Omschrijving
Het verbod op sociale media in Frankrijk: een stilgeboren kind
Jaargang
2026 - 2027 (90)
Pagina
162
Auteur(s)
E. Forson
Trefwoorden

RECHTEN VAN DE MENS

RECHTEN VAN DE MENS / Recht op vrijheid van meningsuiting

Bijkomende informatie

Actualiteit

Coördinatie: Vincent Sagaert

Het verbod op sociale media in Frankrijk: een stilgeboren kind

Het socialemediaverbod in Frankrijk zag nog maar net het levenslicht op 21 juli, maar stierf een stille dood na een negatieve beslissing van de Conseil Constitutionnel (Beslissing nr. 2026-911 DC, 14 augustus 2026). Frankrijk mist hierbij een kans om een voortrekkersrol te spelen in de Europese Unie.

Na een eerdere poging met de Marcangeli-wet (nr. 2023-566, 7 juli 2023), die op Europeesrechtelijke bezwaren stuitte, startte in november 2025 een versnelde wetgevingsprocedure voor het aannemen van een socialemediaverbod onder 15 jaar. Helaas heeft dit haastige werk tot een onvoldoende (grondwettelijk) robuuste wetgeving geleid.

De wetgever liet vooreerst na om de modaliteiten van de leeftijdscontrole te specificeren, waardoor de Grondwettelijke Raad een schending van het recht op privacy vaststelde. Deze lacune kan echter worden verklaard door de verregaande Europese harmonisatie voor leeftijdscontrole in artikel 28 DSA en de bijbehorende richtsnoeren.

Daarnaast oordeelt de Raad dat het verbod op disproportionele wijze het recht op vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie van het kind schendt, zoals beschermd door artikel 11 van de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen (1789). Dit recht omvat eveneens het recht op de toegang tot socialemediaplatforms, aangezien hierop ideeën en meningen vrij kunnen worden verspreid.

Hoewel de Grondwettelijke Raad het nagestreefde doel - namelijk het beschermen van het belang van het kind (art. 3 IVRK) en de openbare orde-legitiem acht, vormt het verbod een disproportionele beperking op de vrijheid van meningsuiting. Het verbod is eerst en vooral opgevat als een absoluut verbod voor alle socialemediaplatforms. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen hoog- of laagrisicoplatforms, rekening houdend met allerhande factoren zoals de soort inhoud, aanbevelingssystemen en verslavende elementen.

Daarnaast kunnen ouders of wettelijke vertegenwoordigers van het kind op geen enkele manier afwijken van het verbod of voorzien in bepaalde toegangsvoorwaarden. De wet houdt dus geen rekening met de rol van de ouder, die het best geplaatst is om de gevaren in te schatten op basis van de leeftijd, maturiteit en familiale situatie van het kind. De Raad lijkt hier te refereren aan één van de kernprincipes uit het IVRK, namelijk de verplichting om als Staat steeds rekening te houden met de ontwikkelende vaardigheden van het kind (art. 5 IVRK).

Het is opvallend dat deze punten net wél werden aangepakt in een eerdere versie van de wet, aangenomen door de Franse Senaat. Die tekst voorzag in een tweeledig systeem, met een absoluut verbod onder 15 jaar voor de meest schadelijke platforms en een relatief verbod dat afhing van ouderlijke toestemming voor de toegang tot minder schadelijke platforms. De Franse regering hield echter vast aan haar idee van een absoluut verbod voor alle socialemediaplatforms.

De beslissing van de Raad betekent niet meteen het doodsvonnis voor alle socialemediaverboden. De Vlaamse regering heeft alleszins een meer proportioneel verbod voor ogen. Het ontwerp van decreet, dat op 26 juni voor de tweede maal werd goedgekeurd (VR 2026 2606 DOC.0712/2), voorziet in een minimumleeftijd van 13 jaar voor de toegang tot tussenhandeldiensten (art. 3(g) DSA). Enkel de tussenhandeldiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kunnen aantasten, zullen verboden worden onder 13 jaar, waardoor uitsluitend de meest schadelijke platforms worden geviseerd. De leeftijd van 13 jaar, in tegenstelling tot 15 jaar in Frankrijk, wordt ook ondersteund door wetenschappelijk onderzoek, zoals het recente advies van de Hoge Gezondheidsraad. Hoewel de rol van de ouder niet expliciet in het ontwerp aan bod komt, kan dit worden verklaard door het feit dat ouders in principe nu al toestemming moeten geven voor de gegevensverwerking van hun kinderen onder 13 jaar (art. 8 AVG en art. 7 wet van 30 juli 2018). In de praktijk wordt deze verplichting echter onvoldoende afgedwongen ten aanzien van de platforms.

Op vlak van proportionaliteit scoort het Vlaamse ontwerp van decreet dus al beter dan zijn Franse tegenhanger. Daarmee is de klus echter niet geklaard. De Raad van State moet nog advies geven over het ontwerp van decreet, waar ook andere elementen roet in het eten kunnen gooien, met name de mate van harmonisatie door de DSA en Belgische bevoegdheidsrechtelijke hindernissen.

Esther Forson, doctoraatsonderzoeker KU Leuven