Omschrijving
De stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel na de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen: eenheid in verscheidenheid – Deel 1
Jaargang
2026 - 2027 (90)
Pagina
42
Auteur(s)
W. Vandenbussche
Trefwoorden

CONSUMENTENRECHT

Bijkomende informatie

De stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel na de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen: eenheid in verscheidenheid - Deel 1

Prof. dr. Wannes VANDENBUSSCHE

Hoofddocent, Instituut voor Procesrecht, UGent

Advocaat

Gert-Jan HENDRIX

Advocaat

Deze bijdrage biedt een diepgaande analyse van de Belgische omzetting van Richtlijn (EU) 2020/1828 inzake representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten, bekend als de Richtlijn representatieve vorderingen, door de wet van 21 april 2024. Zij bespreekt eerst de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn en licht de structuur van Boek XVII WER na de omzetting toe. Vervolgens gaat zij in op de wijzigingen die zowel gelden voor de stakingsvordering als voor de rechtsvordering tot collectief herstel. Ten slotte komen de specifieke wijzigingen binnen elk van deze regimes aan bod.

I. Achtergrond

1. Beperkte procesbereidheid van consumenten - Uit de Eurobarometer van 2004 over toegang tot de rechter bleek dat de helft van Europese consumenten niet naar de rechter zou stappen voor een bedrag van minder dan 200 euro.1 De hoge kosten en inherente risico’s van de rechtspleging alsook het tijdsverloop alvorens een uitspraak kan worden bekomen, zouden ertoe leiden dat veel consumenten geen verhaal halen bij inbreuken op het Europese consumentenrecht.

2. Lange aanloop op EU-niveau - Die moeilijkheden voor consumenten om de door de EU-wetgever aan hen toegekende rechten ook daadwerkelijk af te dwingen, zijn al lang een oud zeer. Reeds in 1975 wees de Raad op de noodzaak om voor consumenten te voorzien in procedures die snel, afdoend en goedkoop zijn.2 In dat kader riep het Europees Parlement in een resolutie van 13 maart 1987 de Europese Commissie op om «een richtlijn voor te stellen betreffende de harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten ter bescherming van de collectieve belangen van de consumenten en hierbij de consumentenverenigingen de mogelijkheid te bieden zich partij te stellen in het belang van de categorie die zij vertegenwoordigen en van de individuele consument».3

De Unie zette een eerste paar voorzichtige stappen in de richting van een dergelijke mogelijkheid voor consumentenverenigingen om procedures in te stellen met Richtlijnen 84/450/EEG en 93/13/EEG, die vereisten dat lidstaten bepaalde organisaties met een rechtmatig belang zouden toelaten om op te treden tegen respectievelijk misleidende reclame en oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten.4 Dat rijtje werd later nog vervoegd door Richtlijn 98/27/EG,5 nadien vervangen door Richtlijn 2009/22/EG,6 op grond waarvan lidstaten verplicht werden het mogelijk te maken voor bepaalde organisaties om een stakingsvordering in te stellen tegen inbreuken op bepaalde regels van het Europees consumentenrecht.

3. Stroomversnelling sinds 2008 - Hoewel op basis van die richtlijnen bepaalde belangengroeperingen konden optreden om inbreuken op het Europees consumentenrecht te doen staken, konden zij echter geen schadeloosstelling krijgen voor getroffen consumenten. In een groenboek van 2008 merkte de Commissie het ontbreken van een dergelijk collectief verhaalmechanisme aan als een blijvende leemte in het Europese consumentenrecht.7 Een van de opties die zij naar voren schoof om daaraan tegemoet te komen, was om belangengroeperingen ook de mogelijkheid te geven om schadeloosstelling namens consumenten te bekomen.8

De Commissie gaf de lidstaten daartoe een voorzet door de publicatie in 2013 van een mededeling en een aanbeveling, die een reeks beginselen bevatten over hoe een mechanisme voor collectieve vorderingen zou kunnen functioneren in de lidstaten.9 Het mechanisme dat de Commissie naar voren schoof, was dat van de «representatieve vordering», d.i. een vordering tot schadevergoeding ingesteld door een vertegenwoordigende instantie namens een welbepaalde groep slachtoffers van eenzelfde inbreuk, die zelf geen partij zijn bij het geding.10

4. De Belgische rechtsvordering tot collectief herstel sinds 2014 - De Belgische wetgever ging reeds in 2014 op die aanbeveling in met de invoering van de rechtsvordering tot collectief herstel in Boek XVII WER.11 Die rechtsvordering tot collectief herstel volgde in grote lijnen de aanbevelingen van de Europese Commissie: zij maakte het mogelijk dat bepaalde belangenorganisaties namens een groep van consumenten schadevergoeding konden vorderen voor inbreuken op bepaalde normen van het Europees consumentenrecht, zonder dat de betrokken consumenten daarvoor voorafgaandelijk hun toestemming moesten geven.12

5. Verder evoluties binnen de EU - Op Europees vlak was de aanbeveling van de Commissie evenwel geen onverdeeld succes. Bij een studie uit 2018, waarin de Commissie naging in welke mate haar aanbeveling uit 2013 navolging had gekregen, bleek dat negen lidstaten nog steeds geen mechanisme voor collectieve vorderingen in hun nationale recht hadden.13 De Europese Commissie besloot daarom om middels een richtlijn de wetgevingen van de verschillende lidstaten op het gebied van collectief herstel gelijk te schakelen. Dat proces leidde uiteindelijk tot Richtlijn (EU) 2020/1828 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten (hierna: «Richtlijn Representatieve Vorderingen» of «Richtlijn»).14

6. Richtlijn Representatieve Vorderingen - Het systeem van collectief herstel dat de Richtlijn oplegt, ligt in het verlengde van de aanbevelingen die de Europese Commissie reeds in 2013 deed. Lidstaten zijn verplicht om een «representatieve vordering» mogelijk te maken in hun nationale recht, d.i. een vordering die namens een groep consumenten is ingesteld door een organisatie die hun belangen vertegenwoordigt, en dit zonder de voorafgaandelijke toestemming van die consumenten. Die organisatie (die de «bevoegde instantie» wordt genoemd) kan zowel staking als herstel vorderen bij inbreuken op een hele reeks regels van Europees consumentenrecht die in de bijlage bij de Richtlijn zijn opgesomd. Daarmee neemt de Richtlijn ook het toepassingsgebied over van Richtlijn 2009/22/EG met betrekking tot de stakingsvordering voor bepaalde inbreuken van het Europees recht. Die richtlijn werd bijgevolg ingetrokken.

7. Omzetting bij wet van 21 april 2024 - De Belgische wetgever zette de Richtlijn om bij wet van 21 april 2024, die in werking trad op 10 juni 2024.15 Die wet brengt geen omwenteling teweeg: in het Belgische recht bestond immers reeds zowel een stakingsvordering voor consumentenorganisaties wegens schendingen van het EU-recht, in omzetting van Richtlijn 98/27/EG en Richtlijn 2009/22/EG16, als een representatieve vordering tot schadevergoeding, namelijk de rechtsvordering tot collectief herstel, in navolging van de aanbeveling van de Commissie uit 201317. De grote lijnen van die twee vorderingen stemden reeds overeen met wat de Richtlijn voorschrijft, zodat het grootste deel van de Belgische regels ongewijzigd kon blijven.

Niettemin vereist de Richtlijn de aanpassing van de bestaande Belgische regels op bepaalde punten. Zo moet de representatieve vordering op grond van de Richtlijn beschikbaar zijn voor een groter aantal rechtsgronden dan eerder het geval was voor de Belgische stakingsvordering en rechtsvordering tot collectief herstel (zie infra, nr. 12). Ook voert de Richtlijn de verplichting in om een grensoverschrijdende representatieve vordering mogelijk te maken, waardoor belangenorganisaties uit een lidstaat die aan bepaalde voorwaarden voldoen, ook in een andere lidstaat een representatieve vordering kunnen instellen (zie infra, nr. 36). Die mogelijkheid bestond nog niet in die vorm in het Belgische recht, en moest bijgevolg nog omgezet worden.

Daarnaast heeft de Belgische wetgever van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele aanpassingen door te voeren aan de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel die niet vereist werden door de Richtlijn, maar waarvan uit de praktijk gebleken was dat zij nuttig konden zijn om de afhandeling van die vorderingen te stroomlijnen.18 De wetgever wilde bijvoorbeeld een oplossing bieden voor de lange duur van de ontvankelijkheidsfase bij de rechtsvordering tot collectief herstel, door die fase van rechtswege in korte debatten te laten behandelen (zie infra, nr. 73) en het aantal punten te beperken waarover in de ontvankelijkheidsfase geargumenteerd moet worden (zie infra, nrs. 76 en 78).

8. Opzet - Deze bijdrage beoogt een holistische analyse van de aanpassingen aan het Belgische wettelijke kader naar aanleiding van de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen. Terwijl de meeste andere publicaties zich voornamelijk focussen op de wijzigingen aan het regime van de rechtsvordering tot collectief herstel19, heeft deze tekst tot doel het volledige spectrum van veranderingen in kaart te brengen, met af en toe ook een blik over de grenzen. Daartoe wordt gestart met een algemene toelichting van de structuur van Boek XVII WER na de wet van 21 april 2024 (zie II). Aansluitend wordt stilgestaan bij vijf wijzigingen die gemeenschappelijk zijn aan beide regimes: een uitbreiding van het toepassingsgebied, de bevoegde instanties als vorderingsgerechtigden, de opdeling tussen twee types vorderingen, de toegenomen informatie- en kennisgevingsverplichtingen en de aangepaste regels over de schorsing van de verjaring (zie III). Vervolgens wordt ingegaan op de aanpassingen die specifiek gelden voor het regime van de vordering tot staking (zie IV) respectievelijk de rechtsvordering tot collectief herstel (zie V). Afgesloten wordt met een kort besluit (zie VI).

II. Structuur van Boek XVII na de wet van 21 april 2024

9. Principe - Het eindresultaat van de wet van 21 april 2024 is geen eenvormige rechtsvordering waarmee zowel de staking van een inbreuk als een schadevergoeding daarvoor verkregen kan worden. Wel heeft de wetgever een benadering gevolgd die hij als de «dubbele spiegel»-benadering aanmerkte.20 In wezen houdt die aanpak in dat de omzetting van de Richtlijn en de hervorming van de bestaande regels langs twee grote assen liepen, waarbij verschillen blijven bestaan tussen de twee zijden van elke as, maar beide zijden toch in de mate van het mogelijke gelijkgeschakeld worden.

10. De as staking/schadevergoeding - Een eerste as is de as staking/schadevergoeding. De stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel bestonden reeds als afzonderlijke rechtsfiguren in Boek XVII WER, achtereenvolgens in Titel 1 en Titel 2 daarvan. Titel 1 van Boek XVII WER bevatte een veelheid aan verschillende soorten stakingsvorderingen, die elk door andere partijen konden worden ingesteld, waaronder de gewone stakingsvordering voor schendingen van het WER (op grond van art. XVII.1 WER), de stakingsvordering van bepaalde bevoegde ministers (op grond van art. XVII.2 WER), de intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de beschermingen van collectieve consumentenbelangen (op grond van art. XVII.26 WER), die de omzetting vormde van Richtlijn 98/27/EG en Richtlijn 2009/22/EG, en verschillende andere stakingsvorderingen voor inbreuken op specifieke bepalingen van het WER (op grond van de artt. XVII.9-XVII.25 WER).

De wetgever heeft ervoor gekozen dat tweeledige stelsel te behouden, zodat de stakingsvordering en de vordering tot collectief herstel als afzonderlijke rechtsfiguren blijven voortbestaan. Hierdoor worden beide vorderingen elk nog door afzonderlijke regels beheerst, die uiteengezet blijven in Titel 1 (voor de stakingsvordering) en Titel 2 (voor de rechtsvordering tot collectief herstel) van Boek XVII WER. Die afzonderlijke behandeling wordt gerechtvaardigd door de verschillen in de procedurele afhandeling van beide vorderingen.21 De stakingsvordering wordt immers zoals in kortgeding behandeld, terwijl de rechtsvordering tot collectief herstel wordt behandeld in een bijzondere rechtspleging die uit verschillende fasen bestaat.

Aangezien de Richtlijn evenwel van één vordering uitgaat en bijgevolg op bepaalde punten voor zowel stakingsvorderingen als vorderingen tot collectief herstel dezelfde vereisten stelt, zijn er toch raakvlakken voor die twee vorderingen. Die raakvlakken heeft de wetgever tezamen voor beide vorderingen behandeld in een nieuwe voorafgaande titel in boek XVII. Daarin worden specifiek de bepalingen opgenomen met betrekking tot de partijen die beide vorderingen kunnen instellen. Ook het materieel toepassingsgebied is gelijkgeschakeld in artikel XVII.37 WER, dat weliswaar wat verloren staat in Titel 2 in plaats van in de voorafgaande titel.

In de veelheid aan stakingsvorderingen heeft de wetgever voor het overige niet gesnoeid, zij het dat er toch wat geschoven is in de structuur van Titel 1. Zo is hoofdstuk 6 van Titel 1, dat de intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de bescherming van collectieve consumentenbelangen bevatte, opgeheven. In plaats daarvan voegt de wet van 21 april 2024 twee nieuwe leden in artikel XVII.1/4 WER in, dat de hernummerde versie is van het oude artikel XVII.1 WER (de grondslag voor de gewone stakingsvordering voor inbreuken op het WER). Artikel XVII.1/4, eerste lid WER blijft de gewone stakingsvordering voor inbreuken op het WER bevatten. Het nieuwe tweede en derde lid van artikel XVII.1/4 WER bevatten nu achtereenvolgens de binnenlandse vordering tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo’s en de grensoverschrijdende vordering tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten.

De centralisatie van die drie rechtsgronden voor een stakingsvordering in artikel XVII.1/4 WER maakt dat de rechtspleging voor die drie stakingsvorderingen (alsook de stakingsvordering voor bepaalde bevoegde ministers op grond van art. XVII.2 WER) nu beheerst wordt door de gemeenschappelijke artikelen XVII.3 tot en met XVII.6/2 WER. Hierdoor verdwijnen enkele overlappende bepalingen, maar ook enkele inconsistenties.22 Zo kon de voorzitter onder het oude recht enkel bij de intracommunautaire stakingsvordering een rechtzetting bevelen, terwijl dit bij de gewone stakingsvordering ontbrak. Deze leemte werd nu verholpen door die mogelijkheid in artikel XVII.4 WER op te nemen (zie infra, nr. 67). In het licht van de opzet van deze bijdrage wordt verder enkel ingegaan op de binnenlandse en de grensoverschrijdende stakingsvorderingen uit artikel XVII.1/4, tweede en derde lid WER.

11. De as consumenten/kmo’s - Een tweede as waarlangs Boek XVII WER thans is opgezet, is de as consumenten/kmo’s. De Richtlijn heeft enkel betrekking op stakingsvorderingen en vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingesteld ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten.23 De Belgische wetgever maakte echter reeds in 2018 rechtsvorderingen tot collectief herstel mogelijk namens een groep van kmo’s.24 Ook de gewone stakingsvordering voor schendingen van het WER kon reeds worden ingesteld ter bescherming van de belangen van ondernemingen.25

De wetgever wilde de mogelijkheid om beide instrumenten te gebruiken ter bescherming van de belangen van kmo’s in de mate van het mogelijke bewaren.26 Bijgevolg blijven stakingsvorderingen en vorderingen tot collectief herstel mogelijk ter bescherming van de belangen van kmo’s, en dit onder dezelfde voorwaarden als vorderingen voor consumenten.

Niettemin zijn de regels voor vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en kmo’s niet volledig gelijkgeschakeld. Een dergelijke gelijkschakeling was in het bijzonder niet mogelijk voor grensoverschrijdende vorderingen (zie infra, nrs. 36 e.v.). De Richtlijn verplicht elke lidstaat om de instanties onder zijn eigen bevoegdheid aan te wijzen die een grensoverschrijdende vordering mogen instellen in een andere lidstaat, en om dergelijke aangewezen instanties toe te laten voor hun eigen rechtbanken grensoverschrijdende representatieve vorderingen in te stellen.27 Voor kmo’s bestaat een dergelijke wederzijdse erkenning evenwel niet. Bijgevolg kon de Belgische wetgever belangenorganisaties voor kmo’s niet machtigen om ook in een andere lidstaat een representatieve vordering in te stellen, noch kon hij de mogelijkheid toekennen aan in het buitenland erkende belangenorganisaties om een dergelijke vordering in België in te stellen. Niettemin heeft de Belgische wetgever toch gepoogd de regels met betrekking tot de houders van de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel ter bescherming van de collectieve belangen van kmo’s zoveel mogelijk te doen aansluiten bij de regels voor vorderingen die ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten worden ingesteld.28

III. Gemeenschappelijke wijzigingen aan beide regimes

A. Uitbreiding van het toepassingsgebied

12. Bepaald door (evoluerende) bijlage I bij Richtlijn - De Richtlijn vereist dat lidstaten een representatieve vordering mogelijk maken wegens inbreuken op een reeks bepalingen van Unierecht, die in bijlage I bij de Richtlijn zijn opgenomen.29 Die bijlage bevat thans 69 richtlijnen en verordeningen van voornamelijk consumentenrechtelijke aard, waaronder de regels rond productaansprakelijkheid, oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en oneerlijke marktpraktijken.30 Ook meer recente vernieuwingen op het vlak van consumentenbescherming, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming, de Digitalemarktenverordening, de Digitaledienstenverordening en de Dataverordening werden opgenomen in die bijlage.31 Die verordeningen dateren weliswaar van na de invoering van de Richtlijn, maar zij wijzigden elk de bijlage bij de Richtlijn om ook onder het toepassingsgebied te vallen. Daarmee mag duidelijk zijn dat die bijlage een evolutief gegeven is: naarmate nieuwe richtlijnen en verordeningen uitkomen die rechten toekennen aan consumenten, zal de Europese wetgever de bijlage wellicht uitbreiden teneinde de bescherming van die rechten door middel van een representatieve vordering te waarborgen.

Hoe uitgebreid zij ook mag wezen, bijlage I bij de Richtlijn is niet alomvattend: in de rechtsleer is al wat kritiek gerezen met betrekking tot de keuze van de richtlijnen en verordeningen die daarin zijn opgenomen of weggelaten. Zo wordt erop gewezen dat hoewel de voornaamste instrumenten van het Europees kapitaalmarktrecht in de bijlage zijn opgenomen (zoals de MiFID- en ICBE-richtlijnen en de prospectus- en PRIIPS-verordeningen)32, andere belangrijke instrumenten zoals de Transparantierichtlijn en de Verordening Marktmisbruik ontbreken.33 Ook wordt de afwezigheid van het mededingingsrecht (in de vorm van onder meer artt. 101 en 102 VWEU) en de Emissieverordening als een leemte aangemerkt.34

13. In lijn met reeds bestaande praktijk - Een dergelijke beperking van de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel tot inbreuken op specifieke wetsbepalingen is niet nieuw naar Belgisch recht. Voorheen konden ook de gewone stakingsvordering op grond van artikel XVII.1 WER en de intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de bescherming van consumentenbelangen op grond van artikel XVII.26 WER enkel worden ingesteld op grond van schendingen van een reeks wetsbepalingen die in die artikelen opgenomen waren. De rechtsvordering tot collectief herstel kon van haar kant op grond van artikel XVII.36, 2° WER enkel worden ingesteld voor een inbreuk door een onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de Europese verordeningen of de wetten bedoeld in artikel XVII.37 WER of een van hun uitvoeringsbesluiten.35

14. Streven naar volledige gelijkschakeling - De wetgever heeft besloten om het materiële toepassingsgebied van de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel gelijk te schakelen op grond van het bestaande artikel XVII.37 WER, dat reeds in grote mate overeenstemde met de lijst in bijlage I bij de Richtlijn. Artikel XVII.36, 2° WER, dat het materiële toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel bepaalt, blijft daarom ongewijzigd. Artikel XVII.1/4, tweede respectievelijk derde lid WER bepalen thans dat de staking kan worden bevolen «van elke handeling die strijdig is met de bepalingen bedoeld in artikel XVII.37».

Hoewel het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was «het materiële toepassingsgebied van de stakingsvordering volledig af te stemmen op dat van de rechtsvordering tot collectief herstel»,36 lijkt de wetgever daarbij toch één punt over het hoofd te hebben gezien. Het materiële toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel wordt immers bepaald door artikel XVII.36, 2° WER. Die bepaling verwijst niet enkel naar artikel XVII.37 WER, maar ook ruimer naar «een mogelijke inbreuk door de onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de Europese verordeningen of de wetten bedoeld in artikel XVII. 37 of op een van hun uitvoeringsbesluiten». Artikel XVII.1/4, tweede en derde lid, WER verwijzen daarentegen enkel naar een strijdigheid «met de bepalingen bedoeld in artikel XVII.37». Daardoor is het materiële toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel aanzienlijk ruimer dan dat van de stakingsvordering ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten. Een rechtsvordering tot collectief herstel kan immers ook worden ingesteld op grond van een inbreuk door een onderneming van een contractuele verplichting, terwijl dit voor de stakingsvordering niet mogelijk is.

15. Wijzigingen aan stakingsvordering - De stakingsvordering krijgt overigens een ander materieel toepassingsgebied dan voorheen het geval was. De intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de bescherming van collectieve consumentenbelangen was vroeger mogelijk voor inbreuken op eender welke bepaling van het WER of een uitvoeringsbesluit ervan. Na de omzetting van de Richtlijn is het toepassingsgebied van de stakingsvordering nu echter beperkt tot “elke handeling die strijdig is met de bepalingen bedoeld in artikel XVII.37”. Artikel XVII.37 WER verwijst weliswaar naar een groot deel van het WER (waaronder Boeken IV en VI over de bescherming van de mededinging en de marktpraktijken en consumentenbescherming), maar niet naar alle boeken. Hierdoor lijkt het op het eerste zicht dat het toepassingsgebied van de intracommunautaire stakingsvordering beperkter is geworden. In de praktijk zal dit wellicht weinig problemen opleveren, doordat artikelen VI.93 en VI.104 WER wel in artikel XVII.37 WER zijn opgenomen. Die artikelen bevatten de algemene verboden op oneerlijke handels- of marktpraktijken jegens zowel consumenten als andere ondernemingen. Aangezien een inbreuk op een wettelijke of reglementaire bepaling in beginsel ook gezien wordt als een daad die in strijd is met die eerlijke handels- of marktpraktijken, zal een schending van bepalingen die niet in artikel XVII.37 WER zijn opgenomen, wellicht toch via die omweg daaronder gebracht kunnen worden.37

16. Wijzigingen aan rechtsvordering tot collectief herstel - Daarnaast onderging ook de draagwijdte van de rechtsvordering tot collectief herstel enkele wijzigingen. De draagwijdte van artikel XVII.37 WER stemde niet volledig overeen met die van bijlage I bij de Richtlijn. Zo verwees artikel XVII.37 WER bijvoorbeeld nog niet naar de verschillende instrumenten van het Europees kapitaalmarktrecht die in bijlage I bij de Richtlijn zijn opgenomen, of verschillende van de instrumenten met betrekking tot het energie- en mediarecht die daarin zijn opgenomen.

De wetgever heeft evenwel besloten om de (omzettingsbepalingen in het kader van) de richtlijnen en verordeningen die nog niet in artikel XVII.37 WER waren opgenomen, niet exhaustief in artikel XVII.37 WER op te nemen. In plaats daarvan voegt de wet van 21 april 2024 een nieuw punt 34° aan artikel XVII.37 WER toe, dat algemeen verwijst naar de bepalingen opgesomd in bijlage I bij de Richtlijn. Die keuze wordt door twee redenen gerechtvaardigd.38 Enerzijds is de lijst in bijlage I bij de Richtlijn een evolutief gegeven, en zal zij bijgevolg in de toekomst nog aangevuld worden (zie supra, nr. 12). Het lijkt weinig praktisch dat de wetgever voortdurend artikel XVII.37 zou moeten aanvullen.39 Eenzelfde probleem rijst overigens met bijlage I bij de Richtlijn zelf: zo werd Richtlijn 2009/72/EG (die opgenomen is als punt 24 in bijlage I) intussen ingetrokken en vervangen door Richtlijn (EU) 2019/944, maar werd de verwijzing daarnaar nog niet aangepast. Anderzijds zijn verschillende van de richtlijnen die in bijlage I bij de Richtlijn zijn opgenomen omgezet in een uiteenlopende reeks normen van Belgisch recht, en dit op verschillende niveaus. Een poging tot exhaustieve opsomming daarvan loopt steeds het risico niet volledig te zijn.40 België staat ook niet alleen in die keuze om enkel te verwijzen naar bijlage I bij de richtlijn bij het omschrijven van het toepassingsgebied van een representatieve vordering. Ook de Luxemburgse wetgever stond eenzelfde keuze voor bij zijn omzetting van de Richtlijn.41

De Belgische wetgever is ook verder gegaan dan het louter uitbreiden van artikel XVII.37 WER met de bepalingen opgenomen in bijlage I bij de Richtlijn.42 Er zijn daarnaast ook nog enkele instrumenten aan toegevoegd die hoofdzakelijk relevant zijn voor vorderingen ingesteld ter bescherming van de collectieve belangen van kmo’s.43 Het gaat dan onder meer om Boek X WER over de handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten, verkoopconcessies en vervoersovereenkomsten, en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand in handelszaken. Die bepalingen worden toegevoegd om het systeem nuttiger te maken voor kmo’s.44 Dit gegeven dient wel genuanceerd te worden: de rechtsvordering tot collectief herstel was reeds mogelijk voor inbreuken op contractuele verplichtingen door een onderneming.45 Die verwijzing naar contractuele verplichtingen van een onderneming werd in de rechtspraak ruim ingevuld, zodat ook wetsbepalingen uit het overeenkomstenrecht geacht werden daaronder te vallen.46 Die toevoegingen zullen echter wel nuttig zijn voor de stakingsvordering, die niet mogelijk is wegens de schending van contractuele verbintenissen (zie supra, nr. 14).

B. Bevoegde instanties

1° Achtergrond van de wijzigingen

17. De notie bevoegde instanties - De Richtlijn vereist dat lidstaten het mogelijk maken dat representatieve vorderingen worden ingesteld door zogenaamde «bevoegde instanties».47 Dit zijn organisaties of overheidsinstanties die de belangen van consumenten vertegenwoordigen en die door een lidstaat zijn aangewezen als bevoegd om representatieve vorderingen in te stellen.48

18. Verankering van reeds bestaande praktijk - De beperking van de toegang tot de representatieve vordering tot bepaalde belangenorganisaties of overheidsinstanties bouwt verder op de gelijkaardige aanpak die Richtlijn 2009/22/EG met betrekking tot de intracommunautaire stakingsvordering reeds volgde. Ook stakingsvorderingen op grond van die richtlijn konden enkel worden ingesteld door bevoegde instanties.49 Meer bepaald konden die stakingsvorderingen enkel worden ingesteld door bevoegde instanties die in andere lidstaten waren erkend en die op de lijst van dergelijke entiteiten van de Europese Commissie voorkwamen, of door een Belgische consumentenvereniging die ofwel vertegenwoordigd was in de bijzondere raadgevende commissie Verbruik, ofwel erkend was door de minister.50

Hoewel de notie «bevoegde instantie» niet gehanteerd werd, gold voor de omzetting van de Richtlijn ook naar Belgisch recht al dat de rechtsvordering tot collectief herstel enkel kon worden ingesteld door een beperkt aantal mogelijke groepsvertegenwoordigers, die in artikel XVII.39 WER waren opgesomd. Die beperking vertrok vanuit een gelijkaardige overweging als Richtlijn 2009/22/EG, met name dat consumentenverenigingen als «ideologisch gemotiveerde eiser» het best geplaatst waren om dergelijke vorderingen in te stellen.51 Daaronder vielen aanvankelijk de consumentenverenigingen die vertegenwoordigd zijn in de Raad voor het Verbruik, de consumentenverenigingen die aan bepaalde voorwaarden voldeden en erkend waren door de minister, en de Consumentenombudsdienst, doch enkel met het oog op het vertegenwoordigen van de groep in de fase van de onderhandeling van een akkoord tot collectief herstel.52 In een arrest van 17 maart 2016 oordeelde het Grondwettelijk Hof evenwel dat het toenmalige artikel XVII.39 WER de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Dienstenrichtlijn, schond in de mate dat die bepaling er niet in voorzag dat vertegenwoordigende instanties uit andere lidstaten EU en van EER konden optreden als groepsvertegenwoordiger.53 Daarom voegde de wet van 18 april 2017 ook nog instanties uit andere lidstaten toe aan die lijst mits zij voldeden aan bepaalde voorwaarden.54 Na de uitbreiding van de vordering tot collectief herstel tot kmo’s bij wet van 30 maart 2018 werden daar ook nog gelijkwaardige tegenhangers voor kmo’s aan toegevoegd, en meer bepaald de interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van de kmo’s die zetelen in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO of door de minister erkend zijn, verenigingen ter verdediging van de belangen van kmo’s die aan bepaalde voorwaarden voldoen en door de minister erkend zijn, en instanties uit andere lidstaten die voldoen aan bepaalde voorwaarden.55

19. Grotere sturing vanuit de EU - De grote vernieuwing van de Richtlijn Representatieve Vorderingen is dat zij de beslissingsmarge van de lidstaten om te bepalen welke organisaties in aanmerking komen als bevoegde instanties, nu veel meer aan banden legt. De lidstaten kunnen weliswaar in beginsel nog vrij kiezen welke organisaties als bevoegde instantie kunnen optreden voor binnenlandse vorderingen.56 Niettemin moeten op grond van artikel 4.2 van de Richtlijn minstens consumentenorganisaties een dergelijke bevoegde instantie voor binnenlandse vorderingen zijn. Verder moeten op grond van artikel 4.4 van de Richtlijn de voorwaarden die de lidstaat hanteert, stroken met de doelstellingen van de Richtlijn.

Wat de bevoegde instanties voor grensoverschrijdende vorderingen betreft, legt artikel 4.3 van de Richtlijn zelf de voorwaarden vast op grond waarvan een erkenning moet gebeuren. De Europese wetgever heeft die voorwaarden zelf vastgelegd, zodat zij in de gehele Unie dezelfde zijn.57 Dit voorkomt dat organisaties opgericht zouden worden in lidstaten met minder strenge voorwaarden, en zorgt ervoor dat alle lidstaten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van bevoegde instanties uit andere lidstaten.

20. Omzetting via de «dubbele spiegel»-benadering - Om tegemoet te komen aan de erkenningsvereisten voor bevoegde instanties die de Richtlijn oplegt, heeft de wetgever het personele toepassingsgebied voor zowel de stakingsvordering als de rechtsvordering tot collectief herstel grondig gewijzigd. Daarbij heeft hij de «dubbele spiegel»-benadering gevolgd. Daardoor blijven er verschillen bestaan enerzijds tussen de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel en anderzijds tussen de vorderingen die kunnen worden ingesteld ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en die van kmo’s. Niettemin zijn beide stelsels steeds zoveel als mogelijk gelijkgeschakeld.58

Wat de as stakingsvordering/rechtsvordering tot collectief herstel betreft, wordt het personele toepassingsgebied van beide vorderingen grotendeels bepaald door de nieuwe begrippen «bevoegde instantie Consumenten» en «bevoegde instantie kmo’s». Welke entiteiten een bevoegde instantie Consumenten of kmo’s zijn, wordt uiteengezet in een nieuwe voorafgaande titel in Boek XVII, en is bijgevolg identiek voor de stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel.

Maar er zijn daarnaast ook nog verschillen tussen de personele toepassingsgebieden van de beide types vorderingen. Zo laat de wetgever ook andere vorderingsgerechtigden toe die geen bevoegde instanties zijn. Enerzijds kan, naast een bevoegde instantie Consumenten of kmo’s, de rechtsvordering tot collectief herstel ook worden ingesteld door de Consumentenombudsdienst (zie infra, nr. 87), hetgeen niet het geval is voor de stakingsvordering. Anderzijds kan de stakingsvordering ook worden ingesteld door de minister of de directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie, hetgeen dan weer niet het geval is voor de rechtsvordering tot collectief herstel (zie infra, nr. 43 en 47).

Wat de as consumenten/kmo’s betreft, bestaan er dus twee onderscheiden types bevoegde instanties, waarbij een bevoegde instantie Consumenten vorderingen kan instellen ter bescherming van de collectieve belangen van een groep consumenten, en een bevoegde instantie kmo’s vorderingen kan instellen ter bescherming van de collectieve belangen van een groep kmo’s. De erkenningsvoorwaarden voor beide types bevoegde instanties zijn wel grotendeels gelijklopend.

Tot slot heeft de wetgever ook een gelijkschakeling nagestreefd tussen de bevoegde instanties voor grensoverschrijdende vorderingen en die voor binnenlandse vorderingen.59 Hoewel de Richtlijn toelaat dat een lidstaat andere entiteiten bevoegd maakt voor een dergelijke vordering, heeft de Belgische wetgever één enkele erkenningsprocedure ingevoerd, waardoor een entiteit die als bevoegde instantie wordt erkend, steeds zowel binnenlandse als grensoverschrijdende representatieve vorderingen kan instellen.60

2° Entiteiten die als bevoegde instantie kunnen worden aangesteld

21. Principe - De erkenning als bevoegde instantie wordt volledig geregeld door artikel XVII.1 WER, dat in wezen vier soorten bevoegde instanties onderscheidt.

a Door de minister erkende bevoegde instanties

22. Enkel rechtspersonen - Ten eerste kunnen rechtspersonen als bevoegde instantie Consumenten of kmo’s worden erkend door de minister, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Afhankelijk van de bevoegdheidsverdeling binnen de regering is dit voor de bevoegde instantie Consumenten de minister voor Economie en/of Consumentenbescherming61 en voor de bevoegde instantie kmo’s de minister voor Middenstand.62 Zowel een bevoegde instantie Consumenten (art. XVII.1, § 1 WER) als een bevoegde instantie kmo’s (art. XVII.1, § 4 WER) kan op deze wijze door de bevoegde minister erkend worden. In beide gevallen kan enkel een rechtspersoon erkend worden als bevoegde instantie - een natuurlijk persoon kan nooit erkend worden als bevoegde instantie.

23. Zes verdere criteria - Er zijn in totaal zes voorwaarden waaraan een rechtspersoon moet voldoen om de erkenning van de minister te verkrijgen. Die voorwaarden zijn voor de bevoegde instantie Consumenten zo goed als woordelijk overgenomen uit de Richtlijn. Voor de erkenning als bevoegde instantie kmo’s zijn de voorwaarden gelijklopend, maar zij slaan mutatis mutandis op kmo’s. De erkenningsvoorwaarden zijn de volgende:

- Het moet gaan om een rechtspersoon die is opgericht naar Belgisch recht en die kan aantonen dat hij vóór zijn verzoek tot erkenning twaalf maanden daadwerkelijk openbaar actief geweest is op het gebied van de bescherming van consumentenbelangen (voor de bevoegde instantie Consumenten) of van kmo’s (voor de bevoegde instantie kmo’s).

Deze voorwaarde geeft onder meer het herkomstbeginsel weer dat in artikel 4.3 van de Richtlijn is neergelegd, en op grond waarvan rechtspersonen enkel in hun eigen lidstaat de erkenningsprocedure als bevoegde instantie kunnen doorlopen. Dit houdt ook in dat een niet-Europese rechtspersoon in beginsel niet erkend kan worden als bevoegde instantie. Daarnaast dient de verzoeker twaalf maanden daadwerkelijk en openbaar actief geweest te zijn op het gebied van de beschermingen van de belangen van Consumenten of kmo’s. Dit zal een feitelijke beoordeling van de minister vergen, maar houdt minstens in dat de rechtspersoon activiteiten of communicaties heeft gevoerd met betrekking tot de bescherming van de belangen van consumenten of kmo’s en dat hij dit openbaar heeft gemaakt. Een groepering die slechts achter gesloten deuren, zonder in de openbaarheid te treden, activiteiten heeft gehad, zal dus niet aan deze voorwaarde voldoen.

- Uit het statutair doel van de rechtspersoon moet blijken dat hij een rechtmatig belang heeft bij de bescherming van consumentenbelangen zoals bepaald in de Europese richtlijnen en verordeningen waar artikel XVII.37, 34°, naar verwijst (voor bevoegde instanties Consumenten) of van de belangen van kmo’s (voor bevoegde instanties kmo’s).

Wat deze voorwaarde betreft, wijken de voorwaarden voor de bevoegde instanties Consumenten en kmo’s het meeste van elkaar af. Voor erkenning als een bevoegde instantie Consumenten is immers vereist dat de rechtspersoon een statutair doel heeft op grond waarvan hij een rechtmatig belang heeft specifiek bij de bescherming van consumentenbelangen die beschermd worden door de Europese richtlijnen en verordeningen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Richtlijn. Richt het statutair doel van de rechtspersoon zich eerder op de verdediging van de belangen van consumenten andere dan die welke beschermd zijn door die verordeningen en richtlijnen, dan is een erkenning dus niet mogelijk. Voor erkenning als een bevoegde instantie kmo’s volstaat daarentegen dat het statutair doel van de rechtspersoon verband houdt met eender welke belangen van kmo’s. Dat verschil wordt verklaard door het gegeven dat er voor kmo’s geen gelijkwaardige lijst is als bijlage I bij de Richtlijn. De lijst van reeds erkende bevoegde instanties suggereert dat het gaat om sectorgebonden verenigingen (bijvoorbeeld in de zelfstandige voedingsdistributie) die de collectieve belangen van kmo’s behartigen.63 Verenigingen die zich daarentegen statutair richten op grote beursvennootschappen of op een algemeen publiek zonder specifieke kmo-focus, zouden daarentegen niet aan dit criterium kunnen voldoen

- De rechtspersoon heeft geen winstoogmerk. Deze voorwaarde kadert binnen de bezorgdheid van de Europese wetgever dat de representatieve vordering geen bron van winst mag vormen voor de bevoegde instantie. In wezen kunnen bijgevolg enkel vzw’s of ivzw’s als bevoegde instantie worden erkend. Een privaat vehikel met aandeelhouders dat via dividenden mee wil profiteren van een collectieve schadevordering, is dan ook ondenkbaar als bevoegde instantie.

- De rechtspersoon is niet verwikkeld in een insolventieprocedure en is niet insolvent verklaard. Deze voorwaarde beschermt zowel de mogelijke verweerder als de consumenten of kmo’s wier belangen de rechtspersoon zal behartigen. In geval van insolventie zal de rechtspersoon immers allicht niet over voldoende financiële middelen beschikken om een vordering tot een goed einde te brengen. Het begrip «insolventieprocedure» is ruimer dan louter een faillissement, en moet wellicht begrepen worden in de zin van Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures.64 Op grond van bijlage A bij die verordening is niet enkel het faillissement naar Belgisch recht een insolventieprocedure, maar ook de verschillende vormen van gerechtelijke reorganisatie, de vrijwillige en gerechtelijke vereffening en de voorlopige ontneming van beheer. Uit de website van de FOD Economie blijkt hoe de financiële gezondheid concreet wordt getoetst: bij consumenteninstanties via recente jaarrekeningen65, en bij kmo-erkenningen via een bewijs van afwezigheid van insolventie, bijvoorbeeld aan de hand van jaarrekeningen, een accountantsattest of een verklaring van de ondernemingsrechtbank.66

- De rechtspersoon moet onafhankelijk zijn en mag niet beïnvloed worden door personen die geen consumenten zijn, met name ondernemingen (voor de bevoegde instantie Consumenten) of door personen andere dan de mogelijke groepsleden (voor de bevoegde instantie kmo’s), die een economisch belang hebben bij het instellen van een collectieve vordering tot staking overeenkomstig titel 1 en/of een rechtsvordering tot collectief herstel overeenkomstig titel 2, onder meer in geval van financiering door derden. Hij moet daartoe beschikken over procedures die een dergelijke beïnvloeding voorkomen en die belangenconflicten tussen zijn eigen belangen, die van zijn financiers en de consumentenbelangen (voor de bevoegde instanties Consumenten) of de mogelijke groepsleden (voor de bevoegde instanties kmo’s) voorkomen (zie infra, nr. 86 e.v.).

- De rechtspersoon moet in duidelijke en begrijpelijke taal, via passende middelen, in het bijzonder op zijn website, informatie openbaar maken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de andere voorwaarden, alsmede informatie over zijn financieringsbronnen in het algemeen, zijn organisatie-, bestuurs- en lidmaatschapsstructuur, zijn statutair doel en zijn activiteiten.

Het doel van deze voorwaarde is transparantie te creëren ten aanzien van niet alleen de minister (die in beginsel toch deze informatie moet krijgen in het kader van de erkenningsaanvraag), maar ook ten aanzien van de rechtbank, de verweerder en de (mogelijke) groepsleden, naargelang het geval. De rechtbank zal immers lopende het geding moeten kunnen nagaan of de erkenningsvoorwaarden nog steeds nageleefd worden. Het zal in beginsel aan de verweerder zijn om daaromtrent argumenten aan te reiken, waarvoor hij de nodige informatie zal moeten kunnen bekomen op de website van de bevoegde instantie. Ook de consumenten of kmo’s wier belangen de bevoegde instantie wil behartigen, hebben er mogelijk belang bij na te kunnen gaan of die instantie aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet. Groepsleden die in het kader van een rechtsvordering tot collectief herstel in een groep willen stappen om herstel te bekomen, kunnen bijvoorbeeld hun beslissing mede schragen op het gegeven dat de groepsvertegenwoordiger hen gedegen lijkt en het door die groepsvertegenwoordiger verkregen herstel bijgevolg wellicht ook afdoende is.

24. Erkenning voor onbepaalde duur maar met controle door de minister - Zodra zij is toegekend, is de erkenning in beginsel voor onbeperkte duur geldig.67 Desalniettemin is de minister verplicht om op bepaalde ogenblikken te onderzoeken of de bevoegde instantie nog steeds aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet.68 Die voorwaarden zijn immers geen statisch gegeven - een rechtspersoon kan ook naderhand nog insolvabel worden of kan zijn onafhankelijkheid verliezen doordat bestaande procedures om belangenconflicten te voorkomen, worden afgeschaft of niet worden nageleefd. Bij elk onderzoek dient de minister bijgevolg het naleven van elk van de erkenningsvoorwaarden opnieuw volledig na te gaan. Een onderzoek van de minister kan op vier wijzen worden aangevat:

- De minister kan zelf op eender welk ogenblik beslissen om een onderzoek te openen (art. XVII.1/1, §§ 1 en 2 WER). Hij kan daar bijvoorbeeld toe beslissen wanneer er berichten in de pers zijn met betrekking tot een bevoegde instantie, of gewoon bij wege van onaangekondigde controle teneinde de doorlopende naleving van die voorwaarden te waarborgen.

- De minister is verplicht een onderzoek aan te vangen indien de rechter tijdens de rechtspleging vaststelt dat de bevoegde instantie niet meer aan de erkenningscriteria voldoet (art. XVII.1/1, § 1, 1° en § 2, 1° WER). De verweerder heeft immers te allen tijde het recht om daarover twijfels te uiten (zie infra, nr. 25).69

- De minister is tevens verplicht een onderzoek aan te vangen wanneer hij een bericht ontvangt van de Europese Commissie of een lidstaat van de EU of de EEA dat die eraan twijfelt of de betrokken bevoegde instantie voldoet aan de erkenningsvoorwaarden (art. XVII.1/1, § 1, 2° WER). Dergelijke twijfels zullen voornamelijk betrekking hebben op de situatie waarin de bevoegde instantie in het buitenland een grensoverschrijdende representatieve vordering instelt. Aangezien bevoegde instanties kmo’s geen dergelijke grensoverschrijdende representatieve vorderingen kunnen instellen, geldt dit punt niet voor hen.

- Tot slot is de minister in elk geval verplicht om minstens binnen een termijn van vijf jaar na de erkenning of het laatste onderzoek naar de naleving van de voorwaarden daarvan een onderzoek te voeren (art. XVII.1/1, § 1, 3° en § 2, 2° WER). Die vereiste zorgt ervoor dat er zeker een regelmatig toezicht is op de naleving van die voorwaarden.

25. Nog steeds controlemogelijkheid door rechter - Onder het vroegere regime van de rechtsvordering tot collectief herstel diende de rechter tijdens de ontvankelijkheidsfase na te gaan of de verhoopte groepsvertegenwoordiger «geschikt» was.70 Daarbij ging de rechter een hele reeks feitelijke criteria na om te bepalen of een verhoopte groepsvertegenwoordiger de rechtsvordering tot collectief herstel wel naar behoren zou behartigen.71 Die geschiktheidstoets gaf aanleiding tot lange debatten in de ontvankelijkheidsfase, die de afhandeling van die fase vertraagden.72 Gezien de erkenningsprocedure voor de minister de voorwaarden waaraan een bevoegde instantie moet voldoen, nu formaliseert en in beginsel voorafgaandelijk laat plaatsvinden, heeft de wetgever de geschiktheidstoets geschrapt.73 Dit wil evenwel niet zeggen dat de rechter nooit meer over die erkenningsvoorwaarden zal hoeven te oordelen.74 Volgens artikel 5.4 van de Richtlijn moet de verweerder het recht hebben om bij de rechtbank gerechtvaardigde twijfels te uiten over de naleving door een bevoegde instantie van de erkenningscriteria.75 De rechter hoeft bijgevolg niet steeds alle erkenningsvoorwaarden opnieuw te onderzoeken, maar enkel die waarover de verweerder twijfels uit. Indien na onderzoek door de rechter blijkt dat de bevoegde instantie toch niet (meer) aan alle erkenningsvoorwaarden zou voldoen, dan moet de rechter de vordering onontvankelijk kunnen verklaren. Zij is dan immers niet ingesteld door een verzoeker die voldoet aan de voorwaarden om de vordering in te stellen.76

26. Bewijs van erkenning als bevoegde instantie - De erkenning als bevoegde instantie kan bewezen worden aan de hand van het ministerieel besluit waarbij die erkenning wordt toegekend. Artikel XVII.1/2 WER bepaalt daarenboven dat de FOD Economie een lijst van de bevoegde instanties die in België zijn erkend, op zijn website bekend moet maken. Die lijst heeft evenwel geen bewijswaarde. Het is enkel het ministerieel besluit dat, zolang het niet is ingetrokken, de erkenning bewijst.

Anders is het evenwel voor bevoegde instanties Consumenten die een grensoverschrijdende representatieve vordering willen instellen. Om in het buitenland de erkenning als bevoegde instantie voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen te bewijzen, bepaalt artikel 6.3 van de Richtlijn dat de vermelding op een lijst van bevoegde instanties opgesteld door de Europese Commissie vereist is. Die lijst wordt op grond van artikel 5.1 van de Richtlijn door de Europese Commissie opgesteld op basis van informatie die zij van elke lidstaat ontvangt. Krachtens artikel XVII.1/2, tweede lid WER is de minister verplicht om die lijst aan de Commissie te bezorgen (zie infra, nr. 28).

b Bevoegde instantie aangewezen in andere lidstaat

27. Notie - Een tweede type rechtspersoon die beschouwd wordt als een bevoegde instantie, is de buitenlandse rechtspersoon die in een andere lidstaat erkend is als bevoegde instantie.77 De wijze waarop die erkenning dient te gebeuren en bewezen dient te worden, verschilt evenwel tussen de bevoegde instantie Consumenten en de bevoegde instantie kmo’s.

28. Bevoegde instantie Consumenten - Voor de bevoegde instantie Consumenten is het erkenningsproces betrekkelijk rechtlijnig: daar zal de buitenlandse bevoegde instantie het gelijkwaardige erkenningsproces moeten volgen dat naar buitenlands recht is opgezet om te voldoen aan artikel 4.3 van de Richtlijn. De bestuurlijke overheid van de andere lidstaat die instaat voor het toekennen van die erkenning, zal er dan voor zorgen dat die bevoegde instantie op de lijst met bevoegde instanties wordt geplaatst die de Europese Commissie overeenkomstig artikel 5.1 bijhoudt. Krachtens artikel XVII.1, § 2 WER maakt die lijst het bewijs uit dat een rechtspersoon een in het buitenland erkende bevoegde instantie is, en dus als bevoegde instantie Consumenten beschouwd moet worden. Het voorleggen van die lijst vormt evenwel, evenmin als het voorleggen van een erkenning door de Belgische minister, geen onweerlegbaar bewijs van het feit dat de buitenlandse bevoegde instantie aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet. Ook in dat geval heeft de verweerder immers op grond van artikel 5.4 van de Richtlijn het recht om twijfels daarover te uiten, en kan de rechter de vordering onontvankelijk verklaren indien blijkt dat de buitenlandse bevoegde instantie inderdaad niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet (zie supra, nr. 25).

29. Bevoegde instantie kmo’s - Voor de bevoegde instanties kmo’s ligt het iets anders. Aangezien de Richtlijn enkel betrekking heeft op vorderingen ingesteld ter verdediging van de collectieve belangen van consumenten, bestaat er geen gelijkwaardige procedure op EU-niveau voor de erkenning van bevoegde instanties kmo’s. Desalniettemin bepaalt artikel XVII.1, § 7 WER dat een buitenlandse rechtspersoon slechts als bevoegde instantie kmo’s beschouwd wordt indien zij daartoe erkend is in die andere lidstaat en indien zij voldoet aan de erkenningsvoorwaarden voor een Belgische bevoegde instantie kmo’s. Deze situatie zal zich bijgevolg slechts zelden voordoen, aangezien vereist is dat er een gelijkwaardig erkenningsproces voor bevoegde instanties kmo’s bestaat in het land van herkomst van de rechtspersoon. In ieder geval zal de rechter dan toch nog steeds de naleving van elke erkenningsvoorwaarde moeten nagaan.

c Ad hoc aangewezen bevoegde instantie

30. Notie - Een derde categorie van bevoegde instanties zijn de ad hoc bevoegde instanties.78 Dit zijn rechtspersonen die voor het instellen van het geding geen erkenning hebben bekomen van de minister (voor Belgische rechtspersonen) of van de bevoegde buitenlandse bestuurlijke overheid (voor niet-Belgische rechtspersonen). Een dergelijke niet-erkende rechtspersoon kan toch een representatieve vordering instellen, maar zal dan aan de rechter moeten bewijzen dat hij aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet.79 Die rechtspersonen bevinden zich bijgevolg in een situatie gelijkaardig aan die welke bestond onder het oude regime van artikel XVII.36, 2° WER, toen verhoopte groepsvertegenwoordigers in de ontvankelijkheidsfase van de rechtsvordering tot collectief herstel hun geschiktheid dienden te bewijzen.80

Een ad hoc bevoegde instantie zal steeds maar als een bevoegde instantie beschouwd worden voor een specifieke representatieve vordering. Dit wil zeggen dat de aanvaarding door de rechter dat die bevoegde instantie aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, geen gevolgen heeft voor navolgende representatieve vorderingen die deze rechtspersoon instelt. Bij een volgende vordering zal deze rechtspersoon daarentegen opnieuw moeten bewijzen dat hij aan alle voorwaarden voldoet, behoudens wanneer hij intussen erkend is als bevoegde instantie.

d De interprofessionele organisatie ter verdediging van de belangen van kmo’s die in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO zetelt

31. Principe - Tot slot zijn de interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van kmo’s die in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO zetelen, ook bevoegde instanties kmo’s. Deze categorie is een overblijfsel van het personele toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel zoals dat bestond voor de omzetting van de Richtlijn. Voorheen konden zowel de interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van kmo’s die in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO zetelen als de verenigingen ter verdediging van de consumentenbelangen die in de bijzondere raadgevende commissie Verbruik vertegenwoordigd waren, rechtsvorderingen tot collectief herstel instellen, respectievelijk namens een groep van kmo’s en een groep van consumenten. Voor de verenigingen ter verdediging van de consumentenbelangen is die mogelijkheid intussen verdwenen om het personele toepassingsgebied volledig gelijk te schakelen met de Richtlijn, maar voor de interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van kmo’s heeft de wetgever beslist die mogelijkheid te behouden.81

32. Geen erkenning nodig - De opname van deze categorie in artikel XVII.1, § 6 WER maakt dat de betrokken interprofessionele organisaties geen specifieke erkenning van de minister moeten bekomen om stakingsvorderingen of vorderingen tot collectief herstel in te stellen.82 De organisatie zal daarentegen wel moeten bewijzen dat zij geldig erkend is als interprofessionele organisatie overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 april 2014.83

C. Twee types vorderingen

33. Principe - Een ander speerpunt van de Richtlijn Representatieve Vorderingen is de invoering van een grensoverschrijdende representatieve vordering op EU-niveau. De Richtlijn omschrijft dit als een vordering die een bevoegde instantie instelt in een andere lidstaat dan die waarin zij werd aangewezen (art. 3, 7° Richtlijn Representatieve Vorderingen). Op grond van artikel 6, eerste lid moet elke lidstaat ervoor zorgen dat dergelijke vorderingen bij zijn rechtbanken of administratieve autoriteiten kunnen worden ingesteld. De achterliggende bedoeling is om consumenten te beschermen die door een inbreuk worden getroffen, maar in andere lidstaten wonen dan de lidstaat van vestiging van de handelaar die de inbreuk pleegt.84

34. Verankering en uitbreiding van bestaande praktijk - Grensoverschrijdende vorderingen zijn niet nieuw voor het Belgische recht. De intracommunautaire vordering tot staking ter bescherming van consumentenbelangen was al mogelijk sinds de wet van 26 mei 2002, die de omzetting vormde van Richtlijn 98/27/EG en nadien werd gewijzigd door Richtlijn 2009/22/EG (zie supra, nr. 5). Hoewel de intracommunautaire vordering tot staking nadien werd geïncorporeerd in Hoofdstuk 6 van Titel I van Boek XVII WER en op het ogenblik van de omzetting al meer twintig jaar deel uitmaakte van de Belgische rechtsorde, was de praktische aanwending van dit mechanisme zo goed als onbestaand.85 In de gepubliceerde rechtspraak kan slechts één zaak worden aangetroffen voor het hof van beroep te Brussel, ingesteld door het Office of Fair Trading uit het Verenigd Koninkrijk. In dat arrest beval het hof de staking van het verzenden van publicitaire zendingen aan Engelse consumenten, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per in strijd met het bevel verzonden folder.86

Ook de rechtsvordering tot collectief herstel voor consumenten en kmo’s had in België reeds een zekere grensoverschrijdende dimensie. De aanleiding was het reeds aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof uit 2016 en de daaropvolgende wetswijziging in 2018 (zie supra, nr. 18), waardoor representatieve instanties uit andere EU-lidstaten voor de Belgische rechtbanken konden optreden als groepsvertegenwoordiger indien zij voldeden aan de criteria van punt 4 van de Aanbeveling van de Commissie uit 2013 (zie supra, nr. 3). Niettemin waren er tot aan de omzetting van de richtlijn geen instanties uit andere lidstaten die gebruik hadden gemaakt van deze mogelijkheid.

35. Afbakening ten opzichte van binnenlandse vorderingen - De omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen zorgt ervoor dat de regels voor stakingsvorderingen en rechtsvorderingen tot collectief herstel met een grensoverschrijdende dimensie op elkaar worden afgestemd. Tegelijkertijd worden deze onderscheiden van binnenlandse representatieve vorderingen. Dat zijn vorderingen die bevoegde instanties instellen in de lidstaat waarin zij werden aangewezen (art. 3, 7° Richtlijn Representatieve Vorderingen). Het criterium van onderscheid is dus de lidstaat waar de bevoegde instantie de vordering instelt. Het is niet de lidstaat waar de handelaar of de consumenten hun woonplaats hebben. Dit betekent dat er nog steeds sprake is van een binnenlandse vordering, zelfs wanneer deze wordt ingesteld tegen een handelaar die zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de benadeelde consumenten. Hetzelfde geldt wanneer consumenten uit verschillende lidstaten in het kader van die vordering worden vertegenwoordigd.87

1° Grensoverschrijdende representatieve vorderingen

36. Principe - Grensoverschrijdende vorderingen laten toe dat een in een bepaalde lidstaat erkende bevoegde instantie een representatieve vordering instelt in een andere lidstaat. Voor België betekent dat specifiek dat bevoegde instanties uit een andere lidstaat een stakingsvordering of rechtsvordering tot herstel kunnen indienen bij de Belgische, of meer concreet de Brusselse rechtbank (zie a). Maar ook omgekeerd kunnen bevoegde instanties die daartoe in België zijn erkend, een representatieve vordering instellen bij de rechtbanken van andere lidstaten (zie b).

a Vorderingen voor de Belgische rechtbank door in andere lidstaten aangewezen instanties

37. Exclusieve bevoegdheid ondernemingsrechtbank Brussel - Een eerste subtype van grensoverschrijdende vorderingen zijn de vorderingen die bevoegde instanties, die in een andere lidstaat zijn aangewezen, voor de Belgische rechtbanken kunnen brengen. Zowel voor stakingsvorderingen als rechtsvorderingen tot collectief herstel zijn in eerste aanleg de (voorzitters van de) Nederlandstalige en Franstalige ondernemingsrechtbank Brussel exclusief bevoegd.88

38. Wettelijke grondslag voor de stakingsvordering - Voor de grensoverschrijdende stakingsvordering ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo’s is de wettelijke basis te vinden in artikel XVII.1/4, derde lid WER. De grensoverschrijdende stakingsvordering, vroeger enigszins verborgen in hoofdstuk 6 van titel I van Boek XVII WER, krijgt nu meer zichtbaarheid doordat zij is opgenomen in dezelfde bepaling als de gewone stakingsvordering voor inbreuken op het WER (artikel XVII.1/4, eerste lid WER) en de binnenlandse stakingsvordering (artikel XVII.1/4, tweede lid WER) (zie infra, nr. 45).

Daarnaast is het mechanisme ook opengesteld voor de bescherming van de collectieve belangen van kmo’s.89 Het blijft onzeker of hiervan in de praktijk daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt (zie supra, nr. 29). De wetgever vertrekt vanuit de veronderstelling dat andere lidstaten op gelijkaardige wijze als België rechtspersonen zullen erkennen met als statutair doel de behartiging van collectieve belangen van kmo’s.90 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt niet dat andere lidstaten effectief tot dergelijke erkenningen zijn overgegaan.

Ten slotte is de uitdrukkelijke verwijzing naar een «inbreuk waarvan de oorsprong in België ligt en die gevolgen heeft in een andere lidstaat» achterwege gelaten. De rechtspraak91 en de rechtsleer92 zagen daarin bijkomende voorwaarden om een grensoverschrijdende vordering tot staking in te stellen. Deze voorwaarden waren evenwel niet terug te vinden in Richtlijn 98/27/EG of Richtlijn 2009/22/EG en zijn ook niet opgenomen in Richtlijn 2020/1828. Aangezien zij een bijkomende drempel vormden voor het instellen van een grensoverschrijdende vordering tot staking, heeft de Belgische wetgever deze terecht niet hernomen.

39. Wettelijke grondslag voor rechtsvordering tot collectief herstel - In tegenstelling tot bij stakingsvorderingen heeft de Belgische wetgever bij de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen geen specifieke wettelijke grondslag voorzien voor grensoverschrijdende vorderingen tot collectief herstel. De mogelijkheid voor bevoegde instanties uit andere lidstaten om een rechtsvordering tot collectief herstel in te stellen voor Belgische rechtbanken blijkt uit hun erkenning als titularis van die vordering (zie infra, nr. 40).

40. Titularissen - Zowel de grensoverschrijdende stakingsvorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten als de grensoverschrijdende rechtsvorderingen tot collectief herstel kunnen worden ingesteld door iedere organisatie of overheidsinstantie die de collectieve belangen van consumenten vertegenwoordigt en die door een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte dan België als bevoegde instantie is aangewezen (art. XVII.7, § 3, eerste lid resp. art. XVII.39, § 1 juncto art. XVII.1, § 2 WER) (zie supra, nr. 27 e.v.).

Het bewijs van die erkenning om op te treden voor een groep van consumenten kan enkel worden geleverd door de voorlegging van de lijst van bevoegde instanties voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen die de Europese Commissie heeft bekendgemaakt op grond van artikel 5 van de Richtlijn Representatieve Vorderingen (art. XVII.1, § 2, tweede lid WER).93 De keerzijde hiervan is dat de controlebevoegdheid van de rechter om de hoedanigheid van de bevoegde instantie te toetsen, heel beperkt is. De Richtlijn laat de verweerder weliswaar toe om gerechtvaardigde twijfels te uiten over de naleving van de erkenningscriteria door een bevoegde instantie (zie supra, nr. 25), maar voor het overige moet de rechter de opname in de lijst van bevoegde instanties aanvaarden als bewijs van het vermogen om te handelen. Het enige wat de voorzitter bij een stakingsvordering ambtshalve kan doen, is nagaan «of de doelstelling van de bevoegde instantie het instellen van een vordering in een specifiek geval rechtvaardigt» (art. XVII/7, § 3, derde lid WER). Die beperkte controlebevoegdheid was reeds verankerd in het Belgische recht na de omzetting van artikel 4.1 van Richtlijn 2009/22/EG, en keert ook terug in artikel 6.3, van de Richtlijn Representatieve Vorderingen. Zij zou er onder meer op neerkomen dat een instantie die statutair is opgericht voor consumenten in de energiesector, niet kan optreden voor een groep consumenten uit een andere sector.94 Toch is een te strenge invulling van deze voorwaarde niet aangewezen. Zo oordeelde het Hof van Justitie, weliswaar in het kader van de uitlegging van artikel 80, tweede lid AVG, dat een consumentenvereniging eveneens de hoedanigheid kan hebben om een stakingsvordering in te stellen wegens inbreuken op de gegevensbescherming.95

Bij de rechtsvordering tot collectief herstel is een gelijkaardige controlebevoegdheid voor zowel binnenlandse als grensoverschrijdende vorderingen toegevoegd aan de algemene ontvankelijkheidsvoorwaarden in artikel XVII.36 WER. Meer bepaald vereist artikel XII.36, 2° WER dat «het statutair doel in rechtstreeks verband staat met het voorwerp van de rechtsvordering tot collectief herstel». Ondanks het verschil in formulering tussen art. XVII/7, § 3, derde lid en art. XII.36, 2° WER, lijkt de aard van de toetsing in beide gevallen identiek.

De rechtspersoon die als maatschappelijk doel de bescherming van de collectieve belangen van kmo’s heeft, en die daartoe is erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, is ook zowel titularis van de grensoverschrijdende stakingsvordering ter bescherming van de collectieve belangen van kmo’s als van de rechtsvordering tot collectief herstel (art. XVII.7, § 3, vierde lid resp. art. XVII.39, § 2 juncto art. XVII.1, § 7 WER). Zoals eerder toegelicht (zie supra, nr. 38), is het onzeker of andere lidstaten in een gelijkaardig systeem van erkenning (zullen) voorzien voor belangenbehartigers van kmo’s. Bij vorderingen ten behoeve van kmo’s beschikt de rechter bovendien over een ruimere bevoegdheid om de hoedanigheid van de optredende entiteit te toetsen dan bij vorderingen ten gunste van consumenten.96 Dit volgt uit de zinsnede «en die beantwoordt aan de criteria bedoeld in paragraaf 4» in artikel XVII.1, § 7 WER. Daaruit blijkt dat de rechter nagaat of de rechtspersoon uit de andere lidstaat voldoet aan de wettelijke voorwaarden om in België als bevoegde instantie voor kmo’s op te treden (zoals de minstens twaalf maanden daadwerkelijke activiteit op het vlak van kmo-belang en de onafhankelijkheid van derden met een economisch belang).97

41. Gezamenlijk optreden door meerdere bevoegde instanties - Een bijkomende aanpassing van het Belgische recht was vereist om meerdere bevoegde instanties gezamenlijk grensoverschrijdende representatieve vorderingen te laten instellen, zoals bepaald in artikel 6.2 van de Richtlijn.

Onder het vorige Belgische regime was er omtrent de stakingsvordering geen regeling voorzien, en kon telkens slechts één groepsvertegenwoordiger optreden in het kader van de rechtsvordering tot collectief herstel. Sinds de omzetting van de Richtlijn schrijft artikel XVII.7, § 3, tweede lid WER voor dat, «[i]ndien de vermeende inbreuk op het Unierecht gevolgen heeft of waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor consumenten uit verschillende lidstaten, [...] de vordering [kan] worden ingesteld door meerdere bevoegde instanties Consumenten uit verschillende lidstaten». Dit kan een ongunstige situatie verhelpen waarover in het verleden soms werd bericht. Zo kon het gebeuren dat een onderneming die in een lidstaat werd veroordeeld wegens een oneerlijke handelspraktijk jegens consumenten, diezelfde praktijk bleef voortzetten tegenover consumenten in andere lidstaten.98 Artikel XVII.7, § 3, tweede lid WER legt de bevoegde instanties wel de verplichting op om te onderbouwen dat de vermeende inbreuk daadwerkelijke of waarschijnlijke gevolgen heeft voor consumenten uit de respectieve lidstaten.99

Voorts trekt artikel XVII.7, § 3, vijfde lid WER dit principe opnieuw door naar bevoegde instanties voor kmo’s. Niettemin maakt het bij stakingsvorderingen weinig verschil of één of meerdere bevoegde instanties gezamenlijk optreden, aangezien de enige doelstelling is de rechter te overtuigen van het bestaan van een inbreuk. Bevoegde instanties kunnen daartoe gezamenlijk dagvaarden en gelijktijdig concluderen, zonder de rechtsgang te vertragen.

Bij de rechtsvordering tot collectief herstel ligt dat anders. Daarom bepaalt artikel XVII.40, § 2, eerste lid WER, zelfs zonder het specifiek af te bakenen tot grensoverschrijdende vorderingen100, dat «in eenzelfde geding meerdere groepsvertegenwoordigers kunnen optreden, op voorwaarde dat elke vertegenwoordiger voor een geografisch onderscheiden groep van consumenten of van kmo’s optreedt». Elke groep kan dus maar worden vertegenwoordigd door één enkele instantie. Zo kunnen een Belgische, een Franse en een Duitse bevoegde instantie gezamenlijk een rechtsvordering tot collectief herstel indienen bij de Brusselse rechtbank, mits elke entiteit respectievelijk de groep Belgische, Franse en Duitse consumenten vertegenwoordigt. Ook kan een geding gezamenlijk worden ingespannen door één bevoegde instantie Consumenten en één bevoegde instantie kmo’s.101

Het is natuurlijk mogelijk dat zich in eenzelfde rechtsvordering tot collectief herstel meerdere instanties aandienen voor eenzelfde groep. In dat geval stelt de rechter de meest geschikte onder hen aan als enige vertegenwoordiger voor die groep (art. XVII.40, § 2, tweede lid WER). Op die manier wordt in het Belgische recht een variant geïntroduceerd van wat in de common law bekendstaat als een «carriage dispute».102 Wanneer bijvoorbeeld twee Franse entiteiten zich aanmelden om alle getroffen consumenten in Frankrijk te vertegenwoordigen, moet de rechter bepalen welke entiteit hij het meest geschikt acht. Bij die beoordeling houdt de rechter niet enkel rekening met de technische deskundigheid, maar ook met de wijze waarop de groepsvertegenwoordiger de representatieve vordering in het verleden heeft aangewend om de belangen van de groep maximaal te behartigen.103 Afhankelijk van de situatie kan soms de bekendheid met de groepsleden doorwegen, terwijl in andere gevallen de vertrouwdheid met de materie doorslaggevend is. Vanzelfsprekend kan geen rekening worden gehouden met de snelheid waarmee een verhoopte groepsvertegenwoordiger zijn vordering instelt, tenzij er reeds een ontvankelijkheidsbeslissing is geveld.104 De afweging valt derhalve binnen de discretionaire beoordelingsruimte van de rechter.105

b Vorderingen door in België aangewezen instantie(s) voor rechtbank van andere EU-lidstaten

42. Principe - Omgekeerd kunnen in België aangewezen bevoegde instanties ook grensoverschrijdende representatieve vorderingen instellen bij de rechtbanken of administratieve autoriteiten van andere lidstaten. Overeenkomstig artikel 5.1 van de Richtlijn heeft België aan de Commissie een overzicht gecommuniceerd van de bevoegde instanties die het heeft aangewezen om dergelijke vorderingen in te stellen. De Commissie heeft daarvan een lijst opgesteld en deze openbaar gemaakt (zie supra, nr. 28).106

43. Titularissen vordering tot staking - Er zijn twee categorieën titularissen voor de grensoverschrijdende vordering tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten: de bevoegde instanties Consumenten (zie supra, nr. 22 e.v.) en de minister of de directeurgeneraal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie (art. XVII.7, § 4 WER). Logischerwijs wijst België geen bevoegde instanties kmo’s aan om in andere lidstaten een stakingsvordering in te stellen. Aangezien dit buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn valt, behoort de beslissing daarover niet aan België, maar aan elke afzonderlijke lidstaat.107

In het verleden waren de minister en de directeur-generaal in België reeds bevoegd om binnenlandse stakingsvorderingen ten behoeve van consumenten in te stellen. In uitvoering van artikel 4.7 van de Richtlijn wordt dit nu uitgebreid tot de grensoverschrijdende context. Hoewel uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat deze overheidsinstanties slechts uitzonderlijk vorderingen instellen108, acht de wetgever deze procesbevoegdheid toch een meerwaarde voor de bescherming van Belgische consumenten.109

44. Titularissen vordering tot collectief herstel - Er zijn eveneens twee categorieën die een representatieve vordering met het oog op herstelmaatregelen kunnen instellen voor de rechtbanken of administratieve autoriteiten van andere lidstaten: de bevoegde instanties Consumenten en de Consumentenombudsdienst (art. XVII.39, § 3 WER). Voor deze laatste geldt evenwel dezelfde beperking als bij binnenlandse vorderingen (zie infra, nr. 48). De dienst kan slechts optreden met het oog op het vertegenwoordigen van de groep tijdens onderhandelingen over een akkoord tot collectief herstel. De parlementaire voorbereiding benadrukt dat dit zowel de ontvankelijkheidsfase als de fase van onderhandelingen betreft.110 Dat is bijzonder, omdat de Belgische wetgever er dus van uitgaat dat dergelijke afzonderlijke fasen ook in andere lidstaten bestaan. De Richtlijn vereist daarentegen alleen dat rechtbanken kunnen verzoeken dat een bevoegde instantie en handelaar onderhandelingen opstarten, zonder dat dit als een afzonderlijke fase wordt opgevat. De effectieve toepasbaarheid van deze procesbevoegdheid van de Consumentenombudsdienst is in een grensoverschrijdende context dan ook niet vanzelfsprekend.

2° Binnenlandse representatieve vorderingen

45. Principe - Zoals eerder toegelicht, gaat het bij binnenlandse representatieve vorderingen om vorderingen die bevoegde instanties instellen in de lidstaat waarin zij werden aangewezen (art. 3, 7° Richtlijn Representatieve Vorderingen).

46. Wettelijke grondslag - De wettelijke grondslag voor de binnenlandse stakingsvorderingen tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo’s is te vinden in artikel XVII.1/4, tweede lid WER. Luidens die bepaling stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vast en beveelt hij de staking van elke handeling die strijdig is met de bepalingen bedoeld in artikel XVII.37 WER. Het materiële toepassingsgebied van de stakingsvordering is daarmee grotendeels afgestemd op dat van de rechtsvordering tot collectief herstel (zie supra, nr. 14).

Voor de «binnenlandse» rechtsvordering tot collectief herstel blijft de regeling ongewijzigd. Hoewel deze term niet letterlijk in de Belgische wetgeving voorkomt, is de wettelijke basis gelegen in artikel XVII.36 van het WER. De bepaling definieert het materiële toepassingsgebied, wijst de vorderingsgerechtigden aan en legt een doelmatigheidsvereiste op.

47. Titularissen vordering tot staking - Voor de binnenlandse vordering tot staking zijn er op basis van artikel XVII.7, § 2 WER drie titularissen. De eerste categorie vormt de bevoegde instanties Consumenten. Dat zijn zowel de rechtspersonen die door de minister zijn erkend (art. VII.1, § 1 WER) als de entiteiten die, na onderzoek door de voorzitter van de rechtbank, voor één specifieke vordering voldoen aan de vereisten om als bevoegde instantie Consumenten te worden beschouwd (art. XVII.1, § 3 WER).

Daarnaast zijn er de minister en de directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie. Zoals hierboven reeds vermeld, beschikten beide overheidsinstanties ook in het verleden over deze procesbevoegdheid voor de Belgische rechtbanken (zie supra, nr. 43). Hoewel sommige auteurs het beleid achter deze vorderingen onduidelijk achten111, zijn ze exemplarisch voor het gecombineerde offensief waarmee de rechten van consumenten in België worden afgedwongen.112 Private en publieke handhaving vullen elkaar aan en werken als twee schakels van één ketting die de bescherming van consumentenrechten vooropstelt.113

Ten slotte zijn er de bevoegde instanties kmo’s. Dit gaat zowel om de rechtspersonen die door de minister zijn erkend (art. VII.1, § 4 WER), de «ad hoc»-instanties kmo’s (art. XVII.1, § 5 WER) als de interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van kmo’s die rechtspersoonlijkheid bezitten en in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO zetelen (art. XVII.1, § 6 WER).

48. Titularissen rechtsvordering tot collectief herstel - Zoals eerder vermeld, maakt het WER bij de rechtsvordering tot collectief herstel geen expliciet onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende vorderingen (zie supra, nr. 39). Voor de «binnenlandse» rechtsvordering tot collectief herstel onderscheidt het eveneens drie categorieën van titularissen (art. XVII.39, §§ 1 en 2 WER). Net zoals bij de stakingsvorderingen kunnen de bevoegde instanties Consumenten en bevoegde instanties kmo’s in rechte optreden (zie supra, nr. 22). Het betreft daarbij zowel de door de minister erkende instanties als de «ad hoc» aangestelde instanties. Het verschil ligt erin dat de minister of de directeur-generaal van de Economische Inspectie bij de rechtsvordering tot collectief herstel niet als groepsvertegenwoordiger kan worden aangewezen. De Consumentenombudsdienst kan daarentegen wel als groepsvertegenwoordiger worden aangewezen (art. XVII.39, § 1, 2° WER), maar deze bevoegdheid strekt zich enkel uit tot het vertegenwoordigen van de groep tijdens de onderhandelingsfase van een akkoord tot collectief herstel.

D. Informatie- en kennisgevingsverplichtingen

49. Algemeen - In collectieve procedures vormt de informatievoorziening een sleutelelement.114 De benadeelden moeten op de hoogte zijn van het bestaan van de procedure die namens hen wordt ingesteld. Alleen dan kunnen zij op geïnformeerde wijze beslissen om zich al dan niet bij de vordering aan te sluiten en zullen zij desgevallend een claimformulier indienen. Zo kan een representatieve vordering het doel bereiken waarvoor zij in het leven is geroepen: een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade. Het belang van geïnformeerde consumenten wordt gereflecteerd in artikel 13 en 14 van de Richtlijn Representatieve Vorderingen. Deze bepalingen leggen informatieverplichtingen op aan zowel bevoegde instanties, de ondernemingen als de lidstaten zelf.

1° Informatie op websites van bevoegde instanties

50. Verantwoordelijkheid van bevoegde instanties - De Richtlijn wijst de hoofdverantwoordelijkheid voor de informatieverstrekking toe aan de bevoegde instanties.115 Sinds de omzettingswet bepaalt artikel XVII.1/3 WER dat zij via hun website consumenten of kmo’s moeten informeren over de vorderingen die zij hebben besloten om in te stellen, de stand van zaken van lopende vorderingen en de resultaten die zij hebben behaald. Verder wordt gepreciseerd dat de verstrekte informatie duidelijk, volledig en begrijpelijk moet zijn. Bovendien moet de informatie op een voor iedereen gemakkelijk toegankelijke wijze worden aangeboden en gedurende minstens vijf jaar na het einde van de betrokken procedure op hun website beschikbaar blijven.116 De considerans van de Richtlijn is nog gedetailleerder en suggereert ook een begrijpelijke toelichting over het voorwerp en de rechtsgevolgen van de vordering en de betrokken groep van consumenten. Daarnaast moeten de noodzakelijke stappen voor de betrokkenen worden uitgelegd, waaronder het waarborgen van het nodige bewijs.117

In het Belgische recht vallen twee bijzonderheden op met betrekking tot de entiteiten die aan voorgaande informatieverplichting zijn onderworpen. Hoewel de parlementaire voorbereiding aangeeft dat een dergelijke verplichting niet pertinent zou zijn voor de bevoegde «ad hoc»-instanties118, blijkt uit de wettekst dat ook deze instanties gehouden zijn aan een vergelijkbare informatieplicht voor de specifieke vordering die zij hebben ingesteld.119 Daarnaast worden noch de minister, noch de directeur-generaal van de Economische Inspectie, noch de Consumentenombudsdienst als bevoegde instanties beschouwd.120 Zij zijn dus strikt genomen niet aan die verplichting onderworpen. Desalniettemin lijkt het wenselijk dat ook zij relevante informatie verstrekken over de vorderingen die zij hebben ingesteld.121

2° Informatie over aanhangige rechtsvorderingen tot collectief herstel

51. Niet-geïmplementeerde richtlijnbepaling - Ten tweede bepaalt de Richtlijn dat consumenten bij aanhangige representatieve vorderingen met het oog op herstelmaatregelen (in België dus bij rechtsvorderingen tot collectief herstel) tijdig en via passende middelen moeten worden geïnformeerd, zodat zij expliciet of impliciet kunnen aangeven of zij in de vordering willen worden vertegenwoordigd. De Richtlijn laat het aan de lidstaten over om te bepalen wie verantwoordelijk is voor de verspreiding van deze informatie.122

Artikel XVII.43, § 3 WER bepaalde reeds voor de omzettingswet dat de ontvankelijkheidsbeslissing volledig moet worden bekendgemaakt op de website van de FOD Economie en dat in het Belgisch Staatsblad een bericht moet verschijnen met de referentie en link naar die publicatie. Indien de rechter van oordeel is dat deze maatregelen onvoldoende zijn, kon hij indien nodig ook bijkomende bekendmakingsmaatregelen opleggen (art. XVII.43, § 2, 9° WER).123 Voor België was het dus niet nodig om die richtlijnbepaling verder te implementeren. Dit geldt temeer omdat de samenstelling van de groep nu pas volgt nadat de procedure volledig is doorlopen en heeft geleid tot een collectief akkoord of een veroordeling ten gronde (zie infra, nr. 78). Na de ontvankelijkheidsbeslissing hoeven de potentiële groepsleden dus nog geen keuze te maken omtrent hun deelname aan de vordering. De bekendmaking in deze fase heeft louter nog tot doel om consumenten te informeren over de stand van het dossier. Vanuit dat perspectief valt moeilijk in te zien in welke omstandigheden het tegenwoordig nog aangewezen zou zijn dat de rechter gebruikmaakt van de mogelijkheid tot het bevelen van bijkomende bekendmakingsmaatregelen zoals voorzien in artikel XVII.43, § 2, 9° WER.

3° Kennisgevingsplicht van verweerders

52. Drievoudige omzetting van Richtlijnbepaling - Ten derde legt de Richtlijn ook een verplichting tot informatieverstrekking op aan de inbreukplegers. Uit het derde lid van artikel 13 volgt dat de rechtbank de handelaar kan verplichten om op eigen kosten de betrokken consumenten, desgevallend individueel, te informeren over de definitieve beslissing of goedgekeurde schikking, tenzij zij daarover reeds langs andere weg zijn geïnformeerd.124 De Belgische wetgever heeft die kennisgevingsplicht van verweerders omgezet via drie afzonderlijke bepalingen (art. XVII.6, § 2, tweede lid, art. XVII.45, § 3, 12°, en art. XVII.54, § 1, 6° WER). Hoewel de drie bepalingen op dezelfde Unierechtelijke grondslag berusten, verschilt hun concrete uitwerking. Hierna worden zij daarom afzonderlijk besproken.

a Bij een definitieve beslissing die voorziet in een stakingsmaatregel

53. Principe en beweegreden - Artikel XVII.6, § 2, tweede lid WER laat de rechter toe om de overtreder te verplichten om op eigen kosten de betrokken consumenten of kmo’s te informeren over de definitieve beslissing die voorziet in de stakingsmaatregel. Deze maatregel is zowel mogelijk bij binnenlandse als bij grensoverschrijdende bij vorderingen tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo’s.

Waar de kennisgeving bij schikkingen en gegrondheidsbeslissingen benadeelden vooral moet toelaten om hun rechten uit te oefenen die daaruit voortvloeien, ligt dat bij anders bij stakingsmaatregelen. Volgens de parlementaire voorbereiding is die kennisgeving bedoeld om consumenten of kmo’s inzicht te geven in hun rechten na de vaststelling van een inbreuk. Tegelijk zou dit een stimulans vormen voor betrokkenen om verdere stappen te ondernemen, in het bijzonder om herstel te verkrijgen.125 Net als bij de schorsingsgrond in artikel XVII.6, § 2 WER (zie infra, nr. 64), gaat de wetgever ervan uit dat de betrokken consumenten of kmo’s na de stakingsvordering zelfstandig een individuele vordering instellen. Dat uitgangspunt is niet voor elke benadeelde evident. De maatregel lijkt daarom veeleer te strekken tot loutere informatie en kennisgeving van het bestaan van de uitspraak. Daarnaast speelt vermoedelijk ook een afschrikkend motief mee. Men wil ondernemingen ontmoedigen inbreuken te plegen op de rechten van consumenten of kmo’s, gelet op de reputatierisico’s verbonden aan de bekendmaking van een inbreuk.126 Op die manier krijgt een bekendmakingsmaatregel uit het procesrecht eigenlijk het karakter van een remedie, of zelfs van een vorm van private bestraffing.

54. Modaliteiten - Qua modaliteiten vertoont artikel XVII.6, § 2, tweede lid WER enkele bijzonderheden in vergelijking met de twee andere omzettingsbepalingen (zie infra, nr. 57-59). Vooreerst wordt uitdrukkelijk bepaald dat de maatregel enkel kan worden opgelegd op verzoek van de bevoegde instantie, zodat de rechter niet ambtshalve kan optreden. Daarnaast beschikt de rechter over een ruime beoordelingsvrijheid om de maatregel al dan niet op te leggen. Zelfs wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, kan hij beslissen om dat niet te doen.127 Ten slotte schrijft de bepaling niet uitdrukkelijk een individuele kennisgeving voor. Op basis van de voorwaarde dat de betrokken consumenten of kmo’s moeten kunnen worden geïndividualiseerd (zie infra, nr. 55), lijkt dat echter wel de bedoeling te zijn. Bovendien zou informatieverstrekking via andere kanalen waarnaar de preambule van de Richtlijn verwijst (zoals de website van de handelaar, sociale media of online marktplaatsen) te sterk overlappen met de publicatie van de (samenvatting van de) uitspraak of de rechtzetting die de rechter op grond van artikel XVII.4 WER kan bevelen (zie infra, nr. 67 e.v.).

55. Twee weigeringsgronden - Daarnaast zijn er twee situaties waarin de rechter geen kennisgeving door de inbreukmaker kan opleggen. Vooreerst is dat het geval wanneer de betrokken consumenten of kmo’s niet kunnen worden geïndividualiseerd (art. XVII.6, § 2, tweede lid WER, a contrario). Zowel bij binnenlandse als bij grensoverschrijdende stakingsvorderingen ter bescherming van collectieve consumenten- of kmo-belangen kan onzekerheid bestaan over de identiteit van de betrokken consumenten of kmo’s, bijvoorbeeld in het geval van een wijdverspreide reclamecampagne.128

Ten tweede bepaalt artikel XVII.6, § 2, tweede lid in fine WER dat de rechter een dergelijk verzoek afwijst indien de betrokken consumenten of kmo’s op een andere manier worden geïnformeerd over de beslissing. Hoewel deze weigeringsgrond een omzetting vormt van een richtlijnbepaling, is zij enkel geïmplementeerd voor de stakingsvordering en niet voor beslissingen ten gronde in het kader van de vordering tot collectief herstel (zie infra, nr. 59). De weigeringsgrond is evenwel betwist, omdat hij het afschrikkende effect van de kennisgevingsplicht voor handelaars zou ondermijnen. Door de brede informatieverplichtingen van de bevoegde instanties (zie supra, nr. 50) ontvangen consumenten doorgaans al de nodige informatie. Inbreukmakers kunnen dat aanvoeren om hun eigen informatieplicht te proberen te ontlopen.129

56. Sanctie - Een onderneming die een rechterlijk bevel tot kennisgeving aan consumenten of kmo’s niet naleeft, riskeert een strafrechtelijke sanctie (art. XV.125/1 WER). Hoewel dit opnieuw een omzetting betreft van een richtlijnbepaling, met name artikel 19, eerste lid, b), geldt de strafsanctie uitsluitend bij niet-naleving van de kennisgevingsplicht uit artikel XVII.6, § 2, tweede lid WER.

b Bij een akkoord tot collectief herstel

57. Principe en beweegreden - Op grond van artikel XVII.45, § 3, 12° WER moet het akkoord tot collectief herstel de aanvullende maatregelen bevatten tot bekendmaking van dat akkoord. Zodra hij de benadeelden kent of kan kennen, moet de verweerder hen bovendien op eigen kosten individueel informeren over het akkoord tot collectief herstel. De reden om de individuele kennisgeving aan benadeelde consumenten of kmo’s als verplicht onderdeel van het collectief akkoord op te nemen, ligt voor de hand. Ze moet voorkomen dat benadeelden geen vergoeding ontvangen enkel omdat ze niet op de hoogte waren van het akkoord.130

58. Modaliteiten - Qua modaliteiten gaat het hier natuurlijk om het resultaat van een onderhandeling. Toch lijkt de individuele kennisgeving131 op kosten van de inbreukmaker132 steeds deel van het akkoord te moeten uitmaken zodra de verweerder kennis heeft of gemakkelijk kennis kan hebben van de identiteit van de benadeelden. Dat laatste is het geval wanneer de onderneming over een lijst van benadeelden beschikt (zoals een passagierslijst) of die gemakkelijk kan opstellen (bijvoorbeeld op basis van afgesloten abonnementen in een bepaalde periode).133 Anders dan bij de stakingsvordering, waar de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt (zie supra, nr. 54), is de bepaling hier dwingender geformuleerd. Dat blijkt ook uit de bewoordingen in de parlementaire voorbereiding.134 Aangezien een bepaling vergelijkbaar met artikel XVII.6, § 2, tweede lid, in fine WER ontbreekt (zie supra, nr. 55), vormt het feit dat de benadeelden reeds op een andere wijze over het akkoord worden geïnformeerd, geen grond om de individuele kennisgeving door de inbreukmaker achterwege te laten. De vraag rijst evenwel wat de gevolgen zijn wanneer het akkoord hierover niets bepaalt. A contrario kan uit artikel XVII.49, § 2 WER worden afgeleid dat de rechter het akkoord tot collectief herstel niet homologeert wanneer het onvolledig is135, wat hier het geval zou kunnen zijn.

c Bij toegekende rechtsvordering tot collectief herstel

59. Principe - Volgens artikel XVII.54, § 1, 6° WER moet de verweerder, individueel en op zijn eigen kosten, de betrokken benadeelden informeren over de beslissing ten gronde die een verweerder veroordeelt tot collectief herstel. De wettekst kent de rechter op dit punt geen beoordelingsruimte toe. Hij moet de verweerder veroordelen om de benadeelden zelf te informeren zodra hij hun identiteit kent of redelijkerwijs kan kennen.136 Anders dan bij de stakingsvordering voorziet de wet hier niet in een mogelijkheid tot vrijstelling wanneer de benadeelden reeds op een andere wijze werden geïnformeerd. Het Belgische wetgevende kader sluit hiermee aan bij het Nederlandse recht. Artikel 1018j, eerste lid Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt al langer dat de bekende personen ten behoeve van wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld of geweigerd, zo spoedig mogelijk per gewone brief van de uitspraak op de hoogte worden gebracht.137

Het is belangrijk dat benadeelde consumenten of kmo’s, zeker in het licht van de uitgestelde groepsvorming (zie infra, nr. 78), op de hoogte zijn van een gegrondheidsbeslissing. De vraag blijft echter of het wettelijk kader rond de individuele informatieverstrekking niet te strikt is geformuleerd. De Richtlijn zelf suggereert immers dat consumenten, «indien mogelijk en passend», individueel worden geïnformeerd via elektronische of papieren brieven.138 Dat wijst op een zekere opportuniteitsbeoordeling. Bovendien lijkt die verplichting moeilijk te verzoenen met het andere voorschrift in artikel XVII.54, § 1, 6° WER over de aanvullende bekendmakingsmaatregelen. Volgens die bepaling bevat de beslissing «in voorkomend geval aanvullende maatregelen tot bekendmaking van de beslissing ten gronde, wanneer de rechter oordeelt dat deze bedoeld in artikel XVII.55 niet volstaan». De rechter kan dus een bijkomende informatieverstrekking via uiteenlopende online of papieren kanalen bevelen, maar een individuele kennisgeving moet hij verplicht opleggen. Zelfs het Amerikaanse recht, traditioneel beschouwd als de bakermat van de class actions, kent de rechter op dit punt een ruimere beoordelingsvrijheid toe.139 Ten slotte valt op dat artikel 13.4 van de Richtlijn niet werd omgezet. Die bepaling maakt de informatievereisten van overeenkomstige toepassing op bevoegde instanties wat betreft de definitieve beslissingen waarin een collectieve schadevergoedingsactie wordt afgewezen of verworpen. Dat ligt anders in het Nederlandse recht, dat overeenkomstig artikel 1018j, eerste lid Rv eveneens een kennisgeving per gewone brief voorschrijft wanneer de collectieve schadeafwikkeling is geweigerd.

4° Informatie via de website van de FOD Economie

60. Nationale elektronische gegevensbanken - Ten slotte erkent de Richtlijn ook de rol van de overheid als schakel in de informatieketen. Artikel 14 van de Richtlijn suggereert de lidstaten om nationale elektronische gegevensbanken op te zetten die publiek toegankelijk zijn via websites. Deze websites moeten informatie bevatten over de bevoegde instanties die vooraf zijn aangewezen voor het instellen van binnenlandse en grensoverschrijdende representatieve vorderingen, evenals algemene informatie over aanhangige en afgesloten representatieve vorderingen.

61. Eveneens publicatie van de beslissing houdende afstand van geding - Nog vóór de omzetting van de Richtlijn vervulde de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie in zekere mate de functie van een nationale elektronische gegevensbank. Ze bevatte informatie over de actoren die een collectieve rechtsvordering kunnen instellen en publiceerde beslissingen over de ontvankelijkheid en gegrondheid in zaken van collectief herstel.

De omzetting van de Richtlijn heeft op dit punt slechts beperkte wijzigingen teweeggebracht. De website bevat vooreerst een overzicht van de bevoegde instanties die een collectieve rechtsvordering kunnen instellen.140 Ook de bepalingen die voorzien in de publicatie van beslissingen op de website van de FOD Economie, zijn ongewijzigd gebleven. Het gaat met name om artikel XVII.43, § 3 WER inzake de ontvankelijkheidsbeslissing, artikel XVII.50, tweede lid WER betreffende de homologatiebeschikking van het akkoord tot collectief herstel en artikel XVII.55 WER inzake de gegrondheidsbeslissing. De enige wijziging betreft de toevoeging van een tweede lid in artikel XVII.65 WER, dat voorziet in de publicatie van de beslissing houdende afstand van geding. Omdat de beëindiging van het geding gevolgen heeft voor de verjaring van de individuele rechtsvordering (zie infra, nr. 63), is de verplichte bekendmaking van deze beslissing toe te juichen.

62. Geen publicatie van aanhangig gemaakte vorderingen - Anders dan in het Nederlandse en Franse recht wordt in België niet voorzien in een publicatie van aanhangige vorderingen op de website van de FOD Economie. In Nederland worden in het Centraal register voor collectieve vorderingen ook de afschriften van de dagvaardingen opgenomen.141 In Frankrijk bepaalt de wet dat voor elke ingestelde vordering een bericht met een aantal verplichte vermeldingen wordt gepubliceerd. Deze hebben betrekking op de identiteit van de partijen, de aard van de inbreuk en de gestelde schade, de gelijkenis van de betrokken situaties en de bevoegde rechterlijke instantie.142 Ten slotte kent het Belgische recht geen regeling voor de publicatie van definitieve stakingsvorderingen ter bescherming van collectieve belangen van consumenten of kmo’s op de website van de FOD Economie, hoewel dit eveneens de transparantie ten aanzien van betrokkenen zou bevorderen.

E. Schorsing verjaringstermijnen

63. Principe - Tegen de achtergrond van een mogelijke interferentie tussen de verschillende soorten vorderingen bevat de Richtlijn een specifieke regeling inzake verjaring. Deze regels beogen te waarborgen dat bevoegde instanties, consumenten en kmo’s de uitkomst van een stakingsvordering of een rechtsvordering tot collectief herstel kunnen afwachten, zonder zich genoodzaakt te zien parallel ten bewarenden titel een nieuwe vordering in te stellen om verjaring te vermijden.143

1° Tijdens behandeling stakingsvordering

64. Schorsing van individuele vorderingen - De eerste regel betreft de schorsing van de verjaringstermijn tijdens de behandeling van de representatieve vordering met het oog op stakingsmaatregelen. In uitvoering van artikel 16.1 van de Richtlijn bepaalt artikel XVII.6, § 2 WER dat zowel bij binnenlandse als grensoverschrijdende stakingsvorderingen «de verjaringstermijn van de individuele vorderingen van de bij die vordering tot staking betrokken consumenten of kmo’s [wordt] geschorst voor de duur van de tijd tussen het instellen van de vordering tot staking en de dag van de beslissing waarop uitspraak wordt gedaan over die vordering tot staking». Bij die omzetting verdienen twee punten bijzondere aandacht. Hoewel het Unierecht de lidstaten de keuze biedt, opteert het Belgische recht voor de schorsing en niet voor de stuiting. Na de uitspraak over de stakingsvordering zal dus geen nieuwe verjaringstermijn beginnen te lopen, maar wordt de looptijd verlengd met de periode van de schorsing. Daarnaast wekt de richtlijnbepaling de indruk dat de schorsing ook zou moeten gelden wanneer de bevoegde instantie naderhand een representatieve vordering met het oog op herstelmaatregelen instelt.144 Artikel XVII.6, § 2 WER beperkt de schorsingsgrond daarentegen op ondubbelzinnige wijze tot individuele vorderingen van de betrokken consumenten of kmo’s.145

Wanneer in een later geding een verjaringsdiscussie ontstaat, moet de rechter nagaan of de individuele eiser onder de categorie van «bij de stakingsvordering betrokken consumenten of kmo’s» valt. Die beoordeling wordt vergemakkelijkt doordat de bevoegde instantie de betrokken groep voldoende nauw moet omschrijven (zie infra, nr. 69). De vraag rijst wat de gevolgen zijn wanneer een specifieke consument of kmo niet onder de door de bevoegde instantie afgebakende groep lijkt te vallen. Wordt daarmee de mogelijkheid ontnomen om zich op de schorsende werking te beroepen? Het antwoord daarop lijkt ontkennend. De bevoegde instantie is slechts gehouden om «voldoende informatie» te verstrekken. Die inspanningsverbintenis pleit tegen een automatische uitsluiting, maar impliceert wel een zwaardere bewijslast voor de consument of kmo bij het beroep op de schorsingsgrond.

2° Vanaf de indiening van het verzoekschrift tot collectief herstel

65. Start- en eindpunt van schorsing verduidelijkt - De omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen leidde ook tot een aantal wijzigingen aan de reeds bestaande regeling over de schorsing van de verjaringstermijn tijdens de behandeling van de rechtsvordering tot collectief herstel.146 Vooreerst wordt de verjaring van de individuele vordering van een consument of kmo die valt binnen de beschrijving van de groep zoals weergegeven in het verzoekschrift tot collectief herstel, reeds opgeschort vanaf de indiening van het verzoekschrift tot collectief herstel (art. XVII.63 WER).147 Daarnaast is het aantal scenario’s waarbij de schorsing eindigt, verder verfijnd. In essentie gaat het om gevallen waarin de procedure een einde neemt (zoals de bekendmaking van de niet-ontvankelijkheid (1°) of de afsluiting van de rechtspleging (5°)). Verder betreft het situaties waarin de betrokkene niet tot de groep behoort of niet (langer) deelneemt aan de procedure (zoals het buiten de groepsomschrijving vallen (2°), het doen van een «opt out» bij een akkoord tot collectief herstel (3°, a)), het laten verstrijken van de «opt in»-termijn (3°, b) en 4°) of de kennisgeving van de weigering van inschrijving op de definitieve lijst (6°)). In wezen beoogt artikel XVII.63 te waarborgen dat de verjaring van de individuele vordering is geschorst zolang de benadeelde redelijkerwijs mag aannemen dat zijn belangen worden behartigd via de rechtsvordering tot collectief herstel.148 De schorsing van de verjaringstermijn eindigt pas wanneer het groepslid daadwerkelijk kennis heeft of moet hebben van het feit dat hij in het kader van die procedure niet zal worden vergoed.149

1  Groenboek over collectief verhaal voor consumenten van de Europese Commissie van 27 november 2008, (COM 2008) 794 definitief, 4.

2  Resolutie van de Raad van 14 april 1975, «Eerste programma van de Europese Economische Gemeenschap voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument», Pb.C. 25 april 1975, 8.

3  Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 1987 over de verhaalmogelijkheden van de consument, Pb.C. 99, 13 april 1987, 204.

4  Art. 4.1 Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake misleidende reclame, Pb.L. 19 september 1984, http://data.europa.eu/eli/dir/1984/450/oj; art. 7.2 Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb.L. 21 april 1993, http://data.europa.eu/eli/dir/1993/13/oj.

5  Richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, Pb.L. 11 juni 1998, http://data.europa.eu/eli/dir/1998/27/oj.

6  Richtlijn nr. 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, Pb.L. 24 juni 2023, http://data.europa.eu/eli/dir/2009/22/oj.

7  Groenboek over collectief verhaal voor consumenten van de Europese Commissie van 27 november 2008, COM(2008) 794 definitief.

Ibid., 14.

9  Aanbeveling van de Europese Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (2013/396/EU), Pb.L. 26 juli 2013, http://data.europa.eu/eli/reco/2013/396/oj (hierna: Aanbeveling); Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 11 juni 2013, «Naar een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal», COM(2013) 401 final.

10  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 11 juni 2013, «Naar een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal», COM(2013) 401 final, 12.

11  Wetsontwerp tot invoeging van titel 2 «Rechtsvordering tot collectief herstel» in boek XVII «Bijzondere gerechtelijke procedures» van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht, KAMER, 2013-2014, 17 januari 2014, nr. 53-3300/001, 10.

12  Voor een selectie uit de omvangrijke literatuur over de Belgische rechtsvordering tot collectief herstel, zie Voet S. en Allemeersch B., «Consumenten en class action in het WER» in Roesems J. (ed.), Transacties en geschillenbeslechting in het Wetboek van economisch recht, Intersentia, 2016, 151; De Baere E., Maertens A. en Willems K. «Belgische class action. Tien pijnpunten», NJW 2015/326, 522; Rozie J., Rutten S. en Van Oevelen A. (eds.), Class actions, Intersentia, 2015, 156 p.; Englebert J. en Fagnart J., L’action en réparation collective, Anthemis, 2015, 464 p.; Danis F. en Lefevre F., «The new Belgian class action», TRNI 2015/2, 139.

13  Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (2013/396/EU), COM(2018) 40 definitief.

14  Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, Pb.L. 4 december 2020, http://data.europa.eu/eli/dir/2020/1828/oj.

15  Wet 21 april 2024 houdende wijziging van boeken I, XV en XVII van het Wetboek van economisch recht, en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, BS 31 mei 2024 (hierna de Wet 21 april 2024).

16  Die in Hoofdstuk 6 van Titel 1 van Boek XVII WER werd opgenomen.

17  Die in Titel 2 van Boek XVII WER werd opgenomen.

18  Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 514.

19  Zie o.m. Boularbah H., «L’action en réparation collective; aperçu des changements attendus en 2023» in Jacquemin H. (ed.), Actualités en droit de la consommation, Anthemis, 2023, 184-201; Hendrix G.-J. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, 220-235; Kesteloot J.P. en Van Temsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/30, 513-521; Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, 604-626.

20  Wetsontwerp houdende wijziging van boeken I, XV en XVII van het Wetboek van economisch recht, en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, KAMER, 2023-2024, 18 maart 2024, nr. 55-3895/001, 7 (hierna het “Wetsontwerp”).

21  Wetsontwerp, 8.

22  Wetsontwerp, 20.

23  Art. 2.1 Richtlijn; Rager Y., «La nouvelle directive européenne relative aux actions représentatives visant à protéger les intérêts collectifs des consommateurs» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (59) 72.

24  Wet 30 maart 2018 houdende wijziging, wat de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vordering tot collectief herstel tot K.M.O.’s betreft, van het Wetboek van economisch recht, BS 22 mei 2018.

25  Stuyck J. en Keirsbilck B., Handels- en economisch recht. Deel 2 Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken en contracten met consumenten, Wolters Kluwer, 2024, 163.

26  Wetsontwerp, 20.

27  Art. 6 Richtlijn.

28  Wetsontwerp, 8.

29  Artt. 2.1 en 4.1 Richtlijn; Rager Y., «La nouvelle directive européenne relative aux actions représentatives visant à protéger les intérêts collectifs des consommateurs» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (59) 75.

30  Punten 1, 2 en 14 van Bijlage I bij de Richtlijn.

31  Punten 56, 67, 68, en 69 van Bijlage I bij de Richtlijn.

32  Punten 23, 48, 50, en 60 van Bijlage I bij de Richtlijn.

33  Tison M., «Representatieve consumentenvorderingen en securities class actions in België» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, 594.

34  Hornkohl L., «Up- and Downsides of the New EU Directive on Representative Actions for the Protection of the Collective Interests of Consumers», EuCML 2021/5, (189) 191.

35  Hendrix G.-J. en Taton X., «De rechtsvordering tot collectief herstel - Overzicht van rechtspraak (2014-2020)», TBH 2020/7, 874; De Baere E., «Artikel XVII.36 WER» in Steennot R. et al (eds.), Comm.Econ., Wolters Kluwer, 2019, 1; De Baere E., «Artikel XVII.37 WER» in Steennot R. et al (eds.), Comm.Econ., Wolters Kluwer, 2019, 1.

36  Wetsontwerp, 20.

37  Stuyck J. en Keirsbilck B., Handels- en economisch recht. Deel 2 Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken en contracten met consumenten, Wolters Kluwer, 2024, 325.

38  Wetsontwerp, 27.

39  Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 98; Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 515.

40  De Belgische wetgever had overigens eenzelfde techniek reeds eerder toegepast, bij de omzetting van Richtlijn 2009/22/EG (met betrekking tot de intracommunautaire vordering tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten). Ook voor die vordering verwees het oude artikel XVII.26, c) WER naar de bepalingen ter omzetting van de in de bijlage bij die richtlijn opgesomde richtlijnen.

41  Art. L. 511-2 van de Luxemburgse Code de la consommation: «Les obligations légales du professionnel visées à la lettre a) sont constituées par les dispositions du droit de l’Union européenne visées à l’annexe I de la directive (UE) 2020/1828 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relative aux actions représentatives visant à protéger les intérêts collectifs des consommateurs et abrogeant la directive 2009/22/CE, ainsi que, le cas échéant, les dispositions de transposition corrélatives du droit national»; toelichting in Luxemburgs wetsontwerp nr. 7650 portant introduction du recours collectif en droit de la consommation, Chambre des Députés 2019-2020, 23.

42  Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, (604) 606; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 77.

43  Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 98.

44  Wetsontwerp, 28.

45  Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 98.

46  Hendrix G.-J. en Taton X., «De rechtsvordering tot collectief herstel - Overzicht van rechtspraak (2014-2020)», TBH 2020/7, 874.

47  Art. 4.1 Richtlijn.

48  Art. 3.4 Richtlijn.

49  Art. 3 Richtlijn.

50  (Intussen opgeheven) artt. XVII.27 en XVII.28 WER.

51  Wetsontwerp, 25.

52  Art. 3 Wet tot invoeging van titel 2 «Rechtsvordering tot collectief herstel» in boek XVII «Bijzondere rechtsprocedures» van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht», BS 29 april 2014.

53  GwH 17 maart 2016, 41/2016, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.041, overw. B.36.

54  Art. 36 Wet 18 april 2017 houdende diverse bepalingen inzake economie, BS 24 april 2017.

55  Art. 4 Wet 30 maart 2018 houdende wijziging, wat de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vordering tot collectief herstel tot K.M.O.’s betreft, van het Wetboek van economisch recht, BS 22 mei 2018.

56  Overw. (26) van de Richtlijn.

57  Overw. (25) van de Richtlijn.

58  Wetsontwerp, 13.

59  Wetsontwerp, 12.

60  Art. XVII.7, §§ 2 en 4 WER voor de stakingsvordering en art. XVII.39, §§ 1 en 3 WER voor de rechtsvordering tot collectief herstel.

61  De erkenning van de IVZW Euroconsumers bij ministerieel besluit van 22 juli 2025 werd bijvoorbeeld door zowel de minister van Economie als de minister van Consumentenbescherming ondertekend. De website van de FOD Economie zelf stelt evenwel dat enkel de minister van Economie bevoegd is (https://economie.fgov.be/nl/themas/consumentenbescherming/rechtsvordering-tot-collectief/erkenning/ministeriele-erkenning-als; laatst geraadpleegd op 14 december 2025).

62  Art. XVII.1, § 4 WER.

63  https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/een-onderneming-beheren-en/vordering-tot-collectief/erkenning-van-de-bevoegde; laatst geraadpleegd op 30 april 2026.

64  Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking), Pb.L. 5 juni 2015, http://data.europa.eu/eli/reg/2015/848/oj.

65  https://economie.fgov.be/nl/themas/consumentenbescherming/rechtsvordering-tot-collectief/erkenning/ministeriele-erkenning-als; laatst geraadpleegd op 30 april 2026.

66  https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/een-onderneming-beheren-en/vordering-tot-collectief/erkenning-van-de-bevoegde; laatst geraadpleegd op 30 april 2026.

67  Art. XVII.1/1, §§ 1 en 2 WER.

68  Art. XVII.1/1, §§ 1 en 2 WER.

69  Art. 5.4 Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, Pb.L. 4 december 2020, http://data.europa.eu/eli/dir/2020/1828/oj.

70  Art. XVII.36, 2° WER zoals het bestond vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2024.

71  Hendrix G. en Taton X., «De rechtsvordering tot collectief herstel - Overzicht van rechtspraak (2014-2020)», TBH 2020/7, 880.

72  Wetsontwerp, 26.

73  Art. 20 Wet 21 april 2024.

74  Hendrix G. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, (220) 224.

75  Art. 5.4 Richtlijn.

76  Wetsontwerp, 35: «Is dit niet het geval, dan kan de minister de erkenning weigeren of kan de rechter de rechtsvordering tot collectief herstel onontvankelijk verklaren bij gebrek aan naleving van de erkenningsvoorwaarden (op grond van artikel XVII.36, 2°, van het WER)».

77  Art. XVII.1, §§ 2 en 7 WER.

78  Art. XVII.1, §§ 3 en 5 WER.

79  Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 108; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 77.

80  Hendrix G. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, 224.

81  Wetsontwerp, 8.

82  Wetsontwerp, 8.; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 107.

83  Op grond van artt. 6-8 Wet 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo’s, BS 10 juni 2014, 43.869, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/04/24/2014011363/justel.

84  Overw. (20) Richtlijn Representatieve Vorderingen.

85  Zoals een van de auteurs reeds eerder heeft betoogd, bestaat de meest gebruikte en meest toegankelijke vorm van verbodsacties met een grensoverschrijdende dimensie erin dat de vertegenwoordiger op grond van bijvoorbeeld art. 7(2) van de Brussel Ibis-Verordening in de eigen lidstaat een vordering tot staking instelt tegen een verweerder uit een andere lidstaat (zie Vandenbussche W., «Grensoverschrijdende vorderingen tot staking ten behoeve van consumenten ingesteld door overheidsinstanties (noot onder HvJ 16 juli 2020)», P&B 2022/2, (55) 60, nr. 12).

86  HvB Brussel 8 december 2005, TBH 2006/9, 990, noot Wautelet P. en Jb.Hand. 2005, 243. Dit arrest hervormt de beslissing van Voorz. Kh. Brussel 6 december 2004, JT 2005/6181, 343 en Jb.Hand. 2004, 752.

87  Om die reden is het niet mogelijk dat een binnenlandse representatieve vordering in de loop van de procedure een grensoverschrijdende representatieve vordering wordt, of omgekeerd (overw. (23) in fine Richtlijn Representatieve Vorderingen).

88  Zie ook Philipsen G. en Stuyck J., «Art. XVII.1/4 WER» in Comm.Handel., Wolters Kluwer, 2025/7, nr. 3.

89  Wetsontwerp, 20.

90  Anders dan het begrip consument, is het begrip kmo een heel wat diffuser concept. Art. I.21, 9° WER verwijst weliswaar naar de aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, maar dit gaat van ondernemingen met minder dan 50 tot minder dan 250 werknemers, een jaaromzet van 10 tot max. 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van 10 tot max. 43 miljoen euro.

91  Zie Voorz. Kh. Brussel 6 december 2004, JT 2005/6181, 343 en Jb.Hand. 2004, 752. In die zaak stelde de verweerder ter discussie of de oorsprong van de praktijk wel in België lag. De voorzitter oordeelde dat de oorsprong van de inbreuk vermoed mocht worden te liggen bij de handeling die het gevolg veroorzaakte. Die handeling werd gesteld door de verweerder, die dit niet betwistte en zijn zetel in België had. België werd daardoor aangemerkt als de plaats van oorsprong van de vermeende inbreuk. Vgl. Steennot R., «De intracommunautaire vordering tot staken, ingesteld tegen misleidende reclame (noot onder Voorz. Kh. Brussel 6 december 2004)», Jb.Hand. 2004, (761) 762, nr. 3, die meent dat er geen algemene regel bestaat dat een inbreuk door een vennootschap steeds haar oorsprong vindt in het land van haar maatschappelijke zetel. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend.

92  Steennot R. en dejonghe S., Handboek Consumentenbescherming en Handelspraktijken, Intersentia, 2007, 308, nr. 59.

93  Zie representative-actions-collaboration.ec.europa.eu/cross-border-qualified-entities (raadpleging 9 september 2025).

94  Wetsontwerp, 20.

95  Een consumentenorganisatie zou immers een doelstelling van algemeen belang nastreven die erin bestaat de rechten en vrijheden van de betrokkenen in hun hoedanigheid van consument te waarborgen (HvJ 28 april 2022, C-319/20, ECLI:EU:C:2022:322, «Meta Platforms Ireland Limited / Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände - Verbraucherzentrale Bundesverband e.V», par. 65. Zie ook Vandenbussche W., «Representatieve vorderingen ingesteld door consumentenorganisaties voor inbreuken op de gegevensbescherming: beschouwingen bij de Meta-uitspraak» (noot onder HvJ 28 april 2022), RW 2022-23/33, (1298) 1301, nr. 8).

96  Vgl. «Aangezien de Richtlijn Representatieve Vorderingen beperkt is tot vorderingen namens een groep van consumenten en er bijgevolg voor kmo’s geen equivalent bestaat van de lijst bekendgemaakt door de Europese Commissie, zal de rechter voor die buitenlandse entiteiten wel zelf alle voorwaarden moeten nagaan» (Hendrix G.-J. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, (220) 229, nr. 33).

97  Logischerwijs moet art. XVII.1, § 4, 1° WER («een rechtspersoon die is opgericht naar Belgisch recht») per analogie worden gelezen met het recht van de desbetreffende lidstaat waar de entiteit is erkend.

98  Terryn E., «Section 1 - Le contrôle de l’application du droit des pratiques commerciales déloyales» in Terryn E. en Voinot D. (eds.), Droit européen des pratiques commerciales déloyales, Larcier, 2012, (33) 51, nr. 31; Vereecken J., Publieke handhaving van Europees consumentenrecht in België, Wolters Kluwer, 2025, 396, para. 326. Beide auteurs wijzen ook op die louter nationale reikwijdte van de rechterlijke uitspraak als een van de redenen waarom zo weinig grensoverschrijdende stakingsvorderingen werden ingesteld.

99  Het voorschrift dat oorspronkelijk was vervat in de regeling inzake de intracommunautaire vordering tot staking (zie supra, nr. 7), maar door de wet van 21 april 2024 is geschrapt, herleeft dus wel in situaties waarin meerdere bevoegde instanties gezamenlijk optreden.

100  Merk op dat de wet hier dus niet voorschrijft dat de «de vermeende inbreuk op het Unierecht gevolgen heeft of waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor consumenten uit verschillende lidstaten».

101  Volgens de parlementaire voorbereiding kan een groepsvertegenwoordiger in uitzonderlijke gevallen zowel een groep consumenten als een groep kmo’s vertegenwoordigen, mits hij aan alle wettelijke voorwaarden voldoet, met name wanneer de bescherming van de belangen van beide groepen binnen het maatschappelijke doel van de vertegenwoordiger valt en de betrokken inbreuk zowel de rechten van consumenten als van kmo’s betreft. Niettemin zou de rechter dit kunnen beperken tot één van de groepen wanneer de belangen niet gelijklopen of een gelijktijdige vertegenwoordiging niet in het belang van de leden is (Wetsontwerp, 31-32).

102  Zie o.m. Hollway B en Mansfield C., «Five years of the CRA: a lot done, more to do», G.C.L.R. 2020, 13(3), (124) 129.

103  Wetsontwerp, 33.

104  Een andere groepsvertegenwoordiger kan natuurlijk nog steeds een collectieve herstelvordering indienen, mits de groep die hij vertegenwoordigt, geen leden omvat die al door de eerste vertegenwoordiger in de eerdere procedure worden vertegenwoordigd.

105  Wetsontwerp, 31-33.

106  representative-actions-collaboration.ec.europa.eu/cross-bor​der-qualified-entities?field_ms_of_designation_target_id=114 (laatst geraadpleegd op 26 februari 2026).

107  Wetsontwerp, 29.

108  De bekendste zaak betreft de procedure tegen drie Nederlandse ondernemingen inzake doorverkoop van evenementtickets, die heeft geleid tot het Movic-arrest van het Hof van Justitie (HVJ 16 juli 2020, C-73/19, ECLI:EU:C:2020:568, «Movic e.a.»). De overige gepubliceerde rechtspraak dateert van enige tijd geleden (zie o.m. Vz. Kh. Luik 16 december 2003, Jb. Handelspraktijken & Mededinging 2003, 732, noot Longfils F.; Vz. Kh. Namen 22 april 1998, Jb. Handelspraktijken & Mededinging 1998, 393, noot Domont-Naer F.; HvB Antwerpen 29 juni 1993, Jb. Handelspraktijken 1993, 38, noot Stuyck J., Limb.Rechtsl. 1993, 187, noot Ponet B. en Lamon H.).

109  Wetsontwerp, 26.

110  Wetsontwerp, 37.

111  Zie Stuyck J. en Keirsbilck B., Handels- en economisch recht. Deel 2 Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken en contracten met consumenten, Wolters Kluwer, 2024, 167, nr. 117, die verwijzen naar een vrij groot aantal vorderingen dat in het verleden werd ingesteld tegen de organisatie van commerciële kansspelen en loterijen.

112  Vandenbussche W., «Grensoverschrijdende vorderingen tot staking ten behoeve van consumenten ingesteld door overheidsinstanties (noot onder HvJ 16 juli 2020)», P&B 2022/2, (55) 56, nr. 4.

113  Vereecken bestempelt dat als gerechtelijke publieke handhaving (Vereecken J., Publieke handhaving van Europees consumentenrecht in België, Wolters Kluwer, 2025, 443, nr. 373).

114  Zie ook Fairgrieve D. en Salim R., «Collective Redress in Europe: Moving Forward or Treading Water?», I.C.L.Q. 2022/2 (vol. 71), (465) 477.

115  Vgl. Fairgrieve D. en Salim R., «Improving collective redress in Europe: implementing the Representative Actions Directive», C.J.Q. 2023/1 (vol. 42) (52) 57: «Qualified entities bear the bulk of these disclosure burdens with regards to ongoing claims.».

116  Volgens de parlementaire voorbereiding was het niet pertinent om nog verder terug te gaan in de tijd. De betrokken onderneming kan immers haar praktijken hebben aangepast of bijgestuurd, zodat te oude informatie niet meer pertinent is. Een periode van vijf jaar zou een redelijk evenwicht bewerkstelligen tussen relevantie en volledigheid (Wetsontwerp, 19).

117  Overw. (58) van de Richtlijn.

118  Wetontwerp, 19.

119  Art. XVII.1/3 WER: verwijst naar de «bevoegde instanties Consumenten bedoeld in artikel XVII.1, §§ 1 en 3, evenals de bevoegde instanties kmo’s bedoeld in artikel XVII.1, §§ 4 tot 6». Welnu, art. XII.1, § 3 en art. XII.1, § 6 gaan over die «ad hoc» aangestelde instanties.

120  De interprofessionele organisaties ter verdediging van de belangen van kmo’s die rechtspersoonlijkheid bezitten en in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO zetelen, vallen dan weer wel onder het toepassingsgebied (art. XVII.1, § 6 WER).

121  Steennot R., «Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van de consument» in Steennot R. en Bruloot D. (eds.), 50e postuniversitaire cyclus Willy Delva - Economisch recht, Intersentia, 2025, (83) 92, nr. 20.

122  Overw. (59) van de Richtlijn.

123  Zo verplichtte de rechtbank in de zaak van Test-Aankoop t/ Ryanair die laatste om elke reiziger individueel per e-mail te informeren over de ontvankelijkheidsbeslissing, met automatische leesbevestiging. Indien geen bevestiging volgde, moest Ryanair een aangetekende brief sturen (Orb. Brussel 7 december 2020, TBH 2021/4, 540, noot Kesteloot J.-P.).

124  De richtlijn bevat overigens weinig concrete richtsnoeren over de inhoud van die informatieverplichting. Zo blijft het op Unierechtelijk vlak onduidelijk wie verantwoordelijk is voor het informeren van consumenten over de precieze stappen die zij moeten ondernemen om rechten te ontlenen aan een beslissing of schikking. Vermoedelijk rust die taak op de handelaar, al zouden gekwalificeerde entiteiten die rol in de praktijk vaak overnemen (zie Fairgrieve D. en Salim R., «Collective Redress in Europe: Moving Forward or Treading Water?», I.C.L.Q. 2022/2 (vol. 71) (465) 477).

125  Wetsontwerp, 22.

126  Ibid., met evenwel een uitdrukkelijke verwijzing naar overweging 60 van de Richtlijn 2020/1828.

127  Art. VII.6, § 2 WER luidt immers: «Wanneer hij uitspraak doet over een vordering bedoeld in artikel XVII.1/4, tweede of derde lid, kan de rechter [...]» (eigen onderlijning).

128  Wetontwerp, 22.

129  Fairgrieve D. en Salim R., «Collective Redress in Europe: Moving Forward or Treading Water?», I.C.L.Q. 2022/2 (vol. 71) (465) 477.

130  Wetontwerp, 22.

131  Anders dan bij de stakingsvordering verwijst de wet zelf naar het «individueel» informeren.

132  Voor andere aanvullende bekendmakingsmaatregelen (zoals publicatie in kranten met grote oplage, via sociale media of op online marktplaatsen), bepaalt artikel XVII.45, § 3, 9° WER sinds de omzetting van de Richtlijn uitdrukkelijk dat partijen in het gehomologeerde akkoord moeten overeenkomen wie de kosten daarvan draagt (zie ook Steennot R., «Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van de consument» in Steennot R. en Bruloot D. (eds.), 50e postuniversitaire cyclus Willy Delva - Economisch recht, Intersentia, 2025, (83) 108, nr. 51). Merk op dat de bepaling verwijst naar artikel XVII.45, § 2, 12° WER, terwijl het in realiteit gaat om artikel XVII.45, § 3, 9° WER. Ten slotte werd reeds in 2014 benadrukt dat deze vergoedingen en kosten nooit in mindering mogen worden gebracht van het bedrag van schadeherstel dat aan de groepsleden toekomt (Wetsontwerp tot invoeging van titel 2 «Rechtsvordering tot collectief herstel» in boek XVII «Bijzondere gerechtelijke procedures» van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht, KAMER, 2013-2014, 14 maart 2014, nr. 53-3300/001, 34).

133  Vgl. Wetsontwerp, 40.

134  Vgl. Wetsontwerp, 40-41: «In deze hypothese, heeft de verweerder de verplichting om zelf contact op te nemen met de benadeelde personen, en dit op zijn eigen kosten. Dit heeft tot doel de effectiviteit van de vorderingen tot collectief herstel te versterken.» (eigen onderlijning).

135  Artikel XVII.49, § 2, derde gedachtestreepje, voorziet uitdrukkelijk in een weigeringsgrond voor de rechter om het akkoord te homologeren wanneer de aanvullende bekendmakingsmaatregelen bedoeld in artikel XVII.45, § 3, 12° kennelijk onredelijk zijn, maar niet wanneer deze kennelijk onvoldoende blijken.

136  Vgl. Wetsontwerp, 44.

137  Van Mierlo A.I.M., T&C Rv, commentaar op art. 1018j Rv, Wolters Kluwer, 2025, nr. 2.

138  Overw. 61 van de Richtlijn.

139  Vgl. Rule 23 (c) (2) (B)) van de Federal Rules of Civil Procedure: «the court must direct to class members the best notice that is practicable under the circumstances, including individual notice to all members who can be identified through reasonable effort.».

140  economie.fgov.be/nl/themas/consumentenbescherming/rechtsvordering-tot-collectief/lijst-van-bevoegde-instanties (raadpleging op 26 februari 2026).

141  www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen (raadpleging op 26 februari 2026).

142  article 14 Décret n° 2025-734 du 30 juillet 2025 relatif à la procédure applicable aux actions de groupe et au registre des actions de groupe.

143  Wetsontwerp, 47.

144  Zie overw. (65): «om te vermijden dat deze consumenten, ongeacht of zij voor zichzelf optreden of worden vertegenwoordigd door een bevoegde instantie, door het verstrijken van de verjaringstermijnen tijdens de behandeling van de representatieve vordering met het oog op stakingsmaatregelen zou worden belet om later een representatieve vordering met het oog op herstelmaatregelen in te stellen» (eigen onderlijning).

145  Ibid.: Steennot R., «Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van de consument» in Steennot R. en Bruloot D. (eds.), 50e postuniversitaire cyclus Willy Delva - Economisch recht, Intersentia, 2025, (83) 95, nr. 28.

146  Die regeling werd in het verleden reeds bekritiseerd, onder meer omdat het toenmalige art. XVII.63 WER voorzag in schorsing van de verjaring van individuele vorderingen pas vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheidsbeslissing in het Belgisch Staatsblad, terwijl bij afstand van geding in de zin van art. XVII.65, tweede lid, WER de schorsing reeds inging bij indiening van het verzoekschrift tot collectief herstel (Taton X. en Eloy G., «Les interactions entre l’action en réparation collective et les autres formes de contentieux» in Englebert J. en Fagnart J.-L. (eds.), L’action en réparation collective, Anthemis, 2015, 2015, 76).

147  Dit vertrekpunt geldt evenzeer wanneer een verzoekschrift tot collectief herstel bij wijze van vrijwillige tussenkomst wordt ingediend in een geding tot collectief herstel dat reeds aanhangig is, zoals bedoeld in art. XVII.66, § 2, 3° WER.

148  Wetsontwerp, 48. Zie ook Kesteloot J.P. en Van Temsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/30, (513) 519, nr. 32.

149  Boularbah H., «L’action en réparation collective; aperçu des changements attendus en 2023» in Jacquemin H. (ed.), Actualités en droit de la consommation, Anthemis 2023, (182) 199, nr. 38.