Omschrijving
Bestuursregeling in gemeenschapsstelsels
Jaargang
2026 - 2027 (90)
Pagina
242
Auteur(s)
A. Van Thienen
Trefwoorden

HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS

Bijkomende informatie

Bestuursregeling in gemeenschapsstelsels

Annette Van Thienen

Advocaat

Praktijkassistente UGent

In het wettelijk stelsel, en ruimer in gemeenschapsstelsels, geldt een specifieke bestuursregeling waarin de gezinsbelangen vooropstaan en die een evenwicht inhoudt tussen individuele autonomie en echtelijke solidariteit. De echtgenoten beheren hun eigen vermogen alleen, terwijl voor het gemeenschappelijk vermogen in de regel het concurrentiële bestuur geldt waarbij beide echtgenoten onafhankelijk handelen in het belang van het gezin. Op het concurrentiële bestuur zijn uitzonderingen. Enerzijds geldt voor sommige handelingen alleenbestuur ter bescherming van de autonomie van de echtgenoten. Anderzijds geldt gezamenlijk bestuur voor zwaarwichtige handelingen. Essentieel binnen dit gezamenlijk bestuur is het toestemmingsvereiste, beide echtgenoten moeten immers toestemmen met de bedoelde rechtshandelingen. Het recente arrest van het Hof van Cassatie van 1 december 2025 heeft duidelijkheid gebracht over de precieze aard van de vereiste toestemming en wat de gevolgen zijn indien niet aan deze voorwaarde is voldaan.

I. Bestuursregeling in gemeenschapsstelsels

In gemeenschapsstelsels zijn er drie vermogens. Naast het eigen vermogen van elk van de echtgenoten is er een gemeenschappelijk vermogen.

Het bijzondere aan deze stelsels is dat het gemeenschappelijk vermogen een sui-generis-karakter heeft. Het is een doelgebonden en bestemmingsgebonden vermogen dat blijft bestaan gedurende de gehele duur van het stelsel. Het gemeenschappelijk vermogen is nochtans geen gemeenrechtelijke onverdeeldheid en evenmin is het een vorm van mede-eigendom, het heeft ook geen rechtspersoonlijkheid.1

Dit specifieke sui-generis-karakter van het gemeenschappelijk vermogen brengt ook een eigen wettelijke regeling met zich mee inzake de samenstelling, de rechten van derden, het bestuur en de vereffening en verdeling ervan, die geldt als lex specialis.

In deze bijdrage wordt ingegaan op de bestuursregeling in het wettelijk stelsel. Deze weerspiegelt de visie van de wetgever op de essentie van het wettelijk stelsel. De gelijkheid van de echtgenoten staat daarbij centraal. Daarnaast zocht de wetgever naar het evenwicht tussen onderlinge solidariteit, individuele zelfstandigheid en de bescherming van de rechten van derden.2

Afhankelijk van welk statuut een goed heeft (eigen of gemeenschappelijk vermogen), geldt een andere bestuursregeling. Het bestuur van het eigen of gemeenschappelijk vermogen omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking (art. 2.3.29 BW, voorheen art. 1415 oud BW).3 Voor het eigen vermogen geldt het alleenbestuur. Elke echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen. Voor het gemeenschappelijk vermogen is het uitgangspunt het gelijktijdige of concurrentiële bestuur. Dit is de normale en residuaire bestuursvorm. Daarop zijn er weliswaar uitzonderingen, zowel in de ene zin (alleenbestuur) als in de andere zin (gezamenlijk bestuur).4 Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 1 december 20255 duidelijkheid gebracht over de concrete vereisten inzake de toestemming van beide echtgenoten in geval van gezamenlijk bestuur en wat de gevolgen zijn indien hieraan niet is voldaan. Hierop wordt hieronder verder ingegaan (zie verder nrs. 17 en 22).

De bestuursregeling is van dwingend recht, zowel wat betreft het eigen vermogen als wat betreft het gemeenschappelijk vermogen (art. 2.3.52, eerste lid BW, voorheen art. 1451 oud BW). Het is immers niet de bedoeling dat de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen aan een van de echtgenoten alleen zouden toekennen of dat zou worden afgezien van de wettelijke waarborgen en rechtsmiddelen.6

De bestuursregeling geldt tijdens de gehele duur van het stelsel.7

Ook tijdens de echtscheidingsprocedure blijft ze van toepassing. Tussen echtgenoten werkt de echtscheiding, wat hun goederen betreft, weliswaar overeenkomstig artikel 1278 Ger.W. terug tot de inleiding van de eerste echtscheidingseis. Vanaf dan is het gemeenschappelijk vermogen ontbonden en omgevormd tot de postcommunautaire onverdeeldheid. Dit is een gemeenrechtelijke onverdeeldheid, onderworpen aan een andere bestuursregeling (art. 3.71-3.73 BW, voorheen art. 577-2, §§ 5-6 oud BW). Een tijdens de echtscheidingsprocedure gestelde handeling die conform de bestuursregeling van het wettelijk stelsel volkomen rechtsgeldig was, kan dus achteraf gezien in strijd zijn met de gemeenrechtelijke bepalingen inzake onverdeeldheden. In voorkomend geval kan de benadeelde echtgenoot dan schadevergoeding vorderen.8

II. Bestuur eigen vermogen

Elke echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen (art. 2.3.39 BW, voorheen art. 1425 oud BW).

Er zijn weliswaar beperkingen die hun grondslag vinden in de plicht van de echtgenoten om, ook bij het bestuur van hun eigen vermogen, de belangen van het gezin in acht te nemen.9

Hoewel artikel 2.3.39 BW enkel verwijst naar de bescherming van de gezinswoning overeenkomstig artikel 215, § 1 oud BW, bevat het primair stelsel nog andere bepalingen die het alleenbestuur begrenzen.

Zo zijn schenkingen van eigen goederen en persoonlijke zekerheidsstellingen ten voordele van het eigen vermogen vernietigbaar indien ze de gezinsbelangen in gevaar brengen (art. 224, § 1, 3° en 4° oud BW).

Daarnaast kan de rechter ingrijpen in de bestuursbevoegdheden van een echtgenoot. De andere echtgenoot kan vooreerst om dringende en voorlopige maatregelen verzoeken (art. 223 oud BW). Bovendien kan de andere echtgenoot vorderen dat de bestuursbevoegdheden geheel of gedeeltelijk worden ontnomen indien de echtgenoot blijk geeft van ongeschiktheid in het bestuur van zijn eigen vermogen of indien hij de belangen van het gezin daarbij in gevaar brengt (art. 2.3.40 BW, voorheen art. 1426 oud BW).

De echtgenoten mogen hun eigen belangen dus laten primeren bij het bestuur van hun eigen vermogen. Anderzijds gelden de gezinsbelangen wel als een minimale basisnorm, en mogen die niet in gevaar worden gebracht.

III. Bestuur gemeenschappelijk vermogen

Ongeacht de bestuursvorm besturen de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen in het belang van het gezin (art. 2.3.29, tweede lid BW, voorheen art. 1415, tweede lid oud BW). Bij het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen staat het gezinsbelang, als uiting van de solidariteit van de echtgenoten, zodoende voorop. Het is de correctie en ondergrens voor de bepalingen die de autonomie en gelijkheid van de echtgenoten waarborgen.10

A. Residuaire bestuursvorm: gelijktijdig of concurrentieel bestuur

Het gelijktijdige of concurrentiële bestuur waarborgt de autonomie van de echtgenoten.11 Het is dan ook de residuaire bestuursvorm voor het gemeenschappelijk vermogen. Elk van de echtgenoten heeft het recht om het gemeenschappelijk vermogen te verbinden, zonder dat daarvoor toestemming of medewerking van de andere echtgenoot is vereist. Daartegenover staat logischerwijze de plicht van elke echtgenoot om de handelingen die door de andere echtgenoot worden gesteld, te eerbiedigen (art. 2.3.30 BW, voorheen art. 1416 oud BW). Dit gaat verder dan een tegenstelbaarheid, elke echtgenoot is daadwerkelijk gebonden door de rechtshandelingen van de andere echtgenoot, in de regel ook met zijn eigen vermogen (art. 2.3.28, eerste lid BW, voorheen art. 1414, eerste lid oud BW).12

Een en ander betekent wel dat het mogelijk is dat beide echtgenoten gelijktijdig dezelfde rechtshandelingen stellen. Gaat het niet om materieel onverenigbare rechtshandelingen, bijvoorbeeld wanneer de echtgenoten gelijktijdig een gelijkaardig goed aankopen, dan hebben beide rechtshandelingen uitwerking.13 Anders is het als de rechtshandelingen materieel onverenigbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer de echtgenoten gelijktijdig eenzelfde goed verkopen of verhuren aan een derde. De wetgever stelt bij de parlementaire voorbereiding dat het dan aan de rechtbank toekomt te oordelen welke van de handelingen gevolg zal hebben, rekening houdende met de rechten van de betrokken derden.14 In beginsel zal de eerst gestelde rechtshandeling voorrang krijgen.15 De rechtshandeling die geen gevolg kan krijgen, wordt in beginsel uitgevoerd bij equivalent.16 In voorkomend geval gelden bijzondere bepalingen op basis van de concrete rechtshandeling en kan de tweede rechtshandeling op grond daarvan nietig worden verklaard. Wanneer beide echtgenoten bijvoorbeeld eenzelfde goed verkopen, moet de door de eerste echtgenoot gesloten verkoopovereenkomst worden gerespecteerd door de tweede echtgenoot. Als hetzelfde goed dan nogmaals wordt verkocht door de tweede echtgenoot, terwijl iemand anders ingevolge de eerste verkoopovereenkomst al eigenaar was geworden, dan heeft de tweede echtgenoot andermans zaak (met name van de eerste koper) verkocht. Overeenkomstig artikel 1599 oud BW is verkoop van andermans zaak nietig. De tweede koper kan de nietigverklaring vorderen (in voorkomend geval aangevuld met een schadevergoeding). De werkelijke eigenaar kan van zijn zijde tegen de andere koper een revindicatievordering stellen. Bij de dubbele verkoop van onroerend goed is de publiciteit cruciaal om het eigendomsconflict te beslechten. Indien geen van beide kopers zijn akte heeft laten overschrijven, primeert de koopovereenkomst die het eerst vaste datum heeft en indien beide kopers of slechts één koper de akte hebben laten overschrijven, is de goede trouw doorslaggevend, waarbij, indien beide kopers te goeder trouw zijn, de koper primeert wiens titel eerst werd overgeschreven.17 Bij verkoop van roerende goederen gaat degene die te goeder trouw in bezit is gesteld van het goed voor (art. 3.24 en 3.28, § 1, eerste lid BW).18

Het concurrentiële bestuur impliceert geen vrijgeleide voor elke echtgenoot.

De echtgenoten moeten het doelgebonden karakter van het gemeenschappelijk vermogen respecteren en zodoende het gemeenschappelijk vermogen besturen in het belang van het gezin.

In een arrest van 14 november 2013 oordeelt het Hof van Cassatie dat wanneer er aanwijzingen zijn dat een bestuurshandeling niet werd verricht in het belang van het gezin, elke echtgenoot op verzoek van de andere echtgenoot kan worden verplicht om informatie te verstrekken over de verrichte handeling.19 Dit komt tegemoet aan het probleem dat bij een nakende echtscheiding het concurrentieel bestuur kan worden aangewend door een van de echtgenoten om zichzelf te bevoordelen (bv. afhalen van gelden kort voor de echtscheiding). Tijdens de hele duur van het stelsel blijft de bestuursregeling van toepassing. Handelingen die tijdens het huwelijk worden gesteld conform het concurrentiële bestuur, zijn in beginsel geldig en de andere echtgenoot moet deze eerbiedigen. Die handelingen kunnen dan ook niet zonder meer als een voorafname op de vereffening-verdeling ten nadele van de handelende echtgenoot worden verrekend.20 Niettemin blijft het doelgebonden karakter van het bestuur de leidraad. Bestuurshandelingen waarbij het gezinsbelang in gevaar wordt gebracht, kunnen worden nietig verklaard (zie verder nr. 21 e.v.). Probleem daarbij is dat de bewijslast rust op de echtgenoot die de geldigheid van de bestuurshandeling betwist.21 Aangezien het concurrentiële bestuur impliceert dat elke echtgenoot in beginsel geen rekening en verantwoording moet afleggen voor zijn bestuur, wordt het voor de andere echtgenoot wel bijzonder moeilijk het vereiste bewijs te leveren.22 In het arrest van 14 november 2013 oordeelt het Hof van Cassatie dan ook terecht dat het volstaat dat er aanwijzingen zijn dat een bepaalde bestuurshandeling niet is verricht in het belang van het gezin. De handelende echtgenoot kan dan, gelet op het doelgebonden bestuur en de verplichting loyaal mee te werken aan de bewijslevering, worden verplicht informatie te verstrekken. Bijvoorbeeld, wanneer gelden werden afgehaald door een van de echtgenoten, kunnen de omvang van de afgehaalde geldsommen en het tijdstip van afhaling aanwijzingen vormen dat deze afhalingen niet in het belang van het gezin werden verricht. De echtgenoot kan dan worden bevolen een volledige historiek van bepaalde rekeningen te geven en de aan de afgehaalde sommen gegeven bestemming toe te lichten.23

Blijkt uit de verstrekte informatie dat de bestuurshandeling in strijd is met de gezinsbelangen, dan kan de andere echtgenoot de nietigverklaring vorderen. Anderzijds, wordt de vereiste informatie niet verschaft en kan er bijvoorbeeld geheel geen duiding worden gegeven bij afgehaalde of aangewende gemeenschapsgelden, dan kan worden aangenomen dat de echtgenoot heeft gehandeld in strijd met de gezinsbelangen. De bewijslast wordt zo als het ware omgedraaid.24

B. Eerste uitzondering: alleenbestuur

Bij alleenbestuur bestuurt één echtgenoot met uitsluiting van de andere een deel van het gemeenschappelijk vermogen en hij kan dit deel ook verbinden.25

In de eerste plaats geldt alleenbestuur inzake de beroepsuitoefening door elke echtgenoot, teneinde de autonomie van de beroepsactieve echtgenoot zoveel mogelijk te vrijwaren.26 Deze bestuursregeling geldt vanzelfsprekend enkel wanneer de echtgenoten hun beroep niet samen uitoefenen. Enkel dan moet de beroepsautonomie worden gevrijwaard. Voor echtgenoten die samen hun beroep uitoefenen, geldt een andere regeling (zie verder nr. 16).

De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle bestuurshandelingen die voor deze uitoefening zijn verantwoord alleen (art. 2.3.31, eerste lid BW, voorheen art. 1417, eerste lid oud BW). Dit sluit aan bij artikel 217 oud BW dat bepaalt dat elke echtgenoot zijn inkomsten alleen int en die bij voorrang besteedt aan de lasten van het huwelijk en het overschot aan de verwerving van goederen verantwoord voor de uitoefening van zijn beroep. Die beroepsgoederen vallen ook onder het alleenbestuur (art. 217 oud BW).27 Deze bestuursregeling staat los van het eigendomsstatuut van de beroepsgoederen, dat wordt geregeld door de artikelen 2.3.17 e.v. BW.28

Dit alleenbestuur omvat ook handelingen die, indien ze niet in het raam van de beroepsuitoefening zouden worden verricht, onder het gezamenlijk bestuur zouden vallen (art. 2.3.32, eerste lid BW, voorheen art. 1418, eerste lid oud BW).29 Het laat evenwel niet toe onder de levenden te beschikken over het gemeenschappelijk vermogen.30 Het valt ook moeilijk in te zien in welke zin het doen van giften zou kaderen in een beroepsuitoefening.

Daarnaast bevat het primair stelsel een bepaling van alleenbestuur.

Elke echtgenoot kan alleen een bankrekening of kluis openen en alleen beheren (art. 218 oud BW). Aangezien dit een bepaling van het primair stelsel betreft, is het van dwingend recht. Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst niet bepalen dat het openen van een bankrekening afhankelijk zou zijn van de instemming van de andere echtgenoot.31 Ten aanzien van de financiële instelling heeft de echtgenoot-titularis het exclusieve beheer. Deze wettelijke bepaling heeft vooral de bedoeling enerzijds de autonomie van de echtgenoten te waarborgen en anderzijds de derde-bewaarnemer, dus de financiële instelling, te beschermen.32 Uiteraard zegt het titularis zijn van een rekening of kluis niets over het statuut van de gelden op de rekening of in de kluis, dat wordt bepaald door de artikelen 2.3.17 e.v. BW.33

De financiële instelling is wel verplicht de andere echtgenoot in kennis te stellen van de opening van een rekening of kluis (art. 218, derde lid oud BW). Dit is beperkt tot het bestaan van de rekening of kluis, over de inhoud wordt geen informatie verstrekt.34 De andere echtgenoot heeft dus geen inzage in de stand van de rekening of de gedane verrichtingen.35

In de praktijk zorgt dit vaak voor moeilijkheden bij de vereffening en verdeling van het stelsel bij echtscheiding. Financiële instellingen weigeren immers, gelet op het alleenbestuur, inlichtingen te verschaffen aan de ene echtgenoot over rekeningen op naam van de andere echtgenoot. Dat het gaat om gemeenschapsgelden op deze rekeningen en deze informatie dienstig is voor de verrichtingen van vereffening-verdeling, verandert daaraan niets. Het is aan de echtgenoot op wiens naam de rekening staat om loyaal mee te werken aan de bewijslevering. In voorkomend geval kan de notaris-vereffenaar bij een gerechtelijke vereffening-verdeling wel aan deelgenoten of derden alle relevante informatie of stukken vragen en desnoods een rechterlijk bevel overeenkomstig de artikelen 877-882 Ger.W. uitlokken (art. 1214, § 4, Ger.W.). Daarnaast worden de rekeningen bij een echtscheiding niet geblokkeerd.36 Elke echtgenoot behoudt het bestuur van zijn of haar rekeningen ten aanzien van de financiële instelling. Aangezien de echtgenoten met toepassing van artikel 218, derde lid oud BW op de hoogte moeten zijn van de rekeningen op naam van de andere echtgenoot, kan elke echtgenoot dringende en voorlopige maatregelen vorderen (art. 223 oud BW) of zich tot de rechter wenden om een verbod te doen opleggen (art. 2.3.35 BW, voorheen art. 1421 oud BW) of de bestuursbevoegdheid van de andere echtgenoot te ontnemen (art. 2.3.40 BW, voorheen art. 1426 oud BW) indien hij vreest dat de andere echtgenoot hem zou benadelen door het wegmaken van gelden. Anderzijds werkt de echtscheiding tussen de echtgenoten wat hun goederen betreft terug tot de inleiding van de eerste echtscheidingseis (art. 1278, tweede lid Ger.W.). Daarom is het enkele feit dat de echtgenoten de rekeningen op hun naam verder blijven gebruiken tijdens de postcommunautaire periode, niet nadelig voor de andere echtgenoot bij de vereffening.37 Voor de vereffening telt immers het saldo op de datum van de inleiding van de procedure. Dit saldo wordt aan de echtgenoot-titularis toebedeeld - ongeacht of dit nog aanwezig is bij de verdeling. Ook voor rekeningen op naam van beide echtgenoten, waarvan beide echtgenoten het bestuur behouden tijdens de postcommunautaire periode, is het saldo op datum van de inleiding van de procedure bepalend. In dat geval moeten de verrichtingen tijdens de postcommunautaire periode ten voordele en ten nadele van beide echtgenoten correct in de beheersrekeningen worden opgenomen.

Ook bij ontbinding van het stelsel door overlijden rijzen niet zelden problemen. In beginsel worden de rekeningen van beide echtgenoten geblokkeerd bij overlijden van een van de echtgenoten. De vraag is dan of de echtgenoot die titularis is van een rekening op zijn naam alleen, zich verder op zijn alleenbestuur kan beroepen om die rekeningen aan hem te doen vrijgeven. Artikel 4.59, § 1, tweede lid BW bepaalt wel dat de langstlevende echtgenoot door voorlegging van een akte of attest van erfopvolging kan bewijzen welke rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden van zijn echtgenoot, maar dit zegt niets over het al dan niet voortzetten van het alleenbestuur van de langstlevende echtgenoot over rekeningen op zijn naam alleen. Het doel van deze bepaling is namelijk vooral dat de langstlevende echtgenoot die zich kan beroepen op een verblijvingsbeding met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen, sneller de vrijgave van de gemeenschapsgelden kan verkrijgen.38 Dat staat los van de vraag of in gevallen waar geen verblijvingsbeding speelt, de langstlevende echtgenoot het alleenbestuur kan voortzetten over de rekeningen op zijn naam alleen. In de rechtsleer is daarover verdeeldheid. Sommigen geven aan dat dit niet kan omdat de werking van het primair stelsel eindigt bij ontbinding van het stelsel. Vanaf dan geldt de gemeenrechtelijke regeling inzake onverdeeldheden en is een akkoord van alle deelgenoten vereist om over de tegoeden te beschikken.39 Anderen geven aan dat de langstlevende echtgenoot wel het alleenbestuur over de rekeningen op zijn naam alleen moet behouden, tenzij een van de andere erfgenamen zich daartegen verzet.40 In de praktijk lijkt dit laatste echter niet steeds te worden aanvaard door de financiële instellingen.41 Behoudens akkoord van alle deelgenoten weigeren de financiële instellingen doorgaans de rekeningen, ook die op naam van de langstlevende echtgenoot alleen, vrij te geven.42

Net zoals bij concurrentieel bestuur betekent alleenbestuur geen vrijgeleide voor de echtgenoot die dit uitoefent. Ook hier primeert het doelgebonden karakter van het gemeenschappelijk vermogen.43 Ook het alleenbestuur is dus een doelgebonden bestuur dat wordt uitgeoefend in het belang van het gezin.

C. Tweede uitzondering: gezamenlijk bestuur

Tot slot geldt het gezamenlijke bestuur voor bepaalde rechtshandelingen die als fundamenteel of zwaarwichtig worden beschouwd en waarvoor zodoende medewerking of toestemming van beide echtgenoten is vereist (art. 2.3.31, tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33 BW, voorheen art. 1417, tweede lid, 1418 en 1419 oud BW).

Daar waar echtgenoten die hun beroep alleen uitoefenen, autonomie genieten via het alleenbestuur, geldt voor echtgenoten die gezamenlijk hun beroep uitoefenen het gezamenlijk bestuur voor daden van beschikking (art. 2.3.31, tweede lid BW). Daden van beheer vallen onder de residuaire regeling van het concurrentiële bestuur. Aangenomen wordt dat de echtgenoten samen hun beroep uitoefenen als tussen de echtgenoten een regelmatige samenwerking bestaat in het raam van een effectief uitgeoefende beroepsactiviteit, zonder dat is vereist dat zij dezelfde hoedanigheid, kwalificatie of beroepstitel hebben.44

Andere, zwaarwichtige, rechtshandelingen zijn evenzo aan het gezamenlijk bestuur onderworpen omdat wordt aangenomen dat zij financieel belangrijke gevolgen kunnen hebben (art. 2.3.32 BW, voorheen art. 1418 oud BW).45

Tot slot is ook voor schenking van gemeenschapsgoederen toestemming van beide echtgenoten vereist (art. 2.3.33 BW, voorheen art. 1419 oud BW).46

In de rechtsleer is discussie gerezen over de vraag wat nu de precieze draagwijdte is van de vereiste toestemming van de andere echtgenoot. Is het vereist dat beide echtgenoten contractspartij worden, of volstaat een eenvoudige instemming van de andere echtgenoot die niet noodzakelijk contractspartij wordt?

Een minderheidsstrekking geeft aan dat bij gezamenlijk bestuur beide echtgenoten contractspartij zouden moeten zijn bij de rechtshandeling. Deze strekking gaat ervan uit dat wanneer het gaat om een handeling die onder het gezamenlijk bestuur valt en er slechts één echtgenoot is die toestemt, het in dat geval gaat om een eigen schuld van de contracterende echtgenoot (art. 2.3.24, 3° BW, voorheen art. 1407, derde streepje oud BW).47 Uit de kwalificatie van eigen schulden indien de andere echtgenoot niet toestemt, kan nochtans niet worden afgeleid dat het noodzakelijk is dat de andere echtgenoot ook daadwerkelijk contractspartij wordt.

De meerderheidsstrekking geeft dan ook terecht aan dat het toestemmingsvereiste niet vereist dat beide echtgenoten contractspartij zijn.48 Reeds bij de voorbereidende werkzaamheden werd geduid dat toestemming kan worden gegeven tegelijk met de handeling, of naderhand in de vorm van instemming of bekrachtiging.49 Het toestemmingsvereiste geldt dus enkel in de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten. De enige vereiste is dat zij beiden akkoord moeten zijn met de bedoelde rechtshandeling en aanvaarden dat het gemeenschappelijk vermogen daarvan de gevolgen draagt. De bestuursregeling van het gezamenlijk bestuur is immers in essentie bedoeld als beschermingsmaatregel voor de echtgenoten, zodat zij niet tegen wil en dank en zonder adequate mogelijkheid om daartegen op te komen, zouden worden geconfronteerd met zwaarwichtige rechtshandelingen die de andere echtgenoot alleen heeft verricht. In die zin heeft het toestemmingsvereiste niets te maken met de contractsverhouding ten aanzien van derden. Een derde kan dus contracteren met beide echtgenoten of met slechts één echtgenoot. De enige vereiste in dat laatste geval is dat de andere echtgenoot daarmee akkoord is.

Het Hof van Cassatie sluit in het arrest van 1 december 202550 aan bij de meerderheidsstrekking. De bij gezamenlijk bestuur vereiste toestemming is vormvrij. Deze kan zowel schriftelijk als mondeling, en zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend worden gegeven. Het is bovendien niet vereist dat de toestemming reeds bij de contractsluiting wordt gegeven, ze kan ook achteraf worden verkregen. Dit is logisch en sluit aan bij het feit dat het toestemmingsvereiste in essentie doelt op een goedkeurende houding van de andere echtgenoot. Wanneer de andere echtgenoot contractspartij wordt bij de rechtshandeling, gaat het om een toestemming (of een bekrachtiging van de sterkmaking door de contracterende echtgenoot). Wordt de andere echtgenoot geen contractspartij, dan is er sprake van een instemming.

D. Beschermingsmechanismen

Het belangrijkste uitgangspunt blijft dat, ongeacht de bestuursvorm, de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen besturen in het belang van het gezin (art. 2.3.29, tweede lid BW, voorheen art. 1415, tweede lid oud BW). Dat doelgebonden bestuur staat centraal bij alle maatregelen die de echtgenoten ter beschikking staan om hun belangen - of beter gezegd, die van het gemeenschappelijk vermogen - te vrijwaren.

Enerzijds kunnen echtgenoten preventief optreden teneinde het doelgebonden bestuur te waarborgen. Anderzijds beschikt de ene echtgenoot over repressieve middelen wanneer de andere echtgenoot het doelgebonden bestuur niet respecteert.

1° Preventief optreden

In de eerste plaats kan elke echtgenoot zich tot de familierechtbank wenden om in te grijpen in de bestuursbevoegdheid van de andere echtgenoot.

De familierechtbank kan in die zin tussenkomen daar waar gezamenlijk bestuur geldt en een van de echtgenoten niet toestemt of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven. Het gebrek aan de vereiste toestemming wordt door de rechtbank gerepareerd door een machtiging (art. 2.3.34 BW, voorheen art. 1420 oud BW). Die machtiging komt in de plaats van en heeft dezelfde gevolgen als de toestemming van de andere echtgenoot.51

Daarnaast kan een echtgenoot zich ook preventief tot de familierechtbank wenden om de andere echtgenoot een verbod op te leggen tot het verrichten van bestuurshandelingen met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen die nadeel kunnen berokkenen aan de eiser of de belangen van het gezin kunnen schaden. Een dergelijk verbod kan worden opgelegd ongeacht het geldende bestuursregime. Negeert de andere echtgenoot het verbod, dan is die rechtshandeling sowieso vatbaar voor vernietiging (zie verder nr. 22). De rechtbank kan evenwel machtiging verlenen tot het verrichten van die handeling of aan deze machtiging bepaalde voorwaarden verbinden (art. 2.3.35 BW, voorheen art. 1421 oud BW).

Naast een verbod op een specifieke bestuurshandeling kan een echtgenoot ook vorderen dat de bestuursbevoegdheden van de andere echtgenoot geheel of gedeeltelijk worden ontnomen. Hierboven werd reeds aangegeven dat dit mogelijk is voor het bestuur van het eigen vermogen. Dezelfde mogelijkheid bestaat voor het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen. Indien die echtgenoot blijk geeft van ongeschiktheid in het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen of indien hij de belangen van het gezin daarbij in gevaar brengt, kan deze maatregel worden opgelegd (art. 2.3.40 BW, voorheen art. 1426 oud BW).

2° Repressieve maatregelen

De echtgenoten beschikken ook over twee repressieve maatregelen indien de andere echtgenoot reeds heeft gehandeld: de vordering tot nietigverklaring en de vordering tot schadevergoeding.

a. Nietigverklaring

Overeenkomstig artikel 2.3.36 BW (voorheen art. 1422 oud BW) kan de familierechtbank bepaalde rechtshandelingen nietig verklaren, met name rechtshandelingen gesteld:

- in strijd met het vereiste van gezamenlijk bestuur;52

- in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;

- met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser.

Van belang is dat de bedoelde rechtshandelingen wel bestaan. Ze zijn vernietigbaar om reden van een probleem in de uitoefening van de bestuursbevoegdheden, maar de daadwerkelijke nietigverklaring vereist een rechterlijke tussenkomst en dus een constitutieve vordering, conform de wettelijke vereisten.

Vooreerst is vereist dat de echtgenoot die de nietigverklaring vordert, een wettig belang heeft. De wetgever preciseert niet wat daarmee wordt bedoeld, maar dit wordt in de praktijk ruim ingevuld.53 Daarnaast geldt voor elke categorie rechtshandelingen de vereiste dat het wel degelijk gaat om een onder die categorie ressorterende handeling:

- Voor handelingen die aan gezamenlijk bestuur zijn onderworpen, moet worden aangetoond dat de vereiste toestemming of instemming van de andere echtgenoot ontbreekt. Daarbij zijn er twee categorieën van handelingen, enerzijds de handelingen die vernietigbaar zijn zodra niet is voldaan aan het toestemmingsvereiste (art. 2.3.32, 1° tot 3° BW en art. 2.3.33 BW, voorheen art. 1418, sub 1 oud BW en art. 1419 oud BW) en anderzijds de handelingen die slechts vernietigbaar zijn indien niet is voldaan aan het toestemmingsvereiste en bovendien bewijs van benadeling voorligt (art. 2.3.32, 4° tot 8° BW, voorheen art. 1418, sub 2 oud BW).

Wat betreft het toestemmingsvereiste is het duidelijk dat nietigverklaring niet mogelijk is als de andere echtgenoot heeft toegestemd en contractspartij is. Ook als de andere echtgenoot bij de contractsluiting of later schriftelijk zijn instemming bevestigt zonder zelf contractspartij te worden, is het duidelijk dat nietigverklaring niet mogelijk is.54 De andere echtgenoot aanvaardt dan de rechtshandeling en kan nadien niet meer opwerpen dat deze niet rechtsgeldig tot stand zou zijn gekomen door een gebrek aan zijn toestemming.

Anders is het als slechts een van de echtgenoten contracteert en de andere echtgenoot zijn instemming niet schriftelijk bevestigt. Ook een mondelinge of stilzwijgende instemming is mogelijk55, maar de - in dat geval niet evidente - bewijslast van de instemming van de andere echtgenoot berust dan bij diegene die de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling bepleit (de contracterende echtgenoot en/of de derde). Zo zou de instemming kunnen worden afgeleid uit de houding van de andere echtgenoot die niet voor andere interpretatie vatbaar is.56 Een louter stilzitten van de niet-contracterende echtgenoot betekent nochtans niet dat deze heeft ingestemd met de bedoelde rechtshandeling.57

- Voor handelingen die zijn verricht in strijd met een verbod om een bepaalde bestuurshandeling te verrichten of in strijd met het feit dat aan de echtgenoot zijn bestuursbevoegdheden geheel of gedeeltelijk werden ontnomen, dient de andere echtgenoot enkel te bewijzen dat een concreet verbod was opgelegd op het ogenblik dat de bedoelde handeling werd gesteld.58

- Voor alle andere rechtshandelingen die onder concurrentieel bestuur of alleenbestuur vallen, die werden gesteld met bedrieglijke benadeling van de rechten van de andere echtgenoot, moet deze laatste de bedrieglijke benadeling bewijzen. Dit wordt ruim opgevat. Handelingen in strijd met de belangen van het gezin vallen hieronder.59

Aangezien het gaat om een relatieve nietigheid, kan bovendien enkel de benadeelde echtgenoot de vordering tot nietigverklaring stellen. De echtgenoot die de bestuursregels heeft miskend of de contracterende derde kunnen deze vordering niet instellen.60 -61

De wetgever was zich er wel van bewust dat derden bij de nietigverklaring mogelijk worden benadeeld. Daarom zal de rechter die over een vordering tot nietigverklaring uitspraak doet, rekening houden met de belangen van derden te goeder trouw, die ook in de zaak moeten worden betrokken. Bijzonder is wel dat, afwijkend van het gemeen recht, de derde zijn goede trouw moet bewijzen. De wetgever ging ervan uit dat, gelet op de aard van de bedoelde handelingen, mag worden aangenomen dat de derde te kwader trouw heeft gehandeld. De derde moet dus bewijzen dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen heeft genomen.62 Het enkele feit dat de derde zijn goede trouw bewijst, betekent echter niet ipso facto dat de rechtshandeling wordt gevrijwaard, de rechter beschikt over een appreciatiebevoegdheid.63

Tot slot moet de nietigverklaring binnen een bepaalde termijn worden gevorderd. Zowel in het belang van de echtgenoten als in het belang van derden mag de onzekerheid over de geldigheid van de rechtshandelingen die een van de echtgenoten heeft verricht, niet te lang duren.64 Om die reden bepaalt artikel 2.3.37 BW (voorheen art. 1423 oud BW) dat de vordering tot nietigverklaring moet worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het stelsel. Onder «ter kennis komen» moet worden begrepen dat de echtgenoot heeft vernomen dat de rechtshandeling is geschied. Daarbij is het zonder belang of de echtgenoot beschikt over een schriftelijk document waaruit blijkt dat de rechtshandeling is geschied en of er al dan niet een opschortende voorwaarde aan de rechtshandeling is verbonden.65

De termijn van een jaar om de nietigverklaring te vorderen, is in de wet uitdrukkelijk gedefinieerd als een vervaltermijn. Daaruit volgt dat deze termijn niet kan worden geschorst of gestuit.66 De vordering tot nietigverklaring moet binnen deze termijn ook werkelijk voor de rechter aanhangig zijn gemaakt. Dit vormt een uitzondering op de regel dat zodra een vordering tot gerechtelijke vereffening-verdeling is ingesteld, geschillen die verband houden met de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling enkel in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling kunnen worden aangebracht en enkel door de notaris-vereffenaar door de neerlegging van een proces-verbaal van bezwaren bij de vereffeningsrechter aanhangig kunnen worden gemaakt. De echtgenoot die een vordering tot nietigverklaring wil instellen, kan dus niet volstaan met het formuleren van deze vordering bij de aanspraken, maar moet deze vordering voor de rechter brengen, die deze vordering met toepassing van artikel 1209, § 1 Ger.W. naar de notaris-vereffenaar kan verwijzen.67

Bovendien heeft het verstrijken van de vervaltermijn niet enkel een procedureel gevolg, maar ook een materieelrechtelijk gevolg. De echtgenoot heeft na het verstrijken van deze termijn het recht om zich op deze nietigheidssanctie te beroepen geheel verloren en kan dit dus ook niet meer als verweermiddel aanvoeren.68

De aard van deze vervaltermijn en de gevolgen bij het verstrijken ervan lagen aan de basis van het hierboven reeds aangehaalde arrest van 1 december 2025 van het Hof van Cassatie.69 In het aan het Hof voorgelegde geval waren een vader en zoon, beiden gehuwd, samen met hun echtgenotes onverdeelde eigenaars van een onroerend goed. Beide echtparen waren gehuwd onder het wettelijk stelsel. Het onverdeelde aandeel van elk echtpaar in het onroerend goed behoorde tot hun respectieve gemeenschappelijke vermogens. Vader en zoon tekenden een compromis tot verkoop van het bedoelde onroerend goed aan een derde. Nagenoeg onmiddellijk na de ondertekening van het compromis lieten vader en zoon aan de koper echter weten dat de verkoop niet rechtsgeldig zou zijn omdat hun echtgenotes niet akkoord gingen. De echtgenotes bevestigden dat zij inderdaad niet akkoord waren met de verkoop. De koper aanvaardde dit niet. Hij eiste de uitvoering van de verkoopovereenkomst en drong erop aan de authentieke akte te verlijden. Beide echtparen betwistten dit en bleven bij hun standpunt dat er geen geldige koopovereenkomst tot stand was gekomen. Zij ondernamen echter geen andere (procedurele) acties. Uiteindelijk, meer dan een jaar na ondertekening van het compromis, dagvaardde de koper beide echtparen. De vordering van de koper strekte ertoe de authentieke akte te verlijden. De appelrechter oordeelde - in lijn met de beslissing van de eerste rechter - dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand was gekomen. De appelrechter oordeelde dat toestemming van de echtgenotes was vereist voor het rechtsgeldig tot stand komen van de koopovereenkomst en dat de koper niet bewees dat de echtgenotes met de verkoop hebben toegestemd. Het enkele feit dat binnen een jaar geen vordering tot nietigverklaring van het compromis werd ingesteld, kan volgens de appelrechter niet worden beschouwd als toestemming of instemming van de echtgenotes. De appelrechter wees zodoende de vordering van de koper af. Het Hof van Cassatie vernietigt dit arrest. Het Hof van Cassatie oordeelt dat een handeling die een echtgenoot heeft verricht in strijd met het gezamenlijk bestuur krachtens artikel 1422, eerste lid, 1° oud BW door de familierechtbank nietig kan worden verklaard op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden. Die vordering tot nietigverklaring moet overeenkomstig artikel 1423, eerste lid oud BW op straffe van verval worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk vóór de definitieve vereffening van het vermogensstelsel. De verkoop van een onroerend goed die is aangegaan door een echtgenoot zonder de toestemming of instemming van de andere echtgenoot, is in strijd met het gezamenlijk bestuur. Die verkoop is echter niet nietig maar slechts vernietigbaar overeenkomstig de artikelen 1422-1423 oud BW. Bij gebrek aan tijdige vordering tot nietigverklaring kan een dergelijke verkoop niet meer worden betwist op grond van een gebrek aan toestemming of instemming van de andere echtgenoot. De appelrechter had in het bestreden arrest vastgesteld dat er binnen de vervaltermijn van een jaar geen vordering tot nietigverklaring van de koopovereenkomst was ingesteld. In die zin kon de appelrechter dan ook niet oordelen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand was gekomen omdat de echtgenotes niet hadden toegestemd of ingestemd met de verkoop. Het Hof van Cassatie geeft terecht aan dat het niet tijdig instellen van een vordering tot nietigverklaring eenvoudig een verval van het recht meebrengt om het gebrek aan toestemming of instemming op te werpen om de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling te betwisten.70 Dit staat in feite los van de vraag of de andere echtgenoot al dan niet heeft toegestemd of ingestemd met de bedoelde rechtshandeling. Het loutere verstrijken van de vervaltermijn zonder dat de andere echtgenoot de nietigverklaring vordert, impliceert dan ook niet diens toestemming of instemming met de bedoelde handeling. De derde-koper had het dus slim aangepakt door te wachten tot de vervaltermijn van een jaar was verstreken vooraleer de verdere uitvoering van de onderhandse overeenkomst in rechte na te streven.

Zelfs indien de andere echtgenoot nooit heeft toegestemd of ingestemd met een rechtshandeling die werd gesteld in strijd met het gezamenlijk bestuur, bestaat die rechtshandeling dus en is het gemeenschappelijk vermogen erdoor gebonden. Dat is overigens het uitgangspunt voor de residuaire bestuursvorm van het concurrentiële bestuur. Het enige verschil is dat de andere echtgenoot in dit geval over ruimere betwistingsmogelijkheden beschikt als hij niet akkoord gaat met die handeling. De schuld die uit deze rechtshandeling ontstaat, is dan wel een eigen schuld van de contracterende echtgenoot (art. 2.3.24, 3° BW, voorheen art. 1407, derde streepje oud BW). Naast de bestuursrechtelijke bescherming wordt de echtgenoot die niet heeft toegestemd of ingestemd, ook beschermd door het feit dat de schulden die uit een dergelijke rechtshandeling voortvloeien, slechts kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de contracterende echtgenoot en in voorkomend geval op het gemeenschappelijk vermogen in zoverre het uit deze handelingen voordeel heeft getrokken (art. 2.3.26, § 3 BW, voorheen art. 1411 oud BW).

b. Schadevergoeding

Het is denkbaar dat de mogelijkheid om de nietigverklaring van bepaalde door de andere echtgenoot verrichte rechtshandelingen te vorderen, niet of niet afdoende remedieert. De schade die door de geviseerde rechtshandeling werd veroorzaakt, is mogelijk niet volledig hersteld door een nietigverklaring. De vordering tot nietigverklaring zal ook niet altijd tot een daadwerkelijke nietigverklaring leiden aangezien de rechter rekening moet houden met de belangen van derden te goeder trouw.

Daarnaast is het ook mogelijk dat de nietigverklaring niet (tijdig) werd gevorderd. De termijn van een jaar om een vordering in te stellen, is immers vrij kort en echtgenoten ervaren de drempel om zich tijdens het huwelijk tot de rechter te wenden misschien als te hoog.

Daarom voorziet de wetgever naast de vordering tot nietigverklaring ook in een vordering tot schadevergoeding. Heeft de nietigheidsvordering geen (volledig) soelaas gebracht of werd ze niet ingesteld, dan kan de andere echtgenoot bij de vereffening-verdeling ten laste van de echtgenoot die de vernietigbare handeling stelde, een vergoeding vorderen ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen (art. 2.3.44, derde lid BW, voorheen art. 1433 oud BW).

Van belang is dat de wettekst uitdrukkelijk bepaalt dat het voor een vordering tot schadevergoeding niet is vereist dat de nietigverklaring van de bedoelde handeling werd gevorderd. Ook wanneer de nietigverklaring niet werd gevraagd, kan achteraf vergoeding worden gevorderd.71 In die zin kan het loutere stilzitten van de niet-handelende echtgenoot en het laten verstrijken van de vervaltermijn om de nietigverklaring te vorderen niet worden beschouwd als een (stilzwijgende) toestemming of instemming.72 Indien het niet tijdig instellen van een nietigheidsvordering wel als een toestemming of instemming zou moeten worden aangezien, zou de niet-handelende echtgenoot voor dergelijke handelingen na het verstrijken van de vervaltermijn immers geen vergoeding meer kunnen vorderen, wat kennelijk in strijd is met de bedoeling van de wetgever.

IV. Slot

De bestuursregeling in gemeenschapsstelsels beschermt de autonomie van echtgenoten zonder de gezinsstabiliteit op te offeren. De gezinsbelangen worden steeds in acht genomen en de wet voorziet in voldoende beschermingsmechanismen om deze ook daadwerkelijk te waarborgen. De recente rechtspraak van het Hof van Cassatie onderstreept weliswaar dat echtgenoten alert moeten blijven. Wie niet tijdig optreedt tegen handelingen van zijn echtgenoot die in strijd zijn met de bestuursregeling, verliest onherroepelijk het recht om die handelingen aan te vechten. Hoewel dit als streng kan worden ervaren, is dit gelet op de rechtszekerheid en belangen van derden begrijpelijk. De rechten van derden gaan dan voor op die van de benadeelde echtgenoot. Deze laatste blijft echter niet geheel in de kou staan en kan in voorkomend geval bij de vereffening-verdeling van het stelsel wel nog schadevergoeding vorderen ten aanzien van de andere echtgenoot.

1  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 53-54, nr. 92.

2  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/43-65; Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2010, 210, nr. 364; Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 152, nr. 282; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 215, nr. 167; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.29 BW» in Comm.Pers., 2024, 8, nr. 3.

3  Deze bepaling heeft betrekking op het gemeenschappelijk vermogen, maar het spreekt vanzelf dat dit ook geldt voor het bestuur van het eigen vermogen.

4  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 136, nr. 254; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.30 BW» in Comm.Pers., 2024, 2, nr. 1.

5  Cass. 1 december 2025, AR nr. C.24.0110.N, www.juportal.be, gepubliceerd verder in dit nummer op p. 260.

6  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/78.

7  Cass. 29 mei 2008, Arr.Cass. 2008/5, 1377, Pas. 2008/5, 1348; RTDF 2010/4, 1270, noot Renchon J., RW 2009-10/25, 1052, TBBR 2009/8, 424, noot Masschelein M.-A., T.Fam. 2008/8, 139, noot Buyssens F.

8  Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 211, nr. 366; Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 134-135, nr. 250.

9  Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 230, nr. 407; Dekkers R., Casman H., Verbeke A.-L. en Alofs E., Relatievermogensrecht - Na de codificatie van 2022, Lefebvre Sarrut Belgium, 2023, 144, nr. 161; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 229, nr. 188; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.29 BW» in Comm.Pers., 2024, 8, nr. 4.

10  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.29 BW» in Comm.Pers., 2024, 8, nr. 3.

11  Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 216, nr. 169.

12  Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 215, nr. 374; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 216, nr. 169; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.30 BW» in Comm.Pers., 2024, 6, nr. 8.

13  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 139, nr. 260.

14  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/57.

15  Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 218, nr. 172.

16  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 140, nr. 260; Verschelden G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 897, nr. 1817.

17  Marysse S., «Commentaar bij art. 1599 oud BW» in Comm.Bijz.Ov., 2021, 22, nr. 52.

18  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.30 BW» in Comm.Pers., 2024, 6, nr. 8.

19  Cass. 14 november 2013, Arr.Cass. 2013/11, 2401, NFM 2014/2, 47, noot Casman H., Pas. 2013/11, 2216, RTDF 2014/4, 915, noot Renchon J., RW 2014-15/4, 141, T.Fam. 2014/9, 208, noot Declerck C. en T.Not. 2014/7-8, 451, noot Verstraete J.

20  Cass. 29 mei 2008, Arr.Cass. 2008/5, 1377, Pas. 2008/5, 1348; RTDF 2010/4, 1270, noot Renchon J., RW 2009-10/25, 1052, TBBR 2009/8, 424, noot Masschelein M.-A., T.Fam. 2008/8, 139, noot Buyssens F.

21  Buyssens F., «Afhalen van banktegoeden vóór het inleiden van de echtscheidingsprocedure: loont het om de eerste te zijn?», noot onder Cass. 29 mei 2008, T.Fam. 2008/8, 147, nr. 11.

22  Dekkers R., Casman H., Verbeke A.-L. en ALOFS E., Relatievermogensrecht - Na de codificatie van 2022, Lefebvre Sarrut Belgium, 2023, 138, nr. 151; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 9-10, nr. 13; Verschelden G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 892, nr. 1803.

23  Zie ook: Gent 28 januari 2021, RTDF 2024/2, 377, TEP 2022/1, 112 en T.Not. 2022/3, 318.

24  Declerck C., «De informatieplicht van de onder gemeenschap gehuwde echtgenoot» (noot onder Cass. 14 november 2013), T.Fam. 2014/9, 213; Casman H, «Geld vlak voor de echtscheiding afgehaald», noot onder Cass. 14 november 2013, NFM 2014/2, 52, nr. 7.

25  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.31 BW» in Comm.Pers., 2024, 2, nr. 2.

26  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 142, nr. 265; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 219, nr. 174; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.31 BW» in Comm.Pers., 2024, 3, nr. 4.

27  Met de Wet huwelijksvermogensrecht van 22 juli 2018 werd de terminologie van artikel 1417, eerste lid oud BW afgestemd op die van artikel 217 oud BW. Vóór de wetswijziging bepaalde artikel 1417, eerste lid BW dat de echtgenoot alleenbestuur heeft voor wat betreft alle «voor zijn beroepsuitoefening noodzakelijke handelingen». De rechtsleer was echter verdeeld over de invulling van het begrip «noodzakelijk». De wetgever sloot met de wijziging naar «verantwoorde bestuurshandelingen» aan bij de strekking die pleitte voor een ruime invulling. Dit komt de beroepsautonomie ten goede en strookt ook met de terminologie van artikel 217 oud BW (Mosselmans S. en Van Thienen A., «Vernieuwd huwelijksvermogensrecht», NFM 2018, 342, nr. 39).

28  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 45, nr. 78.

29  Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 219, nr. 174.

30  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.31 BW» in Comm.Pers., 2024, 5, nr. 7.

31  Mosselmans S., «Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van gelden gedeponeerd op een bankrekening» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1999, 2, nr. 5.

32  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/13.

33  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/13; Casman H., «Artikel 218 BW» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1996, 1; Roodhooft J., «Commentaar bij art. 218 BW» in Comm.Pers, 1996, 3; Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 46, nr. 79; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 62, nr. 37.

34  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 46, nr. 79.

35  Casman H., «Artikel 218 BW» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1996, 4-5; Mosselmans S., «Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van gelden gedeponeerd op een bankrekening» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1999, 22, nr. 32.

36  Roodhooft J., «Commentaar bij art. 218 BW» in Comm.Pers, 1996, 3; Mosselmans S., «Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van gelden gedeponeerd op een bankrekening» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1999, 20, nr. 29.

37  Dit zou wel nadelig kunnen zijn wanneer de echtgenoot-titularis zich onvermogend maakt en zo de vereffening van de lasten of de verrekening van de vergoedingen in het gedrang brengt.

38  Vandendriessche T. en Alofs E., «Commentaar bij art. 4.59 BW» in Comm.Pers. 2024, 22-23, nr. 12.

39  Mosselmans S., «Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van gelden gedeponeerd op een bankrekening» in X., Huwelijksvermogensrecht, Kluwer, 1999, 20, nr. 29.

40  Roodhooft J., «Commentaar bij art. 218 BW», Comm.Pers, 1996, 3; Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 46, nr. 81; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 63, nr. 39; Verschelden G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 760-761, nr. 1556.

41  Verschelden G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 761, nr. 1556.

42  Wel kan de langstlevende echtgenoot (ongeacht het huwelijksstelsel - en dezelfde regeling geldt voor de langstlevende wettelijk samenwonende partner) op grond van artikel 4.65, § 1 BW een verrekenbaar voorschot ontvangen van de tegoeden van gemeenschappelijke (of onverdeelde) rekeningen. Dat voorschot bedraagt maximaal de helft van de beschikbare creditsaldi, mag niet meer bedragen dan 5.000 euro en wordt toegekend los van het bestaan van enig recht van de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner) op het saldo van de rekeningen. Dit betekent echter geen bevoordeling van de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner). Het is slechts een voorschot dat overeenkomstig artikel 4.65, § 2 BW bij de vereffening-verdeling hoe dan ook wordt verrekend. In voorkomend geval moet hetgeen de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner) te veel ontving, worden terugbetaald.

43  Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 220, nr. 175.

44  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 147, nr. 275; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.31 BW» in Comm.Pers., 2024, 10-11, nr. 16.

45  Concreet gaat het om: 1° voor hypotheek vatbare goederen verkrijgen, vervreemden of met zakelijke rechten bezwaren; 2° een handelszaak of enig bedrijf verkrijgen, overdragen of in pand geven; 3° een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar sluiten, vernieuwen of opzeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst toestaan; 4° een hypothecaire schuldvordering overdragen of in pand geven; 5° de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst nemen en opheffing verlenen van hypothecaire inschrijvingen; 6° een legaat of een schenking aanvaarden of verwerpen, wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen gemeenschappelijk zullen zijn; 7° een lening aangaan; 8° een consumentenkrediet aangaan, behalve wanneer dit krediet noodzakelijk is voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen.

46  Vóór de wetswijziging bij de Wet huwelijksvermogensrecht van 22 juli 2018 bevatte artikel 1419, tweede lid oud BW hierop twee uitzonderingen. In de eerste plaats was de toestemming van beide echtgenoten niet vereist voor schenkingen die krachtens het oude artikel 852 oud BW waren vrijgesteld van inbreng. Het ging hier om gebruikelijke geschenken of «gelegenheidsgeschenken» die zijn vrijgesteld van inbreng. Met de Erfrechtwet van 31 juli 2017 werd artikel 852 oud BW aangepast om te verduidelijken dat de erin opgesomde kosten in feite geen giften zijn en om die reden niet zijn onderworpen aan inbreng. Aangezien het geen schenkingen betreft, is de toestemming van beide echtgenoten niet vereist. Een uitzonderingsbepaling is overbodig. Daarnaast is toestemming evenmin vereist voor giften aan de langstlevende echtgenoot. Er werd reeds op gewezen dat dit in feite geen uitzondering betreft omdat de begiftigde echtgenoot de schenking moet aanvaarden en op die manier hoe dan ook moet toestemmen. Een uitzonderingsbepaling is eens te meer overbodig.

47  Verschelden G., Handboek Belgisch personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 899-900, nr. 1822-1823.

48  Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2010, 219, nr. 379; Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 145-146, nr. 272; Dekkers R., Casman H., Verbeke A.-L. en Alofs E., Relatievermogensrecht - Na de codificatie van 2022, Lefebvre Sarrut Belgium, 2023, 142-143, nr. 158; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 222, nr. 177; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.32 BW» in Comm.Pers., 2024, 5, nr. 5-6.

49  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/57.

50  Cass. 1 december 2025, AR nr. C.24.0110.N, www.juportal.be, gepubliceerd verder in dit nummer.

51  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 153, nr. 283-284.

52  Naast de bestuursrechtelijke bescherming wordt de echtgenoot die niet heeft toegestemd of ingestemd, ook beschermd door het feit dat deze schulden dan eigen schulden zijn aan de contracterende echtgenoot (art. 2.3.24, 3° BW, voorheen art. 1407, derde streepje oud BW). Deze schulden kunnen slechts worden verhaald op het eigen vermogen van de contracterende echtgenoot en in voorkomend geval op het gemeenschappelijk vermogen in zoverre het uit deze handelingen voordeel heeft getrokken (art. 2.3.26, § 3 BW, voorheen art. 1411 oud BW).

53  Masschelein M.-A., «Enkele bijzonderheden met betrekking tot de nietigverklaring op grond van artikel 1422 BW», noot onder Antwerpen 10 december 2012, TBBR 2014, 170, nr. 4; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 3, nr. 3.

54  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 6, nr. 7 en 8, nr. 12.

55  Cass. 1 december 2025, AR nr. C.24.0110.N, www.juportal.be, gepubliceerd verder in dit nummer.

56  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 7-8, nr. 11.

57  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 7, nr. 11.

58  Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 7, nr. 9.

59  Masschelein M.-A., «Enkele bijzonderheden met betrekking tot de nietigverklaring op grond van artikel 1422 BW», noot onder Antwerpen 10 december 2012, TBBR 2014, 171, nr. 7; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 9, nr. 11.

60  Pintens W., Declercq C., Du Mongh J. en Vanwinckelen K., Familiaal vermogensrecht, Intersentia, 235, nr. 422; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 239 nr. 202; Dekkers R., Casman H., Verbeke A.-L. en Alofs E., Relatievermogensrecht - Na de codificatie van 2022, Lefebvre Sarrut Belgium, 2023, 142-143, nr. 158; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.36 BW» in Comm.Pers., 2024, 12, nr. 16; Verschelden G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Gandaius, 2025, 913, nr. 1858; Antwerpen 3 januari 2023, TEP 2024/1, 137, T.Not. 2023/3, 213.

61  Dit staat weliswaar los van de mogelijkheid voor de contracterende echtgenoot en derden om op andere rechtsgronden (bv. op grond van wilsgebreken) de geldigheid van de rechtshandeling aan te vechten. Vgl. Cass. 11 maart 2019, JLMB 2019/29, 1373.

62  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/63.

63  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 158, nr. 300; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 240, nr. 202; Thijs H., “Commentaar bij art. 2.3.36 BW” in Comm.Pers., 2024, 13, nr. 18.

64  Verslag namens de Commissie voor de justitie uitgebracht door de heer Hambye, SENAAT, 1975-76, 25 november 1975, nr. 683-2/63.

65  Gent 5 december 2019, RABG 2020/3, 200.

66  Masschelein M.-A., «Enkele bijzonderheden met betrekking tot de nietigverklaring op grond van artikel 1422 BW», noot onder Antwerpen 10 december 2012, TBBR 2014, 173, nr. 10; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.37 BW» in Comm.Pers., 2024, 5, nr. 8.

67  Cass. 11 april 2025, JLMB 2026/20, 875, NJW 2026/544, 478, noot Aerts M., RABG 2025/11-12, 991, noot Melis S.; RABG 2025/14, 1345, concl. Ravyse S.; RW 2025-26/4, 136, concl. Ravyse, S., noot, TEP 2025/2, 168, concl. Ravyse S., noot, T.Not. 2025/9, 636, noot en P&B 2025/3, 155.

68  Masschelein M.-A., «Enkele bijzonderheden met betrekking tot de nietigverklaring op grond van artikel 1422 BW», noot onder Antwerpen 10 december 2012, TBBR 2014, 173, nr. 10; Thijs H., «Commentaar bij art. 2.3.37 BW» in Comm.Pers., 2024, 6, nr. 8.

69  Cass. 1 december 2025, AR nr. C.24.0110.N, www.juportal.be, gepubliceerd verder in dit nummer.

70  Vgl. inzake gemeen recht: Cass. 16 juni 2022, AR nr. C.21.0335.N, www.juportal.be, waar het Hof van Cassatie oordeelt dat de exceptie van nietigheid, die een verweermiddel ten gronde is dat niet de vernietiging van de overeenkomst tot gevolg heeft, maar enkel ertoe strekt het beroep op die overeenkomst te doen afwijzen, niet voor verjaring vatbaar is.

71  Barbaix R., Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 159, nr. 304.

72  Cass. 1 december 2025, AR nr. C.24.0110.N, www.juportal.be, gepubliceerd op p. 260 in dit nummer.