Strafrecht – strafuitvoering – rechtspositie gedetineerde

In het arrest nr. 39/2026 van 2 april 2026 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » , in de interpretatie dat de gedetineerde geen beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen, ongrondwettig is. Uit niets blijkt immers waarom de nood aan een rechtsbescherming, aangepast aan de detentiesituatie, wel zou gelden ten aanzien van de beslissing, maar niet ten aanzien van de uitvoering ervan. In de interpretatie dat het beklagrecht van de gedetineerde niet alleen betrekking heeft op de beslissing zelf, maar ook de wijze van uitvoering ervan, is artikel 148, eerste lid, wel grondwettig.

p 1560 | 39/2026 | | Grondwettelijk Hof