Vreemdelingenrecht - Verzoek om internationale bescherming - Persoonlijk onderhoud - Videoconferentie - Verwerking van persoonsgegevens - Machtiging aan de Koning

In het arrest nr. 73/2026 van 18 juni 2026 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 51/5, 51/8 en 51/10 van de wet van 15 december 1980, in die zin geïnterpreteerd dat zij toestaan dat het persoonlijk onderhoud per videoconferentie plaatsvindt, ongrondwettig zijn, in zoverre zij niet of onvoldoende de essentiële elementen van het gebruik van de persoonsgegevens regelen. Het Hof oordeelt eveneens dat de artikelen 57/1, § 3, eerste lid, 57/5ter, § 1, 57/6/7, § 4, eerste lid, en 57/24, eerste lid, van dezelfde wet ongrondwettig zijn, in die zin geïnterpreteerd dat zij de Koning ertoe machtigen te bepalen dat het erin beoogde persoonlijk onderhoud per videoconferentie plaatsvindt, in zoverre zij evenmin de nodige essentiële elementen inzake persoonsgegevens bepalen. Dezelfde bepalingen zijn echter wel grondwettig, indien zij zo worden geïnterpreteerd dat het persoonlijk onderhoud met een verzoeker om internationale bescherming niet per videoconferentie mag plaatsvinden.

p 40 | 73/2026 | | Grondwettelijk Hof