De stakingsvordering en de rechtsvordering tot collectief herstel na de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen: eenheid in verscheidenheid - Deel 2
Prof. dr. Wannes VANDENBUSSCHE
Hoofddocent, Instituut voor Procesrecht, UGent
Advocaat
Gert-Jan HENDRIX
Advocaat
Het eerste deel van deze bijdrage stond voornamelijk stil bij de gemeenschappelijke wijzigingen die de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen heeft meegebracht voor de stakingsvordering ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en voor de rechtsvordering tot collectief herstel. In dit tweede deel komen de specifieke wijzigingen binnen elk van beide regimes aan bod. Die wijzigingen vloeien grotendeels voort uit de omzetting van de richtlijn, maar zijn deels ook het resultaat van eigen keuzes van de Belgische wetgever.
IV. Specifieke wijzigingen aan regime van vorderingen tot staking
66. Algemeen - Los van de (bekritiseerde) hernummering1 heeft de omzetting van de Richtlijn Representatieve Vorderingen ook nog een aantal andere wijzigingen teweeggebracht aan het regime van vorderingen tot staking in het WER. Eerst en vooral gebeurden er twee algemene aanpassingen aan het wettelijk kader, die eveneens van toepassing zijn op iedere stakingsvordering wegens inbreuken op het WER in de zin van artikel XVII.1/4, eerste lid WER (zie A en B). Dit vormt dus een illustratie van de zgn. doorharmonisatie van het EU-recht2, aangezien de betrokken regels verder reiken dan het toepassingsgebied van de Richtlijn. Daarnaast zijn er ook twee wijzigingen die uitsluitend gelden voor de binnenlandse en grensoverschrijdende vorderingen tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en kmo’s (zie C en D).
De Belgische wetgever had binnen de door de Richtlijn Representatieve Vorderingen geboden beleidsruimte trouwens nog verder kunnen gaan. Zo staat artikel 8, vierde lid de lidstaten toe om bepalingen in te voeren waarbij een bevoegde instantie alleen stakingsmaatregelen mag vorderen nadat zij in overleg met de betrokken handelaar gepoogd heeft de inbreuk door de handelaar te doen staken. Daarbij kan de bevoegde instantie pas optreden bij uitblijven van staking binnen twee weken na ontvangst van een verzoek. Hoewel een verplichting tot voorafgaand overleg past binnen de huidige tijdsgeest3 en het nationale en supranationale beleid inzake het stimuleren van buitengerechtelijke geschillenoplossing, verdient het bijval dat de Belgische wetgever deze verplichting niet heeft ingevoerd. Een dergelijke bepaling dreigt bijkomende procedureslagen te creëren (bijvoorbeeld bij niet-naleving van de termijn door de bevoegde instantie) en kan de efficiëntie van de stakingsmaatregel ondermijnen (bijvoorbeeld bij kortlopende reclamecampagnes in strijd met de eerlijke handelspraktijken). Vanzelfsprekend sluit dit niet uit dat partijen vrijwillig overleg kunnen plegen voordat er verdere juridische stappen worden gezet.4 Daarnaast heeft de Belgische wetgever er terecht niet voor geopteerd om binnen één representatieve vordering zowel staking als collectief herstel mogelijk te maken (art. 7 Richtlijn). Een dergelijke keuze zou immers ingrijpende aanpassingen aan beide regimes hebben gevergd (o.m. een verregaande gelijkstelling van de uiteenlopende voorwaarden en procedureregels), zonder duidelijke meerwaarde. Zo wordt de stakingsvordering behandeld zoals in kort geding, terwijl de vordering tot collectief herstel een formeel gefaseerde procedure kent (met o.m. een ontvankelijkheid- en gegrondheidsfase).
A. Publicatie van rechtzetting
67. Het corrigeren van onjuiste of onvolledige informatie - Sinds de omzettingswet volgt uit artikel XVII.4, tweede lid WER dat de stakingsrechter in plaats van de bekendmaking van het vonnis of de samenvatting ervan (eerste lid), onder dezelfde voorwaarden ook de publicatie van een rechtzetting kan bevelen (tweede lid). Voorheen was de publicatie van een rechtzetting beperkt tot de intracommunautaire stakingsvordering. Deze mogelijkheid geldt voortaan voor alle stakingsvorderingen wegens inbreuken op het WER, en is dus niet beperkt tot vorderingen ingesteld door een bevoegde instantie ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten. Zoals reeds aangegeven, gelden dezelfde voorwaarden als voor de bekendmaking van (een samenvatting van) een vonnis. De rechtzetting moet functioneel gericht zijn op, of ten minste bijdragen aan, het doen ophouden van de gewraakte daad of de gevolgen ervan (art. XVII.4, derde lid WER).5
De rechtzetting corrigeert onjuiste of onvolledige informatie in de pers, de media, op het internet of bij aanplakking. Zij beoogt, net als de publicatie van een rechterlijke beslissing, benadeelden te informeren over onrechtmatigheden en is daarbij vaak toegankelijker dan die andere maatregel.6 Hoewel minder bekend in het Belgische recht, vormt de rectificatie in vele Angelsaksische rechtsstelsels in de eerste plaats een remedie tegen lasterlijke publicaties.7 Ook het Nederlands Burgerlijk Wetboek voorziet reeds langer in de mogelijkheid om een aansprakelijke partij te verplichten een rectificatie openbaar te maken op een door de rechter te bepalen wijze (art. 6:167 Nederlands BW). Die bepaling richt zich in hoofdzaak op aantasting van eer en goede naam, maar heeft een ruimer toepassingsgebied en omvat tevens onjuiste of misleidende publicaties in het kader van ongeoorloofde mededinging.8
Wat de taakverdeling tussen de stakingsrechter en partijen betreft, komt het aan de eiser toe een voldoende concrete concept-rechtzetting te formuleren, zowel qua bewoordingen als qua modaliteiten (exacte plaats, duur, grootte, ...). Dat is des te belangrijker wanneer de publicatie onder controle van de verweerder staat, om te vermijden dat het beoogde effect verloren gaat.9 De rechter stelt vervolgens de definitieve tekst van de rechtzetting en wijze van publicatie vast.10
B. Uitzondering op het adagium «le criminel tient le civil en état»
68. Omkering van het gemeenrechtelijk beginsel - Een tweede wijziging aan het algemene kader is de invoeging van artikel XVII.6/1 WER: «wanneer de feiten het voorwerp zijn van een vordering tot staking kan er enkel beslist worden over de strafvordering nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking». De wetgever beoogde de rationalisering van twee bepalingen met identieke inhoud: artikel XV.71 WER (voor de algemene stakingsvordering) en artikel XVII.31 WER (voor de intracommunautaire stakingsvordering).11 Aangezien artikel XV.71 niet werd opgeheven, bestaan evenwel nog steeds twee bepalingen met identieke inhoud en nu zelfs een identiek toepassingsgebied, wat legistiek weinig gelukkig is.
In essentie wijkt de regeling van artikelen XVII.6/1 en XV.71 WER af van het gemeenrechtelijk beginsel le criminel tient le civil en état (art. 4 V.T.Sv.). Voor stakingsvorderingen geldt immers het omgekeerde. De strafvordering wordt opgeschort in afwachting van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de stakingsvordering. De strafvordering kan aldus op elk ogenblik worden stilgelegd door het instellen van een stakingsvordering, zij het dat de verjaring van de strafvordering hierdoor wordt geschorst.12
C. Informatie over consumenten die bij vordering betrokken zijn
69. Verplichting voor bevoegde instanties Consumenten en kmo’s - Ter uitvoering van artikel 7.2 Richtlijn Representatieve Vorderingen werd een nieuwe vereiste ingevoerd die geldt voor zowel binnenlandse als grensoverschrijdende stakingsvorderingen ter bescherming van collectieve consumentenbelangen. Artikel XVII.6/2 WER verplicht de bevoegde instantie bij het instellen van de vordering de rechtbank voldoende informatie te verstrekken over de betrokken consumenten of kmo’s. Aangezien er niet in een specifieke sanctie is voorzien, betreft het geen op straffe van nietigheid voorgeschreven voorwaarde. Evenmin wijst iets erop dat een niet-naleving zou leiden tot de niet-toelaatbaarheid van de vordering. Specifiek voor stakingsmaatregelen beoogt die bepaling de toepassing te faciliteren van artikel XVII.6, § 2 WER inzake de schorsing van de verjaring. Opvallend is dat de informatieverplichting enkel geldt voor bevoegde instanties Consumenten of kmo’s. Volgens de letter van de wet zijn de minister en de directeur-generaal dus niet aan deze verplichting onderworpen (zie supra, nr. 43). Toch verdient het aanbeveling dat ook zij dergelijke informatie verstrekken, om te vermijden dat het beroep op de schorsingsgrond voor individuele consumenten of kmo’s in latere individuele procedures wordt bemoeilijkt.
D. Uitbreiding van geldboetes bij niet-naleving van stakingsbevel of modaliteiten ervan
70. Sancties bij niet-naleving stakingsbevelen - De Richtlijn Representatieve Vorderingen verplicht de lidstaten sancties vast te stellen bij niet-naleving van stakingsmaatregelen en bepaalde daarmee samenhangende verplichtingen.13 De concrete invulling laat zij aan de lidstaten14, met dien verstande dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Bij de omzetting van de Richtlijn heeft de Belgische wetgever in hoofdzaak gekozen voor een verdere uitbreiding van strafsancties. Artikel XV.85 WER voorzag reeds in een strafbaarstelling voor de niet-naleving van vonnissen en arresten gewezen naar aanleiding van een stakingsvordering, zodat op dat punt geen ingreep vereist was. Wel werd het toepassingsgebied van artikel XV.125/1 WER verruimd. Deze bepaling gold aanvankelijk enkel voor de intracommunautaire stakingsvordering, maar maakt nu ook geldboeten mogelijk bij inbreuken op artikel XVII.4 WER (niet-naleving van de verplichting tot publicatie van (een samenvatting van) een vonnis of een rechtzetting) en artikel XVII.6, § 2, tweede lid WER (niet-naleving van de verplichting om op eigen kosten de betrokken consumenten te informeren). De wetgever beoogt met deze geldboeten een afschrikkend effect en dus een bijkomende waarborg voor de doeltreffendheid van stakingsmaatregelen.15 Uiteraard kunnen rechtbanken, op verzoek van de eisende partij, ook een dwangsom koppelen aan een stakingsbevel, zoals bij elke hoofdveroordeling (art. 1385bis Ger.W.).16
V. Specifieke wijziging aan regime voor rechtsvordering tot collectief herstel
A. Poging tot versnelling van de rechtspleging
71. Probleem van de trager dan verwachte rechtspleging - Bij de invoering van de rechtsvordering tot collectief herstel in 2014 beoogde de wetgever de ontvankelijkheidsfase snel te laten verlopen. Luidens het toenmalige artikel XVII.43, § 1 WER diende de wetgever immers binnen de twee maanden na neerlegging van het verzoekschrift door de eiser te beslissen over de ontvankelijkheid van de rechtsvordering tot collectief herstel. Die termijn van twee maanden was echter een termijn van orde,17 die gelet op de noodzaak aan een tegensprekelijk debat over de ontvankelijkheid nooit werd geëerbiedigd.18 Zo volgden ontvankelijkheidsbeslissingen vijf maanden na de indiening van het verzoekschrift in de Thomas Cook-zaak,19 zeventien maanden na de indiening daarvan in de Ryanair-zaak20 en achttien maanden na indiening in de Dieselgate-zaak.21
De trager dan voorziene rechtspleging in de ontvankelijkheidsfase speelt in het nadeel van zowel de mogelijke groepsleden als de verweerder.22 Enerzijds zullen groepsleden, naarmate de tijd verstrijkt, niet enkel minder geneigd zijn om nog in de groep te stappen, maar zullen zij ook minder stukken ter beschikking hebben om aan tonen dat zij aan de voorwaarden daarvoor voldoen en dat zij schade hebben geleden. Anderzijds moeten verweerders voor langere procedures meer kosten maken en verkeren zij langer in onzekerheid over de uitkomst van de vordering.
72. Ontvankelijkheidsbeslissing in beginsel binnen zes maanden - De wetgever heeft dit pijnpunt onderkend, en heeft daar door enkele procedurele ingrepen een oplossing voor willen bieden,23 waarop hieronder verder wordt ingegaan. Gekoppeld daaraan is de wijziging van artikel XVII.43, § 1 WER, dat na de wet van 21 april 2024 vereist dat de rechter uitspraak doet over de ontvankelijkheid binnen een termijn van zes maanden van het verzoekschrift. Aan die termijn zijn nog steeds geen sancties gekoppeld, en hij blijft bijgevolg een termijn van orde.24 In elk geval blijft ook die termijn van zes maanden na de neerlegging van het verzoekschrift weinig realistisch. Wanneer de verweerder niet in Europa is gevestigd, wordt de dagvaardingstermijn op grond van artikel 55 Ger.W. immers verlengd tot 88 vrije dagen, zodat er dan in het beste geval nog hoogstens drie maanden overblijven om te concluderen, te pleiten, en de zaak in beraad te nemen en uitspraak te doen.
1° Vereenvoudiging ontvankelijkheidsfase
a Behandeling van de ontvankelijkheid in korte debatten
73. Tegensprekelijk debat over de ontvankelijkheid - Het debat in de ontvankelijkheidsfase verloopt in beginsel op tegensprekelijke wijze. Artikel 5.4 van de Richtlijn voorziet uitdrukkelijk dat de verweerder het recht heeft om bij de rechtbank gerechtvaardigde twijfels te uiten over de naleving door een bevoegde instantie van de erkenningscriteria. Daarnaast voorziet artikel 7.7 van de Richtlijn dat de rechter kennelijk ongegronde zaken in een zo vroeg mogelijk stadium moet kunnen verwerpen. Bijgevolg heeft de verweerder het recht om over die punten zijn standpunt uiteen te zetten. Ook voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2024 werd in de ontvankelijkheidsfase evenwel een tegensprekelijk debat gevoerd.25
74. Voorkomen van lange conclusietermijnen - De lange conclusietermijnen die in de praktijk voor dat tegensprekelijk debat golden, maakten evenwel dat de ontvankelijkheidsfase veel tijd in beslag nam. Om die reden heeft de wetgever er thans voor gekozen om de zaak in beginsel in korte debatten te laten behandelen in overeenstemming met artikel 735 Ger.W.26 Dat artikel bepaalt dat vorderingen op de inleidingszitting dienen te worden behandeld (lees: gepleit en in beraad genomen), dan wel op een zitting op een nabije datum.27
Die onmiddellijke behandeling was echter niet het opzet van de wetgever.28 Wel wilde de wetgever de rechter meer armruimte en agendamogelijkheden geven om (te) lange conclusietermijnen te vermijden. Dat doel is ietwat bevreemdend: de insteek van artikel 735 Ger.W. is immers net dat er géén conclusietermijnen worden bepaald, maar dat de zaak onmiddellijk behandeld zou worden (desgevallend nadat partijen ter zitting hun conclusie indienen).29 Desondanks mag duidelijk zijn dat de wetgever de uitwisseling van conclusies niet heeft willen verbieden, maar louter heeft willen benadrukken dat die uitwisseling van conclusies betrekkelijk snel dient te gebeuren.30
75. Behoudens akkoord van de partijen - De behandeling in korte debatten is daarnaast slechts het uitgangspunt. De partijen kunnen op grond van het nieuwe artikel XVII.43, § 1, tweede lid WER onderling nog steeds overeenkomen om de zaak toch niet in korte debatten te behandelen. In dat geval is het de rechter die overgaat tot het bepalen van een conclusiekalender op grond van artikel 747, § 2 Ger.W. (de zogeheten «rechtelijke kalenderregeling»).31 De wetgever heeft daarmee de zeggenschap over de lengte van de termijnen bij de rechter willen leggen, door de minnelijke kalenderregeling op grond van art. 747, § 1 Ger.W. uit te sluiten.32 Die maatregel lijkt evenwel zijn doel te missen. Hoewel dat niet unaniem wordt aanvaardt33, impliceert de partijautonomie dat de rechter ook in het kader van artikel 747, § 2 Ger.W. verplicht zou zijn om het akkoord tussen de partijen over een conclusietermijn te bekrachtigen en er akte van te nemen, zonder dat hij daar nog van kan afwijken.34 In ieder geval kunnen de partijen op grond van artikel 747, § 4 Ger.W. nog van de door de rechter op grond van artikel 747, § 2 Ger.W. vastgestelde kalender afwijken.35
Indien de partijen daarentegen wel een akkoord bereiken dat de zaak niet in korte debatten zal worden behandeld, maar geen akkoord over een conclusiekalender, dan zal de rechter wel discretionair kunnen beslissen over het aantal en de lengte van de conclusietermijnen. In dat geval zal de rechter ook rekening moeten houden met de termijn uit artikel XVII.43, § 1, tweede lid WER om binnen zes maanden uitspraak te doen over de ontvankelijkheid. Hoewel de rechter niet gebonden is om in dermate korte termijnen te voorzien dat een uitspraak binnen die termijn van zes maanden mogelijk is, zal hij toch het nodige moeten doen om zo snel mogelijk uitspraak te doen.
b Weglaten geschiktheidscriterium
76. De vroegere geschiktheidstoets - Naast de lengte van de conclusietermijnen was ook het aantal punten waarover de partijen positie innamen tijdens de ontvankelijkheidsfase, volgens de wetgever een oorzaak van de trage afhandeling van die fase. Een van die punten was de geschiktheidstoets.36 Die geschiktheidstoets, die vroeger in artikel XVII.36, 2° WER was opgenomen, hield in dat de rechter steeds diende na te gaan of de verzoekende partij geschikt was om in het kader van de specifieke vordering op te treden als groepsvertegenwoordiger voor de specifieke groep. Daarbij diende de rechter een hele reeks criteria na te gaan, waaronder de ernst en het professionalisme waarmee de verzoeker te werk ging, zijn integriteit, aantal leden, representativiteit, deskundigheid, ervaring, houding tijdens eerdere procedures, interne organisatie, solvabiliteit en de afwezigheid van enige belangenconflicten.37
77. Deels vervangen door voorafgaande erkenning - De wetgever heeft die geschiktheidstoets nu geschrapt uit artikel XVII.36, 2° WER, omdat hij aanleiding gaf tot te lange debatten.38 De geschiktheid speelt wel nog wanneer meerdere groepsvertegenwoordigers zich aandienen (zie supra, nr. 41). Die schrapping werd door de wetgever gemotiveerd door het gegeven dat «alle groepsvertegenwoordigers een erkenning van de minister hebben gekregen», zodat «er geen sprake van [kan] zijn dat ze opnieuw aan een geschiktheidsonderzoek omtrent hun capaciteiten worden onderworpen».39 Dat is evenwel niet helemaal juist: een verzoeker die niet erkend is, kan immers nog steeds een rechtsvordering tot collectief herstel instellen, maar dan als groepsvertegenwoordiger ad hoc (zie supra, nr. 30). In dat geval zal de rechter wél nog alle erkenningsvoorwaarden moeten nagaan. Dat houdt evenwel niet in dat de rechter geen uitspraak meer hoeft te doen over de erkenningsvoorwaarden voor een bevoegde instantie.40 Daarnaast moet de rechter, zelfs ingeval de vordering is ingesteld door een erkende bevoegde instantie, nog steeds de naleving van de erkenningsvoorwaarden kunnen nagaan wanneer de verweerder gerechtvaardigde twijfels daarover uit (zie supra, nr. 25). De efficiëntiewinsten door de schrapping van de geschiktheidstoets zijn bijgevolg in werkelijkheid kleiner dan op het eerste gezicht zou lijken: de rechter zal inderdaad niet steeds alle erkenningsvoorwaarden opnieuw moeten onderzoeken, maar enkel die waarover de verweerder twijfels uit. Daarnaast is het aantal punten die de rechter zal moeten nagaan, ook beperkter. In tegenstelling tot de veelheid aan punten die onder het begrip «geschiktheid» werden samengebracht, zal hij nu enkel rekening moeten houden met de erkenningsvoorwaarden uit artikel XVII.1, §§ 1 en 4 WER.
c Uitstel van groepssamenstelling tot beslissing over de grond
78. Het optiesysteem als vertragende factor - Tot slot werd het debat in de ontvankelijkheidsfase voor de wet van 21 april 2024 ook enigszins verzwaard door het debat over het toepasselijke optiesysteem.41 Voor de wet van 21 april 2024 diende de rechter in zijn ontvankelijkheidsbeslissing te kiezen of hij het optiesysteem met inclusie dan wel het optiesysteem met exclusie van toepassing verklaarde.42 Het optiesysteem met inclusie hield in dat een mogelijk groepslid slechts deel uitmaakte van de groep indien hij daartoe uitdrukkelijk de wil te kennen gaf (een instapvereiste), terwijl het optiesysteem met exclusie inhield dat een mogelijk groepslid van rechtswege deel uitmaakte van de groep, tenzij hij uitdrukkelijk aangaf daar geen deel van uit te willen maken (een uitstapvereiste).43 Die wijze van samenstellen van de groep is door de wet van 21 april 2024 evenwel op twee punten grondig gewijzigd.
79. Principiële keuze voor instapvereiste - Om te voorkomen dat de partijen nog lange debatten moeten hebben over welk optiesysteem het meest geschikt is voor een specifieke vordering, heeft de wetgever de principiële keuze gemaakt dat een groep thans steeds moet worden samengesteld op grond van het optiesysteem met inclusie.44 Ook de termijn die consumenten en kmo’s hebben om in de groep te stappen, is nu door de wetgever vastgelegd, zodat daarover geen debat meer gevoerd hoeft te worden.45 Hierdoor is het niet meer mogelijk dat consumenten of kmo’s deel uitmaken van een groep zonder dat zij daar uitdrukkelijk hun toestemming voor gegeven hebben.
Het gebruik van een dergelijke instapvereiste werd niet verplicht door de Richtlijn. Niettemin heeft de Belgische wetgever deze keuze gemaakt. Opvallend is dat de parlementaire voorbereiding vooral het belang benadrukt om, met het oog op de procesefficiëntie, het toepasseljke optiesysteem wettelijk vast te leggen.46 Een inhoudelijke verantwoording voor de keuze voor inclusie blijft evenwel uit. Toch zijn er wel degelijk argumenten om die principiële keuze bij te treden. Ook de Europese Commissie suggereerde dit in haar Aanbeveling van 2013 (zie supra, nr. 5) die mee leidde tot de invoering van de rechtsvordering tot collectief herstel in het Belgisch recht.47 Nadeel van die keuze is weliswaar dat groepsleden die volstrekt onverschillig blijven (en hun keuzerecht niet uitoefenen), niet meer beschermd zullen worden door de rechtsvordering tot collectief herstel. Evenwel zou de schadeafwikkeling ten aanzien van dergelijke passieve groepsleden moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, als zij zelf niet actief stappen zouden ondernemen om zich kenbaar te maken en hun vergoeding op te eisen. Een optiesysteem met inclusie kampt niet met dat probleem, en heeft bijgevolg het voordeel van de eenvoud vergeleken met het alternatieve model.48
Op het voorgaande blijft evenwel één uitzondering bestaan: wanneer de partijen een akkoord tot collectief herstel sluiten, dan kunnen zij op grond van artikel XVII.45, § 3, 7° WER nog steeds bepalen welk optiesysteem van toepassing zal zijn.49 Voor de consumenten die niet gewoonlijk in België wonen en de kmo’s die niet hun hoofdvestiging in België hebben, alsook ingeval de rechtsvordering strekt tot herstel van lichamelijke of morele collectieve schade is het optiesysteem met inclusie evenwel verplicht. Dit was weliswaar reeds het geval voor de wet van 21 april 2024, maar werd - voor wat de consumenten die niet gewoonlijk in België wonen - ook opgelegd door artikel 9.3 van de Richtlijn. Dat het optiesysteem met exclusie beschikbaar blijft voor akkoorden tot collectief herstel, kan het voor verweerders mogelijk aantrekkelijker maken om een dergelijk akkoord te sluiten.50 Niet alleen geeft een akkoord hen immers meer zeggenschap over het te verstrekken herstel, maar zij kunnen daarmee ook meer zekerheid verkrijgen dat daarna geen nieuwe vorderingen meer zullen volgen.
80. Ogenblik van de groepssamenstelling - Daarnaast is ook het ogenblik gewijzigd waarop de mogelijke groepsleden hun wil te kennen moeten geven om in de groep te stappen. Voor de wet van 21 april 2024 werd het optiesysteem door de rechter vastgelegd in de ontvankelijkheidsbeslissing, en dienden groepsleden onmiddellijk na de bekendmaking daarvan in het Belgisch Staatsblad hun keuzerecht uit te oefenen.51 Het was maar na die uitoefening door de consumenten en/of kmo’s dat de partijen onderhandelden over een akkoord tot collectief herstel en de rechter desgevallend uitspraak deed over de grond van de vorderingen.52 Hierdoor bestond er op het ogenblik dat de mogelijke groepsleden hun optierecht moesten uitoefenen, nog een aanzienlijke mate van onzekerheid over de uitkomst van de vordering. Meer nog, indien de vordering ten gronde afgewezen werd, dan had die beslissing gezag van gewijsde ten aanzien van de groepsleden, zodat zij zelf geen nieuwe vordering meer zouden kunnen instellen.53 De wetgever was van oordeel dat mogelijke groepsleden hierdoor minder geneigd zouden zijn om in de groep te stappen, en besliste daarom om het ogenblik van de groepssamenstelling later in de rechtspleging te laten vallen, na een uitspraak ten gronde.54
Hiertoe voerde de wet van 21 april 2024 een nieuw artikel XVII.55/1 WER in, dat nu bepaalt dat mogelijke groepsleden een termijn van vier maanden hebben vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van een beslissing ten gronde om hun keuzerecht uit te oefenen. De mogelijke groepsleden zullen op dat ogenblik reeds zekerheid hebben dat de vorderingen van de groepsvertegenwoordiger (minstens deels) gegrond zijn verklaard, en zouden dan ook meer geneigd moeten zijn om de stap te zetten zich kenbaar te maken.55 Tezelfdertijd verdwijnt daardoor ook de mogelijkheid dat consumenten en/of kmo’s gebonden zouden zijn door het gezag van gewijsde van een uitspraak waarmee hun vorderingen worden afgewezen.56 Daardoor verdwijnt een voordeel voor verweerders en wordt de doelstelling van het centraliseren van procedures door de rechtsvordering tot collectief herstel ondergraven: een uitspraak waarin de vordering van een groepsvertegenwoordiger ongegrond wordt verklaard, zal immers niet voorkomen dat mogelijke benadeelden later nog individuele vorderingen instellen.57
Die wijziging kan dan ook betreurd worden. Onder het nieuwe systeem zullen de partijen in de onderhandelingsfase immers geen zicht hebben op het aantal groepsleden dat herstel wenst te bekomen.58 Daardoor is het moeilijker voor de verweerder om in te schatten waartoe hij zich met een akkoord tot collectief herstel verbindt. Ook voor een groepsvertegenwoordiger zal het moeilijk zijn om in te schatten of het in het licht van de omvang van de groep en vanuit een kosten-batenperspectief nog loont om de rechtspleging voort te zetten.
2° Vermijden tijdsverlies door onderhandelingen
81. Principe - Na een ontvankelijkheidsbeslissing wordt de behandeling van de rechtsvordering tot collectief herstel tijdelijk opgeschort om de partijen de tijd en ruimte te geven om te onderhandelen over een minnelijke schikking vooraleer de rechter zich over de grond van de zaak zal buigen. De wetgever voerde die onderhandelingsfase reeds in 2014 in, omdat hij voorrang wilde geven aan onderhandelde oplossingen en van mening was dat een «afkoelingsperiode» daartoe zou bijdragen.59
82. Probleem - Hoewel de rechter verplicht is om de rechtspleging op te schorten tijdens de onderhandelingsfase, zijn de partijen niet verplicht ook daadwerkelijk te onderhandelen.60 Wanneer een van de partijen niet wenst te onderhandelen, of het onmiddellijk duidelijk wordt dat onderhandelingen niet tot een akkoord zullen kunnen leiden, leidde die onderhandelingsfase echter nodeloos tot tijdverlies.61 Voor de wet van 21 april 2024 bestond er immers geen mechanisme dat toeliet dat de onderhandelingsfase voortijdig beëindigd kon worden.
83. Nieuwe rechterlijke controle - Om dit te voorkomen heeft de wetgever een vierde paragraaf toegevoegd aan artikel XVII.45 WER. Die nieuwe paragraaf bepaalt nu uitdrukkelijk dat de rechter op vraag van één van de partijen een einde kan stellen aan de onderhandelingen voor het verstrijken van de termijn die daarvoor in zijn ontvankelijkheidsbeslissing is bepaald.
Daarvoor is vereist dat de partij die om de beëindiging vraagt, aantoont dat de andere partij minstens dertig werkdagen passief is gebleven. De vraag of een partij passief blijft, is een feitelijke kwestie die tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de rechter behoort.62 Dat begrip «passiviteit» zal ruim ingevuld moeten worden. De wetgever spreekt immers niet alleen over de «passiviteit» (in het eerste lid van art. XVII.45, § 4 WER), maar ook over de «afwezigheid van de wil om te onderhandelen» (in het vierde lid van art. XVII.45, § 4 WER). Nagegaan moet dus worden of alle gedragingen van een partij erop wijzen dat die partij de onderhandeling geen werkelijke slaagkans gunt.63 Zo dekt het begrip niet alleen de situatie waarin een partij volledig weigert te onderhandelen, maar ook waarin een partij formeel betrokken blijft in de onderhandelingen, maar enkel eenzelfde positie blijft herhalen of extreme voorstellen doet die kennelijk onaanvaardbaar zijn voor de tegenpartij.64 Zodra duidelijk is dat een partij niet ernstig meer wenst te onderhandelen, is aan deze voorwaarde voldaan. Het loutere feit dat één van de onderhandelende partijen van mening is dat de onderhandelingen geen slaagkansen meer hebben, toont immers al aan dat die slaagkansen beperkt zijn.
Ook met de bewijslast zal de rechter flexibel moeten omgaan. Zo kan de passiviteit blijken uit de afwezigheid van een reactie op een voorstel of een brief of de stilte van een partij.65 In de meeste gevallen zullen onderhandelingen tijdens de onderhandelingsfase immers in vertrouwelijke briefwisseling of vergaderingen tussen de raadslieden van de partijen plaatsvinden. In die omstandigheden zal het moeilijk zijn voor een partij om aan te tonen dat de andere partij zich geen redelijke inspanningen getroost om verder te onderhandelen.66 In dat geval zal de rechter kunnen voortgaan op de verklaringen van de verzoekende partij dat de onderhandelingen geen vooruitgang meer maken alsook de toelichting door de andere partij(en) (uiteraard met eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de onderhandelingen).
84. Procedurestappen - De partij die om de voortijdige beëindiging van de onderhandelingen vraagt, kan haar verzoek bij eenvoudige schriftelijke verklaring doen.67 De rechter bepaalt vervolgens een rechtsdag binnen de maand, waar de partijen hun standpunt over het verzoek uiteen kunnen zetten. De rechter beslist onmiddellijk na die zitting.68 Het is dus niet de bedoeling dat tijdens die zitting nog conclusietermijnen worden vastgelegd om over het verzoek tot beëindiging te concluderen. Dat zou het verzoek tot voortijdige beëindiging immers nutteloos maken, indien dergelijke termijnen en een nieuwe zitting allicht meer tijd in beslag nemen dan het afwachten van het einde van de onderhandelingstermijn.
B. Kosten en financiering
85. Verschillende wijzen van financiering - In beginsel wordt verwacht dat een bevoegde instantie zelf de rechtsvordering tot collectief herstel bekostigt. De Richtlijn neemt evenwel regels op voor de eventuele financiering van de vordering door derden, de overheid of de groepsleden zelf. Op elk van die drie situaties wordt hieronder verder ingegaan.
1° Financiering door derden
86. Probleemstelling - De individuele groepsleden zijn in beginsel geen partij bij een rechtsvordering tot collectief herstel. Dit leidt tot een aantal uitdagingen die zich in een normaal geding niet voordoen. De groepsvertegenwoordiger zou immers kunnen beslissen om bij bepaalde proceskeuzes andere belangen dan die van de consument voorrang te geven. Dat risico doet zich in het bijzonder voor in gevallen waar andere partijen dan de consument een financieel belang hebben bij de representatieve vordering. De Belgische wetgever wees reeds bij invoering van de rechtsvordering tot collectief herstel in 2014 op de «valkuilen» van het Amerikaanse systeem. Daarbij zijn het vooral advocatenkantoren die de sturende kracht zijn achter class actions, in een streven naar erelonen die in dat systeem als een percentage van de toegekende schadevergoeding worden berekend.69 Ook de Commissie was zich reeds vroeg van dat risico bewust.70
Voor de wet van 21 april 2024 bestonden er geen regels omtrent de financiering van een rechtsvordering tot collectief herstel door een derde.71 Artikel 10 van de Richtlijn laat evenwel toe dat de lidstaten een dergelijke financiering verbieden. Minstens vereist dat artikel dat lidstaten op drie punten regels opnemen omtrent financiering, en meer bepaald (i) ervoor zorgen dat bevoegde instanties steeds onafhankelijk en zonder beïnvloeding of belangenconflicten kunnen optreden, (ii) bepaalde types financiering steeds verboden zijn en (iii) bevoegde instanties in bepaalde omstandigheden transparantie bieden over hun financiering. De Belgische wetgever heeft de financiering van rechtsvorderingen tot collectief herstel niet verboden, maar heeft wel de door de Richtlijn verplichte regels daarrond omgezet.72
87. Groepsvertegenwoordigers moeten belangenconflicten voorkomen - Ten eerste vereist artikel 10.1 van de Richtlijn dat er regels moeten bestaan die belangenconflicten voorkomen, en dat de financiering door derden die een economisch belang hebben bij het instellen of het resultaat van de vordering, er niet toe leidt dat de vordering wordt afgeleid van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten. Artikel 10.2(a) van de Richtlijn verduidelijkt dat daarbij onder meer gewaarborgd moet worden dat de besluiten van bevoegde instanties niet onrechtmatig door een derde worden beïnvloed ten nadele van de collectieve belangen van de groepsleden. Een gelijkaardige verplichting wordt ook opgelegd door artikel 4.3 van de Richtlijn, dat de voorwaarden bepaalt waaraan een rechtspersoon moet voldoen om als bevoegde instantie voor grensoverschrijdende vorderingen te worden erkend. Dat artikel bepaalt dat een rechtspersoon enerzijds onafhankelijk dient te zijn en niet beïnvloed mag worden door personen die geen consumenten zijn, met name handelaren, en die een economisch belang hebben bij het instellen van de vordering, en anderzijds moet beschikken over procedures die dergelijke beïnvloeding voorkomen en die belangenconflicten tussen zijn eigen belangen, die van zijn financiers en de consumentenbelangen voorkomen.
88. Inhoud van de verplichting - De verplichting om onafhankelijk op te treden is zeer ruim. Zo verwijst overweging 52 van de Richtlijn bijvoorbeeld naar de financiering door leden van een bevoegde instanties of door donaties. De verplichting om onafhankelijk op te treden gaat overigens ook verder dan financiering alleen. Ook wanneer een groepsvertegenwoordiger om andere redenen de belangen van een andere persoon (bijvoorbeeld een verbonden vereniging) dreigt voorrang te verlenen op de belangen van de groepsleden, is hij niet meer onafhankelijk. De processen die een groepsvertegenwoordiger dient op te zetten, moeten voorkomen dat de groepsvertegenwoordiger de belangen van dergelijke derden mee in rekening neemt bij zijn besluitvorming. Die processen moeten niet enkel formeel aanwezig zijn, maar moeten ook daadwerkelijk gevolgd worden.
89. Verbod op financiering door een concurrent of een partij die afhankelijk is van de verweerder - Ten tweede bepaalt artikel 10.2 van de Richtlijn dat altijd verboden zijn de vorderingen die zijn ingesteld tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is. In die gevallen kan er immers van worden uitgegaan dat de concurrent een belang heeft dat niet overeenstemt met het belang van de consument. De wetgever heeft die bepaling niet afzonderlijk omgezet in Boek XVII WER. Gelet op de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging73 zal de rechter evenwel de erkenningsvoorwaarde in XVII.1, § 3 WER zo moeten uitleggen dat een dergelijke financiering steeds een schending uitmaakt daarvan.
90. Transparantieverplichting - De rechter dient uiteraard over voldoende informatie te beschikken om te kunnen beoordelen of er een risico is voor de onafhankelijkheid van de bevoegde instantie, en of de bevoegde instantie afdoende processen heeft om beïnvloeding en belangenconflicten tegen te gaan.74 Artikel 4.3(f) van de Richtlijn vereist daarom dat bevoegde instanties via passende middelen en in duidelijke en begrijpelijke taal informatie openbaar maken waaruit blijkt dat zij aan de erkenningsvoorwaarden voor een bevoegde instantie voldoen, waaronder dus ook de verplichting onafhankelijk te zijn en de nodige processen te hebben om beïnvloeding en belangenconflicten tegen te gaan. Artikel 10.3 van de Richtlijn bepaalt ook dat de bevoegde instantie een overzicht aan de rechter moet bezorgen met alle financieringsbronnen waarop een beroep is gedaan om de representatieve vordering te ondersteunen.
De wet van 21 april 2024 heeft die twee verplichtingen omgezet naar Belgisch recht. Enerzijds heeft die wet een nieuw 6° toegevoegd in artikel XVII.42, § 1 WER, dat de punten bevat die een verzoeker verplicht dient op te nemen in de gedinginleidende akte voor een rechtsvordering tot collectief herstel. Op grond daarvan is de groepsvertegenwoordiger thans verplicht om in zijn verzoekschrift tot collectief herstel te vermelden of de vordering al dan niet gefinancierd wordt door een derde en, zo ja, wie de financier is alsook de bedragen die hij financiert. Daarnaast vereist artikel XVII.1, §§ 3 en 5 WER dat groepsvertegenwoordigers informatie openbaar maken over hun financieringsbronnen in het algemeen.
2° Overheidssteun
91. Verplichting op grond van de Richtlijn - Artikel 20.1 van de Richtlijn verplicht de lidstaten om ervoor te zorgen dat de procedurekosten in verband met representatieve vorderingen niet beletten dat bevoegde instanties ook daadwerkelijk vorderingen instellen. De wet van 21 april 2024 voert evenwel geen afzonderlijke regels in met betrekking tot de gerechtskosten of andere kosten voor een rechtsvordering tot collectief herstel. Bijgevolg blijven de gewone regels zoals die in het Gerechtelijk Wetboek zijn opgenomen, en in het bijzonder de regels met betrekking tot de rechtsplegingvergoeding, van toepassing.75
92. Overheidssteun - Luidens artikel 20.2 van de Richtlijn kunnen de maatregelen die bedoeld zijn in artikel 20.1 van de Richtlijn, ook de vorm aannemen van overheidsfinanciering door structurele steun aan bevoegde instanties of de toegang tot rechtsbijstand. De invoering van een dergelijke overheidssteun is evenwel optioneel.76 De Belgische wetgever heeft ervoor gekozen om geen gebruik te maken van deze optie.
3° Financiering door de individuele consument
93. Bijdrage bij toetreding van de consument - Een derde vorm van mogelijke financiering zou hebben kunnen bestaan uit de bijdrage door de individuele groepsleden in de kosten die de groepsvertegenwoordiger maakt. Artikel 20.3 van de Richtlijn voorziet immers uitdrukkelijk dat de lidstaten het mogelijk kunnen maken dat aan consumenten die te kennen hebben gegeven dat zij door een bevoegde instantie willen worden vertegenwoordigd, een bescheiden inschrijvingsvergoeding of soortgelijke vergoeding voor deelname aan de vordering zou kunnen worden gevraagd.
Verschillende lidstaten hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Zo mogen bevoegde instanties voor Ierse representatieve vorderingen een bijdrage van de consument vragen van hoogstens 25 euro.77 De Deense wetgever heeft eveneens een bijdrage door de groepsleden mogelijk gemaakt.78 Daar ligt het plafond evenwel op 800 Deense kronen, ofwel net iets meer dan 100 euro.79 De Oostenrijkse wetgever, die ook een bijdrage door de groepsleden mogelijk maakt, heeft dan weer voor een dubbele grens gekozen van hoogstens 20% van het gevorderde bedrag of 250 euro.80
De Belgische wetgever heeft evenwel geen gelijkaardig systeem ingevoerd. In het kader van een Belgische rechtsvordering tot collectief herstel kan een groepsvertegenwoordiger dan ook geen bijdrage in de kosten verkrijgen van de groepsleden.
94. Veroordeling van een groepslid tot de kosten - Artikel 12.3 van de Richtlijn vereist dat de lidstaten het mogelijk maken dat aan een individuele consument die bij een representatieve vordering tot herstel is betrokken, in uitzonderlijke omstandigheden kan worden opgedragen de procedurekosten te betalen die zijn veroorzaakt door zijn eigen opzettelijk of nalatig gedrag. Het gaat om een dwingende bepaling, die de wetgever bijgevolg verplicht was om te zetten naar Belgisch recht.
Om hieraan tegemoet te komen, heeft de wet van 21 april 2024 een nieuw artikel XVII.61, § 4 WER ingevoerd. Dat artikel is bijna een woordelijke weergave van artikel 12.3 van de Richtlijn en maakt het bijgevolg mogelijk dat de rechter een groepslid kan veroordelen tot betaling van de kosten en uitgaven, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, die zijn veroorzaakt door zijn eigen opzettelijk of nalatig gedrag. Aangezien de groepssamenstelling sinds de wet van 21 april 2024 maar plaatsvindt ná de beslissing over de ontvankelijkheid en de gegrondheid, kan een dergelijke veroordeling enkel daarna gebeuren.81 Daarnaast zal een groepslid in elk geval geen formele partij zijn bij de rechtspleging.82 Daardoor moet dat het groepslid eerst in tussenkomst worden gedagvaard door de partij die zijn aansprakelijkheid wil inroepen. Artikel XVII.66, § 2, 4° WER bepaalt uitdrukkelijk dat een dergelijke vordering tot tussenkomst ontvankelijk is.
95. Opzettelijk of nalatig gedrag van het groepslid - De vraag rijst dan wanneer een groepslid tot betaling van de kosten en uitgaven veroordeeld kan worden. Zowel de Richtlijn als artikel XVII.61, § 4 WER spreken enkel van kosten die zijn «veroorzaakt door zijn eigen opzettelijk of nalatig gedrag». Wat dergelijk opzettelijk of nalatig gedrag is, is een feitenkwestie die binnen de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de rechter valt. De wetgever overwoog evenwel dat het slechts om «zeer uitzonderlijke gevallen» zou gaan,83 zodat niet elk nalatig gedrag van een groepslid gedekt is. Enkel het handelen of nalaten te handelen dat geen enkel redelijk vooruitziend en zorgvuldig groepslid in dezelfde omstandigheden zou hebben gesteld, zal aanleiding geven tot vergoeding. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het aanleveren van kennelijk onjuiste gegevens voor de inschrijving op de lijst van groepsleden, die nodeloos aanleiding geven tot betwisting.
Daarnaast moet het gaan om het gedrag van een groepslid. Consumenten of kmo’s die uiteindelijk blijken geen deel uit te maken van de groep, kunnen op grond van artikel XVII.61, § 4 WER dus niet veroordeeld worden, al blijven zij mogelijk aansprakelijk onder de algemene aansprakelijkheidsregels. Die lezing lijkt ook bevestigd te worden door artikel 20.3 van de Richtlijn, dat bepaalt dat het gaat om «een bij een representatieve vordering met het oog op herstelmaatregelen betrokken individuele consument», en dus niet om derden die uiteindelijk niet bij de vordering betrokken zijn.
96. Kosten waartoe het groepslid kan worden veroordeeld - Artikel XVII.61, § 4 WER spreekt over de kosten die zijn «veroorzaakt» door het gedrag van het groepslid. Het gaat bijgevolg enkel om kosten die de groepsvertegenwoordiger of de verweerder niet zou hebben opgelopen indien het gelaakte gedrag van het groepslid niet had plaatsgevonden. Kosten die de groepsvertegenwoordiger of de verweerder in elk geval had moeten dragen, komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. Niettemin bepaalt artikel XVII.61, § 4 WER uitdrukkelijk dat deze kosten ook een rechtsplegingsvergoeding kunnen omvatten. Dat ligt voor de hand, aangezien door de gedwongen tussenkomst een nieuwe procesverhouding tussen het groepslid en de gedaagde ontstaat.
VI. Besluit
97. Tot slot - Op EU-vlak is de Richtlijn een mijlpaal te noemen in de evolutie van de consumentenbescherming. Na decennia aan initiatieven zorgt de Richtlijn er eindelijk voor dat alle EU-lidstaten een mechanisme ter beschikking hebben dat toelaat dat schadevergoedingen worden gevorderd namens een groep van consumenten. Op Belgisch vlak is de Richtlijn een stuk minder ingrijpend. België kende reeds een regime van enerzijds stakingsvorderingen en anderzijds rechtsvorderingen tot collectief herstel dat in grote mate overeenstemde met de vereisten van de Richtlijn. Desalniettemin brengt de omzetting van de Richtlijn door middel van de wet van 21 april 2024 enkele belangrijke vernieuwingen aan in het Belgische recht, enerzijds om de Richtlijn om te zetten en anderzijds om de rechtspleging vlotter te doen verlopen.
De tweedeling tussen stakingsvorderingen en rechtsvorderingen tot collectief herstel blijft ook na de wet van 21 april 2024 bestaan. Beide types vorderingen zijn weliswaar in zo groot mogelijke mate gelijkgeschakeld, maar blijven gelet op hun specifieke aard verschillen vertonen. Daarnaast blijft ook een tweedeling bestaan tussen vorderingen die worden ingesteld namens consumenten en vorderingen die worden ingesteld namens kmo’s. Hoewel ook hier beide regimes in grote mate gelijkgeschakeld zijn, was het niet mogelijk consumenten en kmo’s volledig gelijk te behandelen. De Richtlijn heeft immers enkel betrekking op vorderingen namens consumenten en bepaalde grensoverschrijdende elementen daarvan - zoals de mogelijkheid voor Belgische bevoegde instanties om ook in het buitenland representatieve vorderingen in te stellen - en kunnen dus niet gerepliceerd worden voor kmo’s. De aanpak die de wetgever gehanteerd heeft, met behoud van een tweedeling langs twee assen (stakingsvordering/rechtsvordering tot collectief herstel en consumenten/kmo’s), lijkt de juiste. Die aanpak combineert uniformiteit waar mogelijk met specifieke regels waar nodig.
1 Zie o.m. Stuyck J. en Keirsbilck B., Handels- en economisch recht. Deel 2 Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken en contracten met consumenten, Wolters Kluwer, 2024, 161, nr. 112.
2 Zie hierover o.m. Krans H.B., «De druk van de ketel», NTBR 2014/4, nr. 15, nr. 1.
3 Zie bv. art. 730/1, § 1 Ger.W. over het bevorderen van een minnelijke oplossing in elke stand van het geding, art. 444, tweede lid Ger.W. over de informatieplicht van de advocaat over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van geschillenoplossing (art. 444, tweede lid Ger.W.) en het ambtshalve opleggen door de rechter van een gerechtelijke bemiddeling, tenzij alle partij daartegen gekant zijn (art. 1734, tweede lid Ger.W.).
4 Ibid.: Steennot R., «Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van de consument» in Steennot R. en Bruloot D. (eds.), 50e postuniversitaire cyclus Willy Delva - Economisch recht, Intersentia, 2025, (83) 95, nr. 27.
5 Voor een aantal toepassingen waarin de stakingsrechter oordeelde dat dit niet het geval was bij een vordering tot publicatie van het vonnis, zie Philipsen G. en Stuyck J., «Art. XVII.4 WER» in Steennot R. et al. (eds.), Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer, 2025, 5, nr. 8.
6 Wetsontwerp, 12.
7 Zie o.m. Carroll R. en Berryman J, «Making Amends by Apologising for Defamatory. Publications - Developments in the 21st Century» in Barker K. et al. (eds.), Private Law in the Twenty First Century, Hart Publishing, 2017, (479) 481.
8 SIEBURGH C., Mr. C. Assers handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. deel IV. De Verbintenis uit de Wet, Wolters Kluwer, 2023, nr. 302.
9 Vgl. Philipsen G. en Stuyck J., «Art. XVII.4 WER» in Steennot R. et al. (eds.), Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer, 2025, 5, nr. 8.
10 Vgl. Lindenbergh S., «Commentaar op art. 6:167 BW», T&C BW, Wolters Kluwer, 2025, para. 2.c: «De rechter stelt de tekst van de rectificatie vast, veelal aan de hand van een door eiser geformuleerde concept-rectificatie.».
11 Wetsontwerp, 23.
12 Stuyck J. en De Meese J., «Vordering tot staking» in Van Den Bossche M.-C. en De Backere C. (eds.), Proces- en bewijsrecht; capita selecta, Kluwer, 2019, (177) 199, nr. 52.
13 De verplichting uit artikel 19 van de Richtlijn om ook in sancties te voorzien bij nalatigheid of weigering om toegang tot bewijs te verlenen, werd niet omgezet in het Belgische recht. De wetgever achtte dit overbodig gelet op de bestaande mogelijkheden tot het opleggen van een dwangsom (art. 1385bis Ger.W.) en een burgerlijke geldboete bij onrechtmatig procesgedrag (art. 780bis Ger.W.) (wetsontwerp, 10). Hoewel dat argument te begrijpen is, kan het evenzeer worden gemaakt voor de niet-naleving van stakingsbevelen, althans wat de dwangsom betreft. Niettemin is er voor de niet-naleving van stakingsbevelen wel een specifieke sanctie ingevoerd, zodat er een verschil in behandeling ontstaat met de andere verplichtingen uit artikel 19. Bovendien ontbreekt consistentie met de Richtlijn 2014/104 inzake schadevorderingen voor inbreuken op het mededingingsrecht, die wel werd omgezet via een specifieke sanctiebepaling. Artikel XVII.81, 1° WER voorziet immers uitdrukkelijk in geldboeten van 1.000 tot 10.000.000 euro bij niet-naleving van een door een rechter uitgevaardigd bevel tot overlegging van bewijsmateriaal.
14 Volgens art. 19.2 van de Richtlijn «zorgen de lidstaten ervoor dat sancties onder meer de vorm kunnen aannemen van boeten». Overweging 69 verduidelijkt dat dit onder meer voorwaardelijke boeten, periodieke betalingen en dwangsommen kan omvatten.
15 MvT, 10.
16 Steennot R., «Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van de consument» in Steennot R. en Bruloot D. (eds.), 50e postuniversitaire cyclus Willy Delva - Economisch recht, Intersentia, 2025, (83). Voor een toepassing, zie o.m. Vz. Kh. Brussel 25 juni 1998, Jaarboek handelspraktijken 1998, 601.
17 Voet S. en Allemeersch B., «Consumenten en class action in het WER» in Roesems J. (ed.), Transacties en geschillenbeslechting in het Wetboek van economisch recht, Intersentia, 2016, (151) 170; Tallon A., «De handhaving van de regelen van de consumentenbescherming» in Straetmans G. en Steennot R. (eds.), Wetboek economisch recht en de bescherming van de consument, Intersentia, 2015, 324; De Baere E., Maertens A.-S. en Willems K., «Belgische class action. Tien pijnpunten», NJW 2015/326, (522) 526; Voet S., «De rechtsvordering tot collectief herstel: toe passingsgebied, hoedanigheid en ontvankelijkheidsvoorwaarden» in Rozie J., Rutten S. en Van Oevelen A., (eds.), Class actions, Intersentia, 2015, 36; Hofströssler P., «L’action en réparation collective: la procédure» in Englebert J. en Fagnart J., L’action en réparation collective, Anthemis, 2015, 48; Danis F. en Lefevre F., «The new Belgian class action», TRNI 2015, afl. 2, 143.
18 Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, (604), 616; Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 517; Stynen C., «De wet van 28 maart 2014 betreffende de rechtsvordering tot collectief herstel» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (35) 49; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 79; Hendrix G. en Taton X., «De rechtsvordering tot collectief herstel - Overzicht van rechtspraak (2014-2020)», TBH 2020/7, 874.
19 Nl. Rb. Brussel 4 april 2016, AR nr. 2015/4019/A, BS 28 juni 2016, 39.309.
20 Fr. Orb. 7 december 2020, A.R. A/19/02564, onuitg.
21 Nl. Rb. Brussel 18 december 2017, AR nr. 16/2706/A, BS 8 mei 2018, 38.827.
22 Wetsontwerp, 37.
23 Wetsontwerp, 36.
24 Hendrix G.-J. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, 231; Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 517; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97) 115.
25 Boularbah H. en Van Den Bossche M.-C., «De rechtsvordering tot collectief herstel: law in action» in X, Tendensen in het bedrijfsrecht. Het economisch recht in beweging, Larcier, 2017, 51.
26 Art. XVII.43, § 1, eerste lid WER.
27 Hendrix, G., «Commentaar bij artikel 735 Ger.W. - Behandeling in korte debatten» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger., Wolters Kluwer, 2025, 4.
28 Wetsontwerp, 37; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 114.
29 Hendrix G.-J., «Commentaar bij artikel 735 Ger.W. - Behandeling in korte debatten» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger., Wolters Kluwer, 2025, 16.
30 Wetsontwerp, 37: «De toepassing van de korte debattenrechtspleging geeft de rechter wel meer armruimte (en agendamogelijkheden) om (te) lange conclusietermijnen in die eerste ontvankelijkheidsfase te vermijden.».
31 Allemeersch B. en Dethier S., «Commentaar bij artikel 747 Ger.W. - De kalenderregeling» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger., Wolters Kluwer, 2025, 18.
32 Wetsontwerp, 37; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 79.
33 Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, 374, nr. 789.
34 Allemeersch B. en Dethier S., «Commentaar bij artikel 747 Ger.W. - De kalenderregeling», Comm.Ger. 2025/1, 26.
35 Hendrix G.-J. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, 230.
36 Wetsontwerp, 26.
37 Rb. Brussel 18 december 2017, AR nr. 16/2706/A, BS 8 mei 2018, 38.832-38.833; Rb. Brussel 4 april 2017, AR nr. 16/4461/A, DCCR 2017/117, 154; Rb. Brussel 27 februari 2017, AR nr. 16/2706/A, onuitg., 16; Boularbah H. en Van Den Bossche M.-C., «De rechtsvordering tot collectief herstel: law in action» in X, Tendensen in het bedrijfsrecht. Het economisch recht in beweging, Larcier, 2017, 63; De Baere E., De Belgische class action, Kluwer, 2017, 96; Boularbah H., «Le cadre et les conditions de l’action en réparation collective» in Englebert J. en Fagnart J.-L., L’action en réparation collective, Anthemis, 2015, 28; Voet S., «De rechtsvordering tot collectief herstel: toepassingsgebied, hoedanigheid en ontvankelijkheidsvoorwaarden» in Rozie J., Rutten S. en Van Oevelen A. (eds.), Class actions, Intersentia, 2015, 40; Danis F., Falla E. en Lefevre F., «Introduction aux principes de la loi relative à l’action en réparation collective et premiers commentaires critiques», TBH 2014/6, 573; Falla E., «Le recours collectif en droit de la consommation. Présentation de la loi belge» in Puttemans A., Le droit de la consommation dans le nouveau Code de droit économique, Bruylant, 2014, 144.
38 Art. 20 Wet 21 april 2024; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 109.
39 Wetsontwerp, 26.
40 Hendrix G. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, (220) 224; Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, 774, nr. 790 en 384, nr. 807.
41 Wetsontwerp, 28; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 103.
42 Boularbah H. en Van Den Bossche M.-C., «De rechtsvordering tot collectief herstel: law in action» in X, Tendensen in het bedrijfsrecht. Het economisch recht in beweging, Larcier, 2017, 81; F. Danis, E. Falla en F. Lefevre, «Introduction aux principes de la loi relative à l’action en réparation collective et premiers commentaires critiques», TBH 2014/6, 566-567.
43 Hendrix G. en Taton X., «De rechtsvordering tot collectief herstel - Overzicht van rechtspraak (2014-2020)», TBH 2020/7, 887.
44 Wetsontwerp, 46; Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 519.
45 Wetsontwerp, 46.
46 Wetsontwerp, 26.
47 Zie (21) van de Aanbeveling: «De eisende partij wordt samengesteld op basis van de uitdrukkelijke instemming van de natuurlijke personen of rechtspersonen die aanvoeren te zijn benadeeld («opt-in»- beginsel).».
48 De Baere E., De Belgische class action, Kluwer, 2017, 148, nr. 169.
49 Wetsontwerp, 29; Brichart C. en Claeys I., «De uitgestelde groepsvorming in de procedure tot collectief herstel: als de oplossing het probleem wordt» in Vandenbussche W. et al., Puur Procesrecht. Liber Amicorum Piet Taelman, Wolters Kluwer, 2025, (541) 544; Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, (604), 611; Kesteloot J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 516; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 78.
50 Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. e.a. (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman - puur procesrecht, Wolters Kluwer, 2025, (604), 611; Voet S., «The Revised Class Action Regime in Belgium: Harder, Better, Faster, Stronger?», Mass Claims Journal 2024/2, 78.
51 Oud art. XVII.43, § 2, 7° en § 3 WER.
52 De Baere E., De Belgische class action, Kluwer, 2017, 27.
53 Stynen C., «De wet van 28 maart 2014 betreffende de rechtsvordering tot collectief herstel» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (35) 38; De Baere E., De Belgische class action, Kluwer, 2017, 27.
54 Wetsvoorstel, 45.
55 Brichart C. en Claeys I., «De uitgestelde groepsvorming in de procedure tot collectief herstel: als de oplossing het probleem wordt» in Vandenbussche W. et al., Puur Procesrecht. Liber Amicorum Piet Taelman, Wolters Kluwer, 2025, (541) 544; Kesteloot, J.P. en Van Themsche C., «L’action en réparation collective revisitée à l’aune de la loi du 21 avril 2024», JT 2024/6994, (513) 519; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 101.
56 Brichart C. en Claeys I., «De uitgestelde groepsvorming in de procedure tot collectief herstel: als de oplossing het probleem wordt» in Vandenbussche W. et al., Puur Procesrecht. Liber Amicorum Piet Taelman, Wolters Kluwer, 2025, (541), 547.
57 Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 103.
58 Brichart C. en Claeys I., «De uitgestelde groepsvorming in de procedure tot collectief herstel: als de oplossing het probleem wordt» in Vandenbussche W. et al., Puur Procesrecht. Liber Amicorum Piet Taelman, Wolters Kluwer, 2025, (541) 548.
59 Wetsontwerp tot invoeging van titel 2 «Rechtsvordering tot collectief herstel» in boek XVII Bijzondere gerechtelijke procedures» van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht, KAMER, 2013-2014, 17 januari 2014, nr. 53-3300/001, 33; Voet S., «De herziene Belgische rechtsvordering tot collectief herstel: mooier en beter?» in Vandenbussche W. et al., Puur Procesrecht. Liber Amicorum Piet Taelman, Wolters Kluwer, 2025, (604) 612; De Baere E., «Artikel XVII.45-XVII.48 WER» in Steennot R. et al (eds.), Comm.Econ., Wolters Kluwer, 2019, 4.
60 Wetsontwerp tot invoeging van titel 2 «Rechtsvordering tot collectief herstel» in boek XVII Bijzondere gerechtelijke procedures» van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht, KAMER, 2013-2014, 17 januari 2014, nr. 53-3300/001, 28; Hofströssler P., «L’action en réparation collective: la procédure» in Rozie J., Rutten S. en Van Oevelen A. (eds.), Class actions, Intersentia, 2015, 57.
61 Wetsontwerp, 41.
62 Wetontwerp, 41; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 117.
63 Hendrix G.-J. en Danis F., «De wet van 21 april 2024 en de omzetting van de Europese Richtlijn Representatieve Vorderingen: een opknapbeurt voor de rechtsvordering tot collectief herstel tien jaar na haar inwerkingtreding», TBH 2025/2, (220) 233.
64 Ibid.
65 Wetontwerp, 41; Stynen C., «La nouvelle loi du 21 avril 2024 transposant la directive «actions représentatives»» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (97), 117.
66 Zie over de gelijkaardige problematiek in het geval van bemiddeling: Meuwissen W., «De gerechtelijke bemiddeling (commentaar bij artikel 1735 Ger.W.)» in Vandenbussche W. (ed.), Comm.Ger., Wolters Kluwer, 2024, 5.
67 Art. XVII.45, § 4, tweede lid WER.
68 Art. XVII.45, § 4, derde lid WER.
69 Wetsontwerp, 12.
70 Groenboek over collectief verhaal voorconsumenten van de Europese Commissie van 27 november 2008, (COM(2008) 794 definitief, 15, nr. 52.
71 Lefèvre F. en Croisant G., «Le «third party funding», une solution aux problèmes des coûts de l’action en réparation collective pour le représentant», TBH 2018/4, 350; Deprince A., «Third Party Litigation Funding (TPLF): stand van zaken», P&B 2017/4, 150, nr. 50.
72 Wetsontwerp, 35.
73 HvJ 13 november 1990, C-106/89, ECLI:EU:C:1990:395, Marleasing, nr. 8.
74 Rager Y., «La nouvelle directive européenne relative aux actions représentatives visant à protéger les intérêts collectifs des consommateurs» in Plasschaert E., Eyskens W. en Stuyck J. (eds.), Collectief procederen in België: een kritisch overzicht, Intersentia, 2024, (59), 93.
75 Brussel 30 januari 2019, BS 20 februari 2019, afl. 2, 17.763.
76 Overw. 70 van de Richtlijn.
77 Art. 29 Representative Actions for the Protections of the Collective Interests of Consumers Act 2023, https://www.irishstatutebook.ie/eli/2023/act/22/enacted/en/print#sec29; Art. 1 Representative Actions for the Protection of the Collective Interests of Consumers Act 2023 (Section 29) (Maximum Fee) Regulations 2024, https://www.irishstatutebook.ie/eli/2024/si/183/made/en/print.
78 Art. 16(5) Lov om adgang til anlæggelse af gruppesøgsmål til beskyttelse af forbrugernes kollektive interesser, https://www.retsinformation.dk/eli/lta/2023/406.
79 Art. 4 Bekendtgørelse om godkendelse af myndigheders og organisationers adgang til anlæggelse af gruppesøgsmål til beskyttelse af forbrugernes kollektive interesser, https://www.retsinformation.dk/eli/lta/2023/769.
80 Art. 9(4) Bundesgesetz über Qualifizierte Einrichtungen zur kollektiven Rechtsverfolgung, https://www.ris.bka.gv.at/eli/bgbl/I/2024/85/20240717.
81 De voorbereidende werken geven aan dat een dergelijke veroordeling van een groepslid in het vonnis tot beëindiging van de procedure zal worden opgenomen (Wetsontwerp, 46). Op grond van art. XVII.60 WER blijft de rechter evenwel gevat tot de volledige uitvoering van het gehomologeerde akkoord tot collectief herstel of van de beslissing ten gronde. In dat kader is het mogelijk dat de rechter over een reeks tussengeschillen uitspraak moet doen, zoals bijvoorbeeld over de betwisting van de inschrijving van bepaalde consumenten en/of kmo’s op die lijst op grond van art. XVII.58, § 4 WER. Niets staat eraan in de weg dat de rechter reeds in een dergelijke beslissing uitspraak doet over de aansprakelijkheid van een aanvaard groepslid, of dat de rechter in een afzonderlijke tussenbeslissing daarover uitspraak zou doen.
82 Wetsontwerp, 46.
83 Wetsontwerp, 47.