrede. Alle maatregelen die ertoe leiden dat de veroordeelde uiteindelijk opnieuw gerehabiliteerd kan worden, dragen bij tot het bereiken van dit doel op lange termijn.125
47. Door een parallel te trekken tussen het nemen van een beslissing in de medische wereld en het uitspreken van een rechterlijk oordeel, voegt Ricœur een dimensie toe aan de rechterlijke functie.126 Ricœur noemt dit de dimensie van de sollicitude, hetgeen we zouden kunnen vertalen als «zorgzaamheid». En het is precies de taak van de rechter om niet alleen het doel op korte termijn van zijn oordeel voor ogen te houden, maar ook het finale doel, het doel op lange termijn, de sociale vrede te herstellen.127 De «zorgzaamheid» in de zin zoals Ricœur dit bedoelt, bestaat in de gemeenschappelijke structuur die bijdraagt tot het tot stand brengen van intersubjectieve, wederkerige relaties met de ander. Die structuur draagt ertoe bij dat wij in onze relatie met de ander een openheid tonen voor de ander, en dat wij die ander niet zien als een middel, maar wel als een doel op zich.128 En Ricœur stelt dat de gelijkheid voor wat de instellingen betreft in zekere zin gelijkstaat met de zorgzaamheid in de intermenselijke relaties.129
Openbare orde - algemeen belang - privaat belang
48. De taak van de rechter in burgerlijke geschillen is heel verscheiden en maatschappelijk eveneens bijzonder relevant. Ook hier staat de zorgzaamheid centraal. De wetgever geeft blijk van de groeiende aandacht voor het algemeen belang en de openbare orde. De rechter, gevat in een burgerlijk conflict tussen verscheidene partijen, heeft bijkomende mogelijkheden gekregen om de rechten van de partijen af te toetsen aan het maatschappelijke, aan het algemeen belang. De hervorming van het Burgerlijk Wetboek wijst in die richting, inzonderheid de impact van de nieuwe wettelijke bepalingen inzake het verbintenissenrecht. Er moet eveneens worden gewezen op de bijzondere bevoegdheden van de insolventierechter die binnen zijn taken van «economische politie» moet waken over bijvoorbeeld het bewaren of het herstellen van het algemeen belang als tegengewicht bij de nieuwe insolventierechtelijke initiatieven die de onderneming in moeilijkheden kan nemen.130
49. Geen enkele democratie kan optimaal functioneren wanneer de burger uitsluitend zijn eigen belang nastreeft, zo schrijft Jurgen Habermas.131 De overheid, anders gezegd de rechtstaat, zal er dus ook op moeten toezien dat een gezond evenwicht gevonden wordt tussen het privaat belang enerzijds, en het algemeen belang anderzijds. Daarbij mogen de regels die de openbare orde uitmaken, niet uit het oog verloren worden. Ook dat soort regels zal voorrang hebben op de bescherming van de private belangen van de burger. Anderzijds mag van de burgers ook een zogenaamd «behoorlijk burgerschap» verwacht worden, hoewel het op vandaag nog geen evidentie is om de plicht tot «behoorlijk burgerschap» wettelijk te verankeren.132
50. Regels van openbare orde en goede zeden zijn wetten die raken aan de wezenlijke belangen van de maatschappij en zij hebben betrekking op wat men tot nog toe de grondslagen noemt waarop de ethische, juridische en economische orde van de samenleving steunt, zo oordeelde het Grondwettelijk Hof nog in 2012.133 Er is de laatste jaren binnen het kader van het wetgevend werk een toenemende aandacht voor het belang van de openbare orde en het algemeen belang. Dit vertaalt zich in een aantal nieuwe wettelijke bepalingen waarin dit uitdrukkelijk tot uiting komt. Artikel 1.3, derde en vierde lid van het nieuw Burgerlijk Wetboek134 definieert een rechtshandeling voortaan als een wilsuiting die afgetoetst moet worden aan de regels van de openbare orde en die van dwingend recht. Als een rechtsregel van openbare orde wordt beschouwd de rechtsregel die de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, zoals de economische orde, de morele orde, de sociale orde of de orde van het leefmilieu. Een regel van dwingend recht is een rechtsregel die is vastgesteld ter bescherming van een partij die door de wet als zwakker wordt gehouden.
De maatschappelijke veranderingen, en ook wetgevende initiatieven vanuit Europa,135 internationaal136 en nationaal, gevolgd en aangestuurd door interessante bijdragen van rechtsgeleerden over onder meer duurzaam ondernemen, duurzaamheid en duurzaamheidsrapportering,137 hebben het voor de huidige maatschappij meer dan noodzakelijke debat mee op gang gebracht. Er wordt, gelukkig maar, een dwingende nood gevoeld aan een evolutieve interpretatie van het begrip (economische) openbare orde en van de nieuwe maatschappelijke noden in de meest brede zin van het woord. Ludo Cornelis heeft dit op zeer heldere wijze vastgesteld in zijn in 2019 gepubliceerde magistrale standaardwerk over de openbare orde:138
«Het is tijd om zich af te keren van de door het Hof van Cassatie aan Henri De Page ontleende «definitie» van de openbare orde. Zij heeft genoeg onheil gebracht. Zij maakte het mogelijk dat de economische orde(ning) zich steeds autonomer en dominanter ten aanzien van de niet-economische (politieke, ecologische, sociale, morele, culturele) (deel)ordeningen kon manifesteren.
Zij heeft de economische orde overvloedige juridische munitie in de handen gespeeld, waardoor zij zich - ongemerkt? - steeds verder van het democratische samenlevingsverband, van zijn essentiële samenlevingswaarden en van de erdoor geconcretiseerde grond- en mensenrechten van anderen kon losweken.
Die ontwikkelingen staan haaks op de voorrang hebbende publiekrechtelijke basisteksten en miskennen in het bijzonder de Grondwet, het EVRM, het Handvest en het VEU. Door niets of niemand wordt verantwoord dat die basisteksten niet tot op het niveau van de diepste vezels van de economische (deel)ordening zouden doorwerken ...»
Er kan ook verwezen worden naar de desbetreffende inzichten over een nieuw sociaal contract, vertolkt door onder meer de Franse econoom Thomas Piketty, die zich de vraag stelde: «Qu’est ce qu’une société juste ...»139
51. Ook binnen de economische wereld is er sprake van een wijziging van het economische paradigma met groeiende aandacht voor het bonum commune. Een helder inzicht vindt men onder meer bij de Franse winnaar van de zogenaamde Nobelprijs voor de Economie in 2014, Jean Tirole, in zijn zeer instructieve boek Economie du bien commun.140 Er wordt nagedacht over de evolutie naar een purpose economy, economy of communion. Het wetsvoorstel van 2 april 2021 houdende de instelling van een zorg- en verantwoordingsplicht voor de ondernemingen, over hun hele waardeketen heen, maakte duidelijk dat er ook binnen het economische veld een groeiende aandacht bestaat voor problemen van algemene orde.141
52. Er bestaat in een rechtstaat een voortdurende spanning tussen enerzijds het algemeen belang en anderzijds het privaat belang.142 De slinger beweegt voortdurend van de ene kant naar de andere kant, soms te veel, soms te weinig. Een evenwicht zoeken is een voortdurend aftasten van de grenzen. Het algemeen belang komt dikwijls onder druk te staan door de fundamentele rechten en vrijheden die rechtsbescherming bieden aan de burger. Het gevaar bestaat dat het algemeen belang bedreigd kan worden door individuele burgers die zich beroepen op hun eigen fundamentele rechten en vrijheden om bepaalde maatregelen en beslissingen, genomen met het oog op het algemeen belang, in twijfel te trekken. De vraag zal ook gesteld worden naar de reikwijdte van deze fundamentele rechten en vrijheden, en dus met andere woorden naar de interpretatie van deze fundamentele rechten en vrijheden, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) is soms zo mogelijk nog veel verrassender dan die van het Europees Hof van Justitie.143 Subjectieve rechten worden beschermd op grond van soms vrij subjectieve interpretaties door het EHRM van bijvoorbeeld het proportionele karakter van een of andere nationale wet. Het recht van het EVRM, voor 99% van jurisprudentiële aard, is geëvolueerd van een geheel van minimumstandaarden (het verbod op foltering bijvoorbeeld) naar een soort van summum van opperste rechtsbescherming, die soms in «nevelen is gehuld» en niet zo klaar en duidelijk is voor de betrokken lidstaten.144
III. De rechter als inspirator van en motivator voor minnelijke regelingen
De partijen nader bij elkaar brengen
53. De rechter oordeelt niet alleen, maar kan ook minnelijke oplossingen faciliteren. De rechter kan de partijen responsabiliseren in het zoeken naar een minnelijke oplossing zonder dat de rechter moet «oordelen». Daarbij kan de rechter ook het juridische denkkader van het voorgelegde conflict overstijgen. De rechter, die partijen nader bij elkaar brengt en poogt een minnelijke oplossing te bereiken, getuigt van de «zorgzaamheid» die Paul Ricœur bij de uitoefening van de rechterlijke functie zo essentieel acht.
Sinds 2018 bepaalt artikel 730/1, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechter in elke stand van het geding een minnelijke oplossing moet bevorderen. Daarenboven kan overeenkomstig § 2 van dat artikel de rechter de «partijen bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen». Voortaan heeft de rechter ook de mogelijkheid om de partijen te bevragen binnen het kader van een kortgedingprocedure over de wijze waarop zij hebben geprobeerd het geschil minnelijk op te lossen en om de persoonlijke verschijning van de partijen te bevelen.145 De rechter heeft de mogelijkheid om zelf, dan wel op vraag van een van de partijen, de zaak uit te stellen naar een latere datum om de partijen toe te laten na te gaan of het geschil op een minnelijke wijze opgelost zou kunnen worden. De mogelijkheid om te verdagen heeft de rechter evenwel niet meer in kort geding, gelet op de aard van die procedure.
Het nieuwe artikel 730/1 Ger.W. werd in de memorie van toelichting als volgt verantwoord: «Een nieuwe artikel 730/1 wordt ingevoegd. Het strekt ertoe het beroep op alternatieve vormen van oplossing van geschillen zoveel mogelijk te bevorderen. Het bedeelt de rechter, naast zijn essentiële taak om geschillen te beslechten, een pacificerende rol toe door hem de mogelijkheid te bieden ook het gebruik van alternatieve vormen van geschillenoplossing aan te moedigen. (...) De rechter kan de partijen bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan. De partijen hebben uiteraard altijd het recht om de inhoud van hun onderhandelingen geheim te houden voor iedereen, dus ook de rechter (zie B. Allemeersch, «Bemiddeling en verzoening in het burgerlijk proces» in het Tijdschrift voor Privaatrecht). Concreet beschikt de rechter over de mogelijkheid om de persoonlijke verschijning van de partijen te bevelen.»146
54. De rechtbank kan de gerechtelijke bemiddeling147 bevelen op eigen initiatief of op verzoek van een van de partijen.
Tijdens het symposium van 5 juni 2025 in het Hof van Beroep te Antwerpen over «Onderhandeling, bemiddeling en minnelijke schikking - Sleutels voor een duurzame conflictoplossing», benadrukte Ann De Braekeleer, voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, die alle afdelingen van de ondernemingsrechtbank in West- en Oost-Vlaanderen overkoepelt, dat een gerechtelijke bemiddeling weliswaar zinvol is, maar dat er een probleem bestaat door een gebrek aan transparantie met betrekking tot de kostprijs die verbonden is aan de tussenkomst van een gerechtelijk bemiddelaar. Dit schrikt de rechtbanken soms af om een gerechtelijke bemiddeling te bevelen.
55. Artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het tot de opdracht van de rechter behoort om de partijen te verzoenen. Het betreft een verzoeningspoging vooraleer de procedure opgestart is.148 Daarenboven bepaalt dit artikel dat behoudens in de gevallen bij de wet bepaald, de poging tot minnelijke schikking niet verplicht gesteld kan worden.
Het nieuwe artikel 731/1 van het Gerechtelijk Wetboek149 laat de rechter, ook de rechter in graad van beroep, daarenboven toe de zaak naar de minnelijke schikkingskamer van de rechtbank of het hof te verwijzen: «Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om ervan kennis te nemen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.»
Ook lopende de procedure, en dit in elke stand van het geding, blijft het mogelijk dat een verzoeningspoging wordt ondernomen.150 Dit is ook mogelijk voor de hoven.151 De poging tot minnelijke schikking voor de arbeidsrechtbanken is overeenkomstig artikel 734 Gerechtelijk Wetboek verplicht voor de vorderingen bedoeld in artikel 578 Gerechtelijk Wetboek.
De kamers van minnelijke schikking
56. De rol van de rechter heeft er in burgerlijke gedingen een nieuw, uitdagend aspect bijgekregen. Niet alleen het oplossen van geschillen tussen partijen is belangrijk, ook het streven naar minnelijke oplossingen is een bijzondere taak die de wetgever aan de magistratuur, en ook aan andere actoren van justitie, zoals advocaten en gerechtsdeurwaarders, heeft toevertrouwd. Er wordt voortaan ook voorzien in de oprichting van kamers van minnelijke schikking in de rechtbanken en de hoven om partijen toe te laten onder de leiding van de rechter een minnelijke oplossing van het tussen hen gerezen geschil te betrachten. Belangrijk hierbij is ook dat de wetgever het mogelijk heeft gemaakt dat partijen zich voor het inleiden van de procedure in eerste aanleg of in graad van beroep reeds tot de rechter wenden om te pogen een minnelijke regeling te bereiken. Er kan, voor een exhaustieve bespreking van de vele, nieuwe uitdagingen die de kamers van minnelijke schikking bieden, verwezen worden naar het zeer volledige en instructieve boek over de minnelijke schikking van de hand van Fleur Goister en Ivan Verougstraete dat recent verscheen.152
57. De wet van 19 december 2023 heeft op een ingrijpende wijze de mogelijkheden voor een alternatieve geschillenregeling door de rechter veranderd, uitgebreid en vastgelegd. De artikelen 734/1 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in de oprichting, de organisatie en de werking van kamers van minnelijke schikking in de rechtbanken en de hoven van beroep.153 Dit is niet voorzien op het niveau van de vredegerechten. In de memorie van toelichting wordt de oprichting van de kamers van minnelijke schikking en de rol van de rechter verantwoord. als volgt:154
«Het ontwerp wil het gebruik van minnelijke oplossingen van conflicten aanmoedigen door kamers voor minnelijke schikking op te richten in de meeste hoven en rechtbanken die burgerlijke zaken, ondernemingszaken en sociale zaken behandelen. Dit ontwerp ligt in het verlengde van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. De wet van 30 juli 2013 heeft dergelijke kamers voor minnelijke schikking opgericht binnen de familierechtbank. De wet van 18 juni 2018 heeft de verzoeningsopdracht van de rechter duidelijk bekrachtigd. In dezelfde logica lijkt het aldus nuttig om de hoven en rechtbanken in staat te stellen om dergelijke kamers op te richten, naar het voorbeeld van de kamers die thans bestaan binnen de familierechtbank. Het voordeel van minnelijke oplossingen van conflicten hoeft niet meer te worden aangetoond. Sinds enkele jaren benadrukken zowel de rechtsleer (A. Dejollier, «La chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine de promesses», JT 2021, nr. 6870, blz. 649 e.v.; D. Chevalier, «La conciliation préalable de droit commun: un «Marc» à part entière?», JT 2019, nr. 6765, blz. 222 e.v.) als de wetgever of het merendeel van de juridische professionals de meerwaarde voor de partijen van een onderhandelde, en zelfgekozen, in plaats van opgelegde oplossing en tevens de voordelen die dit kan opleveren op het vlak van tijdwinst en besparing van procedurekosten. Tot 2018 werden verschillende individuele en punctuele initiatieven op het gebied van verzoening en bevordering van bemiddeling ontwikkeld in verschillende ressorten van het land. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 zijn er meer structurele initiatieven opgezet in verschillende hoven en rechtbanken van het land in burgerlijke, ondernemings- en sociale zaken. Verschillende rechtbanken, waaronder de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel (op initiatief van Sylvie Frankignoul), de Franstalige Arbeidsrechtbank van Brussel (diverse initiatieven die sinds 2005 op initiatief van de opeenvolgende voorzitters zijn genomen en die hebben geleid tot de opening van kamers van minnelijke schikking in maart 2021), en de kamers voor burgerlijke zaken en voor ondernemingszaken van het hof van beroep te Brussel (op initiatief van Anne-Marie Witters voor Nederlandstalige dossiers en Anne-Sophie Favart opgevolgd door Caroline Verbruggen voor Franstalige dossiers), hebben voorts al enkele jaren een kamer voor minnelijke schikking waartoe rechtzoekenden zich kunnen wenden om te trachten hun geschil in der minne op te lossen tijdens een zitting ter minnelijke schikking onder begeleiding van een beroepsmagistraat. Na verscheidene jaren ervaring bedraagt het aantal schikkingen nagenoeg 80 procent.
Concreet voorziet het ontwerp in de oprichting van die kamers voor minnelijke schikking door bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechterlijke organisatie te wijzigen en door afdelingen in te voegen in het hoofdstuk «Minnelijke oplossingen van geschillen» dat in 2018 is ingevoegd. Er wordt een specifieke afdeling gewijd aan de aanhangigmaking bij en de werking van die kamer. Tevens worden enkele wijzigingen aangebracht aan de minnelijke schikking teneinde bepaalde procedureaspecten te verduidelijken.»
58. Artikel 734/1, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: «Op verzoek van een van de partijen of indien hij dit nuttig acht tenzij alle partijen daartegen gekant zijn, kan de rechter ook, gedurende het gehele geding, de doorverwijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof bevelen, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting.»
Indien een akkoord bereikt wordt in de precontentieuze fase (wanneer de procedure nog niet opgestart werd), wordt dit akkoord «opgetekend in het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen daarvan afzien», zo bepaalt artikel 734/2, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek. Bij niet-akkoord wordt dit geacteerd in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 734/3, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien een akkoord bereikt wordt lopende de procedure, dan kan dit akkoord opgenomen worden in een vonnis of een arrest, zo bepaalt artikel 734/2, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Indien er geen akkoord is, wordt de procedure voortgezet (art. 734/3, § 2 Ger.W.).
De werkingsregels van de kamers van minnelijke schikking zijn vastgelegd in artikel 734/4 van het Gerechtelijk Wetboek. De zittingen vinden plaats in raadkamer en alles wat gezegd en geschreven wordt, is strikt vertrouwelijk. De partijen moeten in persoon verschijnen, al dan niet bijgestaan door hun advocaat. Er kunnen ook gesprekken georganiseerd worden tussen de rechter en elke partij apart (caucus). Aan de poging tot minnelijke schikking in de kamer van minnelijke schikking kan te allen tijde een einde gesteld worden. Dit illustreert de vrijwilligheid van de «procedure» voor de kamer van minnelijke schikking. Op de eerste zitting zal de rechter aan de partijen de beginselen van de minnelijke schikking toelichten.
In de praktijk hebben veel magistraten zich voorafgaand aan de nieuwe wet van 19 december 2023 reeds ingezet om minnelijke schikkingen binnen hun rechtbank te faciliteren. Een project werd in 2015 gelanceerd in Brussel op het niveau van de Franstalige en de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank. De respectievelijke voorzitters Paul Dhaeyer en Anouk Devenyns hebben de resultaten van het project uitvoerig beschreven.155 Opvallend en bijzonder constructief is de aanduiding van een rechter in ondernemingszaken in de inleidingskamer die als «vierde» rechter wordt toegevoegd om een minnelijke schikking tussen partijen te faciliteren, de «ster»-rio genaamd (voluit: ster-rechter in ondernemingszaken): «Tijdens de inleidingszitting is de «ster»-rio een facilitator die aanzet tot schikken door actief te luisteren, vragen te stellen, toelichting te verstrekken, partijen tot inzicht te brengen, te verhelderen.»156 De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel opteerde ook voor een vernieuwende aanpak in bouwzaken.157
59. De voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent (West- en Oost-Vlaanderen) Ann De Braekeleer wees ter gelegenheid van het hoger vermelde symposium van 5 juni 2025 op het Hof van Beroep Antwerpen op de absolute meerwaarde van de schikkingskamers binnen de ondernemingsrechtbanken. De schikkingskamer biedt de rechtzoekenden de kans om hun geschil op een constructieve en gezamenlijke manier aan te pakken. Zij wees erop dat wanneer conflicten escaleren, het vaak bijzonder moeilijk wordt om nog de weg naar dialoog en verzoening terug te vinden. Precies daar, zo onderstreepte zij, ligt de kracht van de schikkingskamers: zij bieden partijen een veilige ruimte om, onder begeleiding van een rechter opnieuw met elkaar in gesprek te gaan, wederzijds begrip te bevorderen en tot een gedragen oplossing te komen. Zij deed daarbij een warme oproep om deze aanpak verder te omarmen en structureel te verankeren binnen het gerechtelijk landschap.
IV. Uitgeleide: de fundamentele rol van de rechter en de bemiddelaar bij het zoeken naar een minnelijke oplossing
60. Bemiddeling en minnelijke schikking mogen niet beperkt worden tot het toepassen van enkele technieken die gericht zijn op het tot stand brengen van dialoog en onderhandeling. Bemiddeling en minnelijke schikking zijn veel meer dan dat. In de eerste plaats zal het belangrijk zijn bemiddeling en minnelijke oplossing te zien binnen het juiste ethische kader. Zowel de rechter als de bemiddelaar hebben in het streven naar minnelijke oplossingen voor een gerezen conflict een gelijkaardige opdracht. Ze moeten beiden oog hebben voor de gelijkheid van alle betrokkenen, hun autonomie respecteren, en in het bijzonder aandacht hebben voor hun kwetsbaarheid, onder meer en in het bijzonder moeten zij aandacht hebben voor de fundamentele ongelijkheid tussen de mensen als het om de «gave van het woord» gaat. De rechter en de bemiddelaar hebben in essentie tot taak de conflicterende partijen een ethisch kompas aan te reiken, partijen te helpen op weg naar het bemiddelingsgericht omgaan met elkaar. Dit veronderstelt wederzijdse erkenning en respect, oog hebben voor de noden en de belangen van de ander. Wederkerigheid is essentieel.
61. In bemiddeling en minnelijke schikking staat de mens centraal, en wordt het juridische kader overstegen. Een juist ethisch inzicht zal conflicterende partijen toelaten sneller hun interne tegenstellingen en hun respectievelijke standpunten te overstijgen. De mens moet streven naar een beter en gelukkiger leven voor iedereen binnen een democratische samenleving waar het recht en de rechtstaat ten dienste staan van de mens en het algemeen belang niet vergeten wordt. Die verantwoordelijkheid kan de mens niet van zich afschuiven. De mens kan zich niet wegsteken achter instellingen en dictaten van bovenaf. Meer rechtvaardigheid en billijkheid zullen in de eerste plaats door de mens zelf mogelijk gemaakt kunnen worden, onder meer door «bemiddelingsgericht» om te gaan met de ander, zodat conflicten vermeden of minnelijk opgelost kunnen worden, en in de tweede plaats door een beroep te doen op de rechtvaardige rechter die oordeelt in billijkheid. Verandering begint bij de mens zelf, door op een authentieke wijze te leven, met erkenning en respect voor de ander en voor de omgeving.158
1 Auteur van o.m. het boek Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 421 p.
2 J. Duss-von Werdt, Homo mediator. Geschichte und Menschenbild der Mediation, Stuttgart, Klett-Cotta, 2005.
3 J. Faget, Médiations: les ateliers silencieux de la démocratie, Toulouse, Erès 2015, heruitgave 2023, 45 e.v.
4 Bijvoorbeeld: de aanbeveling 98/257/CE betreffende de principes die van toepassing zijn op de organen die verantwoordelijk zijn voor de buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen (Pub. L 115 van 17. 4.1998), waarvan het toepassingsgebied werd uitgebreid in 2001; de aanbeveling R (1998) van de Raad van Europa betreffende de familiale bemiddeling; Aanbeveling R (2001) 9 betreffende de alternatieve geschillenbeslechting tussen administratieve overheden en privépersonen; Aanbeveling R (2002) over de bemiddeling in civiele zaken; het Groenboek COM/2002/0196 van de Europese commissie betreffende alternatieve wijzen van geschillenbeslechting op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht; de Europese deontologische code voor bemiddelaars van 2004; de Richtlijn 2008/52 van het Europees parlement betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken.
5 Zie art. 1723/1-1737 Ger.W.
6 Zie art. 1738-1747 Ger.W.
7 Deontologische code erkende bemiddelaars van 16 december 2020, Belgisch Staatsblad 29 april 2021, 41007; S. Brouwers, «Een nieuwe deontologische code voor bemiddelaars», RABG 2021/14, 1405 e.v.
8 https://fbc-cfm.be/.
9 Zie bv. N. Meersman en V. Steyvers, Echtscheiding door onderlinge toestemming. Handboek voor de scheidingsprofessional. Met meer dan 100 modelclausules, Herentals, Knops Publishing 2022, 502 p.
10 C. Peulvé, P. Van Leynseele en P. Jung, Médiation commerciale. Méthode. Stratégies. Outils, Parijs, Pearson 2022, 512 p.
11 D. De Marez en A. Vantomme, De geschillenregeling in de BV en de NV. Een handboek, Brugge, die Keure 2024, 119, nr. 157.
12 B. Tilleman en W. Van De Putte, Handboek geschillenregeling in vennootschappen, Antwerpen, Intersentia 2023, 52-56, nr. 50-52.
13 D. De Marez en A. Vantomme, De geschillenregeling in de BV en de NV. Een handboek, Brugge, die Keure 2024, 120, nr. 157, met verwijzing in voetnoot naar overvloedige rechtspraak.
14 G. Van den Borre, «Bemiddeling: waarom wel? Het toepassen van een bemiddelende aanpak», In foro 04/2013, 23-27.
15 G. Van den Borre, «Bemiddeling: waarom wel? Het toepassen van een bemiddelende aanpak», In foro 04/2013, 1 e.v.
16 Tom Wijnant, Bemiddeling in balans. Naar een optimaler gebruik en een optimalere werking van bemiddeling in België, in partnerschap met de advocatuur, Antwerpen-Gent-Cambridge, Intersentia 2021, 829 p.
17 Cass. fr. 1 februari 2023, nr. 21-25.02; geciteerd door S. Goldman, «Les modes alternatifs de règlement des conflits: médiation et arbitrage» in Vanham en Vanham, Les conflits entre actionnaires, Prévention et résolution. Développements récents, seminarie 30 maart 2023, 25, nr. 86, voetnoot 84.
18 Tom Wijnant, Bemiddeling in balans. Naar een optimaler gebruik en een optimalere werking van bemiddeling in België, in partnerschap met de advocatuur, Antwerpen-Gent-Cambridge, Intersentia 2021, 416, nr. 532.
19 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 63 e.v.
20 A.-L. Verbeke, Bemiddeling: een nieuwe taal voor een gepolariseerde wereld, Leuven, LeA Uitgevers 2024, 471 p.
21 B. Verschaffel, Van Hermes en Hestia. Over architectuur, A&S/books 2010, 109.
22 Infra, randnummer 53 e.v.
23 J. Faget, Médiations: les ateliers silencieux de la démocratie, Toulouse, Erès 2015, heruitgave 2023, 125.
24 J. Habermas, Droit et démocratie. Entre faits et normes, Parijs, Gallimard nrf essais, 1997, 159 (vertaling van het boek: Faktizität und Geltung. Beiträge zur Diskurstheorie des Rechts und des Demokratischen Rechtsstaats, Frankfurt am Main, Suhrkamp Verlag, 1992).
25 W. Meuwissen, «De buitengerechtelijke en gerechtelijke bemiddeling in fiscale zaken», RW 2023-24, 323-334.
26 Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2919, 247.
27 J. Faget, Médiations: les ateliers silencieux de la démocratie, Toulouse, Erès 2015, heruitgave 2023, 129.
28 F. De Meyer en B. Gayse, Bemiddeling in familiezaken, burgerlijke en handelszaken, sociale zaken, Roeselare, Roularta Books 2007, 301 p.; C. Peulvé, P. Van Leynseele en P. Jung, Médiation commerciale. Méthode. Stratégies. Outils, Parijs, Pearson 2022, 512 p.
29 P. Van Leynseele, «Médiation «facilitative» ou «évaluative»: devons-nous changer de point de vue?», Journal des tribunaux 2014, 609 e.v.
30 H. Melville, Moby Dick, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 282; in het Engels: «Is it not curious, that so vast a being as the whale should see the world through so small an eye, and hear the thunder through an ear which is smaller than a hare’s? But if his eyes were broad as the lens of Herschel’s great telescope; and his ears capacious as the porches of cathedrals; would that make him any longer of sight, or sharper of hearing? Not at all.- Why then do you try to «enlarge» your mind? Subtilize it.».
31 J. Faget, Médiations: les ateliers silencieux de la démocratie, Toulouse, Erès 2015, heruitgave 2023, 113 e.v.
32 Conseil Constitutionnel 6 juli 2018, nr. 2018-717/18, te vinden via https://www.conseil-constitutionnel.fr/decision/2018/2018717_718QPC.htm; F. Tulkens, «En France, la fraternité est un principe à valeur constitutionnelle», Journal des tribunaux 2018, 625 e.v.Chronique judiciaire, «La fraternité. D’un idéal commun à un droit fondamental», Journal des tribunaux, 2023, 650-655.
33 P. Spinosi, Menace sur l’Etat de droit, Parijs, Allary Editions, 2025, 178-179.
34 Chronique judiciaire, «La fraternité. D’un idéal commun à un droit fondamental», Journal des tribunaux, 2023, 650-655.
35 Zie de mededeling van de Commissie aan het Europees parlement, de raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een nieuw migratie- en asielpact, via https://eur-lex.europa.eu/resource.html?uri=cellar:85ff8b4f-ff13-11ea-b44f-01aa75ed71a1.0019.02/DOC_1enformat=PDF.
36 C. Parmentier, «Liberte Egalité Fraternité. La troisième suffit (Jules Renard, Journal)», Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 2024, 518-521.
37 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 36 e.v.
38 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 63 e.v.; 109 e.v.
39 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 10; 65.
40 J. Faget, Médiations: les ateliers silencieux de la démocratie, Toulouse, Erès 2015, heruitgave 2023, 124.
41 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 368.
42 A.-L. Verbeke, Bemiddeling: een nieuwe taal voor een gepolariseerde wereld, LeA Uitgevers 2024, 471 p.
43 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 33 e.v.
44 R. Descartes, Les passions de l’âme, Parijs, Vrin 2010, 213-214:«Art. 156 - Quelles sont les propriétés de la générosité et comment elle sert de remède contre tous les dérèglements des passions.Ceux qui sont généreux en cette façon, sont naturellement portés à faire de grandes choses, et toutefois à ne rien entreprendre dont ils ne se sentent capables; et parce qu’ils n’estiment rien de plus grand que de faire du bien aux autres hommes et de mépriser son propre intérêt, pour ce sujet ils sont toujours parfaitement courtois, affables et officieux envers un chacun. Et avec cela ils sont entièrement maîtres de leurs passions, particulièrement des désirs, de la jalousie et de l’envie, à cause qu’il n’y a aucune chose dont l’acquisition ne dépende pas d’eux qu’ils pensent valoir assez pour mériter d’être beaucoup souhaitée; et de la haine envers les hommes, à cause qu’ils les estiment tous; et de la peur, à cause que la confiance qu’ils ont en leur vertu les assure; et, enfin, de la colère, à cause que, n’estimant que fort peu toutes les choses qui dépendent d’autrui, jamais ils ne donnent tant d’avantage à leurs ennemis que de reconnaître qu’ils en sont offensés.».
45 Fragment 110 (ed. Lafuma); fragment 282 (ed. Brunschvicg).
46 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 85-87.
47 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 94-95.
48 J. Habermas, Entre naturalisme et religion. Les défis de la démocratie, Parijs, Gallimard NRF Essais, 2008, 160.
49 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 96-98; 387-414.
50 F. Dostojevski, De Gebroeders Karamazov, II, 5, hoofdstuk IV.
51 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 97.
52 E. Levinas, Totalité et infini. Essai sur l’extériorité, La Haye, Martinus Nijhoff 1961, 284 p.; later eveneens verschenen in Le livre de Poche.
53 J. Rawls, A Theory of Justice, 1999.
54 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, La Haye, Martinus Nijhoff 1974, 233 p.; later eveneens verschenen in Le livre de Poche.
55 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 186-187.
56 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 187.
57 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 189.
58 E. Levinas, Totalité et infini. Essai sur l’extériorité, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2018, 235-236.
59 E. Levinas, Totalité et infini. Essai sur l’extériorité, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2018, 236.
60 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 246; Totalité et infini, 233-236.
61 C. Pelluchon, Pour comprendre Levinas. Un philosophe pour notre temps, Parijs, Éditions du Seuil, Coll. La couleur des idées, 2020, 103-104.
62 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 253.
63 E. Levinas, Totalité et infini. Essai sur l’extériorité, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2018, 215.
64 E. Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Le livre de Poche, coll. Biblio essais, 2017, 156-205.
65 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 90-94; 375-386.
66 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 63 e.v.
67 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 66-79.
68 L. Anckaert, «De kleine goedheid zonder getuigen. Vassili Grossman en Emmanuel Levinas», Collationes 53 (2023) 233-250.
69 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 79-80.
70 P. Ricœur, «Le concept de responsabilité» in Le Juste 1, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 61-98.
71 P. Ricœur, Le Juste 1 en 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 290 p., 404 p.
72 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 121.
73 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 127.
74 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 137-166.
75 P. Ricœur, Temps et récit. 1. L’intrigue et le récit historique; 2. La configuration dans le récit de fiction; 3. Le temps raconté, éditions du Seuil, Essais Points, 406 + 300 +537 p.
76 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 428 p.
77 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 130-133.
78 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 30.
79 Zie ook: P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 140.
80 N. van den Haak, «Narrativiteit bij Paul Ricœur en Hannah Arendt», 86: te vinden via https://estheticatijdschrift.wp.hum.uu.nl/wp-content/uploads/sites/175/2014/09/Esthetica-2001-5.-Nel-van-den-Haak.pdf.
81 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 144.
82 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 146.
83 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 147.
84 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 149.
85 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 149.
86 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 149.
87 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 167-168.
88 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 169-170.
89 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 150.
90 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 132-133.
91 P. Ricœur, «Autonomie et vulnérabilité» in Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 134.
92 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 175.
93 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 174.
94 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 168-169.
95 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 175.
96 P. Ricœur, Temps et récit. 1. L’intrigue et le récit historique, éditions du Seuil, Essais Points, 105-162.
97 J. de Mul, «Het verhalende zelf. Over persoonlijke en narratieve identiteit» in M. Verkerk (red.), Filosofie, ethiek en praktijk, Liber amicorum voor Koo van der Wal, Rotterdam, Rotterdamse filosofische Studies, 2000, 201-215 (te vinden op https://www.demul.nl/en/texts/book-contributions/6269-het-verhalende-zelf-over-persoonlijke-en-narratieve-identiteit).
98 J. de Mul, «Het verhalende zelf. Over persoonlijke en narratieve identiteit», § 4, in M. Verkerk (red.) Filosofie, ethiek en praktijk, Liber amicorum voor Koo van der Wal, Rotterdam, Rotterdamse filosofische Studies, 2000, 201-215.
99 J. de Mul, «Het verhalende zelf. Over persoonlijke en narratieve identiteit», § 5, in M. Verkerk (red.), Filosofie, ethiek en praktijk, Liber amicorum voor Koo van der Wal, Rotterdam, Rotterdamse filosofische Studies, 2000, 201-215.
100 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 30.
101 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 199-344.
102 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 227: «Par institution, on entendra ici la structure du vivre-ensemble d’une communauté historique - peuple, nation, région, etc.».
103 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 332 e.v.
104 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 31.
105 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 349 e.v.
106 P. Ricœur, Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 43.
107 P. Ricœur, Soi-même comme un autre, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 1990, 428 p.
108 P. Ricœur, Le Juste 1 en 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 290 p., 404 p.
109 P. Ricœur, «L’acte de juger» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 243.
110 P. Ricœur, «L’acte de juger» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 247.
111 P. Ricœur, «L’acte de juger» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 250.
112 P. Ricœur, «L’acte de juger» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 251.
113 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 349-361.
114 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 334 e.v.
115 Enquête van 4 september tot 8 september 2023 door Kantar in opdracht van de weekbladen Knack en Le Vif, Knack 4 oktober 2023.
116 Zie ook: G.-A. Dal, «La politique contre le droit», Journal des tribunaux 2024, 1.
117 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 336.
118 https://hrj.be/admin/storage/hrj/vijfde-justitiebarometer-2024-synthese.pdf.
119 Zie de wet van 12 januari 2005 - Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.
120 Bijvoorbeeld: EHRM, 25 november 20114 (definitief 20 april 2015), nr. 64682/12 inzake Vasilescu t/ België.
121 P. Ricœur, «Sanction, réhabilitation, pardon» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 263.
122 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 259.
123 www.prisonstudies.org.
124 J. Lacroix, Les valeurs de l’Europe, un enjeu démocratique, Parijs, Collège de France 2024, 62-65.
125 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 360.
126 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 335 e.v.
127 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 348; zie ook: C. Landheer-Cieslak, «Paul Ricœur et l’éthique du jugement judiciaire: Quelles relations entre justice et sollicitude?», Revue Interdisciplinaire d’Etudes juridiques, 2012/1, 1-47.
128 P. Ricœur, Le Juste 2, Présentation inédite d’Antoine Garapon, Parijs, éditions du Seuil, Essais Points, 2022, 93.
129 P. Ricœur, «Le soi et la visée ethique» in Le Juste 1, Parijs, éditions du Seuil, Points Essais, 2022, 236; en daaraan wordt ook nog toegevoegd: «C’est peut-être là l’épreuve suprême de la sollicitude, que l’inégalité de puissance vienne à être compensée par une authentique réciprocité dans l’échange, ... (ibidem, 223); en ook nog: cet échange autorise à dire que je ne puis m’estimer moi-même sans estimer autrui comme moi-même. Comme moi-même signifie; toi aussi tu es capable de commencer quelque chose dans le monde, d’agir pour des raisons, de hiérarchiser tes préférences, d’estimer les buts de ton action, et ce faisant, de t’estimer toi-même comme je m’estime moi-même.» (ibidem, 226).
130 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 252-254.
131 J. Habermas, Over democratie, Amsterdam, Boom 2020, 237.
132 Zie bijvoorbeeld: B. Descamps, «(On)behoorlijk burgerschap in de ruimtelijke ordening», Nieuw Juridisch Weekblad, 2024, nr. 501, 414-420; Grondwettelijk Hof, arrest 11/04/2023, nr. 59/2023.
133 Grondwettelijk Hof 18/01/2012, arrest nr. 8/2012, met verwijzing naar de Cassatie-arresten van 9/12/1948 en 15/03/1968; W. Van Gerven en S. Lierman, Algemeen Deel - Veertig jaar later. Privaat- en publiekrecht in een meergelaagd kader van regelgeving, rechtsvorming en regeltoepassing, in de reeks Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer 2010, 113-114, nr. 42; inzake het faillissement: Cass., 17/09/2020, AR nr. C.19.0656F/2 in verband met artikel XX.99, eerste lid WER: de regels inzake de faillietverklaring zijn van openbare orde, JLMB 2020, 1746, met noot C. Parmentier.
134 De wet van 28 april 2022, Belgisch Staatsblad 01 juli 2022.
135 Bij wijze van voorbeeld: de Europese Taxonomieverordening nr. 2020/852, 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijzing van Verordening (EU) 2019/2088, Pb.L 22 juni 2020, afl. 198; European Council, A New Strategic Agenda 2019-2024; Europese Commissie, De Europese Green Deal, 11 december 2019, COM(2019)640.
136 United Nations, Transforming our world: The 2030 Agenda for Sustainable Development.
137 Lees: R. Houben, «Maatschappelijk verantwoord ondernemen», RW 2022-23, 21 januari 2023, 803-815; A. Van Hoe en G. Croisant (eds.), Recht en duurzaamheid - Bijdragen in het kader van de studiedag van 6 mei 2022 georganiseerd door het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht, Larcier-Intersentia 2022, 650 p.; C. Van der Elst en S. van den Bosch, «Duurzaamheid en duurzaamheidsrapportering», Nieuw Juridisch Weekblad 2023, nr. 490, 774-782; E. Van den Broele en T. Van Laere, «2024 wordt de grote doorbraak van ESG: transitie is een must voor elke onderneming», In foro 03/2023, 1-14 met heel wat interessante statistische gegevens. - ESG staat voor «Environment, Social & Governance».
138 L. Cornelis, Openbare orde, Liber amicis, Antwerpen, Intersentia 2019, 849 e.v.; 897 e.v.; o.a. nr. 5.341.
139 T. Piketty, Capital et idéologie, Parijs, Éditions du Seuil, 2019, 1113 e.v.: «La société juste est celle qui permet à l’ensemble de ses membres d’accéder aux biens fondamentaux les plus étendus possible. Parmi ces biens fondamentaux figurent notamment l’éducation, la santé, le droit de vote, et plus généralement la participation la plus complète de tous aux différentes formes de la vie sociale, culturelle, économique, les rapports de propriété et la répartition des revenus et des patrimoines, afin de permettre aux membres les moins favorisés de bénéficier des conditions d’existence les plus élevées possible.».
140 J. Tirole, Economie du bien commun, Parijs, Presses Universitaires de France, 2018, 643 p.
141 Parl.St. Kamer, Doc. 55 1903/001: In februari 2021 hebben zestig ondernemingen en federaties de federale regering een brief bezorgd met daarin het verzoek een nationaal juridisch kader uit te werken dat de ondernemingen ertoe verplicht hun verantwoordelijkheid op te nemen met betrekking tot de inachtneming van de mensenrechten en het milieu binnen hun bevoorradingsketens. In die oproep beklemtonen de ondertekenende bedrijven dat een dergelijke wetgeving stimuli zal geven, de inspanningen zal belonen en aldus de omstandigheden zal scheppen die eerlijke concurrentie tussen de ondernemingen mogelijk maken.Het regeerakkoord sluit een dergelijke nationale wet niet uit. Het stelt meer bepaald: «De regering engageert zich om actief en constructief deel te nemen aan de onderhandelingen over het toekomstig VN-Verdrag inzake Bedrijven en Mensenrechten. De regering zal een voortrekkersrol spelen in de uitwerking van een Europees wetgevend kader inzake zorgplicht. Waar mogelijk zal hiertoe een ondersteunend nationaal kader uitgewerkt worden.» Bovendien roept voormeld voorstel van resolutie dat op 14 januari 2021 door de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangenomen, de regering ertoe op «zich proactief te beraden over een nationaal kader met betrekking tot due diligence.».
142 K. Raes, Controversiële Rechtsfiguren. Rechtsfilosofische excursies over de relaties tussen ethiek en recht, Gent, Academia Press 2001, 458 p.
143 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 252.
144 J.-E. Schoettl, La démocratie au péril des prétoires. De l’état de droit au gouvernement des juges, Parijs, Gallimard 2022, 89.
145 Het art. 730/1 Ger.W. werd in die zin aangepast door de wet van 19 december 2023; Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 49.
146 Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2919/1, 242.
147 Art. 1734, § 1 Ger.W.
148 Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 51.
149 Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 49.
150 Art. 733/1 Ger.W; Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 51 en 151 (advies Raad van State); nr. 55-3552/002, 7.
151 Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 51.
152 F. Goister en I. Verougstraete, Minnelijke schikking. Een gids voor advocaten, magistraten en bemiddelaars, LeA Uitgevers 2025, 170 p.
153 B. Inghels en A. Dejollier, «Conciliation judiciaire et généralisation des chambres de règlement à l’amiable: une utopie devenue réalité!», Journal des tribunaux 2024, 142-153.
154 Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3552/001, 16-17.
155 P. Dhaeyer en A. Devenyns, «Voies alternatives aux tribunaux de l’entreprise de Bruxelles. Alternatieve mogelijkheden voor de Brusselse ondernemingsrechtbanken”, TBH 2022-9/10, 1079-1092.
156 P. Dhaeyer en A. Devenyns, «Voies alternatives aux tribunaux de l’entreprise de Bruxelles. Alternatieve mogelijkheden voor de Brusselse ondernemingsrechtbanken”, TBH 2022-9/10, 1089.
157 P. Dhaeyer en A. Devenyns, «Voies alternatives aux tribunaux de l’entreprise de Bruxelles. Alternatieve mogelijkheden voor de Brusselse ondernemingsrechtbanken”, TBH 2022-9/10, 1089_1090
158 J.J. De Smet, Rechtvaardigheid en billijkheid, LeA Uitgevers, 2024, 421 p.