Inkomstenbelastingen – Belasting op lijfrente – Belastbare grondslag – Forfaitair bedrag

In het arrest nr. 60/2020 van 7 mei 2020 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de artt. 17, § 1, 4°, en 20 WIB 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2014, geen discriminatie inhouden. Laatstgenoemde bepaling, die nog steeds geldt, «beperkt» het belastbare bedrag tot 3% van het gestorte kapitaal. Uit de parlementaire voorbereiding leidt de verwijzende rechter af dat de wetgever daarmee de rentecomponent van de lijfrente-uitkering op forfaitaire wijze wilde vaststellen en dus niet louter de belastbare grondslag wilde begrenzen. Lijfrenteverzekeringen met afstand van kapitaal komen voor in verschillende vormen, met de meest diverse modaliteiten voor de berekening van de lijfrente-uitkeringen. Bovendien kan het bedrag van de lijfrente-uitkeringen sterk fluctueren, met name wanneer het is gekoppeld aan het rendement van beleggingsfondsen, zoals in het geschil voor de verwijzende rechter het geval is. De rentecomponent van de lijfrente-uitkering kan in sommige jaren minder, in andere jaren meer dan 3% van het afgestane kapitaal bedragen. Het is bijgevolg niet kennelijk onredelijk dat de wetgever in een forfaitaire belastbare grondslag heeft voorzien.

p 120 | 60/2020 | | Grondwettelijk Hof