De sanctionering van een gebrek aan samenhang bij de collectieve dagvaarding - Deformalisering in actie
Stien Dethier1
Over hoe een gebrek aan samenhang tussen vorderingen samengevoegd in een collectieve dagvaarding gesanctioneerd moet worden, bestond lang onzekerheid in de rechtspraak en rechtsleer. De deformaliseringstendens die werd ingezet door het Gerechtelijk Wetboek en met de Potpourri-wetten kracht werd bijgezet, deed gezaghebbende auteurs al vermoeden dat de juiste sanctionering géén sanctionering was. Dat bevestigde het Hof van Cassatie in zijn recente arrest van 4 december 2025, al blijven er wel nog een aantal praktische vragen over.
I. Inleiding
1. Wanneer men over samenhang spreekt, wordt al snel aan de samenvoeging van lopende gedingen wegens samenhang (art. 566 Ger.W.) gedacht. De collectieve dagvaarding (art. 701 Ger.W.), die toestaat om samenhangende vorderingen samen in te leiden, wordt soms eens vergeten. Nochtans is deze samenvoeging wegens samenhang in de praktijk belangrijk. De collectieve dagvaarding is ook proceseconomisch interessant, omdat zij het incident van de samenvoeging van lopende gedingen vermijdt en toestaat om samenhangende vorderingen reeds van bij de gedinginleiding samen te behandelen.2
2. Zowel de collectieve dagvaarding als de samenvoeging van lopende gedingen zijn maar zeer summier uitgewerkt in de wet. Dat geen van beide procesfiguren een officiële naam kreeg van de wetgever, is op dat vlak tekenend. In tegenstelling tot bijvoorbeeld voor de tussenkomst, is er ook eerder een beperkt arsenaal van rechtspraak van het Hof van Cassatie over de samenvoeging van lopende gedingen en de collectieve dagvaarding. Omdat de collectieve dagvaarding daarnaast ook niet veel aandacht krijgt van de rechtsleer, zijn er nog heel wat onduidelijkheden rond deze rechtsfiguur.
Zo is het niet duidelijk in welke mate er onder het mom van een collectieve dagvaarding afgeweken kan worden van de vormvoorschriften die normaliter voor de gedinginleiding van elk van de samengevoegde vorderingen gelden.3 Op de tot dan toe heersende vraag of een collectieve dagvaarding ook in hoger beroep nog kan, als een collectieve akte van hoger beroep, bracht het cassatiearrest van 14 september 2018 een begin van antwoord aan.4
3. Een vraag die de rechtsleer al lang bezighoudt, is die naar de sanctionering van een collectieve dagvaarding waarin in weerwil van een gebrek aan samenhang, verschillende vorderingen toch samen ingeleid worden.5 De rechtspraak en rechtsleer hebben hiervoor in het verleden zowel de nietigheid als de niet-ontvankelijkheid naar voren geschoven, en recenter is er twijfel of een gebrek aan samenhang bij een collectieve dagvaarding wel gesanctioneerd kan worden. Uiteindelijk kon het Hof van Cassatie met zijn arrest van 4 december 2025 de nodige duidelijkheid brengen, al blijven een aantal praktische vragen nog onbeantwoord.6
De discussie over de sanctionering van een gebrek aan samenhang bij de collectieve dagvaarding is in het bijzonder interessant omdat zij plaatsvond samen met de hervorming van de sanctieleer en de ruimere deformaliseringstendens in het burgerlijk procesrecht. Al bij de invoering van het Gerechtelijk Wetboek wees Koninklijk Commissaris voor de Gerechtelijke Hervorming Charles Van Reepinghen op de noodzaak om het excessief formalisme in het burgerlijk procesrecht terug te dringen.7 Deze deformalisering werd de volgende decennia voortgezet, recenter nog met de Potpourri-wetten, die alle absolute nietigheden afschaften, waardoor belangenschade nu steeds vereist is om een nietigheid te kunnen uitspreken.8,9 Toch zijn vormvoorwaarden noodzakelijk om een ordentelijk proces te kunnen organiseren. De rechtspraktijk is zo steeds op zoek naar het juiste niveau van formalisme.10
II. De collectieve dagvaarding
A. Algemeen
4. Verschillende samenhangende hoofdvorderingen kunnen middels een collectieve dagvaarding samen ingeleid worden (art. 701 Ger.W.). Op die manier kunnen de vorderingen meteen gezamenlijk behandeld worden, wat gelet op de samenhang wenselijk is. De collectieve dagvaarding biedt ook een duidelijk proceseconomisch voordeel: hierdoor kunnen de partijen de kosten van meerdere gedinginleidende akten uitsparen en de vertraging van een eventueel later incident van de samenvoeging wegens samenhang vermijden. Hoewel de rechtsleer spreekt over een collectieve dagvaarding, is er consensus dat de mogelijkheid van samenvoeging geldt voor elke gedinginleiding.11 De wet stelt maar één voorwaarde: om de verschillende vorderingen samen in te leiden, moet er sprake zijn van samenhang.
5. Om de samenhangende vorderingen gezamenlijk te kunnen behandelen, moet in sommige gevallen afgeweken worden van andere regels van het burgerlijk procesrecht. De bevoegdheidsregeling is op dit stuk het meest voor de hand liggende voorbeeld: omdat de vorderingen bij één rechter samengevoegd worden, zullen zij soms behandeld worden door een rechter die daar normaal niet bevoegd voor zou zijn.12 In dat geval is er sprake van prorogatie van bevoegdheid.13 In welke mate, en hoe, afgeweken kan worden van de bevoegdheden, wordt bepaald in art. 565-566 Ger.W. De bevoegdheidsregeling is dus dezelfde als bij de samenvoeging van lopende gedingen. Van de vormvoorschriften voor de gedinginleidende akte zal eveneens soms afgeweken moeten worden in geval van een collectieve dagvaarding.
B. Voorwaarde van samenhang
6. Samenhang wordt gedefinieerd in het algemeen deel van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald in art. 30 Ger.W., dat vereist dat de vorderingen «onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht». Er geldt dezelfde voorwaarde van samenhang als bij de samenvoeging van lopende gedingen, en dus laat art. 701 Ger.W. de eisende partij toe om op deze latere samenvoeging te anticiperen.14
Samenhang doelt op een zekere verknochtheid tussen verschillende vorderingen. Het begrip moet feitelijk ingevuld worden: er wordt gekeken naar de feitelijke situatie onderliggend aan de vorderingen. Het begrip samenhang wordt in de wet niet strikt afgebakend. Dit was ook de bedoeling van de wetgever: samenhang moet ruim begrepen worden.15 Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of er sprake is van samenhang.16 Hij geniet daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid.17
7. De rechtsleer schuift twee verschillende invullingen van samenhang naar voren: een materiële en een processuele, die gekarakteriseerd kunnen worden als een nauwere en ruimere benadering. De nauwere, materiële invulling focust op het risico van tegenstrijdige uitspraken. Daarom stelt de materiële invulling dat de vorderingen ontstaan moeten zijn uit eenzelfde (geheel van) rechtsfeiten en/of rechtshandelingen, opdat er sprake zou zijn van een echte tegenstrijdigheid.18 Veel auteurs stellen in deze context dat het oorzaakbegrip in de praktijk een doorslaggevend element is om van samenhang te kunnen spreken.19
Een aantal auteurs pleit evenwel voor wat zij een processuele of doelmatige invulling noemen, die ruimer is.20 Volgens deze uitlegging kunnen verschillende vorderingen die uit een andere oorzaak voortkomen, maar die «gelijklopende» (rechts)vragen omvatten, ook samenhangend zijn.21 De procesrechtelijke invulling vindt haar ratio in de proceseconomie: samenhangende vorderingen samen behandelen spaart tijd en middelen.22 Het is in dit geval de proceseconomie zelf die de toetssteen wordt: indien een gezamenlijke behandeling meer proceseconomisch zou zijn, dan verantwoordt de samenhang de samenvoeging van de vordering.23
8. Een rechter die geconfronteerd wordt met een collectieve dagvaarding, kan een gebrek aan samenhang niet ambtshalve opwerpen.24 De regeling is immers niet van openbare orde.25 De rechter kan de samenhang dus enkel nagaan op uitdrukkelijk verzoek van de verweerder, voor zover de verweerder dit in limine litis opgeworpen heeft (art. 854 Ger.W.).26 Dat betekent dat een collectieve dagvaarding kan voortbestaan zonder samenhang tussen de vorderingen, indien de verweerder daar geen (tijdig) bezwaar tegen maakt.
De collectieve dagvaarding kan weliswaar leiden tot een afwijking van een regel die in tegenstelling tot de samenhang wél van openbare orde is. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer er voor de samenvoeging van de vorderingen afgeweken moet worden van materiële bevoegdheidsregels, die in beginsel steeds van openbare orde zijn. Dan kan en moet de rechter de samenhang wel ambtshalve nagaan, in het kader van zijn controle op de naleving van die specifieke regel.27
III. Discussie over sanctionering gebrek aan samenhang
9. Door het gebrek aan duidelijke sanctie in de wet bestaat er al lang discussie over de juiste sanctie bij een gebrek aan samenhang.28 Die discussie valt gedeeltelijk te verklaren door het feit dat de sanctieleer sindsdien onder invloed van het Hof van Cassatie en later van de wetgever een aantal gedaanteveranderingen ondergaan heeft, waarbij ze uiteindelijk sterk verduidelijkt is.29 Daarenboven loopt de sanctionering van de samenhang soms samen met andere sanctioneringsmechanismen, zoals een sanctionering van de bevoegdheden. Een gebrek aan samenhang tussen de verschillende vorderingen kan er immers toe leiden dat de rechtbank voor bepaalde vorderingen niet meer bevoegd is. De samenloop tussen sanctioneringsmechanismen kan het vraagstuk nog ingewikkelder maken. De rechtsleer heeft in het verleden verschillende sancties voorgesteld voor een (louter) gebrek aan samenhang tussen vorderingen samengevoegd in een collectieve dagvaarding.
10. Een eerste strekking, ondersteund door Fettweis, was van mening dat de gedinginleidende akte waarin de niet-samenhangende vorderingen samen ingeleid worden, nietig moet worden verklaard.30 Een deel van de oudere feitenrechtspraak volgde deze strekking.31 Art. 701 Ger.W. voorziet echter helemaal geen nietigheidssanctie, wat volgens art. 860 Ger.W. nochtans wel vereist is om een nietigheid te kunnen uitspreken.32 De rechtsleer zocht daarom toevlucht tot art. 702, 3° Ger.W., dat vroeger bepaalde dat de dagvaarding «het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering» moest bevatten, en waarin «onderwerp» met de wet van 19 oktober 2015 door «voorwerp» vervangen werd.33 Die nietigheidssanctie zou dan ook gebruikt moeten worden bij een gebrek aan samenhang.
De nietigheidssanctie van art. 702, 3° Ger.W. geldt wel enkel voor dagvaardingen, terwijl art. 701 Ger.W. geacht wordt van toepassing te zijn op elke gedinginleidende akte (cf. supra nr. 4).34 Bovendien zou de gedinginleidende akte enkel nietig verklaard kunnen worden als de verweerder ook belangenschade geleden heeft door de collectieve dagvaarding.35 Het is bij deze strekking niet duidelijk hoe het gebrek aan samenhang gesanctioneerd zou moeten worden indien er geen belangenschade is.36 In principe moet de collectieve dagvaarding dan gewoon blijven voortbestaan.37
Het belangrijkste bezwaar tegen deze strekking is echter dat art. 702, 3° Ger.W. niets te maken heeft met de collectieve dagvaarding of de voorwaarde van samenhang. Die nietigheidssanctie kan dus niet zomaar geëxtrapoleerd worden naar art. 701 Ger.W. Anders wordt de nieuwe weg die met het Gerechtelijk Wetboek voor de nietigheidsleer werd ingeslagen, en meer precies het legaliteitsbeginsel (of het principe van pas de nullité sans texte), miskend.38 De hervorming van de nietigheidsleer was een essentiële stap in de deformalisering die het Gerechtelijk Wetboek heeft willen inzetten.39 Deze hervorming heeft ervoor gezorgd dat de eerste strekking over de sanctionering van een gebrek aan samenhang volledig achterhaald is. De rechtsleer is het al een tijdje eens over het feit dat de gedinginleidende akte waarin de niet-samenhangende vorderingen samen worden ingeleid, bij gebrek aan sanctie in de wet alleszins niet nietig verklaard kan worden.40
11. Een tweede strekking keek naar de niet-ontvankelijkheid als juiste sanctionering voor het gezamenlijk inleiden van niet-samenhangende vorderingen. Deze strekking steunt de sanctie van niet-ontvankelijkheid op de these dat art. 701 Ger.W. deel zou zijn van de regels die betrekking hebben op de gerechtelijke organisatie, en dus geen vormvoorschrift zou uitmaken.41 Zo zou art. 701 Ger.W. in het lijstje van organisatorische regels voor rechters en ministeriële ambtenaren komen.42 De overtreding deze regel van gerechtelijke organisatie zou dan gesanctioneerd moeten worden met de niet-ontvankelijkheid. Ook deze strekking kon op de steun van de feitenrechtspraak rekenen.43
Er zijn nog twee verschillende meningen in de rechtspraak en rechtsleer die de niet-ontvankelijkheid naar voren schuiven. Een deel van de rechtspraak en rechtsleer meent dat het gebrek aan samenhang ervoor zorgt dat alle vorderingen niet-ontvankelijk zijn.44 Een ander deel van de rechtspraak en rechtsleer meent daarentegen dat alle vorderingen behalve één niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.45 In dat tweede geval is er bijkomend discussie welke vordering dan overeind blijft. Witmeur meent dat de hoofdvordering ontvankelijk blijft, maar de collectieve dagvaarding dient net om verschillende hoofdvorderingen samen in te leiden.46 Englebert houdt enigszins pragmatisch voor dat de eerste vordering in de gedinginleidende akte behouden dient te worden, om discussie te vermijden.47
De niet-ontvankelijkheid is echter net zoals de nietigheid geen gepaste sanctie voor het ontbreken van samenhang tussen de verschillende vorderingen in een collectieve dagvaarding. De niet-ontvankelijkheid dient om het ontbreken van een rechtsvordering te sanctioneren.48 Dit probleem doet zich voor wanneer niet voldaan is aan één of meerdere bestaansvoorwaarden van de rechtsvordering, waardoor de partij geen recht heeft om in rechte op te treden. Art. 701 Ger.W. kwalificeren als een voorschrift van de gerechtelijke organisatie om toch nog een niet-ontvankelijkheid te bewerkstelligen, is geen oplossing. Het Hof van Cassatie maakte definitief komaf met deze strekking in zijn arrest van 24 november 2008, waarin het formeel stelde dat art. 701 Ger.W. geen betrekking heeft op de gerechtelijke organisatie, noch van openbare orde is.49
12. Hoewel de rechtspraak en rechtsleer duidelijk een sanctionering voor ogen hebben voor het geval dat een partij niet-samenhangende vorderingen toch gezamenlijk inleidt, lijkt er dus geen gepaste sanctie te zijn. Het gebrek aan samenhang zorgt voor een vormfout: in weerwil van art. 701 Ger.W. werden verschillende, niet-samenhangende vorderingen door middel van één gedinginleidende akte aanhangig gemaakt. De niet-ontvankelijkheid is in elk geval geen gepaste sanctie in geval van een vormfout. De geijkte sanctie is in zo’n geval principieel de nietigheid, maar uiteraard enkel in de mate dat zij voorgeschreven is door de wet (art. 860 Ger.W.). Bij gebrek aan uitdrukkelijke nietigheidssanctie in de wet, kan er enkel besloten worden dat er geen peremptoire sanctie opgelegd kan worden in geval van een gebrek aan samenhang in een collectieve dagvaarding.50
IV. Opsplitsing
A. De enige juiste optie
13. De enige juiste sanctie is dus het opsplitsen van de vorderingen. Het gaat om een louter dilatoire sanctie, bestaande uit het ongedaan maken van het samenvoegen van de vorderingen, omdat de eisende partij zich dit voordeel onrechtmatig had toegeëigend.51 Dit is intussen duidelijk de meerderheidsstrekking in de rechtsleer.52 Een deel van de rechtspraak was dezelfde mening toegedaan.53
Het Hof van Cassatie bevestigt dit expliciet in een recent arrest van 4 december 2025.54 Het Hof stelt didactisch dat art. 701 Ger.W. niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid, noch een regel van rechterlijke organisatie is die de niet-ontvankelijkheid van «het geheel of een deel van vorderingen» met zich meebrengt.55 Het gebrek aan samenhang kan er dus enkel toe leiden, zo besluit het Hof, dat de vorderingen afzonderlijk moeten worden berecht.56
Dit oordeel kwam niet als een verrassing. Al in een arrest van 17 september 1981 schoof het Hof deze oplossing naar voren.57 De feitenrechter werd geconfronteerd met een gebrek aan samenhang in de collectieve dagvaarding, als gevolg waarvan hij bovendien onbevoegd was voor een deel van de samengevoegde vorderingen.58 Het Hof van Cassatie besliste dat de rechter niet alle vorderingen naar de arrondissementsrechtbank diende te verwijzen, maar enkel die waarvoor hij meende onbevoegd te zijn, wat de opsplitsing als juiste aanpak impliceerde. Ook in een arrest van 8 december 2014 over de gedingkosten bevestigde het Hof impliciet dat de afsplitsing de juiste sanctie was, door te spreken over een collectieve dagvaarding, «zonder dat de afsplitsing van de zaken wordt gevorderd en gelast».59
14. Deze oplossing is de enige juiste gelet op de huidige sanctieleer en deformaliseringstendens, die sinds de Potpourri-wetten nog kracht is bijgezet. De rechtsleer is het er weliswaar over eens dat een zeker formalisme noodzakelijk is, omdat vormregels de grondslag vormen voor een ordelijk procesverloop en fundamentele normen zoals het recht van verdediging, de tegenspraak en de rechtszekerheid kunnen beschermen.60 Het gaat er evenwel om het juiste evenwicht, «tussen de gevaren van laksheid en het euvel van overdreven formalisme», te vinden.61
Een belangrijk element in dat evenwicht is het normdoel. Een vormvoorschrift kan geen zelfstandige norm worden, maar moet altijd bekeken worden in het licht van de partijen, normen en waarden die zij beschermt.62 Bovendien ligt de nadruk op het herstel: indien de overtreding van het vormvoorschrift hersteld kan worden, moet zij niet gesanctioneerd worden.63 Een eiser die art. 701 Ger.W. overtreedt door niet-samenhangende vorderingen gezamenlijk in te leiden, schaadt mogelijk de belangen van de verweerder, die zich geconfronteerd ziet met vorderingen die met elkaar geen uitstaans hebben. Bij een subjectieve cumulatie van vorderingen kunnen hierdoor mogelijk ook partijen die aan de verweerder vreemd zijn, mee betrokken worden. Deze belangenschade is echter eenvoudig te herstellen. Door de opsplitsing zal de verweerder zich niet meer geconfronteerd zien met vorderingen en partijen die niets te maken hebben met de vordering die tegen hem ingesteld is, en/of zal hij zich in afzonderlijke gedingen kunnen verdedigen tegen vorderingen die geen onderlinge samenhang hebben. Volgens Boularbah is de opsplitsing dan ook de enige sanctionering die verenigbaar is met het verbod op excessief formalisme impliciet in art. 6.1 EVRM begrepen.64 Bovendien sluit deze oplossing het dichtst aan bij het principe van de proceseconomie.65
De ongeoorloofde samenvoeging in een collectieve dagvaarding kan weliswaar leiden tot de overtreding van andere regels in het burgerlijk procesrecht, die naast aan de belangen van de partijen ook aan de belangen van justitie zelf raken. Om samenhangende vorderingen te kunnen bundelen in één gedinginleiding, kan de eiser immers (gedeeltelijk) afwijken van de regels die betrekking hebben op de vorm van de gedinginleiding of de bevoegdheid (art. 565-566 Ger.W.) (cf. supra nr. 5). Maar die mogelijke overtredingen kunnen voor de relevante vorderingen gesanctioneerd worden via de sanctioneringsmechanismen die bij die normen horen. De regels van de collectieve dagvaarding hoeven hiervoor geen (bijkomende) sanctionering te voorzien.
B. Praktische uitwerking opsplitsing
15. Hoe moet de opsplitsing dan praktisch gebeuren? Het Hof van Cassatie legt dit in zijn arrest van 4 december 2025 uit: de afgesplitste vorderingen moeten in een afzonderlijk dossier met een afzonderlijk rolnummer ondergebracht worden.66 In afwachting van de inschrijving moet de rechtspleging voor die vorderingen geschorst worden, in overeenstemming met art. 717 Ger.W.67 Deze analogische toepassing door het Hof van Cassatie van art. 717 Ger.W., dat eigenlijk geldt voor vorderingen die vóór de inleidingszitting niet op de rol ingeschreven zijn, verdient goedkeuring. De rechter zal in zijn vonnis of arrest oordelen dat de vorderingen afgesplitst moeten worden en dat de berechting van de afgesplitste vorderingen geschorst moet worden. De belanghebbende partijen kunnen de griffier dan vragen om de vorderingen op de rol in te schrijven.
Er blijven echter nog een aantal vragen over rond de praktische uitwerking van de opsplitsing, namelijk welke vordering(en) precies afgesplitst moet(en) worden, en wat de gevolgen van de opsplitsing zijn op het vlak van de verjaring en de kosten.
i. Welke vorderingen worden afgesplitst?
16. Het is vanuit het cassatiearrest onduidelijk welke vordering precies aanhangig blijft voor de rechter in het oorspronkelijk geding, en welke vordering(en) afgesplitst moet(en) worden. Dit doet denken aan de discussie in de rechtsleer over welke vordering gespaard bleef van de niet-ontvankelijkheid bij de strekking die de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen als sanctie naar voren schoof (cf. supra nr. 11). Bij gebreke aan een pertinent criterium zal de rechter zelf een pragmatische keuze moeten maken. Het lijkt logisch dat de rechter zal opteren voor de eerste vordering. Uiteraard kan dit enkel een vordering zijn waarvoor de rechter ondanks het gebrek aan samenhang bevoegd voor blijft.68
ii. Verjaring
17. De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door de dagvaarding, of eigenlijk ruimer, de gedinginleidende akte (art. 2244, § 1 oud BW).69 Die stuiting vindt plaats op de datum van binnenkomst (zie art. 711 Ger.W.). De vraag is wat de datum van binnenkomst zal zijn voor de afgesplitste vorderingen. Uit het cassatiearrest van 4 december 2025 blijkt dat er voor de afgesplitste vorderingen geen nieuwe gedinginleidende akte opgesteld moet worden. De gedinginleidende akte blijft aldus bestaan en behoudt daardoor al haar effecten, waaronder de stuiting van de verjaring voor alle vorderingen die middels deze gedinginleidende akte ingeleid zijn.
De datum van binnenkomst blijft dus de datum van de gedinginleidende akte, ook bij de latere (her)inschrijving van de afgesplitste vordering(en) op de rol. Die benadering klopt met de ratio achter art. 2244 oud BW: de eiser heeft met de gedinginleidende akte willen aantonen dat hij zijn rechtsvorderingen wil uitoefenen, waardoor hij vanaf dan moet de stuiting van de verjaring moet kunnen genieten terwijl zijn vorderingen behandeld worden. Die stelling komt overigens overeen met de redenering van art. 2246 oud BW, volgens welke ook een dagvaarding voor een onbevoegde rechter de verjaring stuit.70 Zelfs een nietigverklaarde gedinginleidende akte stuit de verjaring.71,72 De duidelijke wil van de eiser om zijn rechtsvordering uit te oefenen primeert, boven de fout die hij maakt tegen de regels van het burgerlijk procesrecht. De verjaring is en blijft aldus ook na de afsplitsing gestuit vanaf de oorspronkelijke gedinginleidende akte. Het is echter niet duidelijk of deze antidatering door de griffie praktisch mogelijk is.
iii. Kosten
18. Bovendien rijzen er nog een aantal onduidelijkheden over de betaling van de kosten bij de afsplitsing, en de vereffening van de kosten achteraf. De rechtsleer die de opsplitsing al langer naar voren schoof, meende dat de rechtspleging voor de afgesplitste vorderingen geschorst moest worden tot de betaling van een nieuw rolrecht, omdat het rolrecht toen nog bij de gedinginleiding door de eisende partij betaald moest worden.73 De vraag was dan of dit rolrecht voor de afgesplitste vorderingen opnieuw betaald diende te worden. Door de wet van 14 oktober 2018 moet het rolrecht nu pas achteraf door de verliezende partij betaald worden, waardoor de betaling van het rolrecht de voortgang van het afgesplitste geding niet meer tegenhoudt.74 Er moet bij afloop voor elk van de afzonderlijke gedingen een rolrecht betaald worden.
19. De bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand moet daarentegen wel reeds bij de gedinginleiding betaald worden.75 De wet voorzag oorspronkelijk dat er een bijdrage per eisende partij betaald diende te worden, maar ingevolge een vernietiging door het Grondwettelijk Hof moet deze bijdrage per gedinginleidende akte betaald worden.76 De vraag is of deze bijdrage voor de afgesplitste vorderingen opnieuw betaald moet worden. Het vredegerecht van Etterbeek meent in een vonnis van 27 oktober 2022 dat dit het geval is.77
Uit het cassatiearrest van 4 december 2025 blijkt echter dat de afgesplitste vorderingen niet opnieuw ingeleid moeten worden: de behandeling van deze vorderingen wordt enkel geschorst. Omdat er geen nieuwe gedinginleidende akte opgesteld moet worden, zal er dus ook geen bijkomende bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand betaald moeten worden bij de opsplitsing van de niet-samenhangende vorderingen.
Het tegendeel beweren zou overigens voor te veel praktische moeilijkheden zorgen: anders zou de eisende partij na de opsplitsing opnieuw naar de griffie moeten om de bijkomende bijdrage(n) te betalen. De rechtsleer en nu ook het Hof van Cassatie onderschrijven duidelijk dat het gebrek aan samenhang bij de collectieve dagvaarding tot geen sanctionering moet leiden, en dus geen nodeloze praktische moeilijkheden en vertragingen moet veroorzaken.
20. Na afloop van de procedure kan de vereffening van de kosten van de gedinginleidende akte ook nog onduidelijkheid opleveren. De onderscheiden gedingen zullen immers met één gedinginleidende akte opgestart zijn. Vanzelfsprekend zal de zegevierende eiser de volledige kost van die gedinginleidende akte niet in elk van de gedingen kunnen terugvorderen. De meest voor de hand liggende oplossing is dat de kosten van de gedinginleidende akte in gelijke delen in elk van de gedingen teruggevorderd zouden worden. De winnende eisende partij(en) zou(den) de volledige kosten van de gedinginleiding echter ook in slechts één van de gedingen kunnen terugvorderen. De wet noch de rechtspraak van het Hof van Cassatie brengen hier uitsluitsel over. Een strategische eisende partij kan van deze rechtsonzekerheid gebruik maken om de kosten van de gedinginleiding terug te vorderen daar waar zij gelijk krijgt over haar vordering.
V. Conclusie
Het burgerlijk procesrecht wordt al sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek gekenmerkt door een deformaliseringstendens. Het was in de eerste plaats de wetgever die de sanctieleer verduidelijkte door de principes van de nietigheid te verankeren en later waar nodig aan te passen. Het Hof van Cassatie heeft echter een niet te onderschatten rol te spelen in die instanties waarin de rechtspraktijk toch sancties uitwerkt voor vormfouten die niet op straffe van een sanctie voorgeschreven zijn.
De sanctionering van een gebrek aan samenhang in een collectieve dagvaarding is daarvan een goed voorbeeld. Doordat de verschillende vorderingen onterecht met één gedinginleidende akte ingeleid worden, zal er sprake zijn van een vormfout. Die vormfout is echter niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, en kan ook niet gesanctioneerd worden met de niet-ontvankelijkheid. Wat eminente auteurs al langer zeiden, bevestigde het Hof van Cassatie definitief in zijn arrest van 4 december 2025: de juiste sanctionering is géén sanctionering, maar louter de opsplitsing van de onterecht samengevoegde vorderingen.
1 Doctoraatsonderzoeker en FWO-aspirant (1103325N), Leuven Centre for Public Law, KU Leuven.
2 Hoc A., Vanderschuren J. en Van Drooghenbroeck J.-F., «L’introduction de l’instance» in Boularbah H. en Georges F. (eds.), Actualités en droit judiciaire, Larcier, 2013, 178; Lerouge A., «L’absence de connexité entre des demandes formulées dans le même acte introductif entraîne la disjonction des causes», JT 2026, 406.
3 Mosselmans S., «Het instellen van verscheidene vorderingen bij een zelfde verzoekschrift, wanneer de wet het slechts met betrekking tot één of bepaalde van die vorderingen toelaat», T.Vred. 2004, 338-348.
4 Cass. 14 september 2018, AR nr. C.16.0186.N, RABG 2019, 6, 495, noot Maes B.
5 Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 306; Brewaeys E., «Samenhang en onsplitsbaarheid: ingrediënten voor een eenpansgerecht» in Flo J., Jansens L. en VLAAMS PLEITGENOOTSCHAP (eds.), Smaakmakers in het procesrecht, Intersentia, 2016, (105) 116; Closset-Marchal G., «Jonction des demandes pour cause de litispendance ou de connexité», T.Vred. 2010/3-4, (77) 83; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 137; Englebert J., «Citations collectives et autres problèmes de procédure liés à l’action collective» in Van Compernolle J. (ed.), Les actions collectives devant les différentes juridictions, CUP, 2001, 139; Laenens J., «De bevoegdheid (1993-2000)», TPR 2002, 1566; Van Compernolle J. en Closset-Marchal G., «Examen de jurisprudence (1985 à 1996) - Partie I», RCJB 1997, (495) 606; Vandeburie A., «La sanction de l’absence de connexité entre demandes ï¬gurant dans le même acte introductif d’instance. Le casse-tête de l’article 701 du Code judiciaire», RGDC 2007, (564) 564; Witmeur R., «Quelques réflexions à propos des procédures administrative et judiciaire», P&B 1996, (32) 38.
6 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.
7 Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek: Verslag van de heer Van Reepinghen, SENAAT, 1963-1964, 10 december 1963, S. 60, 207.
8 Uitzondering op de regel is de nietigheid van art. 40 Wet Taalgebruik Gerechtszaken, waarvoor de wetgever teruggefloten werd door het Grondwettelijk Hof (GwH 19 september 2019, 120/2019) en die tot nader orde dus terug een absolute nietigheid uitmaakt.
9 Mougenot D. en Van Drooghenbroeck J.-F., «Le formalisme dans la procédure de cassation en Belgique» in Chainias C., Van Drooghenbroeck J.-F., Saletti A. e.a. (eds.), Quel avenir pour les juridictions suprêmes, Bruylant, 2021, (187) 192; Taelman P., Van Severen C. en Van Doninck J., «Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht» in Taelman P. (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Wolters Kluwer, 2016, (303) 305.
10 Storme M., «Moeders mooiste zorgenkind: het procesrecht in het laatste derde van de XXe eeuw», TPR 2001, (239) 245; Wagner K., Sancties in het burgerlijk procesrecht, Maklu, 2007, 74.
11 Closset-Marchal G., «Jonction directe de demandes connexes et effet des compétences exclusives sur les mécanismes de jonction», JT 2013, (798) 798; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 135; Sobrie S., «Instelling van de vordering» in X. (ed.), Focus op burgerlijke rechtspleging, Kluwer, 2022, 106.
12 Rutten S. en Dupon F., «De bevoegdheid (2001-2013)», TPR 2014/4, (2105) 2130.
13 Laenens J., De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, Kluwer rechtswetenschappen, 1981, 42.
14 Boularbah H., «Le Code judiciaire est-il adapté (en l’état actuel) aux actions tendant à la réparation d’un préjudice de masseâ¯?» in Englebert J. (ed.), Questions de droit judiciaire inspirées de l’«â¯affaire Fortis⯻, Larcier, 2011, (81) 89; Boularbah H. en Marquet C., «Pluralité de parties: quelques questions spécifiques aux litiges multipartites de la construction» in Dewaide X. en Dupont M. (eds.), Les obligations et les moyens d’action en droit de la construction, Larcier, 2012, (145) 145-146; Englebert J., «Citations collectives et autres problèmes de procédure liés à l’action collective» in Van Compernolle J. (ed.), Les actions collectives devant les différentes juridictions, CUP, 2001, 136.
15 Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek: Verslag van de heer Van Reepinghen, SENAAT, 1963-1964, 10 december 1963, S. 60, 31.
16 Sobrie S., «Instelling van de vordering» in X. (ed.), Focus op burgerlijke rechtspleging, Kluwer, 2022, 106.
17 Cass. 30 maart 2021, AR nr. P.20.1216.N, NC 2021, 353; Cass. 24 oktober 2003, AR nr. C.02.0191.F; Boularbah H. en Marquet C., «Pluralité de parties: quelques questions spécifiques aux litiges multipartites de la construction» in Dewaide X. en Dupont M. (eds.), Les obligations et les moyens d’action en droit de la construction, Larcier, 2012, (145) 146; Claus L., «Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger.W.)», Comm.Ger. 2023, (1) 2; Closset-Marchal G., «Jonction des demandes pour cause de litispendance ou de connexité», T.Vred. 2010/3-4, (77) 80; Gutt E. en Stranart-Thilly A.-M., «Droit judiciaire privé. Examen de jurisprudence: 1965 à 1970 - Partie I», RCJB 1973, (91) 125-126; Maes B., «Samenhang door hoger beroep», RABG 2019/6, (497) 499.
18 Boularbah H., «Le Code judiciaire est-il adapté (en l’état actuel) aux actions tendant à la réparation d’un préjudice de masseâ¯?» in Englebert J. (ed.), Questions de droit judiciaire inspirées de l’«â¯affaire Fortis⯻, Larcier, 2011, (81) 91; De Leval G., «Eléments de compétence» in De Leval G. (ed.), Droit judiciaire: Tome 2. Procédure civile. Volume 1. Principes directeurs du procès civil. Compétence - Action - Instance - Jugement, Collection de la Faculté de droit de l’Université de Liège, Larcier, 2021, 151; Taton X. en Danis F., «Les actions collectivesâ¯: des régimes variés selon la catastrophe concernée» in X. (ed.), Le droit des catastrophes, Anthemis, 2020, 210-211.
19 Boularbah H., «Le Code judiciaire est-il adapté (en l’état actuel) aux actions tendant à la réparation d’un préjudice de masseâ¯?» in Englebert J. (ed.), Questions de droit judiciaire inspirées de l’«â¯affaire Fortis⯻, Larcier, 2011, (81) 91; Dauw P., «Commentaar bij art. 701 Ger.W.», Comm.Ger. 2003, (1) 23; De Baere E., «Procederen in zaken van massaschade: naar een class action in Belgisch recht?», TPR 2007/1, 16; Taelman P. en Thion P., «Bundeling van vorderingen», TPR 2003/4, (1489) 1500; Van Den Bergh B., «Over cumul van vorderingen, samenhang en de aanwijzing van de bevoegde rechter», RW 2009-10/5, 192; Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 737; Voet S., Een Belgische vertegenwoordigende collectieve rechtsvordering, Intersentia, 2012, 23; X., «Exceptions et fins de non-recevoir» in Brunet E., Servais J., Resteau C. e.a. (eds.), Répertoire pratique du droit belge, Bruylant, 1983, 18.
20 De Baere E., «Procederen in zaken van massaschade: naar een class action in Belgisch recht?», TPR 2007/1, 16-17; Taelman P., «Cumulatie van vorderingen - collectieve dagvaardingen» in Storme M. en Taelman P. (eds.), Het proces in meervoud - Le procès au pluriel, Bruylant, 1997, (1) 17; Van Den Bergh B. en Daniels C., Wees niet bang van de toga: Praktisch vademecum burgerlijk procesrecht, LeA Uitgevers, 2024, 13; Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 737.
21 Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 737.
22 De Baere E., «Procederen in zaken van massaschade: naar een class action in Belgisch recht?», TPR 2007/1, 16; Van Den Bergh B. en Daniels C., Wees niet bang van de toga: Praktisch vademecum burgerlijk procesrecht, LeA Uitgevers, 2024, 13; Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 737.
23 Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 737.
24 Cass. 24 november 2008, AR nr. C.07.0432.F, Pas. 2008, 2635, concl. Genicot J.; Claus L., «Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger.W.)», Comm.Ger. 2023, (1) 2-3; Closset-Marchal G., «Jonction des demandes pour cause de litispendance ou de connexité», T.Vred. 2010/3-4, (77) 83.
25 Cass. 24 november 2008, AR nr. C.07.0432.F, Pas. 2008, 2635, concl. Genicot J.
26 Closset-Marchal G., «Jonction directe de demandes connexes et effet des compétences exclusives sur les mécanismes de jonction», JT 2013, (798) 798.
27 Cass. 24 november 2008, AR nr. C.07.0432.F, Pas. 2008, 2635, concl. Genicot J.; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 137; Fettweis A., Bevoegdheid, Standaard, 1971, 116.
28 Arbh. Luik 20 april 1998, Soc.Kron. 1999, 308, noot; Arbrb. Charleroi 3 december 2001, JTT 2002/826, 198; Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 306; Brewaeys E., «Samenhang en onsplitsbaarheid: ingrediënten voor een eenpansgerecht» in Flo J., Jansens L. en VLAAMS PLEITGENOOTSCHAP (eds.), Smaakmakers in het procesrecht, Intersentia, 2016, (105) 116; Closset-Marchal G., «Jonction des demandes pour cause de litispendance ou de connexité», T.Vred. 2010/3-4, (77) 83; Deconinck B., «Naar een afbakening in de sanctieregeling?» in Laenens J. en Storme M. (eds.), De sanctieregeling in het gerechtelijk recht, Kluwer rechtswetenschappen, 1994, 93; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 137; Dupon F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het burgerlijk procesrecht, Intersentia, 2022, 902; Englebert J., «Citations collectives et autres problèmes de procédure liés à l’action collective» in Van Compernolle J. (ed.), Les actions collectives devant les différentes juridictions, CUP, 2001, 139; Laenens J., «De bevoegdheid (1993-2000)», TPR 2002, 1566; Van Compernolle J. en Closset-Marchal G., «Examen de jurisprudence (1985 à 1996) - Partie I», RCJB 1997, (495) 606; Vandeburie A., «La sanction de l’absence de connexité entre demandes ï¬gurant dans le même acte introductif d’instance. Le casse-tête de l’article 701 du Code judiciaire», RGDC 2007, (564) 564; Witmeur R., «Quelques réflexions à propos des procédures administrative et judiciaire», P&B 1996, (32) 38.
29 Allemeersch B., «Recente ontwikkelingen op het stuk van sancties in het burgerlijk procesrecht» in Voet S. en Allemeersch B. (eds.), Gerechtelijk Recht: Themis 2019-2020 nr. 113, die Keure, 2020, 69.
30 Fettweis A., Manuel de procedure civile, Université de Liège. Faculté de droit, 1987, 170.
31 HvB Brussel 4 februari 1994, JLMB 1994, 657; Voorz. Rb. Brussel (KG) 12 mei 1992, JTT 1992, 112; Voorz. Rb. Luik (KG) 8 augustus 1989, JLMB 1991, 198.
32 Hoc A., Vanderschuren J. en Van Drooghenbroeck J.-F., «L’introduction de l’instance» in Boularbah H. en Georges F. (eds.), Actualités en droit judiciaire, Larcier, 2013, 179.
33 Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015, 65084.
34 Englebert J., «La citation collective, conditions et sanctions», JLMB 1991, (205) 207.
35 Fettweis A., Manuel de procedure civile, Université de Liège. Faculté de droit, 1987, 170.
36 Fettweis verwijst in deze context enkel naar de regeling van bevoegdheidsexcepties in geval de rechtbank voor één of meerdere vorderingen niet bevoegd is, maar behandelt het alternatieve scenario waarin de rechtbank bevoegd is voor alle vorderingen niet. Zie Ibid.
37 Voorz. Rb. Luik (KG) 8 augustus 1989, JLMB 1991, 198.
38 Zie voor de hervorming van de nietigheidsleer door het Gerechtelijk Wetboek: Deconinck B. en Taelman P., «50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Deformalisering in het civiel procesrecht. Een terugblik met evaluatie en een toekomstvisie» in De Codt J., Deconinck B., Thijs D. e.a. (eds.), Le Code judiciaire a 50 ans. Et aprèsâ¯? / 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu?, Larcier, 2018, 537-573.
39 Ibid., 540; Maes B., «De nieuwe sanctieleer: gemiste kansen?» in BALIE ANTWERPEN (ed.), Meester van het proces - Topics gerechtelijk recht, Intersentia, 2010, (203) 203; Mougenot D. en Van Drooghenbroeck J.-F., «Le formalisme dans la procédure de cassation en Belgique» in Chainias C., Van Drooghenbroeck J.-F., Saletti A. e.a. (eds.), Quel avenir pour les juridictions suprêmes, Bruylant, 2021, (187) 188.
40 Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 307; Claus L., «Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger.W.)», Comm.Ger. 2023, (1) 5; Dauw P., «Commentaar bij art. 701 Ger.W.», Comm.Ger. 2003, (1) 34; Sobrie S., «Instelling van de vordering» in X. (ed.), Focus op burgerlijke rechtspleging, Kluwer, 2022, 107. Zie ook Ravyse S., «Conclusie bij Cass. 4 december 2025», AR nr. C.25.0121.N, 2.
41 HvB Bergen 26 oktober 2010, Ius & Actores 2010/3, 133; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 138.
42 Taelman P., Van Severen C. en Van Doninck J., «Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht» in Taelman P. (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Wolters Kluwer, 2016, (303) 309.
43 HvB Gent 13 november 2002, RABG 2003, 532, noot Boesmans, V.; Rb. Brussel 5 maart 2009, JT 2009/6351, 308; Voorz. Kh. Hasselt (KG) 3 juli 2007, RW 2007-08/26, 1085; Kh. Gent 6 november 2003, TGR-TWVR 2004, 129; Voorz. Rb. Brussel (KG) 18 april 2003, 1; Voorz. Rb. Luik (KG) 20 juni 2002, JLMB 2002/27, 1197; Rb. Charleroi 15 maart 2001, RRD 2001/99, 176; Voorz. Arbrb. Brussel (KG) 13 maart 2000, JLMB 2000/24, 1032; Kh. Charleroi 2 september 1998, JLMB 1999, 987; Voorz. Rb. Brussel (KG) 31 januari 1994, Rev.dr.étr. 1997/77, 36; Voorz. Rb. Brussel (KG) 11 juni 1993, JLMB 1993, 1037; Voorz. Rb. Brussel (KG) 20 maart 1992, Pas. 1992, 68; Rb. Namen 22 februari 1990, JLMB 1991, 202; Rb. Brussel 4 oktober 1989, JLMB 1991, 201.
44 Voorz. Rb. Brussel (KG) 20 maart 1992, Pas. 1992, 68; Rb. Namen 22 februari 1990, JLMB 1991, 202; Rb. Brussel 4 oktober 1989, JLMB 1991, 201; Mosselmans S., «Het instellen van verscheidene vorderingen bij een zelfde verzoekschrift, wanneer de wet het slechts met betrekking tot één of bepaalde van die vorderingen toelaat», T.Vred. 2004, (338) 345.
45 HvB Bergen 26 oktober 2010, Ius & Actores 2010/3, 133; Rb. Brussel 5 maart 2009, JT 2009/6351, 308; Voorz. Kh. Hasselt (KG) 3 juli 2007, RW 2007-08/26, 1085; Kh. Gent 6 november 2003, TGR-TWVR 2004, 129; Rb. Charleroi 15 maart 2001, RRD 2001/99, 176; Kh. Charleroi 2 september 1998, JLMB 1999, 987; Voorz. Rb. Brussel (KG) 31 januari 1994, Rev.dr.étr. 1997/77, 36; Voorz. Rb. Brussel (KG) 11 juni 1993, JLMB 1993, 1037; Closset-Marchal G., «Exceptions de nullité, fins de non-recevoir et violation des règles touchant à l’organisation judiciaire», RCJB 1995, (643) 657; Englebert J., «La citation collective, conditions et sanctions», JLMB 1991, (205) 207; Van Compernolle J. en Closset-Marchal G., «Examen de jurisprudence (1985 à 1996) - Partie I», RCJB 1997, (495) 607; Vandeburie A., «La sanction de l’absence de connexité entre demandes ï¬gurant dans le même acte introductif d’instance. Le casse-tête de l’article 701 du Code judiciaire», RGDC 2007, (564) 569; Witmeur R., «Quelques réflexions à propos des procédures administrative et judiciaire», P&B 1996, (32) 40.
46 Witmeur R., «Quelques réflexions à propos des procédures administrative et judiciaire», P&B 1996, (32) 40.
47 Englebert J., «Citations collectives et autres problèmes de procédure liés à l’action collective» in Van Compernolle J. (ed.), Les actions collectives devant les différentes juridictions, CUP, 2001, 146.
48 Allemeersch B., «Recente ontwikkelingen op het stuk van sancties in het burgerlijk procesrecht» in Voet S. en Allemeersch B. (eds.), Gerechtelijk Recht: Themis 2019-2020 nr. 113, die Keure, 2020, 32.
49 Cass. 24 november 2008, AR nr. C.07.0432.F, Pas. 2008, 2635, concl. Genicot J. Zie in diezelfde zin Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 307; Taelman P., Van Severen C. en Van Doninck J., «Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht» in Taelman P. (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Wolters Kluwer, 2016, (303) 310, voetnoot 28.
50 Claus L., «Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger.W.)», Comm.Ger. 2023, (1) 5; Dauw P., «Commentaar bij art. 701 Ger.W.», Comm.Ger. 2003, (1) 34; Sobrie S., «Instelling van de vordering» in X. (ed.), Focus op burgerlijke rechtspleging, Kluwer, 2022, 107.
51 Deconinck B., «Naar een afbakening in de sanctieregeling?» in Laenens J. en Storme M. (eds.), De sanctieregeling in het gerechtelijk recht, Kluwer rechtswetenschappen, 1994, 94; Taelman P. en Thion P., «Bundeling van vorderingen», TPR 2003/4, (1489) 1505.
52 Baetens-Spetschinsky M., «De vorm van instelling van de met de hoofdvordering samenhangende vordering», RABG 2010, (1166) 1170; Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 307; Boularbah H. en Marquet C., «Pluralité de parties: quelques questions spécifiques aux litiges multipartites de la construction» in Dewaide X. en Dupont M. (eds.), Les obligations et les moyens d’action en droit de la construction, Larcier, 2012, (145) 147; Claus L., «Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger.W.)», Comm.Ger. 2023, (1) 5; Dauw P., «Commentaar bij art. 701 Ger.W.», Comm.Ger. 2003, (1) 30; De Wulf V., Les modes introductifs d’instance et de recours en matière civile, Wolters Kluwer, 2019, 138; Hoc A., Vanderschuren J. en Van Drooghenbroeck J.-F., «L’introduction de l’instance» in Boularbah H. en Georges F. (eds.), Actualités en droit judiciaire, Larcier, 2013, 181; Laenens J., «De bevoegdheid (1993-2000)», TPR 2002, 1566; Lerouge A., «L’absence de connexité entre des demandes formulées dans le même acte introductif entraîne la disjonction des causes», JT 2026, 407; Pire V., «L’application des règles rélatives à la connexité et les limites de la compétence du tribunal de police», Forum de l’assurance 2009, 192; Scheers D., Thiriar P. en Vanlerberghe B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, 309, voetnoot 2001; Taelman P., «Cumulatie van vorderingen - collectieve dagvaardingen» in Storme M. en Taelman P. (eds.), Het proces in meervoud - Le procès au pluriel, Bruylant, 1997, (1) 25; Taelman P. en Thion P., «Bundeling van vorderingen», TPR 2003/4, (1489) 1505-1506; Vanderosieren P., «Inleiding van de vordering» in Clijmans N. (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Wolters Kluwer Belgium, losbl., (IV.2) IV.2-63; Voet S., «Buitengerechtelijke en gerechtelijke afwikkeling van geschillen inzake producten, diensten en bouwwerken» in Claeys I. en Steennot R. (eds.), Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Kluwer, 2015, 738.
53 HvB Bergen 3 november 2014, TBH 2015/6, 603; HvB Gent 16 november 2006, P&B 2007/4-5, 317; HvB Gent 28 januari 2004, 2002/AR/1314, TIPR 2005/1, 23; Kh. Bergen 10 mei 2011, JT 2011/6447, 609; Kh. Brussel 14 september 2009, RW 2010-11/26, 1099; Rb. Gent 1 oktober 2013, RW 2013-14/13, 507; Rb. Hasselt 25 januari 2001, AJT 2000-2001, 701; Rb. Luik 28 september 1994, JLMB 1995, 549; Vred. Etterbeek 27 oktober 2022, T.Vred. 2023/9-10, 477.
54 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.
55 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.
56 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.
57 Cass. 17 september 1981, Arr.Cass. 1981, (92) 93.
58 Cass. 17 september 1981, Arr.Cass. 1981, (92) 93.
59 Cass. 8 december 2014, AR nr. S.12.0029.N.
60 Deconinck B. en Taelman P., «50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Deformalisering in het civiel procesrecht. Een terugblik met evaluatie en een toekomstvisie» in De Codt J., Deconinck B., Thijs D. e.a. (eds.), Le Code judiciaire a 50 ans. Et aprèsâ¯? / 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu?, Larcier, 2018, (537) 542; Taelman P., Van Severen C. en Van Doninck J., «Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht» in Taelman P. (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Wolters Kluwer, 2016, (303) 305.
61 Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek: Verslag van de heer Van Reepinghen, SENAAT, 1963-1964, 10 december 1963, S. 60, 207.
62 Deconinck B. en Taelman P., «50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Deformalisering in het civiel procesrecht. Een terugblik met evaluatie en een toekomstvisie» in De Codt J., Deconinck B., Thijs D. e.a. (eds.), Le Code judiciaire a 50 ans. Et aprèsâ¯? / 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu?, Larcier, 2018, (537) 571.
63 Ibid., 572.
64 Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 307.
65 Lerouge A., «L’absence de connexité entre des demandes formulées dans le même acte introductif entraîne la disjonction des causes», JT 2026, 407.
66 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.
67 Cass. 4 december 2025, AR nr. C.25.0121.N, concl. Ravyse S.; Decoster D., «De rol in het burgerlijk procesrecht» in X. (ed.), Handboek burgerlijk procesrecht, Wolters Kluwer Belgium, 2025, (251) 255; Pire V., «Commentaire art. 717 C. jud. - Sanction de la non-inscription au rôle» in Menetrey S. (ed.), Droit judiciaire. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 1.
68 De samenhang staat immers toe om van bepaalde bevoegdheidsregels af te wijken. Zie hiervoor art. 566 Ger.W., dat verwijst naar bepaalde delen uit de regeling van art. 565 Ger.W.
69 Marchandise M., Traité de droit civil belge. VI. La prescription: principes généraux et prescription libératoire, Bruylant, 2014, 124; Wilms W., Dagvaarding en verjaring (artikelen 2244 e.v. B.W.)., Maklu, 1990, 6.
70 Zie Marchandise M., Traité de droit civil belge. VI. La prescription: principes généraux et prescription libératoire, Bruylant, 2014, 141.
71 Zie art. 700, tweede lid Ger.W. en art. 40, derde lid Wet Taalgebruik Gerechtszaken.
72 Marchandise M., Traité de droit civil belge. VI. La prescription: principes généraux et prescription libératoire, Bruylant, 2014, 152.
73 Boularbah H., «Nature et sanction(s) de l’article 701 du Code judiciaire», JT 2009, 307; Dauw P., «Commentaar bij art. 701 Ger.W.», Comm.Ger. 2003, (1) 30; Hoc A., Vanderschuren J. en Van Drooghenbroeck J.-F., «L’introduction de l’instance» in Boularbah H. en Georges F. (eds.), Actualités en droit judiciaire, Larcier, 2013, 181; Taelman P. en Thion P., «Bundeling van vorderingen», TPR 2003/4, (1489) 1506.
74 Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, BS 20 december 2018, 101202.
75 Art. 4, § 2 Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, BS 31 maart 2013, 46565.
76 GwH 13 februari 2020, 22/2020.
77 Vred. Etterbeek 27 oktober 2022, T.Vred. 2023/9-10, 477.